Als Uilenspiegel gespeend was, groeide hij op lijk een boom.
Dan kuste zijn vader hem zoo dikwerf niet meer, maar voedde hem streng
op, opdat hij geen weekeling worden zou.
Als Uilenspiegel thuis kwam en kloeg, dat hij, bij een of anderen
twist, klop gekregen had, kreeg hij er nog klop bij van Klaas,
omdat hij de anderen niet geklopt had: en, aldus opgebracht, kreeg
Uilenspiegel den moed van een jongen leeuw.
Als Klaas er niet was, vroeg Uilenspiegel aan Soetkin een duit om te
spelen. Dan was Soetkin boos en sprak:
--Waarom moet ge gaan spelen? Blijf liever thuis, om mutsaards
te binden.
En als zij niets gaf, begon Uilenspiegel te blaten als een lam. Maar
Soetkin maakte dan veel leven met potten en pannen, om te gebaren
dat ze hem niet hoorde. Dan weende Uilenspiegel, en de zoete moeder
liet hare geveinsde hardheid af, kwam tot hem, streelde hem en vroeg:
"Hebt gij genoeg met een denier?" Nu, gij moet weten, dat een denier
zes duiten gold.
Zoo beminde zij hem te veel en, als Klaas er niet was, was Uilenspiegel
baas in huis.