edelvrouw na lange weifeling, "hoewel ik het zeer duur vind."
"Ik geef niet meer dan tien ons," sprak Heer Aloud kortaf.
"Nu, Heer, geluk er mede. Eigenlijk kan het niet, maar het eene moet
het andere dan maar weer goed maken."
Nog lang bleven de edelman en zijne gemalinne met Fulco bezig,
en verscheidene dure stukken gingen in hunne handen over. Het was
al geheel donker, toen hij zijne mars weer op den rug nam en met
eene diepe buiging de burchtzaal verliet. Nu begaf hij zich naar
het vertrek, waar de kooplustige bedienden al met verlangen naar
hem uitkeken.
"Kom binnen! Kom binnen!" riep men hem toe, zoodra hij in de deur
verscheen.
Met een vriendelijken avondgroet voldeed hij aan die uitnoodiging,
en vlug keek hij in het rond, om te zien, wie hunner wel de
gevangenbewaarder zou zijn. Al spoedig viel zijn oog op een dikken
man, die met een pijnlijk en knorrig gezicht in den hoek van de
kamer zat. Blijkbaar had hij hevige kiespijn, want zijn gelaat was
onnatuurlijk opgezet en hij had een doek om het hoofd gebonden. Met
een enkelen oogopslag bemerkte Fulco, dat hij aan zijn gordelriem
een aantal sleutels had hangen.
"Hem moet ik hebben," dacht Fulco, terwijl hij de tafel naderde. Hij
maakte evenwel geen aanstalten om te gaan zitten of zich van zijne
mars te ontdoen.
"Het spijt mij wel, goede vrienden," zeide hij, "maar het is nu
waarlijk te laat, om mijne mars nog uit te pakken .... "
"Och, kom!" viel men hem van verschillende kanten in de rede, "'t is
nog vroeg genoeg. Wij hebben den geheelen avond nog vóór ons."
"Gijlieden wel," hernam Fulco, "maar ik niet. Ik ben vreemd hier in
de stad, weet-je, en ik moet nog een onderkomen zien te vinden. Het
spijt me werkelijk, want ik heb veel moois bij me en ik wil graag wat
verdienen, maar het kan waarlijk niet. Of kan ik hier overnachten? Dan
ben ik gaarne tot je dienst."
"Mag dat, Coenraad?" vroegen verscheidene stemmen aan den dikken
cipier.
"Neen, zeker niet," bromde deze terug, terwijl hij zijne beide handen
tegen zijne wangen drukte, daar hij juist weer een hevigen aanval
van kiespijn kreeg. "'t Is hier geen herberg."
"Nu, vrienden!" riep Fulco, terwijl hij opstond, "je hoort het; ik
kan hier den nacht niet doorbrengen, dus is het voor mij hoog tijd,
om te vertrekken. Heb je zulk eene hevige kiespijn?" vroeg hij op
meewarigen toon aan den cipier.
"Verschrikkelijk!" kreunde de dikke sleutelbewaarder.
"Je zoudt eigenlijk van mijn onfeilbaar middel gebruik moeten maken,
goede vriend," zeide hij. "Probatum est!"
"Heb-je dan een goed middel tegen kiespijn?" vroeg de cipier verheugd.
"Een goed middel?" vroeg Fulco. "Neen, man, een best, onfeilbaar
middel. In een halven dag is de pijn over en wat nog het mooist is, zij
komt nooit weerom. Jammer, dat het heel onder in mijne mars ligt. Ik
kan er moeilijk bij komen. Nu, goeden avond, vrienden. Tot weerziens!"
Fulco begaf zich langzaam naar de deur. Doch hij had nog geen drie
schreden gedaan, of de cipier riep:
"Het, kramer, ho, wacht even! Hoe duur is dat middel?"
"Twee denariën!" riep Fulco.
"Wat? Twee denariën?" vroeg de cipier.
"Twee denariën," herhaalde Fulco, "en geen penning minder. Maar
ik wil je een voorstel doen. Geef mij verlof, om den nacht hier
door te brengen. Misschien verdien ik dezen avond dan nog genoeg,
om u dat heerlijke middel, waardoor al honderden lijders voorgoed
hersteld zijn, ten geschenke te geven. Mooier voorstel kan ik toch
niet doen. Zoo helpen wij elkander."
"Aangenomen!" riep de cipier. "Zoek het maar gauw op, want ik verga
van de pijn."
"Bravo!" riepen de anderen. "Ga zitten koopman, en laat zien, wat
je hebt."
"Veel meer dan je koopen zult!" riep Fulco. "Maar kijken kost geen
geld, niet waar? Doch laat ik eerst den armen zieke helpen. Ziedaar,
hier is het. 't Is het heerlijke middel van Hippocrates, een beroemd
kruidkundige uit de oudheid. Wrijf er de zieke plaats aan alle zijden
mede in en binnen korten tijd is de pijn geheel verdwenen. Als het
noodig is, moet de inwrijving een- of tweemaal herhaald worden."
Coenraad volgde het voorschrift getrouw op, en nu begon Fulco zijne
koopwaren op de groote tafel uit te stallen.
"Waar is de kok?" riep hij. "Hier heb ik peper, gember, kruidnagelen,
komijn en muskaatnoten. Niet noodig? En hier heb ik hozen van de
fijnste soort in allerlei kleur. Je kunt maar kiezen, alles gaat van
avond voor een koopje, want ik heb een goeden dag gehad. En ziet eens
hier: fijne, sterke haarbanden, gespen, naalden, messen, alles sterk
en goedkoop. Linnen en fluweel, dolken van tien penningen en dolken
van een pond. Is het geen pracht om te zien?"
Fulco pakte zijne geheele mars uit en liet alles van hand tot hand
gaan, zoodat bijna de geheele avond besteed werd aan het uit- en
inpakken en bezichtigen van de schoone koopwaren. Het was al laat,
eer alle handel afgeloopen en de mars in een hoek van de kamer
geplaatst was.
"En hoe gaat het nu met de kiespijn, Coenraad?" vroeg Fulco.
"'t Is niet erger, kramer; ik zou haast zeggen, dat het iets beter is."
"Vóór je naar bed gaat, zullen we de kies nog eens goed inwrijven,"
zeide Fulco vriendelijk. "En dan moet je mijne spoeling van kruipenden
ganzerik eens probeeren. Die helpt ook uitstekend."
"Hoeveel kost die?" vroeg Coenraad. Fulco maakte eene afwerende
beweging met de hand en zeide:
"De ééne dienst is den anderen waard, goede vriend. Laten we daarover
niet meer spreken."
En zich tot den cipier overbuigende, fluisterde hij hem in het oor:
"Ik slaap hier niet voor niets. In eene herberg zou ik ook moeten
betalen, niet waar? Straks, als we alleen zijn, heb ik nog een
mooien gordelriem voor je. Ik heb graag overal, waar ik kom, goede
vrienden. Doch laat er niets van merken, voor ik vertrokken ben."
Coenraad knikte. De marskramer beviel hem wel, en al spoedig daarna
stond hij op, om zich ter ruste te begeven.
"Indien gij wilt, kunt ge wel op mijne kamer slapen," zeide hij
tegen Fulco.
"Als ik u daar niet tot overlast ben, heel gaarne," antwoordde Fulco
opstaande.
Hij nam zijne mars op den rug, en na allen een goeden nacht
toegewenscht te hebben, volgde hij den dikken cipier naar diens
vertrek. Hier haalde Fulco een gordelriem uit zijne mars en gaf
hem dien.
"Hartelijk dank, kramer!" riep Coenraad verheugd. "Wees er verzekerd
van, dat ge voortaan een vriend in mij zult vinden, en als ge weer
te Dordrecht komt, kunt ge hier overnachten, hoor."
"Dat neem ik gaarne aan," zeide Fulco. "Hoe is het nu met de kiespijn?"
"'t Wordt al veel beter, maar toch moesten we nog maar eens insmeren."
"Heb ik het niet gezegd? Geen beter middel dan dat van den beroemden
Hippocrates. Gebruik nu deze spoeling van ganzerik nog en je zult
slapen als een roos, dat verzeker ik u."
Een half uur later lagen Coenraad en Fulco ieder op een rustbed, doch
geen van beiden sliep. Coenraad kon niet in slaap komen, omdat de
pijn weer heviger geworden was, zoodra hij in het warme bed kwam, en
Fulco was wakker, omdat hij niet slapen wilde. Onafgebroken luisterde
hij naar de ademhaling van Coenraad, met het vaste plan, om zich,
zoodra deze sliep, van de sleutels meester te maken en zich naar de
onderaardsche holen te spoeden, in één waarvan Heer Gijsbrecht zijn
ongelukkig lot voortsleepte.
Doch zijn geduld werd op eene zware proef gesteld, want het eene
uur na het andere ging voorbij, en nog altoos sliep Coenraad
niet. Onophoudelijk hoorde Fulco hem kreunen van de pijn. Maar hij
verloor zijn geduld niet. Roerloos lag hij op zijne legerstede en
door eene rustige en diepe ademhaling trachtte hij Coenraad in den
waan te brengen, dat hij sliep.
Eindelijk werd zijn kamergenoot rustiger en korten tijd daarna scheen
het Fulco toe, dat hij sliep. Ja, zijne ademhaling werd meer en meer
hoorbaar en ging eindelijk over in een luid gesnork.
Fulco wachtte nog wel een half uur, en bemerkte tot zijne groote
vreugde, dat Coenraad rustig bleef doorslapen.
"Nu of nooit!" mompelde hij zacht. "De sleutels heeft hij bij zich op
bed genomen, als ik goed gezien heb. Het zal niet gemakkelijk gaan,
om ze in handen te krijgen, doch die niet waagt, wint ook niet."
Voorzichtig richtte hij zich op. Gelukkig, het ledekant kraakte
niet. Nu wachtte hij weer eenigen tijd en hield zijne oogen
onafgebroken op de plaats gericht, waar Coenraad lag. Het was donker
in het vertrek, zoodat hij hem niet zien kon. Doch aan zijne rustige
ademhaling bemerkte hij, dat hij sliep. Zoo langzaam mogelijk liet
Fulco zich nu van het bed afglijden, dat hem gelukte zonder eenig
gedruisch gemaakt te hebben. Weer hield hij zich een oogenblik stil
om te luisteren. Coenraad sliep rustig door. Hij begon zelfs hardop
te droomen, waarvan Fulco niet weinig schrikte.
Onhoorbaar plaatste hij nu zijn ééne been vooruit .... Coenraad snorkte
door.., nu zijn andere... "krits!" ... daar stootte hij zacht tegen de
mars aan, die hij tegen de tafel geplaatst had. Veel gedruisch maakte
het niet, maar toch genoeg om onmiddellijk aan het luide gesnork van
Coenraad een einde te maken. Fulco voelde, dat hij doodsbleek werd.
"O God, zou het mislukken?" mompelde hij onhoorbaar. Doodstil bleef
hij staan. Zou Coenraad wakker zijn? Hij luisterde. Neen, het scheen,
dat hij sliep, althans zijne ademhaling was diep en zwaar. Maar
snorken en droomen deed hij niet meer.
Fulco wachtte wel een kwartier lang. Toen ging hij zacht met één
been weer eene schrede verder. Even later verplaatste hij zijn andere
been. Toen bleef hij weer eenige minuten staan. Alles bleef stil. Hij
hoorde niets dan de ademhaling van Coenraad. Zacht strekte hij zijn
arm uit om te onderzoeken, of hij diens bed al genaderd was. Ja,
nog ééne schrede, en hij had zijn doel bereikt. Voorzichtig sloop
hij verder. Hij boog zich een weinig voorover, zoodat hij Coenraads
adem in zijn gelaat voelde. Waar zouden de sleutels zijn? Onder
zijn hoofdkussen? Waarschijnlijk wel. Hij strekte zonder het minste
geruisch opnieuw zijn arm uit. Zijn hart klopte hem onstuimig in de
borst. Zou het gelukken?
Hij voelde de sleutels niet. Ja toch, daar lag iets kouds. Dat moesten
ze zijn. Ha, daar...
Doch plotseling slaakte hij een kreet van schrik, want onverwachts
richtte Coenraad zich op en greep hem met beide handen om zijn hals.
"Ha, mannetje, dat dacht je niet, hè?" riep hij uit, terwijl hij zich
van zijn bed liet glijden.
Met kracht rukte Fulco zich los. Hij had zich geheel van den schrik
hersteld en begreep, dat kalmte alleen hem nog kon redden.
"Kerel, ben je razend geworden?" riep hij uit, terwijl hij zich
Coenraad van het lijf hield. "Wat scheelt je toch, om een goed vriend
zoo onzacht om zijn hals te pakken? Wat denk-je wel van me?"
"Niet veel goeds, vriendje!" lachte Coenraad. "Ha, ha, dacht je nu
waarlijk, dat je Coenraad te slim waart?"
"Maar, beste man," riep Fulco, die zich nog altoos dom hield, "wat
denk je dan toch van me? Geloof je soms, dat ik een dief ben?"
"Dat weet ik niet," zeide Coenraad sarrend, "maar veel goeds had-je
niet in den zin! Wat moest je anders aan mijn bed doen?"
"Wel, nu nog mooier!" riep Fulco lachend. "Begrijp je dat dan niet? O,
Coenraad, Coenraad! Nu dacht ik toch, dat je verstandiger waart."
"Hoe bedoel je dat?" vroeg Coenraad, die inderdaad begon te gelooven,
dat hij zich vergist had.
"Zulk eene behandeling heb ik niet aan je verdiend, Coenraad!" hernam
Fulco op verwijtenden toon. "Het was niets dan belangstelling van
me, dat ik naar je bed ging. Ik wilde alleen even luisteren, of je
pijn over was of niet, met het plan, om je kies, zoo dat noodig was,
nog eens goed in te wrijven. Ik meende, dat ik je hoorde kreunen."
"Zoo?" zeide Coenraad wantrouwend. "Maar wat moest je dan met je hand
aan mijn hoofdkussen doen?"
"Dat is mijn geheim, Coenraad," zeide Fulco op eenigszins
geheimzinnigen toon. "Alleen wil ik je zeggen, dat ik je de kiespijn
afnam, maar hoe ik dat deed, heen, dat zeg ik niet; dat mag ik ook
niet zeggen. Geloof je me nu?"
"'t Is mogelijk," zeide Coenraad schouderophalend.
Blijkbaar was zijn wantrouwen nog niet geheel geweken. "Weet-je wat
we doen moesten?" vroeg Fulco lachend. "Nu, wat dan?"
"Wel, we moesten gaan slapen. Weet-je wel, dat je me geducht aan het
schrikken gemaakt hebt?"
"Jij mij zeker niet!" bromde Coenraad. "Nu, ga dan maar weer in bed,
doch nu haal je niet weer zulke kunsten uit, versta je!"
"Dat is afgesproken," zeide Fulco.
De beide mannen stapten weer in bed.
"Misschien gaat hij weer slapen," dacht Fulco, bedroefd over het
mislukken van zijne poging.
Doch dien nacht viel Coenraad niet weer in slaap. Hoewel de woorden
van Fulco hem eenigszins hadden gerustgesteld, vertrouwde hij zijn
kamergenoot toch niet weer geheel. Slapen althans durfde hij niet,
en onophoudelijk luisterde hij, of hij beweging in het andere bed
hoorde. Zoo ging de nacht langzaam voorbij.
Coenraad begroette den dag met vreugde. Fulco daarentegen zag de
eerste zonnestraal met een bezwaard hart. Bedroefd en terneergeslagen
verliet hij, met zijne mars op den rug, den burcht, en moedeloos kwam
hij een dag later op Heukelom aan.
"Heb ik het niet gezegd?" riep Heer Otto uit, toen Fulco hem zijn
wedervaren vertelde. "'t Is een onbegonnen werk en ik zou verder
de moeite maar sparen. Je moogt van geluk spreken, dat je er zoo
afgekomen bent."
"Toch geef ik den moed nog niet verloren, Heer!" zeide Fulco. "Wel
is mijn eerste plan mislukt, maar misschien ben ik met het tweede
gelukkiger."
Den volgenden dag begaf Fulco zich weer op weg, nu echter zonder
mars. Hij ging naar Vlaanderen.
Daar oefende hij zich ijverig in de muziek en verbond zich met eenige
jongelieden, die bereid waren hem op zijne rondreis als minstreel
te vergezellen. Het waren talentvolle jongelieden, die met elkander
een voor dien tijd volledig orkest vormden. Fulco zelf bespeelde de
viool; zijne metgezellen ieder een ander instrument, namelijk de lier,
een instrument met twaalf snaren, dat bespeeld werd met de vingers,
een monocordion, een strijkinstrument met één snaar, een chorus,
een blaasinstrument, een psalterium en een cyther.
Met dat gezelschap begaf Fulco zich op weg naar Dordrecht, om eene
laatste poging tot redding van Heer Gijsbrecht te doen.
Hoe hoopte de brave jongen, dat het hem nu zou mogen gelukken!
HOOFDSTUK 8
De grijze minstreel
't Was feest op Crayenstein, het machtige slot van den gevreesden
Aloud, 's Graven Baljuw. De burchtzaal was door een tal van lampen en
fakkels verlicht, die hun schijnsel door de ramen naar buiten wierpen,
en vroolijk klonk het rinkelen der bekers en het gejuich der gasten
zelfs tot buiten de muren.
Wist dan de machtige Aloud niet, hoe het kookte en bruiste in de harten
en hoofden der Dordtenaars, die het gejuich van uit de verte konden
hooren? Wist hij het niet, hoe gekrenkt die vrije poorters waren door
zijne trotschheid en heerschzucht, en hoe zij zich in hunne rechten
aangetast achtten door zijn eigenmachtig bestuur? Zag hij niet de
dreigende blikken der voorbijgangers, die vol ergernis en toorn de
vuist tegen het machtige slot ophieven? Hoorde hij niet, hoe hunne
zwaarden kletterden in hunne handen, als zij voorbijgaande het gerest
met eene vreeselijke verwensching op de lippen aangrepen? Begreep
hij niet, de trotsche Aloud, die van de hoogte zijner adellijke
geboorte met minachting neerzag op de vrije poorters, dat hij als
op een vulkaan zat, die inwendig beefde van een gloeiend vuur,
dat weldra zou uitbarsten en hem vernietigen? Neen, wel wist hij,
dat de burgerij hem haatte, maar--wat zou dat? Hij was immers
nog meer gevreesd? Wie zou het durven wagen de hand op te heffen
tegen den gunsteling van den machtigen Van Borselen, die in's Graven
naam het bewind voerde en die zijne handlangers steeds aanmoedigde,
den adel te verheffen ten koste van de burgerij? Wie zou het zwaard
durven trekken om hem te treffen?
Neen, Aloud zat gerust op zijn kasteel Crayenstein, en hij vierde
feest met zijne vrienden. Had hij dan geen reden om te juichen? Had
hij den poorters van Dordrecht hunne grootste rechten niet ontnomen
en hunne wettige privilegiën geschonden, zonder dat zij zich, een
paar woestelingen uitgezonderd, hadden durven verzetten? En die
woestelingen, waren zij niet voorbeeldig gestraft ten aanschouwe
van de geheele stad, die sidderend van angst het schouwspel had
aangezien, zonder het te durven wagen een enkelen kreet van verzet
te slaken? En had hij heden de stad niet in het hart aangegrepen,
door de Merwede met palen af te zetten, om den handel geheel in zijne
macht te hebben? En toch--toch had niemand zijne stem durven laten
hooren, om zich tegen zooveel willekeur te verzetten. Neen, hij zat
rustig op zijn kasteel Crayenstein, en hij vierde vroolijk feest,
want de fiere poorters hadden deemoedig het hoofd gebogen voor den
machtigen dwingeland. Hij had het bevel zijns meesters ten uitvoer
gebracht. Laat het onder hen gisten en bruisen, laten zij de vuisten
dreigend opheffen, als zij zijn kasteel voorbijgaan, of het zwaard met
trillende hand bij het gevest grijpen, hij vreest hen niet. Zij zullen
het niet wagen, zich tegen hem te verzetten. Zij vreezen zijne wraak.
Vroolijk rammelen de bekers, lustig klinkt het gejuich der gasten en
tergend schatert hun lachen ten koste van de vernederde poorters. De
wijn vloeit bij stroomen en maakt de hoofden warm; men drinkt ter
eere van den Graaf en diens machtigen beheerscher, men zweert den
ondergang der steden.
"Leve Heer Wolfert van Borselen, die den adel zijne vroegere macht
hergeeft! Den dood aan zijne vijanden!"
"Den dood aan IJselstein, die zich durfde verzetten tegen's Graven
wil! Op den ondergang van zijn machtig kasteel!"
"Leve Heer Aloud, die de poorters terugbrengt tot wat zij moeten
zijn: dienaars van ons, Edelen en Ridders! Leve Heer Aloud, die hun
de zweep doet gevoelen!"
Woest worden bij die woorden de bekers tegen elkander gestooten. De
wijn druipt den ridders langs handen en kleederen.
"Leven Van Borselen en zijn trouwe Aloud! Op den ondergang der steden!"
Daar nadert een schildknaap Heer Aloud, en meldt hem, dat een minstreel
met zijne genooten toegang vraagt.
"Een minstreel? Een minstreel?" klinkt het van alle zijden. "Dat hij
binnenkome! Laat hij spelen en zingen! Zang hoort bij wijn en wijn
hoort bij zang. Leve de muziek!"
Doch de schildknaap stoort zich niet aan het geroep der gasten. Hij
wacht het antwoord van Heer Aloud af. "Hij kome binnen!" zegt deze.
Weldra wordt het tapijt opnieuw terzijde geschoven, en onder het
gejuich der gasten treedt de minstreel, door zijne dienaren, vijf
in getal, vergezeld, de zaal binnen. Ieder heeft zijn instrument
onder den arm, Het moet stellig een minstreel zijn van den eersten
rang, want hij, zoowel als zijne genooten, zijn in prachtige, zelfs
kostbare lijfrokken gehuld, en hunne gordelriemen zijn met edelsteenen
versierd. Zij zijn bijna allen nog jong en hunne oogen schitteren
van levenslust. Uit de vrijmoedige blikken, die zij op de edellieden
werpen, spreekt zelfvertrouwen. Zij schijnen er van overtuigd te zijn,
dat zij weldra toegejuicht zullen worden.
Alleen de minstreel zelf is een grijsaard. Zijn uiterlijk teekent hem
als een man, die de zestig reeds lang achter zich moet hebben. Hij
heeft een eerwaardig voorkomen. Zijne zilverwitte haren hangen
hem in golvende lokken over de schouders, zijn lange baard reikt
hem tot op de borst. Diepe rimpels bedekken zijn gelaat, en zijne
handen trillen eenigszins van ouderdom. Hij heeft een voorkomen, dat
onwillekeurig eerbied afdwingt. Zijn lange mantel, die hem tot bijna
op de hielen neerhangt, is van een vreemden snit en doet vermoeden,
dat de grijsaard uit vreemde landen afkomstig is, of althans dat hij
die bereisd heeft. De last der jaren heeft zijn rug gebogen.
De gasten worden nieuwsgierig.
Langzaam treedt de grijsaard nader, tot hij midden voor de gasten
staat. Dan maakt hij eene eerbiedige buiging en zegt met zachte stem:
"Hebt mijn groet, edele en machtige Heeren. Ontvangt de hulde van uw
nederigen dienaar!"
"Van waar komt ge, zanger?" vraagt Aloud, die, evenals zijne gasten,
nieuwsgierig is, iets naders van den vreemden grijsaard te hooren.
"Vanwaar ik kom, Edele Heer?" herhaalt de grijsaard zacht, terwijl
een fijn lachje zijne lippen plooit, "ik kom van overal. Gansch
Europa heb ik doorreisd, en mijne kunst heeft mij toegang verschaft
tot alle hoven, zelfs tot die van de machtigste vorsten der aarde. Het
laatst; echter kom ik van het hof des Graven; Heer Wolfert van Borselen
heeft mij de groeten medegegeven voor zijn trouwen vriend Heer Aloud,
's Graven Baljuw."
En langzaam laat hij zijne oogen onder de menigte ronddwalen, als om
den eigenaar van dien naam te zoeken.
"Van den Heer van Borselen?" roept Aloud verrast en verheugd uit. "En
droeg hij u op, mij zijne groeten over te brengen?"
"Ik heb het gezegd, Edele Heer!" hernam de grijsaard met waardigheid,
als was hij beleedigd door die vraag.
"En ik wil uwe woorden geenszins in twijfel trekken, oude," hernam
Heer Aloud, die zich in de hoogste mate gestreeld voelde door de
vereerende boodschap, welke de grijsaard hem overbracht. "Integendeel,
heb dank voor uwe tijding. Gij zult over uw bodeloon tevreden zijn."
Maar plotseling heft de grijsaard zich op uit zijne gebogen
houding. Zijne donkere oogen fonkelen van toorn.
"Dat bodeloon kunt gij uw dienaren geven, Heer," zegt hij trotsch,
"of het den armen schenken. Mij wordt alleen mijne kunst betaald."
Met eene fiere houding trad hij achteruit en greep zijn speeltuig,
waarvan hij de snaren spande. Ook zijne dienaren maakten zich
gereed. Daar geeft hij het teeken, en zacht en lieflijk klinken de
tonen door de zaal. Aangenaam worden de edelen getroffen door de
heerlijke muziek, die, hoe het komt, weten zij niet, zonderling hunne
harten beroert. Neen, dat was niet de muziek van de gewone minstreels,
die langs 's Heeren straten zwierven en aan de huizen of taveeren hun
karig loon ophaalden. Het was er zelfs niet mede te vergelijken. Op
onverklaarbare wijze werden zij door de zachte melodieuze tonen
aangegrepen en er door medegesleept. Zij gevoelden het, het was
kunst. Hoor! Daar begon eene andere snaar te trillen, de muziek werd
sterker, wilder, hartstochtelijker. De edelen voelden zich het bloed
onstuimig door de aderen bruisen. Hunne harten begonnen sneller te
kloppen, hunne oogen tintelden van vuur. Al sneller en sneller volgden
de tonen elkander op, al vuriger bruisten de klanken door de zaal --
tot eindelijk een krachtig slotaccoord het einde aankondigde.
Een daverend gejuich ging onder de gasten op en luide werd hunne
kunst geprezen.
Doch de grijsaard scheen geen ooren te hebben voor die
loftuitingen. Peinzend staarde hij, met zijn speeltuig in de hand,
op den grond. Maar de toorn was bij hem geweken, en zijne vochtige
oogen verrieden zijne aandoening. Was ook hij zelf getroffen?
"Brengt wijn voor de minstreels!" riep Heer Aloud. "Zij hebben een
beker verdiend."
Aan dat bevel werd met spoed voldaan, en de jonge speelnooten lieten
zich het parelende druivensap goed smaken. Doch de grijsaard roerde
zijn beker niet aan. Peinzend bleef hij voor zich uitstaren, alsof
hij niets hoorde van hetgeen er om hem voorviel.
Eindelijk richtte hij zich op uit zijne gebogen houding en gaf zijn
dienaars een wenk.
Weer klonk de muziek, doch nu niet wild en bruisend, maar zacht en
droevig. Eene weemoedige stemming maakte zich van de aan wezigen
meester. Daar opende de grijsaard den mond, en met eene heldere,
schoone stem, die iedereen verrukte en die bij zulk een ouden man door
niemand verwacht werd, zong hij het roerende lied van de Jonkvrouw,
die in den vroegen morgenstond haar ridder vermoord in het veld
vond liggen.
"Ach," klinkt dan hare jammerklacht:
"Ach, ligt gij daar verslagen,
Versmoord in al uw bloed?
Dat heeft gedaan uw roemen
En uw vermeetle moed.
Ach! ligt gij daar verslagen
Die mij te troosten placht?
Hoe zal ik u beweenen,
Beweenen dag en nacht!"
De Schoone drukt den drempel
Van 't hooge burchtportaal,
En weeklaagt om haar minnaar
En stort zich in de zaal.
"Ach is hier niemand, niemand,
Noch Heer, noch Edelman,
Die mij nu dezen doode
Ter aarde helpen kan?"
Maar al de Ridders zwegen,
Gevoelloos voor haar lot;
En schreiend keert zij weder
Van 't Vaderlijke Slot.
Zij reinigt hem de leden
Met lokken lang en blond:
Met lelieblanke handen
Verbindt zij wond bij wond.