Met gebogen hoofd en gevouwen handen stond Soetkin zwijgend tegen
den muur van den keuken. En Uilenspiegel had zijne armen om heuren
hals geslagen, zonder spreken of weenen.
Hij was verschrikt van het koortsvuur dat in zijn moeders lichaam
brandde.
De buren, die terugkwamen, zeiden dat Klaas gedaan had met lijden.
--Hij is in den hemel, sprak de weduw.
--Bid voor hem, sprak Nele tot Uilenspiegel, en zij gaf hem heuren
rozenkrans; maar hij stiet dien van zich af, omdat, zoo hij zeide,
de bollekens door den paus gewijd waren.
De nacht was gevallen en Uilenspiegel zei:
--Moeder, ga slapen, ik zal bij u waken.
--Gij moet niet waken, sprak Soetkin, want de slaap doet goed aan
jonge menschen.
Nele maakte hun elk eene legerstee in de keuken en ging toen henen.
En zij bleven er getweeën, terwijl het vuur van de wortels in den
heerd uitbrandde.
Soetkin ging slapen, Uilenspiegel deed als zij en hoorde ze weenen
in heur bedde.
Buiten, in de nachtelijke stilte, deed de wind de boomen huilen lijk
de zee en joeg, als voorboden van den herfst, dwarrelende stofwolken
tegen de ruiten.
Het scheen Uilenspiegel dat hij een man zag over en weer gaan, dat
hij stappen hoorde in de keuken. Toen hij opkeek, zag hij den man
niet meer; maar hij luisterde en hoorde alleen den wind, die in den
schoorsteen huilde en Soetkin, die in heur bedde weende.
Dan opnieuw hoorde hij stappen, en, achter zich, tegen zijn hoofd,
een bangen zucht.--Wie is daar? sprak hij.
Niemand antwoordde, maar hij hoorde drie kloppen op de
tafel. Uilenspiegel, verschrikt en huiverend, vroeg nogmaals:--Wie is
daar? Hij kreeg geen antwoord, maar hoorde drie kloppen op de tafel
en voelde twee armen die hem vastgrepen, en over zijn gelaat zich
een ruig lichaam buigen, dat een groot gat in de borst had en naar
verbrand rook.
--Vader, sprak Uilenspiegel, is het uw arm lichaam, dat aldus op
mij drukt?
Hij kreeg geen antwoord, en, hoewel de schimme omtrent hem was,
hoorde hij buiten roepen: "Thijl! Thijl!" Soetkin stond schielijk op
en kwam aan Uilenspiegel's bed. "Hoort gij niets?" vroeg zij hem.
--'t Doet, vader die mij roept.
Ik, sprak Soetkin, ik heb een koud lichaam in mijn bedde gevoeld;
en de stroozakken schudden en de gordijnen gingen open en toe en
'k hoorde eene stemme die sprak: "Soetkin"; eene stemme die zwak
als een ademtocht was, en stappen zoo licht als het dansen der
muggen. Vervolgens tot den Geest van Klaas sprekend, zegde zij:
"Man, zoo gij iets begeert in den hemel alwaar God U opgenomen heeft,
moet gij het zeggen, opdat wij uwen wil kunnen volbrengen."
Eensklaps sloeg de wind met geweld de deur open en de kamer werd
met stof vervuld, en Uilenspiegel en Soetkin hoorden in de verte een
akelig ravengekras.
Zij kwamen samen buiten en gingen naar den brandstapel.
Het was stikdonker, behalve wanneer de gure Noordenwind de wolken in
den hemel als herten voortjoeg en de bleeke maan heur zilveren licht
ter aarde zond.
Een stadsserjant stond op wacht bij den brandstapel. Soetkin en
Uilenspiegel hoorden den klank zijner stappen op den harden grond en
het gekras eener raaf, die zekere raven bijriep, want het werd in de
verte beantwoord door andere raven.
Als Uilenspiegel en Soetkin bij den brandstapel waren, viel de raaf
op Klaas' schouderen neer, en zij hoorden heur pikken in het lijk,
en andere raven vlogen weldra bij.
Uilenspiegel wilde op den brandstapel springen om de raven te verjagen;
de serjant sprak tot hem:
--Tooveraar, 't is nuttelooze moeite die gij doen gaat, weet dat de
handen van verbranden het vermogen niet hebben onzichtbaar te maken
als die van gehangenen.
--Heer serjant, antwoordde Uilenspiegel, ik ben geen tooveraar, maar
de wees van hem die daar hangt, en deze vrouw is zijne weduwe. Wij
willen hem nogmaals kussen en een weinig van zijne assche meenemen,
tot gedenkenis. Laat het ons toe, heer, gij die geen vreemd soldenier,
maar een zoon van Vlaanderen zijt.
--Doet als gij vraagt, antwoordde de serjant.
De wees en de weduw klommen op het verkoold hout en kwamen bij het
lijk; weenend kusten zij Klaas zijn gezicht.
Ter plaats van het hert, waar de vlam een groot gat had geknaagd, nam
Uilenspiegel een weinig asch van den doode. Vervolgens nederknielend,
begonnen zij te bidden. En toen de ochtendschemering de kimmen lichtte,
zaten beiden daar nog; doch de sergeant deed hen heengaan, uit vreeze
voor straf.
Thuis, nam Soetkin een stukje roode en een stukje zwarte zijde; zij
maakte een zakje van, in hetwelk zij de assche stak; en zij naaide
twee linten aan het zakje, opdat Uilenspiegel het om den hals kon
dragen. Zij langde hem het zakje en sprak:
--Dat deze assche, die het hert van mijn man is, dit rood, dat zijn
bloed is, dit zwart, dat onze rouw is, steeds op uwe borst blijve,
als een vuur van wrake voor zijne beulen!
--Dat zal, zwoer Uilenspiegel.
En de weduw kuste den wees, en de zonne stond op.