in staat zijn, mij zoolang te weêrstaan? Gij liegt, zeg ik u, en ik
eisch, dat zij zich allen overgeven!"
"Nog eens zeg ik u, dat dit de geheele bezetting is," antwoordde
Bertha kalm. "Het gansche kasteel is ledig."
Verwonderd staarde Vianen het kleine hoopje volks aan, en een blos
van schaamte verfde zijne kaken bij de gedachte, dat vijftien mannen
zijne geduchte macht zoolang weerstand hadden geboden.
"'t Is wel!" riep hij uit, en zich tot zijne krijgers wendende,
gebood hij:
"Sluit ze allen op! De kerkers hebben plaats genoeg!"
Maar daar trok plotseling Jonker Jan het zwaard, dat nog altoos aan
zijne zijde hing.
"Bij St. Joris, dat zal niet gebeuren!" donderde hij Vianen toe. "De
Edelvrouwe zal den kerker niet binnentreden!"
"Slaat hem dood!" schreeuwde Vianen. "Wat denkt die knaap wel! Slaat
hem dood!"
Stellig zou dat bevel uitgevoerd zijn, indien Bertha niet tusschenbeide
getreden ware.
"Steek dat zwaard op, Jonker!" gebood zij. "Ik heb immers
gestreden, evenals gijlieden? Waarom zou ik dan in hetzelfde lot
niet deelen? Steek het zwaard op, Jonker. Vianen is in zijn recht,
al kon hij anders handelen."
Jonker Jan gehoorzaamde onwillig. Spoedig werden allen ontwapend en
in een kerker opgesloten.
Vianen trok den burcht binnen en nam in naam van Graaf Jan van alles
bezit. Hij liet het wapen van IJselstein van den toren halen en den
Hollandschen liebaard daarvoor in de plaats stellen. Toen zond hij
een renbode naar 's-Gravenhage, om den Graaf en Heer Wolfert van
Borselen van den val van IJselstein kennis te geven.
Daarna liet hij Peer uit zijn kerker sleuren en sprak het vonnis over
hem uit. 't Was een verschrikkelijk vonnis: hij moest geradbraakt
worden. Het werd op staanden voet uitgevoerd. Onder de ijselijkste
kreten liet hij het leven...
Vianen zond zijn kind onder een gewapend geleide naar zijn kasteel
terug en voerde zelf zijne gevangenen in triomf naar Dordrecht, waar
hij door zijn vriend Aloud met gelukwenschen werd ontvangen. Doch
de poorters van die stad ontblootten overal, waar Bertha en hare
dienaren voorbijtrokken, eerbiedig het hoofd. Zij bewezen hulde aan
de betoonde dapperheid.
Heer Wolfert van Borselen, die steeds op eigen voordeel bedacht was,
schonk het rijke IJselstein aan zijne gemalinne in eigendom.
HOOFDSTUK 10
De loting
Er heerschte eene ongewone drukte op het marktplein vóór het stadhuis
te Dordrecht. Honderden menschen waren daar samengestroomd om het
vreeselijke schouwspel bij te wonen, dat daar zou worden afgespeeld;
de dappere verdedigers van IJselstein zouden straks voor den hoogen
rechter moeten verschijnen, ten einde te loten om leven en dood. Op
het midden van het plein was reeds alles in gereedheid gebracht, om
het vonnis te voltrekken; acht galgen verhieven zich dreigend boven
de hoofden van de toegestroomde menigte.
Maar het was niet de gewone drukte, die daar anders heerschte,
als de eene of andere misdadiger zijne wandaden met het leven zou
boeten. Men hoorde geen schertsen of lachen en niemand vermaakte de
omstanders met zijne spotternijen over de stuiptrekkingen van hen,
die straks hun laatsten strijd zouden strijden.
Neen, 't waren slechts sombere en dreigende gelaatstrekken, die gezien
werden; toorn en verontwaardiging stond te lezen in de fonkelende
oogen der vernederde poorters, en als hun blik, doelloos ronddwalende,
de rij van galgen ontmoette, greep de hand onwillekeurig naar het
zwaard en siste eene verwensching tusschen de gesloten lippen.
Er werd weinig gesproken, de meesten zwegen, maar--de vurige
blikken, die telkens op het stadhuis werden gericht, zeiden genoeg. Het
woelde en kookte in de harten dier mannen, en in hun binnenste was het
als een smeulend vuur, dat slechts een vonkje noodig had, om de vlammen
te doen uitslaan. En dan--dan zou hunne wraak vreeselijk zijn.
Al meer en meer kwam het volk toestroomen. Het werd rumoeriger onder
de menigte. Hoor, klonk daar zelfs geen kreet?
"Weg met Aloud! Den dood aan Aloud!"
Doch de kreet werd niet beantwoord, al tintelden de oogen van hen,
die hem hoorden en al werden ook gretig de halzen gerekt, om te zien,
wie den moed had, dien kreet te slaken. Zou die monnik, daar tusschen
de pilaren van het stadhuis, de vermetele zijn?
"Ja, mannen, ziet mij maar aan," roept hij de verbitterde schare toe,
"ik heb het geroepen en durf het nog wel honderdmaal doen! Is het geen
schande, zooals hij de vrije poorters onzer goede stad vertrapt onder
zijne voeten, onze vrijheden verkort, onze privilegiën schendt? Neen,
weg met Aloud! Den dood aan Aloud!"
Dreigend heft de monnik, wiens gestalte eer die is van een ridder
of edelman dan van een geestelijke, die zich in het sombere klooster
terugtrekt, om vrede te zoeken voor zijn ziel, de vuist op tegen het
hooge gebouw, vanwaar Aloud zijne eigenmachtige bevelen uitvaardigt.
"Den dood aan Aloud, den handlanger van Wolfert van Borselen!" klinkt
het onder de omstanders, die door zijn vurige woorden medegesleept
worden. "Den dood aan den verrader!"
"Moeten wij, vrije poorters van Dordrecht," zoo vervolgt de monnik in
krachtige taal en met levendige gebaren, "moeten wij het nog langer
aanzien, hoe hij de rechten en privilegiën schendt, ons door den edelen
Graaf Floris, zaliger gedachtenis, geschonken? Moeten wij het lijdelijk
aanzien, dat diens gewetenlooze moordenaars met hunne handlangers ons
ongestraft ontnemen, wat die brave vorst ons eenmaal schonk? Neen, weg
met Aloud, den handlanger van Wolfert van Borselen, die de moordenaar
was van onzen beminden Graaf Floris en de stokbewaarder is van diens
jeugdigen zoon! Weg met Aloud, den dood aan Van Borselen!"
En met geestdrift worden die woorden door het volk herhaald. "Weg
met Aloud! Den dood aan Van Borselen!" Die kreet gaat van mond tot
mond, al klinkt hij ook nog niet uit volle borst, en gaat over in
een dreigend gegons, dat zich over het geheele marktplein verbreidt.
Daar heft de monnik de hand op en wijst naar de opgerichte galgen.
"En moeten wij, vrije poorters van Dordrecht, het aanzien, dat straks
dáár acht dappere mannen, en wat nog grooter schande zou wezen,
misschien eene schoone jonge Edelvrouwe, dat straks dáár acht menschen
aan de galg hun leven zullen laten, alleen omdat zij hun eigendom
verdedigden met een moed, die zijn weerga nog moet vinden? Moeten wij
dat verdragen, vrije mannen van Dordrecht? Moet eene zoo groote schande
over onze stad komen, waarvan de geschiedrollen over honderden jaren
nog zullen spreken! Mogen uwe kinderen later van u getuigen, dat gij,
hunne vaders, hier eenmaal gedoogd hebt, dat acht onschuldige menschen
hun leven geboet hebben aan de galg, alleen omdat zij dapper en wij
-- wij te laf waren, om naar de wapenen te grijpen en den moord
te beletten? Moet dat gebeuren? Neen, weg met den moordenaar! Den
dood aan Aloud, die onze rechten schendt en schande over onze stad
brengt. Weg met Aloud!"
Luider en luider wordt die kreet herhaald en dreigender rinkelen de
zwaarden in de trillende vuisten.
Heer Aloud, die zich in het stadhuis bevond, hoorde dien kreet, --
maar hij vreesde hem niet. Een minachtende glimlach plooide zijne
lippen. Hij wendde zich tot een dienaar en zeide:
"Men durft daar dreigen, doch ik zal hun het zwijgen opleggen. Geef
den Schout last, het plein met een sterke macht af te zetten, en dat
elke oproermaker onmiddellijk gekerkerd worde."
Het gejoel op de markt nam intusschen op onrustbarende wijze toe. De
monnik met zijne fiere gestalte bewoog zich nu hier, dan daar onder
de menigte, en overal, waar hij kwam, ging weldra de kreet op:
"Weg met den verrader! Weg met Aloud! Weg met den vrouwenmoordenaar!"
Doch nu naderde tromgeroffel, dat de komst van den Schout en zijne
schutters aankondigde. Aan alle zijden werd de markt afgezet. Het
gejoel verminderde, de kreten werden gesmoord. Maar in de harten der
gekrenkte mannen bleef het koken en bruisen, en fluisterend hitste
men elkander tot den strijd op. Men verdrong zich voor de groote
deuren, die straks zouden geopend worden. Heer Aloud hoorde met een
minachtenden glimlach, hoe het joelen en dreigen verminderde, nu de
schout de markt bezette.
"De lafaards!" mompelde hij. "Hoe vreezen zij mijne macht." Hij stond
op en begaf zich naar de rechtzaal, waar de schepenen van Dordrecht
reeds vergaderd waren en op zijne komst wachtten. Toen hij binnentrad
stonden zij op en bogen eerbiedig. Het waren allen poorters uit de
stad, die met den Baljuw de vierschaar spanden. Slechts één van hen
was een edelman, Nicolaas van Putten genaamd, een braaf en vroom man,
die het recht liefhad en niet dan noode zich bukte voor de willekeurige
handelingen van den Baljuw.
"Zijn alle schepenen tegenwoordig?" vroeg Aloud, terwijl hij in den
rechtstoel plaats nam.
"Allen," klonk het korte antwoord.
"Dat dan de gevangenen binnengebracht worden, en verzoek den Heer
van Vianen, die beneden wacht, hier plaats te nemen."
Na een korten tijd trad Vianen binnen. Heer Aloud ging hem tegemoet
en begroette hem met eerbewijzingen. Daarna liet hij hem ter zijde
van de tafel plaats nemen. Spoedig traden ook de gevangenen binnen,
begeleid door een aantal gewapende krijgslieden. Bertha van Arkel
stond te midden van hare getrouwe dienaren en wierp een fieren blik
op Heer Aloud, die hare komst met een spottend lachen begroette. Zij
wilde geen vrees toonen, noch voor hare vijanden, noch voor den
schandelijken dood, die haar misschien wachtte.
"Laat de deuren openen!" beval Aloud den gerechtsbode. "De vrije
poorters mogen wel zien, wat hier gebeurt," en weer lachte hij
smadelijk, terwijl hij den nadruk op het antwoord "vrije" legde.
Het volk drong woest de trappen op en de rechtzaal binnen. Geen kreet
werd gehoord, geen woord gesproken, maar met eerbiedige bewondering
staarde men op de schoone edelvrouwe en hare trouwe dienaren, die
zoo moedìg den strijd hadden volgehouden tegen de groote overmacht
van den gehaten Aloud en Vianen, en dreigend waren de blikken, die
op deze twee mannen werden gericht. De fiere monnik, die straks op
het marktplein door zijne vurige taal de gemoederen der poorters zoo
heftig in beweging had gebracht, was ook de zaal binnengedrongen. De
kap van zijne pij had hij diep over het hoofd getrokken. Voortdurend
waren zijne schitterende oogen op de edelvrouwe gericht, en telkens
fluisterde hij, zelfs voor de naaste omstanders onhoorbaar:
"Bertha, mijne lieve, moedige Bertha."
Nu verhief de gevreesde Aloud zijne stem:
"Schepenen van Dordrecht," sprak hij, "gij zijt heden ter vierschaar
opgeroepen om het vonnis te bekrachtigen, dat door den Heer van Vianen,
den moedigen overwinnaar van IJselstein, over de bezetting van dat
slot geveld is. Gij weet, dat het zijn recht was als overwinnaar
het vonnis te vellen niet alleen, doch dat hij het ook op staanden
voet had kunnen doen voltrekken. Doch opdat de wereld later niet
zou kunnen zeggen, dat daarbij oneerlijkheid was gepleegd, heeft hij
zijne gevangenen aan mij uitgeleverd en de uitvoering van het vonnis
aan u en mij opgedragen. Ik verzoek den dapperen Heer van Vianen,
ons met de bepalingen van de overgave in kennis te stellen."
Vianen stond op.
Eene ademlooze stilte heerschte onder de menigte, díe de zaal
vulde. Wel waren de bepalingen reeds algemeen bekend, maar toch was
iedereen nieuwsgierig, die uit den mond van Vianen zelven te vernemen.
"Machtige Baljuw," zeide Vianen, "gaarne voldoe ik aan die
uitnoodiging. De burcht is mij overgegeven op de volgende voorwaarden:
"De vrouwen en kinderen zouden vrijen uittocht hebben. Het kind,
dat mij listig ontroofd was, zou mij ongedeerd worden teruggeven.
"De dienaar, die mij het kind onstolen had, zou mij uitgeleverd worden.
"En eindelijk: de helft van de bezetting zou den geboden weerstand
met het leven boeten. Het lot zal beslissen, wie sterven zal.
"Andere voorwaarden, Edele Heer, zijn niet gesteld. Ik heb de bezetting
gevankelijk naar deze stad gevoerd, en het staat aan u te beslissen,
hoe de loting zal plaats hebben."
Heer Aloud richtte nu het woord tot Bertha en vroeg:
"Erkent gij, Vrouwe van IJselstein, de waarheid van die bepalingen?"
"Ja, Heer," klonk zacht het antwoord, "op die voorwaarden heb ik den
burcht overgegeven. Alleen moet ik er nog bijvoegen, dat de andere
helft der bezetting niet alleen het leven maar ook de vrijheid erlangen
zal. Dat is uitdrukkelijk bepaald."
Aloud antwoordde met een licht schouderophalen, terwijl Vianen een
valschen glimlach om den mond kreeg.
"Welnu, schepenen van Dordrecht," hernam Aloud, "gij hebt de
bepalingen gehoord en zult die, als rechtdoende in's Graven naam,
ongetwijfeld met de grootste gestrengheid uitvoeren. Het verzet van
den Heer van IJselstein tegen de bevelen van den Heer van Borselen,
als gevolmachtigde van den Graaf, zoowel als de langdurige verdediging
van het slot eischt, dat er eene voorbeeldige straf gesteld worde. De
Heer van Borselen heeft reeds het machtige kasteel aan zijne gemalinne
geschonken en wenscht, dat de verdedigers als opstandelingen streng
gestraft worden, wat zeker uwe goedkeuring zal wegdragen.
"Wij kunnen dus nu overgaan tot de loting. De bezetting bestaat uit
zestien personen. Ik heb daarom zestien balletjes van was, alle
even groot en van denzelfden vorm, laten gereedmaken, en heb hier
even zooveel penningen: acht Hollandsche en acht Leuvensche. In
elk balletje zal een penning worden verborgen, zóó dat hij geheel
onzichtbaar is. Wie nu een Hollandschen penning trekt, zal het leven
behouden; de Leuvensche penningen daarentegen veroordeelen tot de galg.
"Draagt dat de goedkeuring van u allen weg?"
"'t Is schandelijk!" riep eene stem uit de menigte.
Iedereen keek verschrikt op. Wie durfde het wagen, zijne stem te
verheffen tegen den gevreesden Aloud, die op dit oogenblik den persoon
des Graven vertegenwoordigde? Dat was al te vermetel! Maar niemand
kon den schuldige ontdekken, hoewel de mannen, die rondom den forsch
gebouwden monnik stonden, wel wisten, wie het deed. Aloud stond op
en toornig zag hij de menigte aan.
"Ik duld hier geen tegenspraak, verstaat gij dat, poorters van
Dordrecht? De eerste, die het weer waagt, zijne stem te doen hooren,
zal ik laten oppakken en doen opsluiten. Ik laat niet met mij sponzen!"
Ook bij Bertha had die stem eene groote ontroering teweeggebracht,
immers,--zij kende haar? Neen, neen, zij twijfelde er niet aan:
dat was de stem van Gijsbrecht, van haar dierbaren gemaal! Een zalig
gevoel doortintelde haar lichaam; tranen van dankbaarheid welden
op in hare schoone oogen, en zacht prevelden hare lippen: "O God,
heb dank, mijn Gijsbrecht is gered, en--hij is hier, hij is mij
nabij in den nood. Heb dank, heb dank, goede Hemelsche Vader!"
Nu stond een der schepenen op. 't Was Heer Nicolaas van Putten, de
eenige, die zich machtig genoeg voelde, Heer Aloud te durven zeggen,
wat hij dacht. Toch behoorde daar moed toe, want voor Alouds willekeur
en wreedheid was niemand veilig.
"Heer Baljuw," sprak hij met ernst en waardigheid, "het is verre
van mij, om den Heer van Vianen zijn recht op de bezetting van het
veroverde IJselstein te betwisten. Ik weet het: de overwinnaar kan
haar lot naar zijn welbehagen bepalen. Wil hij hen allen dooden --
niemand kan hem dat beletten. Maar toch zou ik den Heer van Vianen
wel willen vragen, of hij het voor zijn geweten verantwoorden
kan, acht menschen, waarvan de meest, en nog in de kracht van hun
leven zijn, te laten sterven, alleen--omdat zij hun plicht
met voorbeeldeloozen moed getrouw zijn geweest! Hebben die mannen,
voor wiens moed iedereen de hoogste bewondering koestert, den dood
verdiend? En dan nog wel den dood aan de galg? Ik huiver alleen bij
de gedachte daaraan, en ik aarzel niet te verklaren, dat hun dood
niet zal zijn eene terechtstelling, maar een gerechtelijke moord,
die voor eeuwig schande zal brengen over onze goede stad. En het
afschuwelijkste in deze zaak is nog, dat hier eene jonge edelvrouwe
veroordeeld is, in datzelfde lof te deelen! Nooit of nimmer zal ik
mijne toestemming geven tot eene zoo lage daad, die slechts uit de
afschuwelijkste wraakzucht voortgesproten kan zijn! Indien het niet
anders kan, indien de Heer van Vianen bepaald den dood dier dapperen
eischt, welnu, dat dan de mannen door het lot doen beslissen, wie
hunner sterven zal, maar der moedige edelvrouwe worde de vrijheid
geschonken! Voor haar worde in Dordrecht geen galg opgericht!"
Nauwelijks had de Heer van Putten uitgesproken, of een daverend
gejuich steeg op uit de menigte. Vianen en Aloud zagen bleek van woede,
en bulderend gebood de laatste stilte.
Toen trad Bertha een weinig vooruit en zeide:
"Heer Baljuw, hoe dankbaar ik ook ben voor de ridderlijke woorden van
dezen Heer, verzoek ik toch met mijne dappere verdedigers in hetzelfde
lot te mogen deelen. Ik heb werkelijk tot de bezetting behoord en had
de leiding der verdediging in handen. 't Is dus niet meer dan billijk,
dat hun lot ook het mijne zij."
Een goedkeurend gemompel liet zich hooren en aller oogen vestigden
zich met bewondering op de edele Vrouwe.
"Dat zal geschieden, ook zonder uw verzoek!" sprak Aloud norsch. "Laat
de Heer van Putten niet vergeten, dat zijne woorden wel eens
konden worden opgevat als muiterij, die gewoonlijk ook aan de galg
eindigt. Bode! doe die penningen in deze balletjes, en zorg, dat zij
onzichtbaar zijn."
De bode voldeed aan dat bevel, en spoedig lagen de ballen in eene
zilveren schaal, die voor Aloud op de tafel geplaatst werd.
Er heerschte eene doodsche stilte onder de toeschouwers. Aloud verhief
zijne stem en riep:
"Dat de Vrouwe van IJselstein nader trede, en het lot over haar
leven beslisse!"
Met vasten tred kwam Bertha nader. Iedereen rekte den hals om haar
te zien, en gloeiende van haat waren de blikken, die op Aloud werden
geworpen. Zij stak de hand uit en nam haar vonnis uit de schaal. Zonder
de minste beving in de teedere hand reikte zij het Heer Aloud toe. Deze
brak het balletje open. Een vreeselijke spanning heerschte in de zaal
en ieder drong zooveel mogelijk naar voren, om te zien, welke penning
te voorschijn zou komen. Nu had Aloud hem in de hand en bezag hem met
de grootste nauwkeurigheid. Een trek van teleurstelling verscheen op
zijn gelaat.
"Een Hollandsche!" riep hij, en nauwelijks waren die woorden gehoord,
of van mond tot mond ging het:
"Een Hollandsche! Een Hollandsche! De dappere edelvrouwe is vrij!"
Opnieuw deed zich een daverend gejuich hooren, waaraan Aloud tevergeefs
een einde trachtte te maken. Wel stonden er schutters achter hem,
doch zij waren niet talrijk genoeg, om de zaal te doen ontruimen. Te
laat begreep Aloud, dat hij vreeselijk onvoorzichtig was geweest,
door de deuren voor iedereen open te zetten.
Nu trad Jonker Jan van Asperen nader; vreugde over het gelukkige
lot, dat Bertha had getrokken, stond in zijne schitterende oogen
te lezen. Hij nam een balletje en gaf het met eene forsche beweging
aan Heer Aloud over. Helaas, zijn vonnis was de dood; een Leuvensche
penning viel rinkelend in de schaal. Daarna kwam de oude Dodo. Ook
hij werd tot de galg verwezen. Zoo kregen allen eene beurt, en
eindelijk kwam de laatste. 't Was dikke IJsbrand. Hij wist zijn
lot reeds vooruit, want al acht hadden er een Hollandschen penning
getrokken. Toch trad hij nader en greep het overgebleven balletje. Het
bevatte een Leuvenschen penning.
"Dat de beul en zijne knechten komen!" beval Aloud den bode. "Het
vonnis zal onmiddellijk worden voltrokken!"
De bode verliet de zaal en kwam weldra met den beul en twee dienaren
terug. Op bevel van Aloud grepen zij Jonker Jan het eerst aan en
begonnen hem de handen op den rug te binden; doch--dat was Bertha
te veel. Met tranen op de bleeke wangen trad zij op Aloud toe.
"Genade, Heer, genade voor mijne trouwe dienaren!" smeekte zij. "O,
wees toch niet zoo wreed, zooveel onschuldigen te dooden, alleen omdat
zij getrouw waren aan mij, hunne meesteres! Heer, geef hun genade,
ik smeek het u."
Aloud stond op. Een onmenschelijke glimlach ontsierde zijn gelaat.
"Doe uw werk, beul," gebood hij. "Geen genade voor die opstandelingen
tegen hun wettigen Graaf. Zij zullen hangen!"
Het werd rumoeriger onder de toeschouwers. Blijkbaar hield alleen de
vrees voor Alouds geduchte macht de zwaarden in de scheeden.
Thans wierp Bertha, de fiere Bertha, zich op de
knieën. "Genade!" smeekte zij snikkend, "genade voor die
ongelukkigen. Is het u dan niet genoeg, dat ik mij dus voor u
verneder, Heer Aloud? O, heb medelijden met deze dappere mannen,
die niets gedaan hebben om zulk een vreeselijken dood te moeten
sterven. Zie mijne tranen, Heer, en erbarm u. Genade, smeek ik u, o,
heb toch genade! Moet mij dan alles ontnomen worden? O, laat mij die
dapperen behouden ..... "
"Voort met hen!" bulderde Aloud. "Geen genade voor de
opstandelingen! Alle acht zullen zij hangen en gij, Vrouwe van
IJselstein, gij en de anderen, die de galg ontloopen, gij allen zult
gekerkerd worden. Ha, ha, dacht ge dan waarlijk, dat we u vrij zouden
laten heengaan, om opnieuw in opstand te komen tegen uw wettigen
Heer? Naar den kerker met hen! En dat de vonnissen spoedig worden
voltrokken!"
"Maar dat is onrechtvaardig en verraderlijk!" riep Heer Nicolaas
van Putten, terwijl hij zijn zwaard trok en zich voor Bertha
plaatste. "Nooit zal ik gedoogen, dat zulk eene lage daad
geschiedt! Volgens de voorwaarden, bij de overgave van den burcht
gesteld, zijn de Edelvrouwe en hare zeven dienaren vrij, en kunnen zij
gaan, waarheen zij willen, en niemand, zelfs gij niet, Heer Aloud, mag
hen wederrechtelijk gevangen houden. Met mijn leven sta ik borg, dat
die bepalingen worden uitgevoerd! Te wapen, poorters van Dordrecht! Te
wapen! Die schande moet niet over onze stad komen. Te wapen!"
"Dat is oproer!" bulderde Aloud. "Grijpt den muiter!" "Te
wapen!" donderde eene andere stem en nu plaatste de forsche monnik
zich naast den Heer van Putten. Vlug rukte hij de grauwe monnikspij
los en trok een schitterend zwaard uit de scheede. "Verraad! Te
wapen!" dreunde zijne stem den poorters in de ooren. "Weg met den
verrader! Weg met Aloud!"
"Weg met Aloud!" klonk het woest door de zaal, en van alle kanten
drongen de getergde poorters op den Baljuw aan. Van Putten en de monnik
hielden bij Bertha en de gevangenen stand. Op dit oogenblik drongen de
schutters, die gewaarschuwd waren, onder bevel van den Schout de zaal
binnen, doch--zoodra zij zagen, dat het getergde volk eindelijk
begonnen was zich te wreken, kozen zij de zijde van hunne stadgenooten.
"Weg met Aloud! Weg met den handlanger van Van Borselen. Aan de
galg! Aan de galg!" klonken hunne kreten. 't Werd een onbeschrijflijk
tumult.
De monnik drong met het zwaard in de vuist op Vianen toe.
"Verdedig u, ellendeling!" donderde hij hem toe, "of ik steek u
overhoop als een hond!"
Vianen hier het zwaard op. Vlug wierp de monnik de kap naar achteren,
en--verschrikt deinsde Vianen achteruit.
"IJselstein!" mompelde hij onthutst.
"Ja, IJselstein!" riep Heer Gijsbrecht, terwijl hij Vianen een
geweldigen slag op den schouder toebracht.
"Daar, verrader, daar hebt ge uw loon!"
Maar Vianen gaf zich zoo spoedig niet gewonnen. IJzingwekkend flikkerde
zijn zwaard boven het hoofd van zijn vijand, doch deze wist behendig
zijne slagen af te weren. 't Werd een vreeselijke strijd, die lang
onbeslist bleef. Eindelijk begonnen de bewegingen van Vianen zwakker
te worden. Het was duidelijk, dat zijn gewonde schouder hem hinderde
in den strijd.
Gijsbrecht daarentegen werd voortdurend woester en krachtiger. Daar
hief hij het zwaard op, en met duizelingwekkende snelheid daalde
het op Vianens hoofd neder. Met verbrijzelden schedel stortte deze
achterover op den grond.
Intusschen was de opstand algemeen geworden. Aloud verdedigde zich
met wanhopigen moed,--maar hij was verloren. De schutters, op
wie hij al zijne hoop gevestigd had, maakten met de poorters gemeene
zaak en vielen op hem aan. "Grijpt den verrader! Aan de galg met den
schender van onze rechten en privilegiën! Weg met den handlanger van
Van Borselen!"
Van alle kanten drong men op hem aan en als de kreten der verwoede
poorters hem nog in het onzekere lieten, welk lot hem beschoren was,
dan zeiden die dreigende blikken hem genoeg.