Uilenspiegel werd ten doop gebracht, toen plotseling een hevige
regenbui viel, die hem gansch nat maakte. Zoo werd hij voor de eerste
maal gedoopt.
Als hij nu de kerk binnengebracht werd, kwam de kosterschoolmeester
aan peter en meter, vader en moeder zeggen, dat zij zich rond de
doopvont moesten scharen, hetgeen zij deden.
Maar boven de vont, was er in 't gewelf een gat, dat een metser gekapt
had om er eene lamp aan een vergulde sterre te hangen. De metser, die,
van boven, peter en meter stokstijf rond de toegedekte vont zag staan,
goot verraderlijk door het gat een emmer water, dat, tusschen hen, met
groot geplas op het deksel van de vont kletste. Doch Uilenspiegel kreeg
er het grootste deel van. En zoo werd hij voor de tweede maal gedoopt.
De deken kwam; zij deden hem hun beklag, maar hij zei hun van zich te
haasten, dat het een ongeluk was. Uilenspiegel ging te werk als een
bezetene, om den wille van het water, dat op hem gespat was. De deken
gaf hem het zout en het water en heette hem Thijlbert, wat zeggen wil:
"altijd ongedurig". En zoo werd hij voor de derde maal gedoopt.
Uit Onze Lieve Vrouwekerk ging men daar rechtover, in de Langestraat,
eene taveerne binnen, die voor uithangbord een rozenkrans had, met
eene pint in het midden. Zij dronken er zeventien pinten dobbele kuite
en nog meer. Want in Vlaanderen, als men nat is, droogt men zich met
een vuur van bier in den buik. Zoo werd Uilenspiegel voor de vierde
maal gedoopt.
Met het hoofd zwaarder dan 't lichaam, strompelden ze huiswaarts;
zoo kwamen ze aan een brugje over eenen poel; Katelijne, die
meter was, droeg het kind; zij struikelde en viel in de modder met
Uilenspiegel. Zoo werd hij voor de vijfde maal gedoopt.
Men trok hem uit den poel. In 't huis van Klaas werd hij met lauw
water gewasschen. Dit was zijn zesde doopsel.