beleedigend voor den Heer van IJselstein. Vertoornd stond hij op, en
zeker zou hij aan zijn haat tegen Van Borselen hebben lucht gegeven,
indien niet op dat oogenblik een schildknaap verschenen ware, die
berichtte, dat er een renbode uit Holland gekomen was, die gewichtige
tijdingen bracht en dadelijk toegang verzocht.
"Wie is het?"
"Heer Hendrik van Vianen."
"Laat hem onverwijld binnenkomen."
Een oogenblik later kwam deze binnen. Zijne bestoven kleederen
bewezen duidelijk, dat hij snel gereden had, en ongetwijfeld moesten
de tijdingen, die hij bracht, gewichtig zijn, dat hij aldus voor
den Graaf durfde verschijnen. Met eene diepe buiging begroette hij
de beide edellieden, doch aan Heer Gijsbrecht gunde hij slechts een
enkelen blik, en die blik gloeide van wraakzucht.
"Welke gewichtige tijdingen verschaffen ons de eer, u hier te zien,
Heer Vianen?" vroeg Van Borselen, brandend van nieuwsgierigheid.
"Slechte tijdingen, Heer. De Bisschop van Utrecht heeft de
vijandelijkheden opnieuw geopend en is in Holland gevallen."
"Wat zegt ge?" vroeg Van Borselen opspringend.
"'t Is, zooals ik zeg, Heer. Hij heeft den strijd hernieuwd."
"Dan moeten er dadelijk maatregelen genomen worden, om hem in zijn
tocht te stuiten, en moet er onmiddellijk eene sterke bezetting gelegd
worden in de kasteelen te Ameide en IJselstein."
"De Heer van Ameide heeft mij opgedragen u te berichten, dat hij
gaarne bereid is den Graaf van dienst te zijn," hernam Vianen.
"Dat is in elk geval eene goede tijding," zeide Van Borselen
verheugd. "En gij, Heer IJselstein, hoe denkt gij er over? We kunnen
immers ook op u rekenen?"
"Het spijt mij, Heer," klonk het besliste antwoord, "maar ik mag geen
bezetting in mijn slot nemen, om den Bisschop te bestrijden. Ik kan
daartoe mijne toestemming in geen geval geven."
"Bedenk, wat gij zegt, Heer!" riep Van Borselen toornig. "Het zou
anders wel eens zonder uwe toestemming kunnen geschieden. Vergeet niet,
dat ge in mijne macht zijt, en dat een enkel woord van mij voldoende
is, om u in den kerker te doen werpen."
"Wat eene lage daad zou zijn!" antwoordde Gijsbrecht, met
verontwaardiging. "Een gezant is onschendbaar."
"Wel mogelijk, maar in den oorlog is alles oorbaar. Voor de laatste
maal vraag ik u, of gij eene Hollandsche bezetting in uw kasteel wilt
opnemen, ja of neen, en zoo niet, bedenk dan, dat ge dit kasteel niet
weer verlaat. Ik zal dan verplicht zijn, u gevangen te nemen."
IJselstein twijfelde er niet aan, of Van Borselen zou doen wat
hij zeide, en met zorg zag hij de wolken zich boven zijn hoofd
samenpakken. Hij wilde zich door eene list zien te redden.
"'t Is eene gewichtige zaak, Heer," zeide hij na eenig weifelen,
"geef mij tijd tot morgen, om er rijp over na te denken."
Maar zoo gemakkelijk was Van Borselen niet te vangen. Deze begreep
zeer goed, dat IJselstein zich dien tijd ten nutte zou maken, om zich
in veiligheid te brengen. Zijn antwoord was daarom kort en krachtig:
"Ik wil op staanden voet uw besluit weten!" "Welnu, dan zult ge mijn
besluit hooren!" riep Gijsbrecht met donderende stem. "Mijn besluit
is, dat ik mij de wetten niet laat stellen door een moordenaar en
indringer!"
En bliksemsnel zijn zwaard trekkende, verliet hij in allerijl de zaal,
gevolgd door Van Borselen en Vianen. De Graaf had met een angstig
gelaat naar het gesprek geluisterd, doch er zich niet in gemengd.
"Houdt hem! Neemt hem gevangen!" riep Van Borselen zijne bedienden
toe, doch niemand waagde het, Heer Gijsbrecht aan te grijpen. Zijn
glinsterend zwaard hield ieder op een eerbiedigen afstand. Vlug
tilde hij de binnenplaats op, waar Fulco de beide paarden aan de
teugels hield.
"Te paard! Te paard!" riep zijn Heer hem toe, en dat bevel behoefde
niet herhaald te worden. In één sprong zat Fulco in den zadel. Nog een
oogenblik, en Heer Gijsbrecht reed naast hem voort, zoo snel het maar
kon. De sporen drongen den edelen dieren diep in het vleesch en deden
hen alle krachten inspannen. De beide ruiters hingen bijna over den nek
hunner paarden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld. Al spoedig
hoorden zij hoefslagen achter zich. 't Zou een vreeselijke rit worden,
een rit om het leven. Telkens hoorden zij de stem van Vianen, die
zijn paard op de onmenschelijkste wijze voortjoeg. Zoowel IJselstein
als Fulco twijfelden niet aan hun lot, zoo zij dien wraakzuchtigen
edelman in handen mochten vallen.
"Voort, voort!" fluisterden zij hunne paarden in de ooren, en het
scheen, of de dieren begrepen, dat van hunne snelheid het leven van
hunne meesters afhing. Zij vlogen over den weg en hielden de koppen
zoo vlak naast elkander, dat het was, of zij een wedstrijd hielden.
Eindelijk meende Fulco op te merken, dat het geluid van de vervolgers
zwakker werd, en nu waagde hij het, een oogenblik om te zien. Hij
bedroog zich niet: er lag reeds een vrij groote afstand tusschen hen.
"We winnen, Heer!" zeide hij.
"'k Geloof het ook, Fulco, maar we hebben toch weinig kans om te
ontkomen. Zij zullen de vervolging niet opgeven, en--we zijn op
een eiland. Voort, schimmel, voort!"
"Jammer genoeg," meende Fulco. "Anders kregen ze ons stellig niet."
"U moeten ze ook niet krijgen, Fulco. Ginds zie ik een zijweg. Dien
moet ge inslaan. Zij zullen u dan wel aan uw lot overlaten en mij
verder vervolgen. Dan zal het u niet moeilijk vallen, te ontkomen."
"Neen, Heer, vergeef me, maar dat doe ik niet. We zijn samen gegaan
en zullen ook samen thuiskomen, of--in hetzelfde lot deelen. Maar
u verlaten,--dat doe ik niet."
"Ik beveel het je, Fulco. Hier is de weg. Rijd dien in.--Vaarwel!"
Maar Fulco was zijn Heer voor de eerste maal ongehoorzaam. Hij bleef
naast hem voortrijden en joeg de paarden onophoudelijk voort.
"Ik doe het niet, Heer. Zou ik u verlaten, om aan de Edele Vrouwe te
gaan vertellen, dat ik als een lafaard u in den steek had gelaten? Ik
blijf bij u, Heer, en ik verzeker u, dat die Heeren daar achter ons
kennis met mijn zwaard zullen maken, als zij u te na komen."
"Trouwe Fulco!" zeide Gijsbrecht.
"Vooruit, jongens, vooruit!" riep Fulco de paarden toe. "Zie eens om,
Heer, we kunnen onze vervolgers bijna niet meer zien. O, het zijn ook
zulke lieve paardjes, waarop we zitten. Zij vinden hun weêrga nergens."
"'t Zijn goede paarden, dat is waar, maar het paard van Vianen had
al een vermoeienden rit achter zich."
"Ik vertrouwde de zaak al niet, zoodra ik dien brombeer het binnenplein
zag oprijden," zeide Fulco.
"Hij schijnt mij wel diep te haten," mompelde Heer Gijsbrecht. "Toch
durf ik verklaren, dat ik hem niets in den weg heb gelegd. Als wij
nu Vlaanderen maar kunnen bereiken, zijn we voorloopig gered."
"Is dat hier ver vandaan?" vroeg Fulco, wiens aardrijkskundige kennis
niet bijzonder groot was.
"Neen, niet heel ver, maar we moeten de Schelde over en dat is een
breed water."
"Dus zoodra we op het schip zijn, kunnen ze ons niet meer
krijgen?" vroeg Fulco. "Vooruit beestjes! Vooruit! Dan zijn we al zoo
goed als vrij, Heer. We kunnen immers onze vervolgers gemakkelijk
een half uur vóórkomen, tijd genoeg, om ons in te schepen. Als we
maar spoedig een schip kunnen vinden."
"Schepen zullen er genoeg zijn, want er is veel handel op Sluis
en Brugge."
Tegen den avond bereikten zij, vermoeid van den snellen rit, op hunne
dampende rossen het zuiden van het schoone eiland Walcheren. 't Werd
ook hoog tijd, want de paarden konden haast niet meer voort. Hunne
vervolgers hadden zij zoover achter zich gelaten, dat zij geheel
uit het gezicht geraakt waren. Maar toch twijfelden zij niet, of die
hadden de vervolging voortgezet enzouden weldra ook aankomen. Terwijl
zij hunne vermoeide paarden meedoogenloos de sporen gaven, reden zij
de kust langs, maar nergens zagen zij eene woning of een vaartuig. 't
Werd hun angstig om het hart, want elke verloren minuut kon hen in de
handen hunner vijanden overleveren. En nu kwam ook nog de duisternis,
die hun weldra belette, ver voor zich uit te zien. De toestand werd
ieder oogenblik gevaarlijker.
Gelukkig, daar kwamen zij iemand tegen. Dadelijk hielden zij de
paarden in.
"Kunt ge mij ook zeggen, goede vriend," vroeg de ridder, "of hier
ergens een veerman woont?"
"Wel zeker, Edele Heer, rijd maar door. Het eerste huis, waar u
aankomt, is dat van den veerman. Ik ken hem heel goed, ziet u, want
zijne moeder is de zuster ...."
"Jawel, jawel," riep de ridder. "Hartelijk dank voor uwe
aanwijzing! Voort schimmel!"
Spoedig bereikten zij de aangewezen woning. Vlug stegen zij van de
paarden en Heer Gijsbrecht opende de deur. Een man trad hem met een
licht in de hand tegemoet, en ziende dat hij een edelman voor zich had,
nam hij zich schielijk de ruige muts van het hoofd.
"Zijt gij de veerman, goede vriend?"
"Ja, Edele Heer. Wat is er van uw verlangen?"
"Kunt ge ons dadelijk overzetten, mij, mijn dienaar en twee paarden?"
De vraag klonk zeker wat gejaagd, want de veerman nam den ridder van
het hoofd tot de voeten op.
"'t Is al laat, Edele Heer! En de wind steekt ook op. Ik kan u van
avond niet meer overzetten. Uwe Edelheid moet wachten tot morgen."
"Dat is onmogelijk, dat kan niet. Ik moet over, verstaat ge, ik moet
en dadelijk ook! Maak spoedig alles gereed. Hoe meer haast ge maakt,
hoe grooter de belooning zal wezen. Maar overgezet moet ik!"
"'t Gaat niet, Heer, 't gaat niet!" zeide de veerman hoofdschuddend,
maar toch met een fijn lachje op de lippen. "Ik mag mijn leven niet
in gevaar stellen; ik heb vrouw en kinderen. 't Is wezenlijk te donker
en bovendien waar het te sterk. Ik kan het niet doen!"
"Dan zal ik u moeten dwingen!" riep de ridder driftig, terwijl hij het
gevest van zijn zwaard greep. "Hoe is het: wilt ge op eene eerlijke
manier eene handvol goudstukken verdienen en daarbij mij van den dood
redden, of moet, ik u met de scherpte van mijn zwaard dwingen? Spoedig,
wat is uw besluit."
"Als de zaak zóó staat, Edele Heer," zeide de veerman tevreden,
nu hij van goudstukken hoorde spreken, "ben ik geheel tot uw dienst."
"Maak dan voort, want mijne vervolgers zitten mij op de hielen. Nog
eens, hoe meer spoed, hoe grooter belooning. Als ge mij redt, zult
ge het u niet beklagen!"
In een oogenblik had de veerman een grooter licht aangestoken en een
dikken wollen lijfrok aangetrokken.
"Ik ben klaar, Edele Heer. Volg me."
Zoo snel mogelijk werd het paard van Heer Gijsbrecht in de breede aak
overgebracht, wat met groote moeite gepaard ging, omdat de schimmel
volstrekt geen lust in een watertochtje scheen te hebben.
Maar pas waren zij daarmede gereed, of Fulco riep:
"Stil! Hoor! Zijn dat geen ruiters, die ik daar hoor aankomen?"
Allen luisterden.
"Er is geen twijfel aan. Vlug, maak voort."
Gelukkig was het paard van Fulco niet zoo onhandelbaar als de schimmel,
en dat was maar goed ook, want de hoefslagen werden elk oogenblik
duidelijker.
"Snijd de touwen los, Fulco!" riep Gijsbrecht.
"Ik ben al bezig, Heer! Voort, veerman, of we zijn nog verloren. Steek
af!"
De veerman maakte voort, waartoe zeker de beloofde geldstukken niet
weinig medewerkten. Maar de ruiters naderden snel. Daar hielden
zij stil.
"Halt!" klonk het donderend uit den mond van Vianen.
"Vooruit, vooruit!" riep IJselstein.
Er kwam beweging in de logge aak. Fulco hielp den veerman uit alle
macht duwen, maar de vijanden sprongen van de paarden en kwamen op
hen af.
"Halt, veerman, halt, in naam van den Graaf en den Heer van den
Borselen beveel ik u aan te leggen!"
"Te laat, Heer van Vianen! Jammer, niet waar?" sarde Fulco, die met
innig welbehagen opmerkte, dat het schip al te ver van den kant was,
om den vijanden nog gelegenheid te geven het te bespringen.
Maar daar dreigde een nieuw gevaar. De schipper durfde een bevel
van den Graaf en van den gevreesden Van Borselen niet weerstreven
en weifelde wat hij doen moest. Doch die weifeling duurde maar een
oogenblik, want Heer Gijsbrecht trad op hem toe en zeide:
"Hijsch het zeil, veerman, en waag het niet, mij aan mijne vijanden
over te leveren, want die daad zoudt ge niet overleven!"
En de veerman begreep, dat deze taal ernst was.
"Ik kan niet terugkeeren, Edele Heer!" riep hij Vianen toe. "Ik word
gedwongen, om verder te gaan."
En geholpen door Fulco heesch hij het zeil, dat spoedig aan het logge
vaartuig de gewenschte vlugheid gaf.
Wat bulderde Vianen, die zoo zijne prooi voor zijne oogen zag
ontsnappen. De vreeselijkste verwenschingen wierp hij de vluchtelingen
na. Doch IJselstein lachte om zijne machtelooze woede. Hij wist,
dat hij, voorloopig althans, in veiligheid was.
Toen de veerman eenige uren later naar zijne woning terugkeerde,
had hij alle reden om tevreden te zijn. De ridder had zich nog milder
betoond, dan hij verwacht had.
En de ridder? Vol dankbaarheid over zijne redding uit een zoo groot
gevaar, zette hij met zijn trouwen dienaar de reis met den grootsten
spoed voort, want hij was zeer bekommerd over den toestand, waarin
zijne gemalin verkeerde. Immers, Holland was in oorlog met Utrecht,
en Van Borselen zou ongetwijfeld alle krachten inspannen om het
slot IJselstein, als een bolwerk tegen den Bisschop in handen te
krijgen. En dat Heer Hendrik van Vianen, zijn onverzoenlijke vijand,
met haastigen spoed huiswaarts zou keeren, om Van Borselen hierbij
behulpzaam te zijn, daaraan twijfelde hij niet. Daarom zette hij de
reis bijna o nafgebroken voort en gunde zich ternauwernood tijd om
te slapen. Hij wilde trachten Vianen vóór te komen, want als zijn
kasteel eenmaal belegerd werd, zou het hem natuurlijk onmogelijk
zijn, daar binnen te komen. Toch vreesde hij te laat te zullen komen,
want zijn vijand kon den kortsten weg nemen, terwijl hij, Gijsbrecht,
gedwongen was, Vlaanderen en Brabant door te trekken. Toch wilde hij
het beproeven en Fulco steunde hem krachtig in dat voornemen. En de
reis ging voorspoedig, want nog geen drie dagen na hunne vlucht uit
Veere hadden zij reeds Heusden bereikt.
Maar nu konden de paarden ook bijna niet meer. De arme dieren waren
zoo uitgeput en vermoeid, dat zíj slechts stapvoets voort konden en
elk oogenblik dreigden neêr te storten.
"'t Gaat niet verder zoo, Fulco," zeide Heer Gijsbrecht. "De paarden
kunnen niet meer. We moeten anderen raad schaffen."
"Die raad is niet ver te zoeken, Edele Heer. 't Wordt wel al donker,
maar het is toch nog licht genoeg, om ginds de forens van het slot
te Heusden te zien. Laten we daar andere paarden leenen om de reis
voort te zetten, dan kunnen we nog voor den morgen te IJselstein zijn."
"Dat is een uitstekend plan. Fulco!" riep Heer Gijsbrecht. "Laten we
dadelijk gaan. De Heer van Heusden is mijn vriend."
Dat toonde deze edelman dan ook. Niet zoodra had Heer Gijsbrecht
toegang verzocht, of de slotbrug, die opgehaald was, werd neêrgelaten
en de burchtheer zelf trad hem tegemoet.
"Welkom, welkom, IJselstein!" riep hij hem toe. "Wat voert u zoo laat
nog hierheen?"
"Niet veel goeds, Heusden," was het antwoord, en nu vertelde Gijsbrecht
alles, wat hem wedervaren was.
"Maar dat is schandelijk!" riep Heusden verontwaardigd uit, toen
hij alles gehoord had. "Dat is verraad! Intusschen, omtrent het lot
uwer gemalin kan ik u geruststellen. Zij is welvarende en wacht u met
ongeduld. Uw kasteel wordt nog niet belegerd, doch lang zal het wel
niet meer verschoond blijven, want Baljuw Aloud maakt zich tot het
beleg gereed, en Vianen, die gisteren teruggekeerd is, heeft het bevel
op zich genomen. Dus als ge nog tijdig op den burcht wilt aankomen,
zult ge u moeten haasten."
"Ik ga terstond en hoop nog dezen nacht aldaar aan te komen,"
antwoordde Gijsbrecht. "Doch onze paarden kunnen niet meer. De beesten
zijn op. Kunt ge mij aan andere helpen en wilt ge de onze eene plaats
in uwe stallen geven? Later ruilen we wel weer."
"Zeker, zeker, waarde vriend, ge kunt geheel over mij beschikken. Kan
ik nog iets anders voor u doen? Ge hebt maar te spreken."
"Dank u," zeide Gijsbrecht opstaande. "Alleen zou ik u verlof willen
vragen, om dadelijk weer te mogen vertrekken."
"Gaarne. Wacht, ik ga met u mede en zal u uitgeleide doen."
Weldra zaten Gijsbrecht en zijn dienaar weer te paard, en nu werd de
reis met dubbelen spoed voortgezet. Na een paar uur rijdens zagen zij
de forens van het slot te Heukelom voor "zich oprijzen, doch Gijsbrecht
gunde zich den tijd niet, de ouders zijner gemalinne een bezoek te
brengen. Hij wilde geen oogenblik verloren laten gaan. 't Was al bijna
middernacht, en zij hadden nog een langen rit voor zich. Eindelijk
bereikten zij het bosch, dat zij doorgetrokken waren op den avond,
toen Jonkvrouw Bertha door Vianens dienaar werd aangerand.
"Over twee uur kunnen we te IJselstein zijn, Fulco," zeide Gijsbrecht
verheugd. "Wat zullen ze daar vreemd opzien, als we zoo midden in
den nacht aankomen."
"Als we maar niet onwelkom zijn, Heer," lachte Fulco. "Kijk, daar
staat de hut, u weet wel, waarin .... "
Doch Fulco bracht zijn zin niet ten einde, want op dit oogenblik doken
uit het dichte kreupelhout plotseling een aantal donkere gedaanten op,
die hun den doortocht beletten. 't Waren ruiters en voetknechten.
"Halt!" hoorden zij eene barsche stem roepen, en het kostte hun niet
de minste moeite, die te herkennen.
't Was de stem van Vianen. Tegelijkertijd werden hunne paarden bij
de teugels gegrepen. Snel trokken zij hunne zwaarden en het gelukte
Fulco al spoedig door een goed gerichten slag zijn aanvaller ter aarde
te doen storten. Hij hield nu de teugels sterk in en gaf zijn paard
de sporen, waardoor het woest begon te steigeren. Daardoor werd het
zijnen bespringers onmogelijk het opnieuw aan te grijpen.
Heer Gijsbrecht was echter zoo gelukkig niet. Van alle kanten omsingeld
en aangegrepen, kon hij zich bijna niet wenden of keeren en weldra
was hem het zwaard uit de hand geslagen. Dat zag Fulco en met een
onstuimige vaart vloog hij op den drom in. Snel daalden zijne slagen
op de hoofden der aanvallers neder en vielen sommigen dezer gewond
ter aarde, doch tegen de overmacht was hij niet opgewassen. Een
gedeelte der bende vereenigde zich nu tegen hem en dwong hem, om
zij het ook strijdende, te wijken, terwijl de overigen zich van
Heer Gijsbrecht meester maakten en hem van het paard sleurden. 't
Was een vreeselijk tooneel. Hoe Fulco poogde zijn meester te redden,
het was hem onmogelijk. Een deel der vijanden hield hem voortdurend
op een afstand. Eindelijk stroomde het bloed hem uit verscheidene
wonden. Hij voelde zijne krachten verminderen.
Daar zag hij, hoe zijn arme meester geboeid op het paard gezet en
door eenige ruiters weggevoerd werd. Toen lieten zijne aanvallers
hem alleen.
Arme, trouwe Fulco! Hij stortte tranen van spijt en woede. Uit deernis
met het ongelukkige lof van zijn Heer voelde hij niet eens de pijn,
die zijne wonden hem veroorzaakten. Bedroefd sloeg hij den weg naar
IJselstein in.
En Heer Gijsbrecht? Onder spot en hoon werd hij weggevoerd naar het
slot te Culemborg, dat den Heer van Vianen toebehoorde. Daar bracht
men hem langs eene trap naar beneden. Een kerker werd geopend en
schamper lachende duwde Vianen hem naar binnen. Daarna werd de zware
deur zorgvuldig gegrendeld.
"De droom, de droom van Bertha!" mompelde Gijsbrecht.
HOOFDSTUK 5
Een waagstuk
't Was al laat in den nacht, toen Fulco in vliegenden galop aan het
kasteel te IJselstein aankwam. Hij zag doodsbleek, zoowel van pijn
en bloedverlies, als van kommernis over het lot van zijn Heer. En
ook was zijn hart vervuld met deernis over de ongelukkige Edelvrouwe,
die, misschien droomende van den spoedigen terugkeer van haar gemaal,
en onbewust van het leed, dat haar getroffen had, wellicht in een
diepen slaap verzonken lag.
De arme Fulco zag er tegen op, haar de droeve tijding te brengen,
en ware het niet, dat zijne hulp hoog noodig zou zijn op den burcht,
indien deze belegerd mocht worden, stellig zou hij zijn paard niet
tot zulk een spoed aangedreven hebben.
De valbrug was opgehaald.
"Natuurlijk," mompelde Fulco. "De vijanden kunnen elk oogenblik komen,
en--zullen zich ook niet lang meer laten wachten. Jonker Jan
houdt blijkbaar goede wacht." En met verheffing van stem riep hij:
"Hallo, wachter, hallo!"
"Wie daar?" klonk eene stem van den burchtmuur, die hij dadelijk als
die van den ouden Dodo, den tuinman, herkende.
"Goed volk, Dodo, dat gerust binnengelaten kan worden. Ik ben het,
-- Fulco!"
"Alleen?"
"Ja, helaas!"
"Wij komen!" klonk het terug, en tegelijkertijd hoorde hij op eene
trompet blazen, wat den burchtbewoners het sein gaf, dat iemand
toegang verzocht.
Hij behoefde niet lang te wachten. Spoedig hoorde hij stemmen door een
der kijkgaten van de hooge voorpoort, en een oogenblik daarna werd de
brug neêrgelaten en de poort ontsloten. Fulco reed het binnenplein
op, waar hij dadelijk door de wachters en door de gewekten werd
omringd. Jonker Jan gaf hem de hand.
"Welkom, Fulco," zeide hij ernstig, "maar hoe komt ge zoo alleen? Is
onze Heer ....?"
"Hij is gevangen genomen, Jonker."
"Gevangen?" herhaalde de schildknaap ontsteld, terwijl hij doodsbleek
werd. "Gevangen, zegt ge?"
"Gevangen, Jonker. Nog geen twee uur geleden, bij de verlaten hut in
het bosch."
"Door wien?" klonk het uit verscheidene monden.
"Door den Heer van Vianen," zeide Fulco. "Doch laten we naar de Vrouwe
gaan, Jonker."
"Die valschaard!" riepen de trouwe dienaars, terwijl zij elkander
verslagen aanstaarden. "Nu is IJselstein verloren! Geen zwakke vrouw
zal het kasteel tegen zulke machtige vijanden durven verdedigen."
Intusschen waren Fulco en de jonker de burchtzaal binnengegaan, waar
zij niet lang behoefden te wachten, want weldra trad Bertha reeds
geheel gekleed binnen. Men had haar al geboodschapt, dat Fulco slechts
alleen was. Dadelijk trad zij op den trouwen dienaar toe. Hare oogen
glinsterden van spanning; hare leden beefden.
"Waar is mijn gemaal, Fulco?" vroeg zij met bevende stem. Doch nog
voordat hij antwoord geven kon, riep zij uit:
"O, neen, neen, Fulco, zeg het niet. Arme, trouwe jongen, uwe
wonden zeggen mij reeds genoeg .... hij is vermoord, niet waar? Mijn
droom! Mijn droom! O, ik vreesde het wel!"
Bertha barstte in een hevig snikken uit en bedekte haar gelaat met
de handen.
"Vermoord, .... vermoord!" mompelde zij zacht.
"Neen, Edele Vrouwe," antwoordde Fulco ontroerd, "Heer Gijsbrecht
leeft, hij is niet vermoord."
"Leeft hij?" vroeg Bertha snikkende, terwijl zij hem onstuimig bij
den arm greep. "Leeft hij, Fulco? O, zeg mij dan, welk lof hem heeft
getroffen? Zeg het mij, Fulco, spoedig!"
"Wij zijn, nog geen twee uur geleden, in het bosch overvallen, Edele
Vrouwe, en wij waren niet in staat, ons te verdedigen; slechts twee
tegen velen. Wij hebben gedaan wat wij konden, totdat wij in den strijd
van elkander gescheiden werden en ik het moest aanzien, dat mijn edele,
dappere Heer van het paard gesleurd en gevangen genomen werd."
"Door?" vroeg Bertha, die hare tranen gedroogd had, kortaf.
"Hendrik van Vianen," antwoordde Fulco.
"De ellendeling!" riep Bertha. "Is dat ridderlijk, om twee menschen
onverhoeds te overvallen en gevangen te nemen? Dat is nu zeker wèl een
eerlijke strijd! Maar, arme Fulco, wat zijt ge gewond! In de eerste
plaats moeten we voor u zorgen, als loon voor uwe dapperheid. Jonker,
wilt gij Dodo roepen? Hij heeft verstand van kwetsuren. En vertel
mij dan, hoe alles gebeurd is, trouwe Fulco. Goddank, nog is alles
niet verloren! Arme, arme Gijsbrecht! Dus was toch mijn droom eene
voorspelling, misschien wel eene waarschuwing! Hadden we er maar
naar geluisterd!"
Spoedig kwam de jonker met Dodo terug, en deze goede grijsaard bracht
zijne geheele medicijnkast mede. Dadelijk begon hij de wonden te
onderzoeken en te reinigen. Gelukkig waren zij niet van ernstigen aard
en Fulco zou, naar zijne meening, spoedig weer geheel hersteld zijn.
"Je bent enkel wat flauw en bleek van het bloedverlies, Fulco,"
zeide hij. "Je zult zien, mijne heerlijke rozenzalf, die ik zelf
bereid heb, zal je spoedig weer in orde brengen. Zie zoo, nu zullen
we er nog een paar stevige zwachtels omdoen en dan moet je maar eens
flink eten. Dan zal de kleur wel terugkomen op je gelaat."
"Dank je wel, Dodo," zeide Fulco. "Ik voel me al heel wat sterker."