een akeligen blik heft zij dreigend den arm op. Ja, zij kan zich
wreken! Heeft zij dan niet het kind, het eenige kind van haar vijand
in hare macht?
"Wee u, Vianen," roept zij met fonkelende oogen uit, "wee u,
onbarmhartige, zoo gij een haar op zijn hoofd durft krenken, dan zal
het zijn oog om oog en tand om tand! Dan zal uw kind boeten voor de
wreedheid van den vader!"
Daar treft een zacht geluid haar oor. 't Is eene kinderstem, die zich
laat hooren.
Bertha komt tot bedaren. Hare dreigende vuist valt langs haar lichaam
neder, en de toornige uitdrukking op haar gelaat verdwijnt.
Haastig treedt zij ter zijde en schuift een tapijt weg. Daar, op
een kostbaar rustbed, ligt een knaapje. 't Is Vianens kind. Het
slaapt onrustig en droomt. "Moeder, lieve Moeder!" hoort Bertha het
fluisteren, "ach, laat mij weer bij u komen; ik verlang zoo naar u."
Opnieuw springen Bertha de tranen in de oogen, en zich over het
knaapje buigende, kust zij het zacht op de fluisterende lipjes.
"Arm kind," mompelt zij, "heen, ik zal geen kwaad met kwaad
vergelden. Wat uw vader ook doen moge, ik zal u ongedeerd
teruggeven. Misschien--misschien verteedert dat het hart van
mijn wreeden vijand. Wees maar stil, lief kind, niemand zal u leed
doen. Spoedig zult ge terugkeeren in de armen uwer liefhebbende
moeder. Schrei maar niet."
Zacht laat Bertha het tapijt weer vallen. Zij droogt hare tranen en
begeeft zich naar buiten, om hare getrouwen te bezoeken.
Ook Peer bevindt zich nog in het land der levenden, waartoe zijne
vreesachtigheid, die hem steeds de veiligste plaatsen deed opzoeken,
niet weinig heeft bijgedragen. Hij heeft op dit oogenblik de wacht
voor een der kijkgaten, vanwaar hij de bewegingen van den vijand
gade moet slaan. Mocht deze iets buitengewoons in zijn schild voeren,
dan is hem opgedragen, dat dadelijk aan Jonker Jan te gaan melden. Een
gewichtige post is het niet, maar de voorzichtige schildknaap durft hem
voor iets beters niet gebruiken. Hij vertrouwt hem niet. Toch moet Peer
op zijn tijd even goed als de anderen de wacht houden, en daarom wordt
hem gewoonlijk iets opgedragen, waarbij hij niet veel kwaad kan doen.
En toch, zoo Jonker Jan in Peers gedachten had kunnen lezen,
ongetwijfeld zou hij hem zelfs dezen lichten post niet hebben
toevertrouwd.
Want Peer denkt aan verraad.
Met angst en beving heeft hij het aantal wakkere mannen voortdurend
zien verminderen, en hoorbaar waren de zuchten, die hij slaakte bij
elke begrafenis, welke onder de groote lindeboomen plaats had.
Eene siddering greep hem aan, als hij aan den naderenden val van
IJselstein dacht. Zijne keel werd hem toegenepen van angst, als hij
dacht aan het oogenblik, waarop hij in de handen van Vianen zou vallen,
want, hij wist het, zijn lof zou dan vreeselijk zijn. De grootste
martelingen zouden hem niet gespaard worden en het einde zou een
ellendige dood zijn. Ja, als Peer daaraan dacht, sidderde hij over
zijn geheele lichaam en wrong hij in den hevigsten angst de handen.
Er was nog maar één redmiddel over, en dat middel was --
verraad. Onophoudelijk tuurde hij naar buiten, en zijne oogen werden
moe van het staren in de duisternis. Maar hem, dien hij zoo ontzettend
vreesde en naar wien hij toch met zooveel angstige spanning uitzag,
hem ontdekte hij niet. Vianen kwam niet onder het bereik van zijne
stem. En toch moest Peer hem spreken--zijn leven hing er van
af. Hij stond op en verwijderde zich haastig. Spoedig kwam hij terug
met een touw en een witten doek. Hij bond dien aan het touw vast en
wierp hem het kijkgat uit. Toen bewoog hij hem op en neer, in de hoop,
zoo de aandacht van den vijand te trekken.
Ha, daar kwam iemand. 't Zou gelukken ....
"Wie daar?" hoorde hij zacht roepen.
"Dat doet er niet toe," antwoordde Peer. "Ik wensch den Heer van Vianen
te spreken. Misschien kan ik hem van dienst zijn. Ga hem roepen."
De man verwijderde zich en Peer haalde den doek, die hem verraden kon,
snel naar binnen. Hij wachtte in de hevigste spanning. Daar hoorde
hij weer iemand. Zou het Vianen zijn?
"Welnu, wat is er?" werd hem toegeroepen, en een schok voer Peer door
de leden. 't Was de stem van Vianen.
"Kom naderbij, Heer!" smeekte Peer, die niet hard durfde spreken.
"Dank je!" klonk het kortaf. "Ik heb geen lust om je tot mikpunt
te dienen. Ik blijf hier. Spreek op, wie zijt ge, en wat hebt ge
te zeggen?"
"Ik ben Peer, uw dienaar, Edele Heer," zeide de schurk bevend. "Ik
ben bereid, den burcht aan u over te leveren."
Vianens oogen tintelden van vreugde, toen hij die woorden hoorde.
"Hoe?" vroeg hij.
"Het zal mij niet moeilijk vallen, Edele Heer, de sluippoort voor
u te openen, waardoor gij binnen kunt trekken. De poort wordt, bij
gebrek aan manschappen, niet meer bewaakt."
"Hoe sterk is de bezetting?" vroeg Vianen.
Maar Peer had niet veel lust, zijn Heer daaromtrent nader bericht
te geven, want immers, als hij de waarheid zeide, zou Vianen geene
groote waarde hechten aan zijne verraderlijke daad. De burcht zou
toch spoedig bezwijken.
"Ik weet het niet precies, Edele Heer," zeide hij ontwijkend, "maar
wij tellen vele dooden."
"En mijn kind?"
"Het leeft en is gezond. De Edele Vrouwe verzorgt het met liefde."
Een zucht ontsnapte aan Vianens boezem en een oogenblik werd zijn
hart verteederd. Doch ook maar een oogenblik.
"En wanneer kunt ge de poort openen?" vroeg hij.
"Dadelijk, Heer. Verzamel uwe krijgers en binnen een half uur is de
burcht in uwe handen. De poort ligt vlak onder den Zuidertoren."
"'t Is goed. Over een half uur zullen wij er zijn. Maar pas op,
dat je me niet bedriegt, want mijne wraak zal dan vreeselijk zijn!"
"Ik bedrieg u niet, Edele Heer," zeide Peer deemoedig. "Mijn berouw
over hetgeen ik u gedaan heb, is oprecht, en met vreugde zal ik de
poort voor u openen. Maar Heer, wat zal mijn--mijn loon zijn?"
"Uw loon?" vroeg Vianen met een wraakzuchtigen blik, dien Peer gelukkig
niet kon zien, daar anders zijn angst ongetwijfeld toegenomen zou
zijn. "Uw loon? Welk loon verlangt gij?"
"Het leven, Edele Heer!" smeekte de ellendeling.
"Anders niet?" vroeg Vianen, terwijl opnieuw een wreede trek op zijn
gelaat verscheen.
"Neen Heer, schenk mij het leven, anders vraag ik niet, en nog dezen
nacht behoort IJselstein u."
"Toegestaan!" sprak Vianen kortaf. "Maak u gereed."
"Op uw ridderwoord, Edele Heer?" vroeg Peer angstig, daar hij Vianen
al te goed kende, om hem zoo dadelijk te durven gelooven.
"Op mijn ridderwoord," zeide Vianen norsch, terwijl hij zich
verwijderde, om alles voor den overval gereed te maken.
"Zoo is het in orde," mompelde Peer. "Hoe slecht hij ook is, zijn
ridderwoord zal hij niet breken. Ha, daar houdt het rammeien op. Hij
verzamelt zijne krijgers. Eindelijk zal dan toch een einde komen
aan mijn lijden, en zal ik kunnen genieten van mijn zuur verdiend
goud. Wacht, als straks de burcht geplunderd wordt, zal ik een handje
meêhelpen. Ik weet den weg, en dan--dan ga ik met mijn buit ver
van hier en vestig mij als koopman in de eene of andere stad. Ha, wat
loopt alles nog goed voor mij af. Ik weet me toch altoos uitstekend
te redden, al is het geval ook nog zoo moeilijk. Maar laat ik mij nu
naar de sluippoort begeven. Mij dunkt, Vianen zet zijne mannen al
in beweging. Als hij het maar voorzichtig doet, zoodat de wachters
op den toren het niet opmerken, want dan zou het mij nog mijn leven
kosten. Er komt nog een benauwd oogenblik voor mij aan."
Sluipend verliet Peer het kijkgat en begaf zich naar de afgesproken
plaats. In een donkeren hoek wachtte hij het trompetgeschal af,
dat het teeken zou zijn, om de poort te openen.
't Was middernacht.
Jonker Jan hield met den ouden Dodo de wacht op den toren. Droefheid
vervulde beider hart bij de gedachte, dat al hun strijden, al hun
waken tevergeefs was geweest.
Voor niets hadden de vele dapperen hun leven gelaten. IJselstein,
dat ontveinsden zij zich niet langer, IJselstein moest vallen, --
tenzij er een wonder gebeurde. En aan zulk een wonder geloofde de
jonker niet, integendeel, bijgeloovig als hij was, meende hij met
zekerheid te kunnen voorspellen, dat der bezetting een ongeluk boven
het hoofd hing. Al tweemaal op dien dag was hem aan de linkerzijde
een ongeluksvogel voorbij gevlogen: eerst eene kraai, en daarna eene
raaf, voor hem reden genoeg, om zich ernstig ongerust te maken. Maar
die ongerustheid was angstige bezorgdheid geworden, toen hem straks,
alweer aan de linkerzijde, het zachte geklapwiek van een uil in het
oor geklonken had. Dat was de derde maal, en nu stond het bij hem vast,
dat er spoedig een ongeluk volgen zou.
Met verdubbelde aandacht luisterde hij naar de bewegingen der
vijanden. Geen geluid ontging aan zijn scherp gehoor. Plotseling
sprong hij op.
"Wat is dat?" riep hij uit. "Hoor, Dodo, men houdt op met rammeien! Wat
zou dat te beteekenen hebben?"
"'t Is vreemd," zeide Dodo, terwijl beiden moeite deden om in de
duisternis de bewegingen van den vijand te onderscheiden. "Ik begrijp
ook niet, wat dat kan zijn."
"Hoor," zeide Jonker Jan, "is het niet alsof de krijgslieden zich
daar verzamelen? Luister, Dodo, ik geloof het zeker."
"Het schijnt wel zoo," zeide Dodo, zich over den muur buigende. "Zouden
zij misschien den muur zoover verbrijzeld hebben, dat zij zich een
doortocht kunnen banen?"
"Onmogelijk," meende de jonker. "Indien dat het geval ware, zouden
wij het instorten gehoord hebben, en niet waar, de vijanden zouden
dat met een uitbundig gejuich hebben begroet. Neen, Dodo, zij voeren
wat anders in hun schild. Ze zijn me veel te stil. Als er maar geen
verraad gepleegd wordt."
"Verraad?" vroeg Dodo verwonderd. "Wie zou nu verraad kunnen
plegen? Ieders trouw is boven twijfel verheven."
"Hoor, Dodo, hoor, daar verwijderen zij zich!" viel de jonker hem in
de rede. "Zij trekken den burcht om! Zie, zie, die donkere massa daar,
dat zijn ze! Ze bewegen zich in de richting van de Zuiderpoort. Bij
St. Joris, Dodo, dat is verraad! Volg me!"
In allerijl vlogen de beide mannen de trappen af en de lange gang
door. Dodo met een brandenden fakkel in de hand, beiden het zwaard
in de vuist. Daar naderen zij de poort, en tegelijkertijd klinkt hun
trompetgeschal in de ooren.
De vijand stond gereed.
Ha, daar is de schurk. Hij tracht de zware balken ter zijde te schuiven
om de poort te openen; angstig hoort hij, hoe daar de wakkere mannen
naderen. Hij moet zich haasten--straks is het te laat--maar
die balk is zwaarder dan hij dacht--o God--te laatte laat --
de balk wil niet wijken--daar zijn ze .....
"Genade, genade!" kermt hij, zich in de duisternis terugtrekkende.
"Ellendige schurk!" schreeuwt Jonker Jan, terwijl zijn zwaard dreigend
boven het hoofd van den verrader flikkert. Peer wijkt op zijde. Het
zwaard mist.
"Genade, genade!" kermt hij opnieuw.
Weer klinkt daarbuiten trompetgeschal, Vianen wordt ongeduldig. De
slapenden worden door het rumoer gewekt en komen toeloopen.
"Wat is er, wat is er?" klinkt het alom.
"Een ellendige verrader!" schreeuwt de Jonker, wiens toorn eenigszins
tot bedaren komt, nu hij ziet, dat de toeleg mislukt is. "Grijpt den
schurk en sluit hem op!" beveelt hij, en ijlings wordt zijn bevel
uitgevoerd. De verwoede dienaars grijpen Peer aan en sleuren hem naar
den kerker.
Vianen wachtte tevergeefs; de poort bleef gesloten. Woedend beval
hij terug te keeren en het rammeien voort te zetten.
Nog was de burcht behouden.
"Voor hoelang?" fluistert Jonker Jan, als hij weer naar den toren is
teruggekeerd. "Voor hoelang?"
"Voor hoelang?" vraagt ook Bertha, als zij zich zuchtend op het
rustbed uitstrekt, niet om in de armen van den slaap voor een oogenblik
vergetelheid te zoeken van het lof, dat haar dreigend boven het hoofd
hangt, o heen, maar om in de stille eenzaamheid van den nacht na te
denken over hetgeen haar te doen staat.
Ja, wat moet zij doen?
Weldra zullen de muren bezwijken voor de krachtige slagen van den
stormram en zullen de vijanden binnendringen, om allen te dooden die
nog overgebleven zijn. Wellicht reeds dezen nacht nog! Als dat gebeurt,
heeft zij geene keus meer. Dan kan zij alleen met het zwaard in de
tengere hand aan het hoofd der vijftien overgebleven dapperen den
vijand voet voor voet den grond betwisten en eindelijk, gedwongen
door de overmacht, een eervollen dood sterven met hen, die haar zoo
trouw en dapper verdedigd hebben.
Dat schijnt haar het schoonste einde toe van den vreeselijken
strijd. Zij heeft immers hier op aarde geen geluk meer te
wachten? Zonder haar dierbaren Gijsbrecht heeft het leven voor haar
geen waarde meer. God weet het, dat de dood haar welkom zou zijn,
en--het liefst zou zij dan zóó sterven ....
Maar mag zij dat doen? Mag zij zoo zelfzuchtig zijn? Hebben die dappere
mannen het aan haar verdiend, dat zij ze, zonder een poging gedaan te
hebben, om hen te redden, meedoogenloos den dood in de armen voert? En
die arme vrouwen en kinderen, wier echtgenooten en vaders reeds den
dood op de muren vonden, mag zij ook hen maar zonder deernis in de
handen der vijanden laten vallen?
Immers, zij kan toch met Vianen in onderhandeling treden, en aldus
eene laatste poging doen om hen te redden? Misschien gelukt het haar
dan nog voordeelige voorwaarden te bedingen.
Maar dan zal zij, de trotsche Bertha, die tot nog toe alle
onderhandeling met fierheid heeft afgewezen, zich diep voor haar
vijand moeten vernederen, en daartegen komt haar gemoed geweldig in
opstand. Zal zij dan genade moeten vragen van den afschuwelijken
Vianen, dien zij uit den grond van haar hart haat? Bertha kan er
niet toe besluiten--en toch, toch blijft er geen andere uitweg
over. Zij heeft slechts te kiezen: strijdend sterven, met allen
die in den burcht zijn, of het hoofd voor den vijand buigen, en --
het eerste mag--het tweede kan zij niet doen.
Uren aaneen duurt die strijd in Bertha's hart voort. Eindelijk neemt
zij haar besluit, en nu ook erbarmt de slaap zich over de ongelukkige
Edelvrouwe. Hij doet haar voor een korten tijd haar leed vergeten.
Het zal ongeveer tien uren in den morgen geweest zijn, toen
Vianen, die zich op dat oogenblik in zijne tent bevond, verrast
opsprong. Hoorde hij goed? Klonk daar van den geteisterden burchtmuur
geen trompetgeschal? Zou er dan ten laatste een einde komen aan den
langen strijd? Zou dan eindelijk de trotsche Burchtvrouwe den fieren
nek buigen?
Zijne oogen gloeiden van vreugde en wraakzucht. Eindelijk had hij
dan toch de overwinning behaald, en met een smadelijken glimlach op
de lippen mompelde hij:
"Vianen, de Onoverwinnelijke."
Daar werd de tent geopend en een schildknaap trad binnen. Ook zijn
gelaat straalde van vreugde.
"Ik wensch u geluk, Edele Heer. De Burchtvrouwe staat op den muur en
vraagt een onderhoud."
"Ik zal komen," zegt Vianen.
Weldra nadert hij. Een krijgsman kondigt zijne komst met trompetgeschal
aan.
"Wat is uw verlangen, Edele Vrouwe?" vraagt hij, als hij naderbij
gekomen is.
Met moeite bedwingt Bertha haar afkeer, nu zij den verraderlijken
Vianen voor zich ziet. Langzaam zegt zij:
"Ik wensch met u in onderhandeling te treden over de overgave van
den burcht. De strijd heeft lang genoeg geduurd."
"Ik ben daartoe bereid, Edele Vrouwe," herneemt Vianen. "Dus wenscht
gij den burcht aan mij over te geven?"
"Op zekere voorwaarden, Heer van Vianen," zegt Bertha.
"Welke zijn die?"
"Ik eisch niet veel, Heer," zegt Bertha. "Ik wensch alleen vrijen
en eervollen uittocht voor mij, voor de dappere mannen, die mij zoo
trouw hebben verdedigd en voor de vrouwen en kinderen, die hier een
toevlucht hebben gezocht. Anders niet. In ruil daarvoor geef ik u
den burcht over."
Vianen denkt een oogenblik na. Eindelijk zegt hij: "En mijn kind?"
"Ik zal het u ongedeerd, gezond en sterk, teruggeven."
Een oogenblik tintelden Vianen's oogen van vreugde. Dan zegt hij:
"Ik neem uwe voorwaarden niet aan, Vrouwe van IJselstein. Ik eisch
de overgave van den burcht, zoowel als die van zijne verdedigers,
waaronder dus ook gij behoort. De vrouwen en kinderen kunnen
gaan. Niemand zal hen deren. Eindelijk nog eisch ik op staanden voet
de uitlevering van den dienaar, die mij mijn kind ontroofd heeft. Voor
hem is geen genade!"
"En welk lot zal der bezetting ten deel vallen?" vraagt Bertha.
"Haar vonnis zal worden uitgesproken door Heer Aloud, 's Graven
Baljuw," antwoordt Vianen.
"Dat vonnis zal dus de dood zijn," herneemt Bertha somber. "Heer Aloud
kent geene andere vonnissen. Welnu, dan zullen we sterven met het
zwaard in de vuist. Liever den dood op de muren dan den dood op het
schavot. Nog is de burcht mijn, Heer van Vianen, en versta goed wat ik
zeg: nog liever geef ik hem over aan een verterend vuur en storten wij
ons in de vlammen, dan dat wij ons overgeven om een vonnis te ontvangen
van Aloud, den onrechtvaardigen. Bedenk het wel, Vianen! 't Is voor het
eerst, maar ook voor het laatst, dat ik met u in onderhandeling treed,
en nog bevindt zich uw kind in mijne handen. Voor zijne vrijheid
eisch ik die van de geheele bezetting. Met het vonnis over mijne
trouwe dienaren velt gij tevens het vonnis over uw eigen kind!"
Vianen denkt een oogenblik na. "De trotsche vrouw is werkelijk in
staat, het kasteel te doen afbranden, en met de bezetting ook mijn
kind in de vlammen te doen omkomen," mompelt hij. "Laat ik voorzichtig
zijn." En zich tot Bertha wendende, zegt hij:
"Welnu, ik zal u mijn laatsten eisch stellen, en bedenk goed, dat
ik daarvan niets zal laten vallen. In de eerste plaats eisch ik de
teruggave van mijn kind."
"Op de voorwaarde, door mij gesteld," zegt Bertha fier.
"In de tweede plaats de uitlevering van Peer, mijn dienaar."
"Den verrader kunt gij krijgen," klinkt het antwoord.
"En ten derde eisch ik, dat mij de halve bezetting worde
overgeleverd. De andere helft zal vrij zijn. Begrijp evenwel goed,
dat onder die bezetting ook gij zelve behoort, en dat het lot
zal aanwijzen, wie vrij is en wie--sterven zal. De loting zal
geschieden te Dordrecht, onder toezicht van den Baljuw. Daarentegen
kunnen de overige vrouwen en kinderen vrij heengaan. Ziedaar mijn
laatsten eisch."
Bertha zwijgt. Zij weet niet, wat zij antwoorden moet. Eindelijk
zegt zij:
"Over een uur zult gij mijn antwoord vernemen. Ik wil de bezetting
over uw voorstel raadplegen. De dappere mannen hebben daarop recht."
De geheele bezetting vereenigde zich in de burchtzaal, waarin iedereen
somber en zwijgend voor zich staarde.
Bertha stond op.
"Mannen," sprak zij, "gij hebt den eisch van Vianen gehoord, en gij
kent allen den toestand, waarin wij verkeeren even goed, als ik dien
ken. Beslist zelven, wat er gedaan moet worden. Uw besluit keur ik
vooraf reeds goed. Wat wilt gij: den strijd volhouden tot het uiterste
en strijdend sterven met het zwaard in de hand--of zullen wij den
burcht overgeven en door het lot doen beslissen, wie van ons sterven
zal? Aan de helft onzer is de vrijheid toegezegd. Wat kiest gij?"
Allen zwegen. De meesten hadden tranen in de oogen.
Bertha begreep, dat een enkel woord van haar voldoende was, om hen
allen tot voortzetting van den strijd te bewegen. Doch dat woord
wilde zij niet uitspreken. Zij gaf hun volle vrijheid om te handelen,
zoo zij wilden. Zij konden zelven hun lof bepalen. Eindelijk zeide
Jonker Jan kortaf:
"Bij St. Joris, ik kies een eervollen dood in den strijd boven de
galg. Ik ben tegen de overgave van den burcht."
Weer werd het stil in de zaal. Men hoorde niets dan de snelle
ademhaling der ongelukkige krijgslieden.
Eindelijk stond Dodo op en zeide:
"Edele Vrouwe, ik ben een oud man en verwacht van het leven niet
veel meer. Ware de burcht met mijn dood te redden, gewillig zou
ik sterven. Maar--het slot is niet te behouden, en velen onzer
zijn nog jong: voor hen moet het leven nog beginnen. Nemen wij de
voorwaarden van Vianen niet aan, en besluiten wij om de verdediging
voort te zetten, ach, wij weten het allen, dat is slechts eene
zaak van enkele uren. Moet daarvoor het leven van acht onzer worden
opgeofferd? Ook dat van u, Edele Vrouwe? Neen, laten wij ons overgeven;
dan wordt toch aan de helft onzer het leven gespaard en de vrijheid
geschonken, en ook gij hebt dan nog kans, uw leven te behouden. God
weet, hoe gaarne ik het mijne voor u zou geven. Ik ben voor de
overgave."
"Dodo heeft gelijk," zeiden verscheidene stemmen. "De burcht is toch
verloren en nu hebben wij nog één kans van de twee, dat wij het leven
behouden. Geef den burcht over, Edele Vrouwe."
"Het zij zoo," sprak Bertha. "Dus gij allen wilt het?" "Ja, ja!" klonk
het overal.
Alleen de schildknaap liet zijn kort "neen" hooren.
"Laat de vrouwen en kinderen zich dan gereed maken om te vertrekken
en haalt den bediende van Vianen uit den kerker. Ik zal mij op den
muur begeven om Vianen ons besluit mede te deelen."
Aan den arm van Jonker Jan beklom Bertha de trappen. Zij zag doodsbleek
en haar arm beefde in dien van haar trouwen schildknaap. Tranen
vloeiden haar langs de wangen.
Vianen kwam, zoodra zij op den muur verscheen, terug.
"Heer van Vianen," zeide Bertha, "ik geef u den burcht op de gestelde
voorwaarden over. Doch nog één vraag wensch ik te doen. De helft der
bezetting zal sterven, niet waar? Maar de andere helft, zal die vríj
zijn? Belooft gij dat op uw ridderwoord?"
"Ik beloof het, Edele Vrouwe," zeide Vianen. "Welnu, dan geef ik u
den burcht over. Gij kunt door de hoofdpoort binnentrekken, nadat
eerst de vrouwen en kinderen daar uitgegaan zijn. Laat eene horde
over de gracht leggen, want de valbrug is vernield."
"Het zal geschieden," antwoordde Vianen.
Bertha, met den kleinen Karel, Vianens kind, aan de hand,
en haar vijftien krijgslieden, verzamelden zich op de
binnenplaats. Onbeschrijflijk aandoenlijk was het tooneel, dat nu
volgde. Met tranen in de oogen reikte zij allen de hand en dankte
zij hen voor hunne trouw en liefde. De krijgslieden schreiden, en
zij schaamden zich hunne tranen niet.
Toen kwamen de vrouwen en kinderen en namen van allen
afscheid. Sommigen zagen immers hun echtgenoot of vader voor de laatste
maal? Anderen begaven zich naar de sombere plaatsen onder de groote
lindeboomen en snikten een laatst vaarwel toe aan de dooden...
't Was aangrijpend.
Daar werd ook een afgrijslijk gegil hoorbaar--de angstkreten van
een veroordeelden misdadiger. Peer werd uit zijn kerker gehaald. Het
gejammer van den ongelukkige vervulde iedereen met afschuw, maar ook
met deernis. Men wist toch, dat zijne straf vreeselijk zou zijn.
"Maak er een einde aan, Jonker," zeide Bertha. "Open de poort!"
De Jonker gehoorzaamde. Zijne vingers trilden, toen hij den sleutel
in het slot stak en zijne oogen vulden zich met tranen.
Daar gingen de zware deuren open,--en een uitbundig gejuich steeg
op onder de vijanden.
Bertha wendde den blik af... en tuurde naar het vaandel van IJselstein,
dat nog van den toren wapperde.
Nu trokken de vrouwen en kinderen met gebogen hoofd de poort uit,
de horde over. De rijen der vijanden openden zich. Men liet hen
ongedeerd heengaan.
Toen trok Vianen binnen, gevolgd door zijne juichende krijgers.
Bertha trad hem met den kleinen Karel tegemoet en reikte hem het
kind over.
Een oogenblik werd Vianen verteederd, toen hij zag, hoe liefdevol
het knaapje de Edelvrouw aanblikte. Hij trok zijn kind bij zich op
het paard en kuste het vurig.
Maar spoedig gaf hij het een dienaar over en zijn gelaat nam de gewone
stroeve uitdrukking weer aan.
Intusschen hadden de krijgsknechten de binnenplaats bezet. Bertha en
hare dapperen stonden in het midden.
Thans rukte Peer zich los en wierp zich kermend voor de hoeven van
het paard zijns meesters. Verschrikkelijk klonken zijne jammerklachten.
Maar nauwelijks had Vianen hem gezien, of hij trok zijn zwaard en
gaf hem met het scherp een slag over het gelaat.
"Dáár, hond!" brulde hij. "Sluit hem op!" gebood hij toen aan een
paar krijgsknechten, welk bevel onmiddellijk werd uitgevoerd. Toen
reed hij op Bertha toe, en sprak toornig:
"Wat nu, Vrouwe! Houdt gij aldus de bepalingen van de overgave? Denkt
gij, dat ik mij zoo gemakkelijk laat bedriegen? Waar is de bezetting,
die zich aan mij zou overgeven?"
Doch Bertha wees kalm op de vijftien mannen, die haar omringden,
en zeide:
"Ziehier de geheele bezetting. Bedriegen ligt niet in mijn karakter."