armen grepen hem aan. Woest sleurde men hem de rechtzaal uit en
het marktplein op. Ook daar was alles in de grootste beroering. De
opstand was reeds overgeslagen tot hen, die geen plaatsje in de zaal
hadden kunnen bemachtigen. Overal klonk het den ongelukkige tegen:
"Aan de galg met den schender van onze rechten en privilegiën. Den
dood aan den verrader!"
't Was een woest en ontzettend tooneel, wat er nu volgde; de verwoede
poorters namen eene ijselijke wraak, en rustten niet, voordat het
lichaam van den trotschen dwingeland hing aan de galg, die hij voor
een ander had bestemd.
In de gerechtszaal was intusschen een ander tooneel afgespeeld, even
treffend als dat daar buiten, doch oneindig veel lieflijker. Zoodra
Vianen voor het zwaard van Heer Gijsbrecht bezweken was, had deze
zich naar de plaats begeven, waar Bertha in den grootsten angst het
einde van den strijd verbeidde, want niet zoodra had Gijsbrecht zich
de monnikskap van het hoofd geschoven, of zij had haar dierbaren
gemaal herkend. "Gijsbrecht, mijn Gijsbrecht!" had zij uitgeroepen,
en daarna was zij half bewusteloos in de armen van haar trouwen
schildknaap nedergezonken. Doch spoedig had zij zich hersteld en met
een kloppend hart den strijd gadeslagen. Daar viel Vianen. Godlof,
Gijsbrecht overwint. Nu nadert hij haar met een glimlach van
geluk op de lippen. Hij breidt de armen uit en vurig omhelzen zij
eikander. "Bertha, lieve moedige Bertha!" zegt hij, terwijl hij haar de
tranen van de oogen kust. En Bertha fluistert: "O, Gijsbrecht, welk een
geluk. Dat had ik niet durven hopen." Snikken beletten haar verder te
spreken, doch vast houdt zij de armen om haar dierbaren gemaal geklemd.
Eindelijk maakt Gijsbrecht zich zacht uit die omarming los.
"Zie eens, Bertha, daar nadert mijn bevrijder. Aan hem dank ik
het leven!"
Bertha ziet op, doch zij ontdekt niemand dan een roodharigen man,
wiens kleeding den schipper verraadt.
Zijne wangen zijn bedekt met een ontzaglijken baard, die hem een
woest en ruw uiterlijk geeft. Glimlachend treedt hij nader en buigt
voor haar de knie.
"Edele Vrouwe," zegt hij vroolijk, "ontvang mijne hulde voor zooveel
moed, als nog nooit eene Vrouwe te bewonderen gaf. Voortaan zal
iedereen beamen, wat ik eens voor u zong:
Brederoô het edelste,
Wassenaar het oudste,
Egmond het rijkste, ... maar
Arkel het stoutste!"
"Fulco, gij zijt Fulco!" riep plotseling Bertha uit. "'t Kan niet
anders, of gij moet Fulco zijn!"
IJlings stond de schipper op, en vlug verwijderde hij baard en pruik.
"Fulco!" riep Jonker Jan, hem de hand toestekende. "Fulco!" riep Dodo.
"Fulco!" riepen allen uit, en iedereen drong op hem toe, om hem de
hand te drukken.
Gijsbrecht begroette de dappere mannen, die zijne gemalinne zoo trouw
ter zijde hadden gestaan.
Maar Bertha sloeg Fulco de armen om den hals en gaf hem een kus.
"Dat is mijn schoonste loon!" riep Fulco met tranen in de oogen. --
HOOFDSTUK 11
Besluit
Hoewel de rust in Dordrecht spoedig hersteld was, had toch het gebeurde
voor het Graafschap de gewichtigste gevolgen. Wolfert van Borselen,
wiens macht thans schier onbeperkt was, verklaarde de Dordtenaars tot
oproerlingen en zond eene krijgsmacht af, om de stad te tuchtigen,
maar dat was gemakkelijker bevolen dan uitgevoerd. De poorters,
aangevoerd door Nicolaas van Putten, wien Gijsbrecht van IJselstein
getrouw ter zijde stond, verdedigden zich met groote dapperheid en
wisten de stad te behouden.
Alom in den lande ontstond gemor en misnoegen tegen den machtigen
dwingeland, die voortging den Graaf te bewaken en in diens naam de
willekeurigste daden te plegen. Wolfert van Borselen begon zich in
's-Gravenhage minder veilig te achten, en besloot daarom, naar Zeeland
terug te keeren en vandaar eene geduchtte krijgsmacht af te zenden,
ten einde elk verzet te fnuiken. In den nacht verliet hij heimelijk de
stad en vertrok over Delft naar Vlaardingen. Den jongen Graaf dwong
hij, hem te vergezellen. Hij durfde hem niet achterlaten, uit, vrees
dat misschien een ander invloed op hem mocht verkrijgen, waardoor
aan zijne, Van Borselens macht, een einde zou komen. Overal waar hij
kwam, liet hij, om eene mogelijke vervolging te verijdelen, de bruggen
achter zich af breken. Maar dat middel baatte hem niet. Nauwelijks was
de vlucht van Van Borselen en de ontvoering van den Graaf ruchtbaar
geworden, of ijlings zette men de vluchtelingen na. Te Vlaardingen
vernam men, dat zij reeds van wal waren gestoken, om zich naar Zeeland
te begeven, doch dat zij door windstilte verhinderd waren, verder
te gaan. IJlings begaf men zich in booten en visschersvaartuigen
en roeide hen achterna. Weldra werden zij ingehaald en naar den wal
teruggebracht. Onder gejuich voerde men den Graaf naar 's-Gravenhage
terug, doch Van Borselen werd in het Steenen Huis te Delft gevangen
gezet. Maar nauwelijks hadden de poorters dier stad vernomen, dat
de gehate Van Borselen zich binnen hunne muren in gevangenschap
bevond, of zij begaven zich onder het slaken van de vreeselijkste
kreten naar het Steenen Huis en eischten de uitlevering van den
dwingeland. Spoedig begonnen zij de deur te rammeien en drongen,
toen deze bezweek, met woest geweld naar binnen. Als verscheurende
dieren vielen zij op den edelman aan en sleurden hem naar buiten,
waar hij onder de vreeselijkste martelingen werd vermoord.
Graaf Jan, nu van zijn leidsman beroofd, voelde zich niet bij machte,
zelf de teugels van het bewind in handen te nemen, en noodigde
daarom zijn neef, Jan van Avennes, den Graaf van Henegouwen uit naar
Holland te komen, om hem in de regeering behulpzaam te zijn. En deze
liet zich niet lang bidden. Hij gaf dadelijk aan die uitnoodiging
gehoor en nam het gezag in handen. Een zijner eerste daden was, alle
schenkingen, die Van Borselen zichzelven of zijne gemalin gedaan had,
te vernietigen, en IJselstein terug te geven aan Heer Gijsbrecht,
den rechtmatigen eigenaar.
Onder een daverend gejuich deed deze, op zijn schimmel gezeten,
met de fiere Bertha aan zijne zijde en door zijne dappere dienaren
gevolgd, zijn intocht in het bijna geheel herstelde kasteel. Groot
was de vreugde, die in de harten der dappere verdedigers heerschte,
toen zij op den geliefden burcht terugkeerden; tranen van dankbaarheid
stonden in veler oogen, en jubelend begroette men het vaandel van
IJselstein, toen Fulco het op den toren plantte.
Den volgenden dag begaf ieder zich naar de burchtkapel, om God te
danken voor Zijne redding uit het dreigende gevaar. Een priester
verrichtte onder de plechtigste stilte den heiligen dienst, en
aandoenlijk klonk zijn gebed voor de dapperen, die het leven in den
strijd verloren hadden. Toen de gewone dienst geëindigd was, kwamen
twee koorknapen binnen, die elk een volledig harnas droegen en het
voor het altaar nederlegden. De priester verhief zijne stem en riep
Jonker Jan van Asperen en Fulco bij hunne namen, hen opdragende voor
het altaar neder te knielen.
Ieder begreep, wat er gebeuren zou. Ongetwijfeld zouden deze beide
dappere jongelieden den ridderslag ontvangen.
De priester nam het zwaard en zegende het, en nu trad Heer Gijsbrecht
naar voren en plaatste zich voor de knielenden. Met eene stem, die
beefde van ontroering, sprak hij:
"Jonker Jan van Asperen, moedige verdediger van dezen fel bestookten
burcht, en gij Fulco, die mij onder de grootste gevaren getrouw zijt
gebleven en mij uit de handen mijner vijanden hebt verlost, goud is
niet in staat, om u den dank te bewijzen, dien mijne gemalinne en ik
voor u in het hart dragen, doch ontvangt als loon voor zooveel trouw
en moed de hoogste belooning, die ik u kan schenken. Belooft gij,
immer den godsdienst getrouw te zullen blijven?"
"Dat beloof ik!" klonk het zacht uit beider mond.
"Belooft gij, zwakken en verdrukten te zullen beschermen en weduwen
en weezen een helper te zijn?"
En weer klonk het: "Dat beloof ik!"
"En eindelijk belooft gij, altijd recht te zullen doen en onrecht te
zullen wreken, waar gij het ook ontmoet, en u in alles te gedragen,
zooals het een vroom Ridder betaamt?"
En nogmaals klonk het: "Dat beloof ik. Zoo waarlijk helpe mij de
Almachtige!"
"Dan sla ik u met dezen slag tot Ridder," sprak Gijsbrecht, terwijl
hij elk een lichten slag met het platte zwaard op den rug gaf.
Ontroerd stonden de jongelieden op en trokken het harnas aan, dat voor
hen gereed lag; daarna gespte Gijsbrecht hun de gouden sporen aan. Toen
knielden zij weder neder en ontvingen den zegen van den priester.
Daarmede was de plechtigheid afgeloopen.
------
En hiermede, waarde lezer, is mijn verhaal ten einde. Alleen moet
ik nog vertellen, dat Fulco door Heer Gijsbrecht benoemd werd tot
Kastelein van het sterke slot te Heukelom, Bertha's persoonlijk
eigendom, welk slot hij tot aan het einde van zijn leven bewoond heeft,
geeerd en bemind door al zijne onderdanen.
Gijsbrecht en Bertha hebben een lang en gelukkig leven geleid, en
wanneer ge ooit het stedeke IJselstein bezoekt, verzuim dan niet
het praalgraf te gaan zien, waarin nog, zij aan zij, hun stoffelijk
overschot rust. Zelfs in den dood hebben zij elkander niet weer
verlaten.