Op een morgen zag Soetkin haren man met gebogen hoofd in de keuken
staan, in gedachten verdiept.
--Wat scheelt er toch, man? vroeg zij. Ge ziet bleek, gij zijt kwaad
en verstrooid.
Met eene stem, als een hond die bromt, antwoordde Klaas:
--De wreede plakkaten des keizers gaan ze weer uithalen. Opnieuw gaat
de dood over Vlaanderenland heerschen. De aanbrengers krijgen de helft
van de have der slachtoffers, als de have de honderd karolusgulden
niet te boven gaat.
--Wij zijn arm, sprak zij.
--Arm, zeide hij,... niet arm genoeg. Er zijn lage zielen, gieren
en raven, die ons zouden aanklagen, zoowel om een zak kolen als om
een zak karolussen met Zijne Majesteit te deelen. Wat bezat het arme
Tanneken, de weduw van Sies den kleermaker, die ze te Heist levend
begroeven? Een Latijnschen bijbel, drie gouden florijnen en wat potten
van Engelsch tin, waarop eene buurvrouw loerde. Wantje Martens werd
eerst in 't water geworpen; haar lijf dreef boven, en daarin zag
men hekserij, weshalve zij als tooveres verbrand werd. Zij had wat
gebroken meubelen, zeven gouden karolussen in een lederen tassche,
en de aanklager vroeg er de helft van. Eilaas! nog tot morgen zou ik
aldus kunnen spreken: maar wat baat het, vrouw: in Vlaanderen is het
leven onhoudbaar om den wille van de plakkaten. Welhaast zal telken
nacht de kar van den Dood dof door de straten rijden en wij zullen
zijne beenderen hooren rammelen.
Soetkin sprak:
--Jaag me geen schrik aan, Klaas. De keizer is de vader van Vlaanderen
en Brabant; als dusdanig is hij braaf en grootmoedig, geduldig
en genadig.
--Daarbij zou hij te veel verliezen, antwoordde Klaas, want de
verbeurdverklaarde goederen komen hem bij erfenis toe.
Plotseling hoorde men de trompet en de cimbels van den
stadsuitroeper. Op dat geluid kwamen Klaas en Soetkin, die beurt om
beurt Uilenspiegel op den arm droegen, met de volksmenigte toegeloopen.
Zoo kwamen zij aan het schepenhuis. Voor de pui waren de herauten te
peerd, op bazuinen blazend en op cimbels slaande, de provoost met de
roede der justitie in de hand en de stadsprocureur, ook te peerd,
die eene ordonnantie des keizers in de hand hield en zich gereed
maakte ze aan vergaderde volksmenigte voor te lezen.
Klaas vernam, dat het andermaal aan allen in 't algemeen en aan elk in
't bijzonder verboden was, te drukken, te lezen, in bezit te hebben of
voor te staan, de boeken, schriften of leerstellingen van Martinus
Luther, van Joannes Wycliff, Joannes Huss, Marcilius van Padua,
Æcolampadius, Ulricus Zwinglius, Philippus Melanchton, Franciscus
Lambertus, Joannes Pomeranus, Otto Brunselsius, Justus Jonas, Joannes
Pupperis en Gorcianus, de Nieuwe Testamenten gedrukt door Adriaan
van Bergen, Christoffel van Roemonde en Joannes Zell, vol Luthersche
en andere heresiën, verworpen en veroordeeld door de Faculteit der
godgeleerdheid van de Universiteit van Leuven. Mitsgaders te maken of
te doen maken smadelijke konterfeitsels of afbeeldsels van God, van de
heilige Maagd Maria of van de santen; te breken, te scheuren of uit te
wisschen de beelden of konterfeitsels, vervaardigd tot verheerlijking
van en tot aandenken aan God en de Maagd Maria of de heiligen der kerk.
Verder zei het plakkaat, dat het aan niemand toegelaten was, tot welken
staat hij ook mocht behooren, zich te vermeten de Heilige Schrifture te
bespreken of over haar te twisten, zelfs niet op twijfelachtige punten,
tenzij door een godgeleerde van naam, erkend door eene Universiteit,
daartoe gemachtigd.
Onder andere straffen besliste Zijne Heilige Majesteit, dat
de verdachten nooit of nimmer een eerbaar ambt zouden kunnen
bekleeden. En zij, welke in hunne dolingen hervielen of bleven
volharden, zouden veroordeeld worden met een zacht of hard vuur,
in een strooien huis of gebonden aan een paal te worden verbrand,
al naar de sententie van den rechter. De anderen zouden omgebracht
worden door het zweerd als zij edelen of goede burgers waren, de
gemeene manslieden aan de galg geknoopt en de vrouwlieden levend
begraven. Om tot voorbeeld te strekken, zou hun hoofd op een paal
worden gestoken. Ten profijte van den keizer was er verbeurte hunner
goederen, overal waar verbeurdverklaring geschieden kon.
Zijne Heilige Majesteit schonk den aanbrengers de helft van al
hetgene de aflijvigen in eigendom bezeten hadden, zoo die have de
somme van honderd pond grooten, Vlaamsche munte, alles in 't alles,
niet te boven ging. En wat aanging het deel van den keizer, dit
zou hij aanwenden voor werken van godsvrucht en van bermhertigheid,
gelijk bij de plundering van Rome was geschied.
En treurig keerde Klaas naar huis, met Soetkin en Uilenspiegel.