Klaas had een grooten zalm gevangen, die op een Zondag gegeten werd
door hem en ook door Soetkin, Katelijne en den kleinen Uilenspiegel;
doch Katelijne at niet meer dan een vogelken.
--Maar, zei Klaas tot haar, is Vlaanderens lucht tegenwoordig zoo
voedzaam, dat gij maar moet ademhalen om gespijsd te wezen als met
een teil vleesch? Wanneer zal men kunnen leven zonder eten? De regen
moest goede soep zijn, de hagelsteenen erwten en de sneeuw stoverije;
dat zou den armen pelgrims versterking geven.
Katelijne schudde zwijgend het hoofd.
--Maar, moet gij daar zoo jammerend zitten? zei Klaas. Wat scheelt
er aan?
Toen sprak Katelijne met eene stem, zacht als een ademtocht:
--De booze geest, de zwarte nacht valt neer.--Daar meldt hij zijne
komst, met het geschreeuw van den nachtuil.--Rillend aanroep ik--te
vergeefs--de Heilige Maagd.--Voor hem, muren noch hagen, deuren noch
vensters.--Licht als een geest, dringt hij overal binnen.--Krakende
ladder.--Hij is bij mij, op den zolder waar mijne legerstee staat.--Hij
grijpt mij in zijn koude armen, als marmer zoo hard.--IJskoud is zijn
gelaat, en zijn kussen vochtig als de sneeuw.--De stroohut schudt en
slingert als een schuitje op de woelige zee....
--Elken morgen, zei Klaas, moet gij ter misse gaan, opdat de Heer
Jezus U de kracht geve dat helsche spook te verjagen.
--Hij is zoo schoon! sprak zij.