Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven
florijnen een ezel en negen halsters boonen, en op een morgen besteeg
hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun
oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent
Meiborg, in de Duitsche landen.
Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest,
had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen
opgevat en leefde in eenzaamheid.
Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen
vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst
toegetakeld had.
Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale,
twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en
kruidenwijn.
Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie
ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar
altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En 't was wonderlijk
ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder
de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren
schenden en rooven.
Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen
borstel in 't vuur, die door het schroeien der haren de lucht met
een geweldigen stank vervulde.
Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen
de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen
weldra elkander in 't haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in
het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en
de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer
zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts
halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de
kamer verdreven.
En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken,
van kousen, van hemden en ook oude tanden.
En droefgeestig zei hij tot zich zelven:
--Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong
achtergelaten.