In het baljuwschap Meiborg ging Klaas door een smal boschje: de
ezel hapte hier en daar naar een distel; Uilenspiegel smeet zijne
kaproen naar de vlinders en ving ze weer op, zonder van den ezel te
komen. Klaas at eene snede brood en nam zich voor, die in de naaste
taveerne te begieten. Van verre hoorde hij een klokje kleppen en een
gedruisch als van vele menschen die altegader spreken.
--'t Is eene bedevaart, en de heeren pelgrims zijn zeker in grooten
getale. Houd u goed vast, mijn zoon, dat zij u niet van het grauwtje
stooten. Wij zullen zien. Komaan, ezeltje, wat gauwer, toe!
En de ezel draafde.
Zij verlieten den zoom van het bosch en daalden naar een groote vlakte,
ten Westen door eene rivier bespoeld. Aan den Oosterkant stond een
kleine kapel, den gevel versierd met een beeld der Lieve-Vrouwe, met
twee stieren aan heure voeten. Op de trappen van de kapel stonden een
heremiet--die giegelend, aan 't kleppen was--vijftig staffieren met
brandende keersen in de hand, spelers, klokluiders en trommelslagers,
klaroenblazers, pijpers, schalmei- en doedelzakspelers, alsmede een
hoop lustige gezellen, die bakken vol oudroest in de handen hielden,
doch voor het oogenblik allen stille zwegen.
Meer dan vijf duizend pelgrims, in gesloten gelederen, elk van zeven
man, met helmen op en stokken van groen hout in de hand, gingen hen
voorbij. Dan schaarden zij zich, telkens zeven, vóór de kapel. Zij
lieten hunne stokken zegenen en kregen elk eene keers uit de handen
der staffieren, in ruil waarvan zij den heremiet een halven florijn
betaalden.
En hunne processie was zoo lang, dat de keersen van de eersten
opgebrand waren, toen die van de laatsten nog hare volle lengte hadden.
Klaas, Uilenspiegel en de ezel verlustigden zich met aldus een groote
verscheidenheid breede, hooge, lange, puntige, fiere, ronde of slappe
buiken te zien voorbijgaan.
Al de pelgrims hadden helmen op. Er waren er die van Troje kwamen,
andere, die phrygische mutsen leken. Sommige pelgrims hoewel met bolle
wangen en dikke buiken, droegen helmen met uitgespreide vleugelen,
doch hadden geenerlei zin tot vliegen. Anderen waren gekapt met
zoogenaamde "salades", door de slakken onwaardig gekeurd omdat ze
niet groen genoeg waren.
Maar het meerendeel had helmen, zoo oud en verroest, dat ze uit den
tijd schenen te zijn van Gambrinus, koning van Vlaanderen en koning
van het bier, dewelke regeerde negenhonderd jaar vóór Christus en eene
pint op zijn hoofd droeg, uit vrees niet op tijd te kunnen drinken,
bij gebrek aan een beker.
Eensklaps begonnen klokken, pijpen, schalmeien, trommelen en het
oudroest te kleppen, te fluiten, te schallen, te slaan en te kletteren.
Het was het sein voor de pelgrims zich omme te keeren en bij groepen
van zeven zich nu tegenover elkaar te plaatsen. Als uitdaging stak elk
de brandende keers in het gelaat van zijn overman. Daardoor ontstond
groot genies en daarna regende het stokslagen.
Ze vochten en sloegen met handen en voeten, met hoofden, met alles. Er
waren er, die, gelijk de rammen, op hunne tegenstrevers vielen, met
den helm vooruit, die bij den eersten schok over hunne ooren schoot,
en als blinden terechtkwamen op zeven andere woedende pelgrims,
die hen verwelkomden, maar niet met zachtheid.
Anderen, schreeuwers en bloodaards, jammerden om de ontvangen slagen,
maar bij het prevelen hunner gebeden werden ze bliksemsnel door nieuwe
zeventallen overvallen en zonder genade omvergeloopen of omvergetrapt.
En de heremiet lachte.
Verderop zag men zeventallen, die als klissen aan elkaar hingen en
van boven naar beneden in het water rolden; maar zij bleven elkaar
toetakelen en ranselen, zonder dat het water hunne woede bekoelde.
En de heremiet lachte.
Zij, die boven gebleven waren, sloegen elkander de oogen blauw en de
tanden vaneen, rukten elkanders haren uit, en scheurden wambuizen en
hoozen aan stukken.
En de heremiet lachte en sprak:
--Dapper aan, vrienden: wie 't hardst slaat, bemint het meest. Aan de
kloekste vechters, de schoonste liefjes! Hier ziet Onze Lieve Vrouw
van Rindbisbels, wie man is!
En de pelgrims sloegen als op kaf.
Middelerwijl was Klaas den heremiet genaderd, terwijl Uilenspiegel
lachend en gierend op de slagen bleef toekijken.
--Eerwaarde vader, vroeg hij, welke misdaad hebben die arme sukkelaars
bedreven, om elkander zoo wreedelijk te mishandelen?
Doch zonder hem te aanhooren, riep de heremiet:
--Luieriken! gij verliest den moed. Als de vuisten moede zijn, zijn
de voeten het immers nog niet! Zijn er onder U, die beenen hebben om
te vluchten als hazen? Wat doet het vuur uit de steenen springen? Het
ijzer, dat er op slaat!
Op die woorden gingen die onnoozele pelgrims voort te vechten met
helmen, met handen en met voeten. 't Was een verwoede strijd, waarvan
Argus met zijn honderd oogen niets hadde gezien dan stofwolken en
hier en daar de punt van een helm.
Doch eensklaps begon de heremiet te kleppen. Pijpen, trommelen,
trompetten en schalmeien en het oudroest staakten hun gedruisch,
tot teeken van vrede.
De pelgrims brachten nu hunne gekwetsten bijeen. Er waren er, wier
tong, gezwollen van gramschap, uit den mond hing. Maar die ging van
zelve in hare verblijfplaats terug. Moeilijker was het om de helmen
af te trekken, die tot ver over de ooren zaten. Zij schudden den kop
en bleven hem schudden: de helmen waren vast gelijk groene pruimen
aan den boom.
Doch toen sprak de heremiet:
--Leest elkeen een ave en keert terug naar uw wijf. En binnen negen
maanden zullen evenveel kinderen meer in het baljuwschap zijn, als
heden 't gevecht dappere strijders telde.
En de heremiet zong het ave voor, en allen zongen het mee. En de
klok klepte.
De heremiet zegende hen in name van Onze Lieve Vrouwe van Rindbisbels
en sprak tot de pelgrims:
--Gaat in vrede!
En roepend en stompend en zingend, trokken zij naar Meiborg terug. Al
de vrouwen, oude en jonge, wachtten hen op den dorpel van de huizen,
waar zij binnenvlogen als soldeniers in een stormenderhand veroverde
stad.
De klokken van Meiborg luidden al te gader: de jongens floten, riepen,
speelden op den rommelpot.
Pinten en stoopen, bekers en glazen gingen lustig aan 't klinken en
rinkelen. En de wijn vloeide in de kelen als een stroom in de zee.
Terwijl de klokken luidden en de wind, bij vlagen, aan Klaas 't gezang
van mannen, vrouwlieden en kinderen bracht, vroeg hij opnieuw aan den
heremiet, welke hemelsche gratie die sukkelaars hoopten te verkrijgen,
na die hardhandige oefeningen.
Lachend antwoordde hem de heremiet:
--Op die kapel daar, ziet ge twee gekapte beelden, die twee stieren
voorstellen. Zij staan daar ter herinnering aan het mirakel van den
heiligen Martinus, die twee ossen in stieren veranderen deed, door
hen met de horens te doen vechten. Daarna streek hij meer dan een
uur keersvet over hunnen snuit, en sloeg er met den stok op.
Welnu, ik kende het mirakel. Ik vroeg Zijne Heiligheid om eene
vergunning, die ik duur betaalde en kwam mij vestigen in dit oord.
Toen preekte ik over het wonder en weldra kregen al de mannen, zoo
ouden als jongen, de zekerheid dat Onze Lieve Vrouwe hun genadig was
als ze goed gevochten hadden met de keers die de zalf, en den stok die
de kracht is. Hierheen is het, dat de vrouwen heuren man sturen. De
kinderen, die uit kracht van de bedevaart verwekt zijn, worden vlug
en wreedaardig, geweldig en roekeloos en, later, vrome soldaten.
Eenklaps vroeg de heremiet aan Klaas:
--Herkent gij mij?
--Ja, sprak Klaas, gij zijt mijn broeder Judocus.
--Gij zijt er, antwoordde de heremiet, maar wie is die bengel daar,
die leelijke gezichten naar mij trekt?
--'t Is uw neef, was 't antwoord van Klaas.
--Welk verschil maakt gij tusschen keizer Karel en mij?
--'t Is groot, sprak Klaas.
--'t Is klein, wedervoer Judocus: de keizer doodt de menschen en bij
mij krijgen ze klop, tot ons beider profijt en vermaak.
Dan bracht hij Klaas en Uilenspiegel naar zijne kluis, waar zij elf
dagen achtereen kermis vierden.