de slagen van Jonker Jan en zijne krijgers verpletterend op de
vijanden nederdaalden. "Voor IJselstein en Bertha! Voor IJselstein
en Bertha!" galmde het aan alle kanten en die kreet verspreidde
overal schrik en ontsteltenis, waar zij gehoord werd. De duisternis
maakte de verwarring nog grooter. Vianen was te paard gesprongen en
rende als dol heen en weer. Zijn gevreesd zwaard flikkerde door de
lucht en daalde telkens doodend op eene of andere donkere gedaante
neder. In zijn blinde razernij bemerkte hij niet eens, dat hij zijn
eigen dienaren velde.
"Voor IJselstein en Bertha! Voor IJselstein en Bertha!" klonk het
jubelend rondom de muren, toen de vijanden ijlings op de vlucht
sloegen. Weldra werd het tooneel van den vreeselijken strijd door
een rossen gloed verlicht en flikkerden aan alle zijden de vlammen
hoog op, daverend begroet door den kreet: "Voor IJselstein en Bertha!"
Maar zoo gemakkelijk liet Vianen zich niet verslaan. Hij had een
deel der vluchtenden verzameld en viel met onstuimigen moed op zijne
vijanden aan.
"Vianen! Vianen!" klonk het woest.
Doch zij werden niet malsch ontvangen. Jonker Jan met zijne ruiters
vocht met heldenmoed, en daar kwamen ook nog de voetknechten,
die hun vernielend werk hadden verricht, met opgeheven knuppels en
goedendags aangesneld. Het werd een moorddadig gevecht, dat velen
het leven kostte. Zoo verwoed vielen de slagen der voetknechten op
de maliënkolders en helmen der vijanden neder, dat opnieuw de schrik
onder hen kwam en zij ijlings op de vlucht sloegen. Vianen hield
het langst stand, doch eindelijk wendde ook hij den teugel en volgde
zijne krijgsknechten.
Nu werd het vernielingswerk met vereende kracht voortgezet. Geen
blijde bleef heel, geen schietscherm bruikbaar. De kat, dat gevreesde
werktuig, werd tot den laatsten splinter door de vlammen verteerd. Het
kasteel werd spookachtig verlicht.
"Geef het sein tot verzamelen, Bouke," sprak de jonker tot zijn
dienaar. "Ons werk is afgedaan."
Daar klonken de heldere tonen der trompet, en van alle kanten kwamen
de strijders te zamen.
"Nu terug naar den burcht," riep de jonker. "De vlammen zullen ons
wel bijlichten. Een lustig deuntje, Bouke!"
Onder vroolijk geschetter en daverend gejuich reed men weer door de
sluippoort naar binnen, waar zij door de angstige vrouwen met tranen
van blijdschap werden begroet. Zij hadden eene groote overwinning
behaald, en gelukkig geen enkelen doode te betreuren. Maar Fulco
keerde niet terug.
Dien nacht konden zij zich gerust aan den slaap overgeven. De vijand
was niet bij machte, iets van belang tegen hen te ondernemen. Hij was
met machteloosheid geslagen. Alleen aan de hoofd- en sluippoorten
werden wachters gesteld, en dat die hun plicht deden, daarvan ging
jonker Jan zich verscheidene malen in den nacht overtuigen. Den braven
schildknaap was het geen oogenblik uit de gedachte, wat hij zijn Heer
bij diens vertrek had beloofd.
Over de aangerichte verwoesting konden zij pas goed oordeelen, toen
de zon hare bleeke najaarsstralen weer over het aardrijk zond, en --
die overtrof nog verre hunne verwachting. Geen enkel werktuig was
er overgebleven, alles was verbrand of verwoest. Zelfs de tenten en
hutten waren niet gespaard. Alles was door de vlammen verkeerd. Met een
daverend gejuich werd die ontdekking door de belegerden begroet. De
vijanden daarentegen waren zoo luidruchtig niet. Groot was het
aantal dooden, dat het slagveld bedekte, talrijk de vrienden, die
zij nimmermeer zouden terugzien. Vianen was woedend over de geleden
nederlaag, al zijn werk was vergeefsch geweest, en hij verkeerde in
de noodzakelijkheid, alles weer opnieuw te beginnen.
Het zou stellig langer dan eene week duren, eer de vijandelijkheden
konden worden voortgezet.
"Toch zal IJselstein vallen!" knarsetandde hij, terwijl hij dreigend
de vuist ophief tegen het vaandel, dat, als om hem te tergen, vroolijk
van den toren wapperde.
"Voor IJselstein en Bertha!" dreunde het, van de muren.
Vianen zette het beleg met kracht voort. Moeite noch kosten ontzag hij,
om zijn doel te bereiken, maar.., de dagen werden weken en de weken
zwollen tot maanden, en nog altijd rezen de torens van het machtige
kasteel trotsch omhoog, nog altijd wapperde het wapen van IJselstein
uitdagend van de tinnen. De moedige Edelvrouwe hield wakker stand,
in spijt van Vianens woede. --
HOOFDSTUK 7
Een kramer, die heel wat in zijne mars voerde
Alleen Fulco was niet in den burcht teruggekeerd. Zoodra hij door
de sluippoort op het vlakke veld gekomen was, had hij zich van zijne
makkers verwijderd, met het doel den strijd te ontwijken en zich in
veiligheid te brengen. Doch nauwelijks dreunde hem de strijdkreet van
Jonker Jan in de ooren, en hoorde hij het gekletter der wapenen, of
een onbedwingbare lust om aan het gevecht deel te nemen maakte zich
van hem meester en deed hem in galop terugkeeren. Onder het geroep
"Voor IJselstein en Bertha!" wierp hij zich met getrokken zwaard
op de vijanden en verspreidde schrik en verwarring overal, waar hij
zich op zijn steigerend ros vertoonde. Angstwekkend flikkerde zijn
blinkend zwaard door de lucht, en wee den ongelukkige, wien het
gold! Met een luid gejuich begroette hij de vernielende vlammen,
die hier en daar het slagveld begonnen te verlichten, en bij haar
schijnsel mat hij met zijne oogen den omtrek, of hij niet de forsche
gestalte van Heer Hendrik van Vianen zag. O, zoo gaarne had hij met
het zwaard in de vuist tegenover dien geduchten krijgsman gestaan
en met hem gestreden op leven en dood. Doch het geluk was hem niet
gunstig. Bevond Fulco zich aan deze zijde van den burcht, dan klonk
Vianens strijdkreet aan gene, en spoedde hij zich naar gene zijde,
dan hoorde hij aan deze diens aanmoedigende stem. En lang gunde hij
zich geen tijd tot zoeken; hij kon dien beter besteden. Met mannenmoed
wierp hij zich overal tusschen de strijdenden, waar het gevecht het
heetst was, en telkens week de vijand, als zijne gevreesde strijdleus
gehoord, de scherpte van zijn zwaard gevoeld werd. Eerst toen aan alle
kanten de vlammen zich hoog verhieven en de vijand in eene overhaaste
vlucht een goed heenkomen zocht, wendde hij den teugel en verliet
in galop het slagveld. Een oogenblik daarna hoorde hij het sein tot
verzamelen geven.
"Die uitval heeft doel getroffen," dacht hij, terwijl hij zijn zwaard
in de scheede stak. "Goddank, de dappere Edelvrouw behoeft den eersten
tijd niet ongerust te wezen, dat Vianen den burcht overmeesteren zal,
want hij is voorloopig tot werkeloosheid gedwongen. Ik zou mij al erg
bedriegen, als al de belegeringswerktuigen niet verbrand waren, en
dan heeft hij minstens veertien dagen noodig, om weer zoover gereed
te komen als hij nu reeds was. En tijd gewonnen is veel gewonnen,
misschien zelfs wel alles. Toch zie ik de toekomst donker in, als
Heer Gijsbrecht niet verlost wordt. Neen, hij mòèt gered worden, al
zat hij ook met honderd ketens aan den muur geklonken en al moest ik
hem ook halen uit het slot van den machtigen Van Borselen! Maar hoe
zal ik het aanleggen, om de meeste kans van slagen te hebben? Daar
moet ik eens goed over nadenken. Het beste zal misschien zijn, dat ik
eerst naar Heukelom ga. Heer Otto zal ook wel in groote ongerustheid
verkeeren, en misschien kan hij mij goeden raad geven. Twee weten
in elk geval méér dan één. Ja, dat moest ik doen. Kom Blesje, op een
draf! We hebben nog een mooi ritje voor ons!"
Het was nog nacht, toen Fulco te Heukelom aankwam. De brug was
opgehaald en de aanwezigheid van de wachters op den toren bewees,
dat het oorlogstijd was. Fulco besloot den nacht op eene naburige
hoeve door te brengen, teneinde de burchtbewoners niet te storen in
hunne rust. Hij reed langzaam verder en kwam weldra, waar hij wezen
wilde. Op zijn geroep verscheen de pachter voor een geopend luikje
ter zijde van de deur en riep:
"Wie daar?"
"Ik ben het, Fulco, de dienaar van Heer Gijsbrecht van IJselstein. Mag
ik den nacht verder bij u doorbrengen, Wijbrand?"
"Wat, ben jij dat, Fulco? Hoe later op den dag, hoe schooner volk,
zou ik haast zeggen," zei Wijbrand, die er blijkbaar geen erg had,
dat het al na middernacht was. "Wacht, ik kom dadelijk. Ik zal mij
even kleeden."
Een oogenblik later werd de deur geopend en trad Wijbrand naar buiten.
"Wel, wel, wie zou dat nu gedacht hebben," zeide hij, terwijl hij
Fulco hartelijk de hand drukte. "Ik wist niet beter, of je zat op
IJselstein!"
"Daar was ik eenige uren geleden ook nog, Wijbrand," zeide Fulco. "Maar
nu ben ik hier, zooals je ziet, en ik verlang erg naar bed, want ik
heb drukke dagen achter den rug. Waar zal ik mijn paard laten?"
"Geef mij de teugels maar, dan zal ik het op stal zetten, en ga vast
naar binnen. Wel, wel, daar begrijp ik niets van. Je kunt toch niet
vliegen, Fulco? IJselstein wordt toch belegerd? Of waren de Hollanders
zoo vriendelijk, om je door te laten?"
Fulco begon hartelijk te lachen.
"Neen, Wijbrand, zoo vriendelijk waren ze niet, en de kunst van vliegen
ben ik niet machtig. Maar we hebben een uitval gedaan en daar heb ik
gebruik van gemaakt, om weg te komen. Ik heb eene boodschap aan Heer
Otto, weet je?"
"O, zoo, zoo! Nu begrijp ik het, maar het is toch een stout stuk van
je, Fulco. Dat zou iedereen je niet nadoen!"
"Dat moet ook niet, want dan bleef er niemand over, om den burcht te
verdedigen," zeide Fulco lachend, terwijl hij naar binnen ging.
Een oogenblik later kwam ook Wijbrand terug, die niet ophield, allerlei
vragen tot Fulco te richten, doch deze maakte er een kort einde aan,
door hem te vragen, waar hij slapen moest. Wijbrand wees hem zijne
rustplaats aan en na korten tijd lag Fulco in een diepen slaap.
Toch was het nog vroeg op den dag, toen hij zich naar het kasteel
begaf. Niet zoodra was hij op de ruime binnenplaats aangekomen, of
van alle zijden kwam men naar hem toe, om nieuws van het belegerde
slot te hooren. Blijkbaar verkeerde iedereen in angst over het lot
van de jonge Edelvrouwe, die zoo kort na haar huwelijk reeds in zulke
benarde omstandigheden verkeerde. Hij vertelde in korte woorden,
hoe de zaken te IJselstein stonden en ging het kasteel binnen, waar
hij dadelijk in de burchtzaal werd toegelaten.
Zoodra hij binnenkwam trad Heer Otto hem al te gemoet en vroeg:
"Wat nu, Fulco! Wat is er gebeurd?"
"Niets om u ongerust over te maken, Edele Heer. Wel heeft Vianen
al zijne krachten ingespannen, om den burcht zoo spoedig mogelijk
te bemachtigen, maar op dit oogenblik heeft hij meer verloren, dan
gewonnen. Vooreerst loopt IJselstein geen gevaar."
"Hoe bedoel je dat, Fulco?" vroeg Heer Otto.
"De bezetting heeft gisterenavond een uitval gedaan en al de
belegeringswerktuigen verbrand. Vianen is voor geruimen tijd tot
werkeloosheid gedwongen."
"Mooi! Mooi!" riep de Heer van Heukelom verheugd uit, terwijl hij
zich de handen wreef. "Dat zal hem niet meegevallen zijn! En hoe
houdt zich mijne dochter, de Burchtvrouwe?"
"Als eene heldin, Edele Heer. Haar moed en hare vastberadenheid
bezielt de geheele bezetting. Uwe Edelheid weet zeker, dat het kind
van Vianen zich in hare macht bevindt?"
"Dat weet ik! Dat weet ik! 't Is een meesterlijke zet geweest, en
het zou mij niet verwonderen, als jij daar de hand in hadt gehad. Nu,
heb ik het mis?"
"Neen, Heer. De Edelvrouw had die eervolle taak aan mij opgedragen
en het geluk is mij dienstig geweest."
"Je verdient den ridderslag, Fulco!" riep Heer Otto opgetogen
uit. "Wacht even. Ik zal eerst mijne gemalinne met het nieuws op de
hoogte brengen. Ik kom dadelijk terug."
Nauwelijks had hij de zaal verlaten, of hij kwam weer binnen, gevolgd
door de Burchtvrouwe, die haastig op Fulco toetrad en hem met vragen
als het ware overstelpte. Toen hare eerste nieuwsgierigheid een weinig
bevredigd was, zeide Heer Otto:
"En wat is nu eigenlijk het doel van uw tocht, Fulco? Ik kan mij niet
voorstellen, dat gij den burcht verlaten hebt, alleen om ons dit alles
te komen mededeelen. Ongetwijfeld voert gij wat anders in uw schild?"
"Dat is ook zoo, Edele Heer. Ik ben hierheen gekomen, om uw raad in
te winnen over een zeer gewichtig plan, dat ik u onder de grootste
geheimhouding mededeel, Mijn voornemen is, Heer Gijsbrecht uit den
kerker te verlossen."
"Dat is een dwaas plan, Fulco, omdat het eenvoudig onmogelijk is. Nu
had ik je wijzer gedacht. Het zou vrij wat verstandiger van je geweest
zijn, als je op den burcht gebleven waart."
"Acht u het zoo dwaas, Edele Heer?" vroeg Fulco, wel een weinig
ontmoedigd door de woorden van Heer Otto.
"'t Is een onmogelijk plan, Fulco, hetwelk ik u raad, zoo spoedig
mogelijk uit uwe gedachten te zetten. Hoe kunt ge zoo dwaas zijn,
om zoo ondoordacht den burcht te verlaten."
"Ik ging met verlof van de Burchtvrouwe, Edele Heer, en zoo heel
dwaas acht ik het niet. Wel weet ik dat het moeilijk te volvoeren zal
zijn en dat het met groote gevaren gepaard zal gaan, maar ik acht het
evengoed uitvoerbaar als het opzet, om Vianen zijn kind te ontrooven,
en dat is toch ook wel gelukt."
"Dat is waar, Fulco, je hebt gelijk, maar dit,--neen, ik geloof
niet, dat het uitvoerbaar is. Het zal je ongetwijfeld het leven
kosten."
"Mijn leven heb ik er voor over, Heer," zeide Fulco ernstig. "Ik hoop,
dat de goede God mij helpen zal."
Heer Otto schudde peinzend het hoofd, maar de Vrouwe van Heukelom
stond op en drukte Fulco geroerd de hand.
"Trouwe Fulco," zeide zij. "Gij hebt een edel hart. Ga met God. Als het
Zijn wil is, zullen de kerkerdeuten voor mijn ongelukkigen schoonzoon
geopend worden. Ik ben het met u eens: het plan is niet moeilijker
uit te voeren, dan het rooven van Vianens kind."
"Ik hoop het van harte," zeide Heer Otto. "Maar weet ge wel eens,
waar hij gevangen gehouden wordt?"
"Neen, Heer, dat weet ik niet."
"Hij is te Dordrecht, in een der kerkers van Crayenstein, het slot,
dat door Heer Aloud bewoond wordt.
"Ziet gij nu nog het onmogelijke van uw plan niet in?"
"Op Crayenstein?" vroeg Fulco ontsteld.
"Ja, op Crayenstein," herhaalde Heer Otto.
"Toch zal ik het beproeven," hernam Fulco, "al moet het mij ook het
leven kosten. Nu is het nog maar de vraag, op welke wijze ik mij daar
toegang zal verschaffen."
"Misschien zoudt ge u daar als bediende kunnen laten
aanstellen?" opperde de edelvrouwe. "Als dat gelukte, zoudt ge
waarschijnlijk wel een middel kunnen vinden, om den kerker te
ontsluiten."
"Ja," zeide Fulco peinzend, "àls dat gelukte, maar dat zou al heel
toevallig zijn. Heer Aloud zal wel geen gebrek aan dienaars hebben,
en als hij mij afwijst, is alles voorbij. Dan zouden zij mij later
dadelijk herkennen, als ik mij onder een of ander voorwendsel weer
aanmeldde. Neen, ik moet iets anders trachten te vinden, en ik geloof,
dat ik iets beters weet."
"Een beter plan?" vroeg Heer Otto nieuwsgierig. "Ja, Edele Heer,
eigenlijk heb ik wel twee plannen. Het is nu maar de vraag, welk
daarvan de meeste kans van slagen aanbiedt."
"Laat hooren, Fulco. Ik vrees, dat ze beide wel mislukken zullen,
maar in elk geval kunnen we dan toch het beste uitkiezen."
"Dat zal de tijd leeren, Heer. Gelooft u, dat het een marskramer
onmogelijk zou zijn, voor een nacht herberg op Crayenstein te vinden?"
"Dus je zoudt als marskramer naar Dordrecht willen gaan?" riep de
Heer van Heukelom uit, terwijl hij Fulco met bewondering aanzag.
"Ja, Heer. Een marskramer is altoos op elk kasteel nog welkom geweest,
althans als zijne mars goed voorzien was. Indien ik mij bij de dienaars
van Heer Aloud wat aangenaam weet te maken, zullen zij mij, dunkt me,
geen nachtverblijf weigeren, en in dien nacht zou ik dan mijn slag
moeten slaan."
"'t Is een uitnemend plan, Fulco, maar hoogst gevaarlijk," riep Heer
Otto opgetogen uit. "Ik bewonder je scherpzinnigheid. Je hebt gelijk,
zóó zou het kunnen gelukken."
"En het tweede, Fulco?" vroeg de Edelvrouwe bedaard, terwijl ze den
jongman met welgevallen aanzag.
"Mijn tweede plan is moeilijker, Vrouwe, en vereischt meer
voorbereiding. Misschien is het u niet onbekend, dat men mij te
IJselstein wel eens den Minstreel noemt?"
"Dat weet ik."
"Welnu, ook als Minstreel zou men mij den toegang tot het kasteel
niet weigeren, en waarschijnlijk evenmin een nachtverblijf."
"Dat is waar," hernam de Edelvrouwe, "maar hebt gij het wel ver
genoeg in de kunst van spelen en zingen gebracht, om als Minstreel
te kunnen optreden?"
"Ik zou mij eerst nog eenigen tijd moeten oefenen, voor ik het
zou kunnen wagen. Ook kan ik dat niet alleen doen. Ik zou eenige
muzikanten noodig hebben met veel talent, op wie ik tevens geheel
vertrouwen kon. Doch die zullen voor veel geld en goede woorden wel
te vinden zijn, daaraan twijfel ik niet. Wat dunkt u van dit plan?"
"Ik vind het zeer goed," zeide de edelvrouw peinzend, "hoewel het
even gevaarlijk is, als het eerste. Ik weet waarlijk niet, welk het
beste is."
"Mij dunkt, het eerste!" riep Heer Otto uit. "Ik ging als marskramer.
"'t Is wel het eenvoudigste," zeide Fulco.
"En daarom aan te bevelen!" meende de edelman.
"Het zou ook dit voor hebben, dat het spoediger beslist is," hernam
de burchtvrouwe.
"Welnu," zeide Fulco, "dan zal ik het wagen. Morgen ga ik naar Utrecht,
om mij alles aan te schaffen, wat ik noodig heb, en eer we eene week
verder zijn, is Heer Gijsbrecht hier, of .... "
"Nu, of...?"
"Of ik deel zijne gevangenschap."
"Laten we hopen, dat het zoover niet komen zal," sprak de edelvrouw;
"o, Fulco, wat zou het gelukkig zijn, als gij uw Heer kondt verlossen."
's Anderendaags nam Fulco afscheid, en sloeg te paard den weg naar
Utrecht in. Hij was geheel vervuld van zijn plan, en de brave jongeling
dacht meer aan het ongelukkige lot van zijn Heer dan aan het gevaar,
waaraan hij zichzelven ging blootstellen. Tegen den middag bereikte
hij de Bisschopsstad, en, voortvarend en onvermoeid als hij was,
begon hij dadelijk de noodige inkoopen te doen, om in zijne nieuwe
rol te kunnen optreden.
Twee dagen later verliet hij Utrecht als marskramer. Niemand
zou thans in hem gemakkelijk Fulco herkend hebben. Hij had zijne
kleederen verwisseld tegen andere, die een eenigszins uitheemschen
snit hadden. De kap, die anders zijn hoofd bedekte, had hij vervangen
door eene muts, die zijne lange, zwarte haren vrijheid gaf, hem langs
de schouders te zwieren, en daar hij zich gedurende de laatste dagen
niet geschoren had; begonnen baard en knevel zijn gelaat met een
zwart dons te bedekken. Hij liep, zeker door de zwaarte van zijne
mars, sterk voorover, en steunde met de hand op een dikken knuppel,
waarin een lange, vlijmscherpe dolk verborgen was. Zoo trok hij van
stad tot stad en van kasteel tot kasteel, en trachtte overal zijne
koopwaren aan den man te brengen. Dat deed hij met voordacht, omdat hij
vreesde, dat anders zijne onervarenheid hem op Crayenstein verraden
zou. Eerst viel zijne koopmanschap hem ook werkelijk wel wat vreemd,
maar al spoedig begon hij er den slag van te krijgen, en toen in de
verre de torens van Dordrecht voor hem oprezen, kon hij zijn woord
doen als de beste koopman. Toch klopte hem het hart onstuimig in de
borst, toen hij de poort doorging, maar het was niet van angst, neen,
alleen de gedachte, dat hij zich met zijn ongelukkigen Heer in dezelfde
plaats bevond en de hoop, dat het hem zou mogen gelukken, diens kerker
te ontsluiten, joeg hem het bloed onstuimig door de aderen.
't Was tegen den avond, toen hij voor Crayenstein kwam. De wachter
stond aan de poort.
"Goeden avond!" zeide Fulco vriendelijk. "Den kramer wordt zeker geen
toegang geweigerd?"
"Je kunt binnengaan," zei de wachter, "doch als uwe mars niet bijzonder
goed voorzien is, raad ik je aan, uw geluk liever elders te beproeven."
"Zoo? Waarom?" vroeg Fulco.
"Omdat Heer Aloud en de edelvrouwe er niet van, houden, dat men hun
prullen aanbiedt," hernam de wachter. "Je zoudt de eerste niet zijn,
die met stokslagen de poort werd uitgejaagd."
"Ik waag het er bij, wachter," zeide Fulco. "Mijne mars mag gezien
wezen."
Fulco ging de poort door en kwam op het binnenplein.
Dadelijk werd hij door eenige dienaren omringd, die met nieuwsgierige
blikken den inhoud van zijne mars opnamen. Sommigen wilden hem zelfs
de behulpzame hand bieden, om hem van zijne vracht te ontdoen.
"Ho, vrienden, wacht even!" riep hij, toen hij dat bemerkte. "Ieder op
zijne beurt, hoor! Eerst de Burchtheer en de Burchtvrouwe en dan kom
ik bij jelui. Zoekt je geld maar vast op, want als ge ziet, wat ik bij
mij heb, koop je mijne geheele mars leeg. Wie wil mij even aandienen?"
"Dat zal ik wel doen, kramer," zeide eene schildknaap, die ook was
komen toeloopen. "Heb je ook mooie dolken bij je?"
"Met goud ingelegd, zoowel als met zilver, Jonker," antwoordde
Fulco. "Gij zult ze nergens schooner vinden."
"Mooi! Straks zullen we zien, of je de waarheid spreekt. Volg mij maar,
dan zal ik je naar de zaal brengen."
Heer Aloud en diens gemalinne hadden plaats genomen aan eene tafel
in den hoek van het vertrek.
"Kom nader, marskramer," sprak Heer Aloud op bevelenden toon. "Laat
zien, wat je hebt. Is het de moeite waard?"
Met eene diepe buiging voldeed Fulco aan dat bevel. Hij plaatste zijne
mars op den grond en begon den inhoud zoo verleidelijk mogelijk uit
te stallen.
Den edelman legde hij schoone zwaardriemen voor, smaakvol met rood
en geel koper versierd; blinkende messen en dolken, met ivoren heften
en met goud of zilver gemonteerd.
"Alles van het beste soort, Edele Heer, en geen penning duurder dan
op de jaarmarkt. Fijner leder zal Uwe Edelheid op geene enkele plaats
ter wereld vinden!"
"En die dolken, hoe duur zijn die?" vroeg de schildknaap, die ook
naderbij gekomen was.
"Bepaal eerst uwe keus maar, Jonker. Over den prijs zullen wij het
wel eens worden."
Onderwijl de Edelman en zijn schildknaap de verschillende voorwerpen
bezichtigden, begon Fulco voor de Burchtvrouwe alles uit te pakken,
wat van hare gading kon wezen.
"Fijn lijnwaad, Edele Vrouw?" vroeg hij, terwijl hij een stuk linnen
ontrolde, zoo helderwit van kleur als versch gevallen sneeuw.
"Of prachtige zijde? Fijner en schooner is er nog niet gezien, dat
verzeker ik u. Zie eens welk een heerlijk beeldwerk daar met gouddraad
op aangebracht is."
"'t Is waarlijk schoon, kramer," zeide de edelvrouwe begeerig. "Wat
is de prijs van dit stuk?"
"En wat kost deze dolk?" vroeg de schildkaap, terwijl hij op het
voorwerp zijner keus wees.
"Ik zal het u dadelijk zeggen, Jonker. Deze zijde, Edele Vrouwe? 't
Is een duur stuk, maar in schoonheid en deugd vind het zijns gelijke
niet. Het moet eigenlijk drie pond kosten, maar..."
"Drie pond?" riep de edelvrouw uit. "Dat is een hooge prijs, kramer."
"Ja, Edele Vrouwe, 't is waar, de prijs is hoog, maar zie ook eens,
hoe heerlijk fijn het is. Doch ik mag het uiterste ook niet vragen:
voor twee pond en tien ons wordt het uw eigendom, en dan verzeker ik
u, dat er in geheel Holland geen edelvrouw gevonden zal worden wier
stof deze kan evenaren."
"En deze zwaardriem?" vroeg Heer Aloud. "Niet overvragen, hoor."
"Een schoone riem, Heer," zeide Fulco. "Toch kan ik hem u voor weinig
geld geven; slechts achttien denariën. Valt u dat niet mede?"
"Dat is niet duur!" riep Aloud vergenoegd uit. "Mijn vorige riem
is op verre na zoo mooi niet en kost mij de helft meer. De koop is
gesloten, hoor."
"En deze dolk, kramer?" vroeg de schildknaap weer. "'t Is de mooiste
uit de geheele verzameling, Jonker," zeide Fulco. "Hij kost zeventien
schellingen."
"Dat is te veel, kramer," zeide de jonker verdrietig. "Zooveel kan
ik niet besteden."
"Deze is goedkooper," zeide Fulco, terwijl hij er een van de tafel
opnam.
"Dat wil ik graag gelooven," hernam de jonker, "maar hij is ook lang
zoo mooi niet. Kunt ge hem geven voor twaalf schellingen?"
"Onmogelijk, Jonker. Ik heb er zelf meer voor betaald. Maar ik wil het
goed met u maken; laten wij het verschil deelen. Een klein winstje,
een zoet winstje, zal ik dan maar denken."
"Aangenomen!" riep de jonker, terwijl hij zich verwijderde om het
geld te halen.
"Heeft u geene mooie slingers noodig, Edele Heer? Of een prachtigen
jachthoren? Zie eens hier. Deze is van elpenbeen, en eene geheele
jacht is er op gebeeldhouwd. Mooie gespen of naalden, om uw mantel
vast te steken? Ik heb ze met parelen, zoowel als met edelgesteente,
te kust en te keur."
Fulco legde zijne geheele verzameling voor den edelman op de
tafel. "Zijn ze niet mooi?" vroeg hij, met een trotsch gebaar naar
zijne koopwaar wijzende.
"Je hebt een goeden voorraad, kramer, dat moet ik zeggen. Wat kost
deze juweelen speld?"
"Een pond, machtige Heer. Geen penning minder."