VII.

Dien dag besloot Zijne Heilige Majesteit keizer Karel, groote feesten

te houden, om de geboorte van zijn zoon te vieren. Evenals Klaas,

besloot hij uit visschen te gaan, niet in de vaart, doch in de beurzen

en tasschen zijner onderdanen. Daaruit is het dat vorstelijke lijnen

gouden karolussen, gouden lammeren, rozenobels, dubloenen, zilveren

daelders en al die wonderbare visschen trekken, die, naar willekeur

van den visscher, veranderen in fluweelen kleederen en schitterende

edelgesteenten, in lekkeren wijn en smakelijke gerechten. Want de

rivieren, die 't rijkst zijn aan visch, zijn niet die, waarin het

meeste water is.

Nadat Zijne Heilige Majesteit zijn raad bijeengeroepen had, besloot

hij, dat de vangst volgenderwijze geschieden zou:

De genadige infant zou rond negen of tien uren ten doop gebracht

worden; ten blijke van groote vreugde, zouden de inwoners van

Valladolid heel den nacht, op eigen kosten, feesten en kermissen,

en ten bate der armen, hun geld op de Groote Markt strooien.

Op vijf punten zou eene fontein, tot aan den dageraad toe, goeden

wijn spuiten, die door de stad moest betaald worden. Op vijf andere

plaatsen zouden, op houten kramen, allerhande worsten, ossetongen en

pasteien uitgestald worden, mede ten laste van de stad.

Op eigen kosten zouden de lieden van Valladolid, op den doortocht van

den stoet, in grooten getale zegebogen oprichten, den Vrede, het Geluk,

den Overvloed, de Fortuin voorstellend, en allerhande zinnebeeldige

toespelingen op de gaven des hemels, waarmede zij onder de regeering

van Zijne Heilige Majesteit begunstigd waren.

Ten slotte en behalve deze bogen van pais, zouden er andere opgericht

worden, waarop, in helle kleuren, minder goedertieren kenteekenen

zouden prijken, zooals arenden, leeuwen, lansen, hellebaarden,

vlammende spiesen, kanonnen, falkonetten, slangen met wijden mond,

mitsgaders al ander oorlogstuig, om op zinnebeeldige wijze de macht

en de kracht van Zijne Heilige Majesteit voor te stellen.

En, voor het verlichten der kerk zou, als een blijk van de genade

Zijner Majesteit, aan het gilde der keersgieters toegestaan worden,

voor niet, over de twintig duizend waskeersen te leveren, waarvan de

onopgebrande einden naar 't kapittel zouden gaan.

Al de andere kosten zou de keizer zelf betalen, om aldus te toonen,

dat het Zijner Goedertierenheid behaagde, zijne volkeren niet te zeer

te belasten.

Als de gemeente die bevelen uitvoerde, kwamen jammerlijke tijdingen uit

Rome. Oranje, Alençon en Frundsberg, bevelhebbers van den keizer,

waren binnen de heilige stede gedrongen en hadden er kerken,

kapellen en huizen verwoest en geplunderd, niemand, priesters,

nonnen, moeders noch kinderen, sparend. Den Heiligen Vader hadden zij

gevangengenomen. De plundering duurde reeds een volle week; ridders en

landsknechten doolden door Rome, zwelgend en brassend, met de wapens

zwaaiend, op zoek naar de kardinalen, roepende en tierende, dat zij

hen allen derwijze verminken zouden, dat geen hunner ooit paus zou

worden. Enkelen hadden die bedreiging reeds ten uitvoer gebracht en

dweilden langs de straten met halssnoeren van acht-en-twintig of meer

bloedige bollen, groot als okkernoten. De wegen leken roode beken,

waarin de verminkte lijken der vermoorden lagen.

Onder het volk werd gezegd, dat de keizer, die geld noodig had, er

wilde visschen in het bloed van de priesters, en dat hij bekend met

het tractaat, den gevangen paus door zijne bevelhebbers opgelegd, hem

dwong afstand te doen van al de versterkte plaatsen zijner Staten,

400.000 dukaten te betalen en gevangen te blijven totdat aan die

voorwaarden voldaan was.

Nochtans was de droefheid van Zijne Majesteit zoo groot, dat hij al

de toebereidselen van vreugde, feesten en vermakelijkheden afzegde

en den heeren en edelvrouwen van zijn huis beval den rouw aan te nemen.

En de infant werd gedoopt in zijn witte doeken, ten teeken van

koninklijken rouw.

Dat alles aanschouwden de heeren en edelvrouwen als voorteekenen

van rampspoed.

Desniettemin toonde de voedster den infant aan de edelen en edelvrouwen

van het koninklijk huis, opdat zij hem, naar aloud gebruik, hunne

wenschen en giften zouden bieden.

Mevrouw de la Coena hing om zijn hals een zwarten steen tegen het

vergif, zoo rond en zoo groot als eene hazelnoot, in een gouden

ring gevat; Mevrouw de Chaussade bond aan een zijden draadje eene

schelp, wolfsmuil geheeten, hangende op zijne maag, voor de goede

spijsvertering; messire Van der Steen, uit Vlaanderen, bood hem een

Gentsche worst, vijf ellebogen lang en een halven dik, en wenschte

daarbij hoogstnederig aan Zijne Hoogheid, dat hij, alleen op den

reuk van de worst, dorst mocht krijgen naar Gentschen klauwaard,

daarbij voegende dat, al wie het bier eener stad lust, de brouwers

niet kan haten; messire jonker Jacob Christoffel van Castilië bad

Zijne Hoogheid den Infant een groenen jaspis aan zijn doorluchtige

voetjes te willen dragen, opdat hij goed zou kunnen loopen. Jan de

Paepe, de nar, die daar ook was, sprak toen:

--Messire, geef hem liever den horen van Jozua, op wiens geschal al de

steden, met alles wat er in was aan mannen, vrouwlieden en kinderen,

zich in beweging zetten en liepen. Want Zijne Hoogheid moet niet

leeren zelf te loopen, maar wel de anderen te doen loopen.

De bedrukte weduwe van Floris van Borsele, in leven heer van Veere

in Zeeland, schonk aan Zijne Hoogheid Philippus eenen steen die,

naar zij zegde, de eigenschap had de mannen verliefd en de vrouwen

ontroostbaar te maken.

Maar de infant schreide zonder ophouden.

Uilenspiegel schreide ook, maar Klaas stak hem een wisschen klater

met belletjes in de hand, deed hem op zijne hand dansen en sprak:

Klingelingeling, hadt gij maar altijd belletjes aan uw kaproen,

mijn zoon, want de gekken zijn meester van de wereld.

En Uilenspiegel lachte zijn vader toe.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 12 / 195 题