Als Klaas afscheid nam van zijn broer, steeg hij op zijn ezel, met
Uilenspiegel achter zich. Op de Markt van Meiborg stonden velerhande
pelgrims en als zij hen zagen, ontstaken ze in woede en hieven de
stokken dreigend omhoog. En allen riepen "Schelm! Nietdeug!" om
den wille van Uilenspiegel, die zijne hooze losgemaakt en zijn hemd
opgetrokken had, en zijne achterkaken liet zien.
Klaas, ziende dat ze zijn zoon bedreigden, vroeg hem:
--Wat hebt gij gedaan, dat zij zoo kwaad op u zijn?
--Vadertjelief, antwoordde Uilenspiegel, ik zit op den ezel en zeg
tot niemand een woord, en toch schelden ze mij uit voor een nietdeug.
Toen deed Klaas hem langs voren zitten.
In die postuur stak Uilenspiegel de tong uit naar de pelgrims, en
roepend en tierend balden ze hunne vuisten en dreigden met hunne
stokken Klaas en den ezel.
Maar Klaas sloeg op zijn ezel om hunne woede te ontvlieden. Toen de
pelgrims hen met rust lieten, sprak Klaas tot zijn zoon:
--Gij zijt onder een zeer slecht gesternte geboren, want gij zit vóór
mij, doet niemand kwaad en toch willen ze u dooden!
Uilenspiegel hield zijn buik vast van 't lachen.
Terwijl Klaas door 't Land van Luik reed, hoorde hij zeggen, dat
die van Rivage hongersnood leden en dat ze gesteld waren onder
de jurisdictie van den officiaal, eene vierschaar van geestelijke
rechters. Zij maakten opstand om brood en om wereldlijke rechters
te bekomen. Eenigen werden onthoofd of gehangen, anderen uit het
land gebannen; dàt was de goedertierenheid van den zachtzinnigen
aartsbisschop, den hoogweerdigen Van de Marck.
Klaas zag onderwege de gebannenen, die de zoete vallei van Luik
ontvloden, en, aan de boomen, omtrent de stad, zag hij de lijken van
hen die gehangen waren, omdat zij de misdaad begaan hadden, honger
te hebben. En Klaas schreide over hunnen rampspoed.