Zij graaft den Held een rustplaats;

Met eigen blinkend zwaard;

En met haar sneeuwwitte armen

Legt zij hem neêr in de aard.

Zij zelve luidt de doodklok

Met handen teer en schoon;

Zij zelve zingt de lijkmis

Op zilverklaren toon.

"Nu wil ik, booze wereld,

Uw snood gewoel ontgaan;

Ter eere van mijn liefste

Neem ik den sluier aan."

Bij het einde van het lied zwegen de ridders, niettegenstaande zij

sterk onder den invloed van den vurigen wijn verkeerden. De weemoedige

inhoud van het lied zoowel als de schoone voordracht van den grijzen

minstreel had hen getroffen.

Na eene korte pauze deed de zanger opnieuw de snaren trillen, doch

nu met krachtige hand. Forsch en gespierd klonken de tonen door de

holle zaal. De gestalte van den grijsaard verhief zich en zijne oogen

fonkelden van vuur. Met gloed en warmte zong hij het lied:

De Kruisprediker.

"Op, Christ'nen op! Ontwaakt, te wapen!

De Muzelman trekt in het veld,

Hij dreigt het Kruis met zijn geweld

En zoudt gij, Christ'nen, rustig slapen?

De Turk maakt Jezus' naam te schand,

Trekt op en redt het heil'ge land!

Daar is uw Heer aan 't kruis gestorven

Om uwe zonden te voldoen,

Uw boozen lust, uw schuld ten zoen,

En heeft uw zaligheid verworven.

Thans geldt het Jezus' naam en eer!

Trekt op! ten strijde voor uw Heer!

De Stedehouder Gods op aarde

Scheldt hem de zwaarste zonden kwijt,

Die optrekt in den heil'gen strijd,

Geen aardsche schat heeft hooger waarde.

Op dan, ten strijd naar 't Oosten heen!

Den dood aan Turk en Saraceen!

Wie hier in dienstbaarheid moet sterven

En optrekt naar het Heil'ge land,

Wordt losgemaakt van elken band,

Kan buit en vrijheid zich verwerven.

Lijfeig'nen, knechten, dienstb'ren hoort!

De Paus verpandt zijn heilig woord!

Laat vrouw noch kind U zorgen baren,

De kerk is weêuw en wees tot troost,

Zij zorgt voor echtgenoot en kroost

En zal uw goedren trouw bewaren.

Op, naar het Oosten! Ziet niet om!

Ten heilgen strijd voor 't Christendom!

Gij Ridders, dienstb'ren, edelknapen,

Trekt op met moed, aanvaardt het Kruis!

Verwerft het hemelsch Vaderhuis,

God wil den strijd, op dan, te wapen!

God gaat U voor op d' eerebaan:

Het Kruis verwint de Halve Maan!"

De monnik zwijgt! Een heilig beven

Doorstroomt de borst van jong en oud,

En plots'ling galmt het langs het woud:

"God wil den strijd! Wie zal weerstreven?"

En wie er keert naar burcht of kluis

Hecht op den schouder 't heilig kruis!

Onbeschrijflijk was de geestdrift, die de grijze zanger met dit lied

op de woeste edelen teweegbracht. Met ingehouden adem en fonkelende

oogen hadden zij naar hem geluisterd, en onwillekeurig had menigeen

de hand aan het zwaard geslagen.

Een uitbundig gejuich was zijn loon. Gouden sieraden en juweelen

ringen werden hem voor de voeten geworpen, het regende als het ware

goudstukken om hem heen.

Doch de grijsaard verwaardigde zich niet, die schatten van den grond

op te rapen. Hij liet het verzamelen van de rijke geschenken aan

zijne dienaars over.

Toen het gejuich wat bedaard was, trad hij weder een weinig naar voren,

en zeide op zachten toon:

"Hebt dank, Edele Heeren, voor den lof ons bewezen, en voor de rijke

belooning, ons geschonken. Nog één verzoek zou ik evenwel willen doen,

indien mij daartoe oorlof werd gegeven."

"Spreek zanger," riep Heer Aloud uit, "spreek, en wat gij wenscht,

is u vooruit toegestaan."

"Dank, machtige Heer," zeide de grijsaard met eene buiging. "We zijn

hier vreemd in deze stad en niemand kent ons. Daarom verzoeken wij

eerbiedig een nachtverblijf in dezen adellijken burcht. Morgen vroeg

vertrekken wij weder van hier, om ons naar het hof van den Hertog

van Gelre te begeven."

"Ga naar de bedienden, oude," riep Aloud, "en het zal u en uwe genooten

aan niets ontbreken. Mijn schildknaap zal u vergezellen en den dienaren

mijn wensch bekend maken. Gij kunt gaan."

Met eene nieuwe buiging nam de grijsaard afscheid en vertrok, door

zijn gezelschap gevolgd. Een schildknaap bracht hen naar het vertrek,

waar de bedienden bijeen waren.

Ook daar vierde men feest, en zooals het gewoonlijk gaat, de dienaars

volgden het voorbeeld hunner meesters maar al te getrouw. Ja,

zij overtroffen hen zelfs in ruwheid en losbandigheid. Een enkele

oogopslag was voldoende om den minstreel te doen zien, dat de vurige

wijn zijne uitwerking deed. Sommige bedienden waren zelfs zoozeer

door het druivensap bevangen, dat hun hoofd machteloos op de tafel

neêrgezonken was. Een diepe, benauwde slaap had zich van hen meester

gemaakt. Maar des te woester waren zij, die nog niet volslagen dronken

genoemd konden worden. De grofste aardigheden werden met een uitbundig

gejoel begroet, de vreeselijkste taal en de flauwste aardigheden het

meest toegejuicht. 't Was in één woord een tooneel van ruwheid en

dronkenschap, zooals in die dagen maar al te veel in de adellijke

burchten werd aangetroffen.

"Heer Aloud beveelt," riep de schildknaap, "dat het dezen minstreels

aan niets ontbreke, en men verleene hun een nachtverblijf!"

"Welkom, brave zangers, welkom!" riep de dikke keldermeester, die nu

geen last van kiespijn scheen te hebben, hun toe. "Nu krijgen ook wij

ons lied, evengoed als de groote heeren in de burchtzaal. Gaat zitten,

gaat zitten, en laat uwe kunst hooren. Maar 't moet wat moois wezen,

hoor."

"Eerst een beker!" riep Sjoerd, de paardenboef. "Eerst een beker! Met

eene droge keel kan niemand zingen! Komt, mannen, schikt bij; wij zijne

vroolijke jongens onder elkander, en al hebben we reeds een goeden

voorraad binnen,"--hier wees hij lachend op hen, die het drinken

al hadden moeten opgeven en door den slaap overmeesterd waren, --

"wij durven nog wel om het meest. Komt, wie het laatst onder tafel

ligt, niet waar, Coenraad?"

"Zeker!" riep de dikke keldermeester, "ik durf het nog best aan. Ik

moet mijn meester nog vinden!"

"In 't drinken, wel te verstaan," riep Sjoerd lachend. De jonge

minstreels lieten zich geen tweemaal noodigen. Onder vroolijke

kwinkslagen namen zij tusschen de bedienden plaats, en hieven al

spoedig de bekers even lustig als hunne tafelgenooten. Wel was hunne

taal niet zoo ruw en losbandig als van de anderen, wel toonden zij

duidelijk, dat zij beschaafder waren, maar van den beker toonden zij

zich in het geheel niet afkeerig. Onophoudelijk stootten zij met hunne

buren aan en onder vroolijk gesnap dronken zij het edele druivensap

met volle teugen.

Lustig klonken nu eens hunne vroolijk liedjes, waarbij iedereen het

refrein met den vollen beker in de hand medezong, dan weer grepen

zij hunne instrumenten en speelden hunne joligste stukjes.

't Was een feest, zooals de dienaren van Heer Aloud maar zelden hadden

bijgewoond; en wat nog bijna het meest hunne bewondering opwekte,

was, dat de nieuwe gasten in het drinken volstrekt niet voor hen

behoefden onder te doen. Zelfs de keldermeester, die, ongetwijfeld door

veelvuldige oefening, eene ongelooflijke hoeveelheid verzwelgen kon,

zonder dronken te worden, begon het te kwaad te krijgen. Wel zong en

schreeuwde hij dapper mede, maar zijne knieën begonnen te knikken,

zijne oogen werden doffer en wezenloozer, zijn hoofd duizelde, zijne

tong sloeg dubbel.

Er was er maar één, die niet deelnam aan de braspartij, ja, die

nu en dan zelfs met afkeer het schouwspel aanzag. Het was de oude

minstreel. Een enkele maal had hij zijne waarschuwende stem laten

hooren en tot meer matigheid aangespoord. Doch niemand stoorde zich

aan den eenzelvigen grijsaard, die in een hoek, dicht bij den haard,

had plaats genomen en daar bijna voortdurend zwijgend in het vuur

staarde. Wel bespotte men hem nìet, waartoe men misschien weerhouden

werd door zijn eerbiedwaardig uiterlijk, maar zijn goeden raad sloeg

men in den wind. Zelfs zijn eigen volgelingen luisterden niet naar

hem, maar gingen gestadig voort te klinken en tot drinken aan te

sporen. Telkens hieven zij den beker om de gezondheid van den braven

keldermeester te drinken, en eindelijk maakten zij zich zelfs meester

van de schenkkannen en zorgden er voor, dat niemand den bodem van

zijn beker kon zien. En de keldermeester, die meer en meer begon te

voelen, dat hij eindelijk niet één, maar wel vijf meesters in het

drinken gevonden had, liet die taak gaarne aan hen over.

Hij begon bang te worden, om het zelf te doen, daar de kan hem uit

de vingers en hij zelf onder de tafel dreigde te vallen. Wat zouden

ze hem dan uitlachen!

Toch, had de dikke keldermeester beter uit de benevelde oogen gekeken,

wellicht zou hij zelf dan schenker gebleven zijn, want wel spoorden de

lustige zangers hem onophoudelijk tot drinken aan en stond zijn kroes

geen oogenblik ledig, maar zelf dronken de minstreels niet zooveel,

als het wel scheen. Hunne kroezen waren nog lang niet ledig, als zij

die weer vol schonken, en dikwijls kwam er zelfs geen droppel wijn over

hunne lippen, als zij zich hielden, of zij met volle teugen dronken.

En had de dikke drinkebroer nog scherper uit de oogen kunnen zien,

dan zou hij ook opgemerkt hebben, dat de oude, grijze minstreel

in het minst niet zat te suffen of te slapen, zooals hij meende,

maar dat deze wel degelijk hoe langer hoe meer belangstelling in hem

begon te toonen. Ja, soms zelfs gaf hij zijnen jongen speelnooten een

vluggen wenk, en telkens deden dezen dan weer met hunne schenkkannen de

ronde. 't Werd een walgelijk tooneel. Overal zag men de ergerlijkste

dronkenschap; de meesten lagen met het hoofd op de tafel of waren op

den grond gevallen. Met schorre stem beproefde hier en daar nog een

enkele een liedje aan te heffen, maar de tong weigerde den dienst en

weldra ging het over in een onverstaanbaar dronkemansgekreun. Niemand

kon meer op zijne beenen staan, zelfs de dikke keldermeester-cipier

niet.

Nu rees de grijze minstreel op van zijn stoel en haastig gaf hij

zijnen volgelingen een teeken.

"Komt, mannen, komt, 't is genoeg. Laten we ons ter ruste begeven. 't

Wordt tijd, want het is reeds na middernacht. Kom Coenraad, wijs ons,

waar wij slapen zullen. 't Is meer dan tijd."

"Ja, d... dat is g... goed," stamelde Coenraad met eene dikke tong,

terwijl hem zijne kin op de borst zonk.

"D... dat is g... goed, m... maar ee.. ee.. eerst nog een k

. kr... oe... s."

"Laat dat dan de laatste zijn, Coenraad," zeide de minstreel, terwijl

een der zangers hem opnieuw inschonk. "Ja, d... de laa.., t... ste,"

mompelde Coenraad.

Toen namen de zangers hem in hun midden en verlieten met hem het

vertrek.

"Waar moeten we je brengen, Coenraad?" vroegen zij lachend, maar toch

keken zij elkander met een veelbeteekenenden blik aan.

Coenraad keek met zijne dronkemansoogen een oogenblik suf in het rond

en wees toen eene trap aan, die naar beneden voerde.

"D.. da . a... daar," bracht Coenraad met moeite uit. Vlug brachten zij

den keldermeester naar beneden en het was verwonderlijk te zien, hoe

behendig en krachtig de grijze minstreel daarbij de behulpzame bood.

Nu kwamen zij in eene vrij groote kamer, waar zij Coenraad op een

gereedstaand rustbed nederlegden.

"Bindt hem, en belet hem het schreeuwen," riep nu de minstreel. "Hij

mocht nog eens bij kennis komen. Wij kunnen niet te voorzichtig

zijn. Ik zal ondertusschen eens snuffelen, of ik de sleutels kan

vinden. Vroeger droeg hij die aan zijn gordelriem, maar dat schijnt

hij nu niet meer te doen."

Met eene verwonderlijke vlugheid sloop de oude man door het vertrek

rond en keek in alle boeken en gaten. Geen kast, zelfs niet de

slaapplaats van Coenraad, bleef ondoorzocht. Intusschen waren

de jongelieden bezig, den dronken Coenraad aan handen en voeten

te binden. Ook bonden zij hem een doek voor den mond, om hem het

schreeuwen te beletten.

"Kunt ge de sleutels niet vinden?" vroegen zij eindelijk aan den

grijsaard, die voortging met gejaagden spoed het geheele vertrek

te doorsnuffelen.

"Neen, ik zie ze niet. 't Is om radeloos te worden. De tijd dringt, en

slagen we van nacht niet, dan slagen we nooit. Helpt eens zoeken. Ik

kan me niet begrijpen, waar hij ze gelegd kan hebben. Ik heb alles

al doorzocht, geloof ik."

Allen gingen nu ijverig, maar behoedzaam, aan het zoeken, doch de

uitslag was ongunstig. Zij vonden de sleutels niet.

"Vreeselijk jammer," mompelde de oude man, terwijl hij zijne oogen door

het vertrek liet rondgaan. "Zoo nabij, en niets te kunnen doen! Zou

het mij dan wederom mislukken?"

Doch plotseling flikkerden zijn oogen met een helderen glans.

"Hij zal ze bij zich hebben," riep hij, verheugd over zijne ontdekking,

uit. "Laten we zijne kleederen doorzoeken."

"Dat kon waar zijn!" meenden de anderen, en spoedig werd de dikke

keldermeester aan alle kanten bevoeld en betast.

"Ik voel al iets," riep er een. "De brave man draagt ze zorgvuldig

tusschen zijne kleederen op de borst. Wacht Coentje, laten we eens

kijken, wat je daar hebt."

Behendig werden zijne kleederen losgemaakt, en waarlijk, daar kwamen

de langgezochte sleutels voor den dag. De oude minstreel greep ze

haastig aan en verborg ze onder zijn mantel.

"Nu naar beneden!" riep hij. "Maar laten we voorzichtig zijn. Neem jij

de lamp mede, Wolfgang, en doof haar uit. Kunt ge straks licht maken?"

"Dat is in orde," klonk het antwoord.

"Laten we dan gaan," gebood de minstreel. "Past allen op, dat er

geen leven gemaakt wordt. Het minste geritsel kan ons verraden en

-- het leven kosten. Neemt het zwaard in de hand, en denkt er om:

geen genade, voor wie ons in den weg mocht staan. Voorwaarts!"

Behoedzaam daalden zij de trap af, die naar de onderaardsche gewelven

voerde. Eene kille, benauwde lucht kwam hun te gemoet. Langzaam slopen

zij verder, de lange gang door. Hoe zacht zij zich ook bewogen, toch

klonken de voetstappen daar hol, en werden door de hooge gewelven

angstwekkend teruggekaatst. De grijsaard ging aan de spits. Hij

hield zijn adem bijna in. Zijn hart klopte hem onstuimig in de

borst. Eindelijk stond hij stil.

"We zijn aan het einde van de gang," fluisterde hij, "en bevinden

ons hier ongetwijfeld vlak bij de kerkers. Zouden we geen licht maken?"

"'t Zal het beste zijn. In donker althans kunnen we niets doen. Ik

geloof, dat we hier geheel alleen zijn. Niemand zal het ons kwaad

maken."

"Dat is zoo," sprak de grijsaard, "maar licht is gevaarlijk. Toch

moet het, Wolfgang."

Spoedig was de lamp aangestoken. Haar flikkerend, rosachtig licht

verspreidde zijn flauw schijnsel door de gewelven.

"Ha, daar zie ik de deuren," mompelde de minstreel, met den vinger

naar een donkeren hoek wijzende. "Welke zal nu de goede zijn? Maar

hoor, wat is dat voor een gedruisch? Doof het licht!"

Dat geschiedde op hetzelfde oogenblik, en vol spanning luisterde het

zestal of er ook onraad was.

Maar neen. 't Was slechts een steen, die losgeraakt, met een donderend

geraas van het gewelf nederviel.

Rommelend verloren de echo's zich in de holle ruimte. Toch waagden

zij zich nog niet verder. Angstvallig luisterden zij, of zij ook iets

verdachts hoorden. Maar alles bleef stil.

"Laten we niet langer dralen," sprak de minstreel. "Ontsteek het

licht opnieuw, Wolf, en laten we voortmaken. Hoe langer we talmen,

hoe grooter het gevaar voor ontdekking wordt. Zie zoo, nu kunnen we

weer zien. Laten we de versie deur het eerst nemen, of nog beter,

breng uw licht bij den grond. Misschien vinden wij dan sporen van

voetstappen. Ha, hier zie ik al iets. Deze deur zullen we nemen."

Bevende van spanning en ongeduld nam de grijsaard de sleutels

en beproefde het slot te openen, wat hem niet dan na lang zoeken

gelukte. Hoor, wat kraste dat slot, en wat snerpten die hengsels,

nu hij de breede, met ijzer beslagen deur opende.

Haastig trad hij, door zijne begeleiders gevolgd, het hol binnen. Eene

walgelijke, vunzige lucht deed hen het hoofd met af keer omwenden.

Maar spoedig overwonnen zij dien afkeer en traden binnen. Wolfgang

hield de lamp omhoog, opdat het flauwe licht zooveel mogelijk overal

zou doordringen.

Daar verrees eene zwakke, uitgeteerde gedaante van den grond. Hij

strekte de handen uit. Lange haren golfden hem tot midden op den rug

en zijn baard hing hem halverwege de borst.

"Wie zijt gij, en wat komt gij doen?" riep hij hun toe. Doch hij

kreeg geen antwoord op zijne vragen. Ontzet stond de grijsaard voor

hem en staarde hem wezenloos aan. Wat? Was die uitgemergelde, bleeke

man, met die ingevallen kaken en die holle oogen, de eertijds zoo

krachtige Heer Gijsbrecht, de fiere overwinnaar van het tournooispel te

Heukelom? Hadden die strakke oogen vroeger gefonkeld, toen hij zijne

dienaren ten strijde opriep, om den moord op Graaf Floris gepleegd,

te wreken? Hadden die vermagerde vingers toen zoo krachtig het zwaard

omklemd? Neen, heen, hij kon het niet gelooven.

"Zijt gij Heer Gijsbrecht van IJselstein?" vroeg de oude minstreel

haperend en ongeloovig.

"Ja, die ben ik. Maar gij, wie zijt gij?"

Plotseling trad de grijsaard op hem toe en sloeg hem de armen om den

hals. Snikkende borg hij het hoofd aan Gijsbrechts borst.

"Arme, ongelukkige Heer!" fluisterde hij. "Ik ben het, ik, Fulco,

uw dienaar. Ik kom u redden!"

Maar Gijsbrecht trad achteruit.

"Bedrieg mij niet, bedrieg mij niet," smeekte hij. "O, vlei mij niet

met iets, dat onmogelijk is. Gij, zijt gij Fulco?"

Weer kwam de grijsaard naderbij. Hij zette de muts, die zijne zilveren

haren bedekte, af, en trok zich de grijze pruik van het hoofd. Daar

ontviel hem ook de lange baard, en nu zag Gijsbrecht zijn trouwen

Fulco voor zich, met oogen, die door hunne tranen heen nog glinsterden

van vreugde.

"Mijn God!" stamelde Gijsbrecht met gevouwen handen. "Mijn goede,

trouwe, beste Fulco! O, wat ben ik dankbaar, en zeg, zeg mij, hoe

het met Bertha is, mijne lieve Vrouwe?"

"Straks, Heer, straks zal ik u alles vertellen, maar laten wij ons

eerst in veiligheid brengen. Hier, doe dien baard aan, .... goed zoo,

-- nu die pruik op,--prachtig,--hier is de muts, en nu nog

mijn mantel,--mooi, en nu vooruit! Blaas het licht uit, Wolf,

het mocht ons verraden, en gaat gijlieden vooruit! Wij volgen. Wat

er nu ook moge komen of gebeuren, Heer, gij loopt door. Ieder zal u

voor den minstreel aanzien, die dezen avond voor de gasten gezongen

heeft. Wacht, laat ik u bij den arm houden, 't is pikdonker. Goed zoo,

langzaam verder, jongens, en geen geritsel! Ha, zijt ge daar aan de

trap? Mooi, nu opgepast, hoor! Langzaam naar boven!"

Daar kwamen zij weer in de kamer, waar zij Coenraad hadden

achtergelaten. In de verre hoorden zij nog het gejuich van de ridders

in de burchtzaal. 't Scheen er daar woest naar toe te gaan, aan het

gedruisch te hooren. Behoedzaam openden zij de deur en bestegen de

trap naar boven. Nu kwamen zij langs het vertrek, waar de bedienden

nog op den grond lagen te ronken. Zij gingen zonder leven te maken

verder en kwamen aan de deur, die naar buiten voerde. Fulco opende

die. Nu waren zij buiten; zij waren gered. Neen, toch niet: daar

stond een wachter aan de brug.

"Wie daar?" riep deze.

"De minstreel en zijne dienaren!" riep Fulco. "Heer Aloud gelast u

ons door te laten."

Maar de wachter was voorzichtig. Hij kwam naderbij en beschouwde hen

met aandacht. Bevend van angst, dat hij Gijsbrecht zou ontdekken, hield

Fulco de hand aan zijn zwaard, met het stellige voornemen, den man voor

eeuwig het zwijgen op te leggen, zoo hij gerucht maakte. Gelukkig was

zulk een krachtige maatregel niet noodig. De wachter bemerkte niets

van het bedrog. Het waren immers dezelfde menschen, die hij eenige

uren geleden had binnengelaten?

"'t Is in orde; gij kunt gaan," sprak hij.

En zij gingen, onder het slaken van een zucht van verlichting. Haastig

zochten zij nu de plaats op, waar eene boot gereed lag, om hen naar

de overzijde van de stadsgracht te brengen. Daar stonden paarden

gereed. Met tranen in de oogen besteeg Gijsbrecht zijn geliefden

schimmel.

"Vooruit, beestjes!" riep Fulco, terwijl ook hem tranen van blijdschap

en dankbaarheid langs de wangen vloeiden. "Vooruit, naar het slot

te Heukelom!"

Geroerd vouwde Gijsbrecht de handen en dankbaar sloeg hij de oogen

ten hemel. Toen greep hij Fulco's hand, en zeide:

"Goede, trouwe Fulco, hoe zal ik u ooit genoeg kunnen danken! O,

Fulco, Fulco, wat ben ik gelukkig!" En zich voorover bukkende, kuste

hij zijn paard den blanken hals.

HOOFDSTUK 9

Nog eenmaal IJselstein

Reeds langer dan een jaar had het beleg geduurd, en nog altoos hield

Bertha den strijd vol. Wel begonnen de muren te waggelen, wel was

reeds de hoofdpoort tot puin ineengestort, maar nog altoos wapperde

Gijsbrechts vaandel van den toren en nog altoos weerklonk het bij

elken aanval van de muren: "Voor IJselstein en Bertha!"

Maar die kreet, eerst zoo schrikwekkend in de ooren der vijanden,

was langzamerhand zwakker geworden--en klonk nu nog slechts als

de echo van dien uit vroeger dagen.

Hoor, onophoudelijk rammeien de vijanden de muren, hier en ginds,

zelfs op verscheidene plaatsen tegelijk. Waarom trekken de dappere

strijders niet als vroeger de poort uit en jagen den vijand als kaf

voor zich heen en doen de belegeringswerktuigen door vernielende

vlammen verteren? Zien zij dan niet, hoe de vijand met driest geweld

en ongestoord de muren aan gruis beukt en weldra door de gemaakte

bres naar binnen zal dringen met het zwaard in de vuist, dood en

verderf brengend?

Ach, Bertha zoowel als hare moedige verdedigers weten het, welk

lof hun boven het hoofd hangt, maar zij zijn niet bij machte om

den vijand langer afdoenden weerstand te bieden. IJselstein is een

kerkhof geworden! Behalve de vrouwen en kinderen, die door ziekte of

door een neêrploffenden steen getroffen, den geest hebben gegeven,

liggen vijfentachtig dappere mannen op de binnenplaat, s begraven. Nog

slechts zestien strijders, met Jonker Jan van Asperen aan het hoofd,

verdedigen den burcht. Aan een uitval kunnen zij niet meer denken. De

vijand zou hen verpletteren. Ongestoord kan deze voortgaan de muren

te verbrijzelen.

En dat is nog niet alles. Het ergste is eindelijk ook gekomen. De

voorraad levensmiddelen raakt uitgeput; de volle schuren zijn leeg

geworden. Bertha heeft bevolen, dat elk zich moet matigen. Niemand

kan meer zooveel krijgen, als hij noodig heeft. De honger doet zich

gevoelen en blijkt scherper te zijn dan een tweesnijdend zwaard. Het

ongelukkige IJselstein, zoo moedig verdedigd, nadert zijn val. Bertha

weet het. Maar toch heeft nog niemand een traan in haar oog gezien,

toch spreekt zij haren mannen nog moed in en wijst hen vol fierheid

op IJselsteins wapen aan den toren. Haar moed houdt dien bij hare

krijgers staande, en als zij op de muren verschijnt, klinkt het nog

altoos met geestdrift: "Voor IJselstein en Bertha!"

Neen, nog niemand heeft haar zwak gezien of kleinmoedig. Hare

verschijning schenkt nog altijd nieuwe kracht aan de uitgeputte mannen.

Maar nu, nu zij zich heeft teruggetrokken in de duistere eenzaamheid

van haar vertrek, want het is avond, zie, nu vloeien de tranen

rijkelijk langs hare bleeke wangen, en ontsnapt zucht op zucht aan

haar geprangden boezem. Aan de hevigste smart ten prooi werpt zij

zich op de knieën en heft de handen ten hemel.

En toch is het niet om zichzelve, dat zij schreit. Neen, 't is niet

in de eerste plaats uit eigenbelang, dat zij God om hulp en redding

smeekt. 't Is deernis met het lot der dapperen, die haar met zooveel

voorbeeldige trouw hebben verdedigd, om wie zij den Hemelschen Vader

aanroept en om wie zij wanhopig de handen wringt. Wat zal het lot

zijn dier ongelukkigen, als Vianen eenmaal meester is in den burcht

en zich ongestraft kan wreken over zooveel kloekmoedig verzet? De

arme vrouw mag er niet aan denken. En toch is de burcht niet langer

te behouden; weldra zal hij moeten vallen voor de macht van den

bloeddorstigen overweldiger.

En nog meer wordt haar hart van droefheid vervuld, als het beeld

van haar geliefden Gijsbrecht haar voor de oogen komt. Dan krimpt

haar hart pijnlijk te zamen, dan klopt het bloed haar in de slapen,

dan zou zij haar verdriet, haar angst, haar ongeluk wel lucht kunnen

geven in een allesdoordringenden kreet, "O, God, o, God," kermt zij

dan, terwijl zij voor haar arm hoofd een steun zoekt op den grond,

"O God, o God, heb genade! Laat hem niet sterven van ellende en

gebrek in een vreeselijken kerker, o, ik bid U, laat mij hem nog

éénmaal zien, voor mijn en zijn dood, nog éénmaal, Vader in den

Hemel, slechts éénmaal! Ach, Gij weet, hoe onuitsprekelijk ik naar

hem verlang. Laten wij niet voor altoos gescheiden zijn!" ...

Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden · 第 9 / 12 段