Dodo vertrok. De Jonker en Fulco namen bij Bertha aan eene prachtige,

gebeeldhouwde tafel plaats. De edele Vrouwe schonk haar trouwen dienaar

eigenhandig een beker wijn in, waarvan Fulco al spoedig bijna geheel

op streek kwam. Nu vertelde hij nauwkeurig alles, wat er op de reis

gebeurd was en wat de plannen van de vijanden waren. Zijn Heer had

hem dat alles onderweg medegedeeld.

De jonge Edelvrouw had met gespannen aandacht geluisterd. Geen traan

verduisterde meer haar oog, geen trilling in hare stem verried meer

hare aandoening. Zij had zich geheel hersteld. Hare lippen waren vast

op elkander gesloten en hare oogen fonkelden van toorn.

"Dus zullen wij belegerd worden door den Heer van Vianen!" riep zij

uit, toen Fulco zijn verhaal geëindigd had. "Nu, dat wisten wij al;

wij zullen hem laten zien, hoe eene Edelvrouwe een voorbeeld geven

kan aan een laaghartigen roover. Hij zal ons op de muren vinden,

niet waar, Jonker?"

"Bij St. Joris, dat zal hij!" riep Jonker Jan, vol bewondering over den

moed der edelvrouw. "We zullen ons verdedigen, zoolang we adem hebben."

"Maar er moet méér gedaan worden," riep Bertha uit.

"Het is niet genoeg, ons tegen onze vijanden te verdedigen, maar

we moeten ook alle pogingen in het werk stellen, om mijn dapperen

gemaal te redden, en dit laatste zal zeker niet het gemakkelijkste

deel onzer taak zijn."

"Uwe Edelheid heeft gelijk," zeide de Jonker peinzend. "Het beste

zou misschien wezen, een machtig leger te verzamelen, om daarmede

het kasteel te belegeren, waarin onze Heer gevangen gehouden wordt."

"Neen Jonker, dat zou dwaasheid zijn," antwoordde Bertha. "Zelfs al

moest het kasteel voor onze macht bukken, dan nog zou Vianen zijne

prooi niet afstaan. Hij zou mijn armen gemaal ongetwijfeld ... dooden."

Bertha beefde, toen zij dat woord uitsprak, maar toch zeide zij het

met eene vaste stem.

"Neen, Jonker, dat gaat niet," zeide Fulco. "Het zou misschien

verstandiger zijn, list tegenover list te stellen. We moeten een

gijzelaar in onze macht zien te krijgen, wiens leven Vianen nog meer

waard is, dan dat van onzen Heer. Ik geloof, dat hij een eenig kind

heeft, een jongetje van ongeveer zes of zeven jaar. Dat kind moesten we

in onze handen zien te krijgen. Dan zou in elk geval Heer Gijsbrechts

leven gespaard zijn."

"Dat is een goed plan, Fulco!" riep Bertha uit. "Zoo moest het

kunnen! Wat zou ik blij wezen!"

"'t Zou een handige zet zijn," meende de Jonker. "Die Fulco weet,

geloof ik, overal raad op. Maar wie zal het waagstukje uitvoeren? Want

een waagstuk is het. Als hij in handen van Vianen valt, is zijn lot

beslist, en--dan zal het vreeselijk zijn!"

Bertha gaf geen antwoord. Zij wist wel iemand, wien zij het zeer

gaarne zou opdragen, maar--de edele vrouw durfde het niet van hem

vergen, want--hij was gewond en lijdende, en bovendien vermoeid

en uitgeput van een langen tocht. Neen, haar trouwen Fulco durfde

zij het niet vragen.

"Edele Vrouwe," zeide hij, "ik bid u, draag mij die taak op. Ik ben

het mijn ongelukkigen Heer verplicht. Laat mij gaan, bid ik u."

Bertha was ontroerd.

"Trouwe, trouwe Fulco," zeide zij, hem de hand drukkende, "niemand

liever dan u vertrouw ik die zaak toe, en ik had het u zelve wel

gevraagd, indien ik niet dacht, dat ge te vermoeid en te zwak waart."

Een glimlach kwam op Fulco's gelaat. Hij gevoelde zich gelukkig.

"Vermoeid en zwak?" riep hij uit. "'t Is voor den Heer van Vianen te

hopen, dat ik hem niet tegenkom, want dan zou ik hem mijne zwakheid

eens laten voelen. Ik ga terstond, Edele Vrouwe, want spoedig zal

het beleg het mij anders onmogelijk maken."

Bertha stak hem eene zijden beurs toe, die gevuld was met

geldstukken. Maar Fulco werd plotseling doodsbleek en trad verschrikt

achteruit.

"Wat is dat?" stamelde hij. "Is dat mijn loon?" Bertha glimlachte.

"Neen, neen, beste Fulco, wees gerust. Zóó zou ik u niet willen

beleedigen. Ik weet wel, dat uwe trouw met geen goud te betalen

is. Neem het aan, Fulco, misschien hebt ge het noodig om uw doel

te bereiken."

"O, is dat de bedoeling!" riep Fulco met een verhelderd gelaat

uit. "Dat is waar; het kan mij van dienst zijn. Doch laat ik nu

gaan. De duisternis kan mij misschien nog helpen."

Hij koos zich een van de vlugste paarden uit, die in den welvoorzienen

stal stonden en zat weldra weer in den zadel. Hij was zoo geheel

vervuld van zijn plan, dat hij bijna geene vermoeidheid voelde. Hij

reed snel door. Toch was het al bijna dag geworden, toen hij in de

verre de forens van het kasteel Vianen zag.

"Wat nu te doen?" mompelde hij, terwijl hij zijn paard in den stap

bracht. "Jongen, Fulco, zoo'n plannetje is vrij wat gemakkelijker

gemaakt, dan uitgevoerd. Ik zie waarlijk geen kans, om in het kasteel

te komen en nog minder, om dat kind in handen te krijgen. En ik moet

voorzichtig wezen ook, want als het me niet gelukt, hangen ze me

ongetwijfeld dadelijk op, en--ik geloof niet, dat zoo iets een

aangenaam gevoel opwekt. Hangen heb ik nooit graag gedaan, vooral

niet aan mijn hals. Maar wacht, daar krijg ik een plannetje. Ik zal

mij uitgeven voor een verrader, die voor eene groote som gelds het

kasteel te IJselstein in handen der vijanden wil spelen. Zoo wordt

de bedrieger bedrogen, en dan hoop ik van harte, dat diezelfde spreuk

later weer niet op mij toepasselijk wordt. In elk geval ben ik dan in

het kasteel en daar zal ik wel weer verder zien. Maar ginds komt iemand

aan. Laat ik voorzichtig wezen. Wel heb ik van mijn leven! Nu mogen ze

me toch werkelijk hangen, als dat geen oude kennis van mij is. Jawel,

zeker, dat is Peer, mijn lieve vriend, de waardige dienaar van een

zeer waardig Heer. Laat zien, wat deze ontmoeting zal opleveren."

Fulco boog zich zijwaarts en hield zich, alsof hij iets aan het tuig

veranderde. Hij was bang, dat Peer hem anders te vroeg herkennen

zou. Daar waren zij elkander genaderd. Fulco keek op.

"Hé, dat is oude kennis!" riep hij verheugd uit. "Wel, Peer, het doet

me genoegen, dat ik je nog eens zie. Hoe gaat het je tegenwoordig?"

Peer keek verrast op, maar zijn gezicht stond lang niet vroolijk, toen

hij Fulco herkende. Schichtig keek hij rond, om te zien, of hij dien

hartelijken vriend niet ontwijken kon. Maar Fulco, die dat bemerkte,

sprong vlug van zijn paard en stak hem de hand toe. Peer nam die aan.

"'t Gaat nog al; niet bijzonder!" zeide hij wantrouwend, daar hij zich

Fulco's vriendelijkheid in het geheel niet begrijpen kon. "Hoe kom

jij zoo hier verdwaald?"

"Och, ik ben in 't ongeluk, zooals je weet. Heer Gijsbrecht van

IJselstein is dezen nacht gevangen genomen en nu weet ik zelf nog niet,

wat ik wil. En hoe kom jij al zoo vroeg op weg?"

"Ik verkeer in hetzelfde lot als jij," zeide Peer een weinig geruster,

"ik weet ook nog niet, wat ik wil, maar langer dáár blijven," en nu

wees hij op het kasteel, "dat doe ik stellig niet! Ik heb er genoeg

van, meer dan genoeg. Ik ga heen en word een vrij man, zooals iedereen

tegenwoordig is. Men moet al een mensch wezen als de Heer van Vianen,

om nog lijfeigenen te willen hebben. En hoe behandelt hij ze dan

nog? Erger dan beesten, dat weet ik bij ondervinding!"

En Peer streek zich met een pijnlijk gezicht langs de achterzijde

van zijn lichaam.

"Heeft hij je laten geeselen?" vroeg Fulco levendig, daar zijn

vruchtbaar brein hem plotseling een nieuw plan ingaf.

"Ja, en erg ook. 't Was in één woord verschrikkelijk. O, Fulco, ik

kan je niet zeggen, hoeveel pijn zoo iets doet. Maar laat hij zich

wachten voor zijn lijfeigene, want als ik hem nog ooit eens met een

blooten rug onder den geeselriem krijg, zal hij ze dubbel terughebben,

de ellendeling!"

Peer wreef zich weer voorzichtig langs den rug, terwijl hij, zooals

Fulco dacht, alweer precies keek, of iemand hem op zijne eksteroogen

trapte.

"En je waart zeker onschuldig?" vroeg hij met het ernstigste gezicht

van de wereld.

"Als een kind in de wieg," antwoordde Peer, "maar ze hadden mij bij

den Heer belasterd en gezegd, dat ik uit de provisiekamer gestolen

had, en toen liet hij me dadelijk geeselen. Doch wacht maar, Heer

van Vianen, mijn tijd zal ook wel eens komen!"

Peer balde bij die woorden de vuisten.

"Ik geloof waarlijk, dat je het meent, Peer!" riep hij lachend. "Ik

dacht niet, dat jij ook nog kwaad kon worden. Zoo'n goede kerel!"

Peer keek hem opnieuw wantrouwend aan. Zou Fulco dan in het geheel

niet meer aan die nachtelijke aanranding denken?

Fulco raadde zijne gedachten, en vlug eene wending aan het gesprek

gevende, zeide hij:

"Maar dat is waar ook, beste Peer, ik moet je nog altoos mijne

verontschuldiging maken over de leelijke vergissing, waardoor ik jou

indertijd ten onrechte voor den aanrander van Jonkvrouw van Arkel

hield. Je weet zeker, dat de schuldige later gegrepen en gestraft is?"

"Neen," zeide Peer verwonderd, "dat wist ik niet."

"Hij is opgehangen," zei Fulco met het leukste gezicht van de

wereld. "En dat had hij verdiend ook. Dus je neemt het mij niet

kwalijk, Peer? Ik meende werkelijk, dat jij de schuldige waart."

"Volstrekt niet, volstrekt niet, Fulco," antwoordde Peer met eene

zoo verheugde uitdrukking op het gelaat, dat Fulco dacht:

"Jou schurk, het kan je blijkbaar niets schelen, dat een onschuldige in

jouw plaats opgehangen wordt. Gelukkig, dat er niets van waar is." Doch

hij paste wel op, die gedachte hoorbaar in woorden te brengen.

"En wat is nu je plan, Peer. Je wilt dus in elk geval den burcht

verlaten?"

"Ik blijf hier geen dag langer," zeide Peer. "Denk je, dat ik mij

nog eens wil laten geeselen? Je hebt het zeker nog nooit gevoeld,

Fulco, anders zou je weten, dat naar een tweeden keer nooit sterk

verlangd wordt. Waarheen ik ga, weet ik nog niet. Ik denk, dat ik

dienst ga nemen bij den Bisschop. Misschien heb ik dan nog eens kans,

den Heer van Vianen te ontmoeten, en dan beloof ik, dat ik hem elken

geeselslag dubbel zal teruggeven. Die ellendige beul!"

"Peer," zeide Fulco, hem bij den arm nemende, "dan heb ik een beter

plannetje. Laten wij ons hier in dat boschje verbergen, dan kunnen

wij er rustig en ongezien over praten."

"Mij goed," zeide Peer. "'t Is mij om het even, wat ik ga beginnen. Als

ik maar gelegenheid heb, om mij op Vianen te wreken."

Zij gingen een weinig het kreupelhout in, waar Fulco zijn paard aan een

boomtak bond. Toen namen zij onder een breeden eik op het mos plaats.

"Je weet, Peer," begon Fulco, "dat mijn Heer dezen nacht gevangen

genomen is?"

"Dat weet ik," zeide Peer. "Vianen heeft hem naar zijn kasteel te

Culemborg gebracht, waar hem niet veel goeds te wachten staat, want

Vianen heeft een doodelijken haat tegen hem opgevat."

"Weet je ook, wat zijne plannen met IJselstein zijn?"

"Ja, dat weet ik zeer goed. Hij is van plan, om hem eerst bijna te

laten verhongeren en hem daarna te dooden. Hij haat hem uit het diepst

van zijn hart, en zijne wraak zal zeker niet voldaan zijn, voor de

Heer van IJselstein het leven heeft gelaten. Ik weet het heel zeker."

"Verschrikkelijk!" riep Fulco doodsbleek uit. "Wat een onmensch!"

"Dat is hij," bevestigde Peer. "Ik weet het immers bij ondervinding?"

"Je hebt gelijk, Peer. Maar dat mag niet gebeuren en zoolang ik leef,

zàl het ook niet gebeuren. Peer, beste Peer, als je wilt, kun-je

vandaag nog rijk worden!"

"Rijk, zeg je?" riep Peer, terwijl zijne oogen glommen van

begeerte. "Spreek op, Fulco, wat moet ik er voor doen? Meen je het

werkelijk?"

"Ik zeg, dat je rijk kunt worden, Peer," herhaalde Fulco met

nadruk. "Zeer rijk zelfs, en--wat nog het mooiste is--je

behoeft er niet eens veel voor te doen."

"Ha, ik begrijp het al," zeide Peer, met zulk een akeligen gloed in de

oogen, dat Fulco veel lust kreeg, hem den rug toe te draaien. "Maar,

't is gevaarlijk. Het kon mij mislukken en--dan stond de galg

voor mij klaar."

"Neen, dat bedoel ik niet," zeide Fulco, die met moeite zijne

walging bedwong. "Je behoeft Vianen niet te dooden. 't Is veel

gemakkelijker. Hij heeft immers een kind?"

"Aha, is dat je bedoeling!" riep Peer uit. "Dat maakt de zaak veel

gemakkelijker. Ja, hij heeft een jongetje van zes jaar. Jonker Karel,

zijn oogappel. Ik zeg, dat maakt de zaak veel gemakkelijker. Zoo'n

kind biedt niet veel tegenweer en is gauw uit zijn lijden. Hoeveel

is het je waard?"

Fulco beefde van af keer en ergernis. Wat een ellendig schepsel!

"Neen, Peer, niets van dien aard wordt er van je gevergd. Dat

kind willen we alleen in onze macht hebben, om als gijzelaar te

dienen. Vianen weet dan, dat het leven om leven gaat, als hij dan

IJselstein nog durft dooden. Kun-je me dat kind in handen spelen?"

Peer dacht een oogenblik na.

"Beter dood dan levend," zeide hij eindelijk.

"Levend, zeg ik!" riep Fulco met nauwelijks ingehouden toorn.

"Ik zie er wel kans toe, Fulco, maar ik heb er toch eigenlijk niet

heel veel lust in."

"Waarom?" vroeg Fulco. "Ik dacht, dat je je zoo graag op den Heer

van Vianen wilde wreken."

"Dat doe ik ook," hernam Peer, "maar dit is me te gevaarlijk. Je dat

kind in handen te spelen, is vrij gemakkelijk, maar het leelijkste

komt achteraan."

"Wat dan?"

"Wel, je begrijpt toch, dat Vianen niet zal rusten voordat hij me in

handen heeft? Neen, ik dank je."

"Dus je doet het niet?" vroeg Fulco.

"Neen, ik moet je ronduit zeggen, dat ik het niet aan durf."

Fulco haalde de beurs met goudstukken voor den dag en hield die Peer

voor de oogen.

"En als je er nu dit eens mede kon verdienen?" vroeg hij, terwijl

hij de goudstukken tegen elkander liet klinken.

Peer's oogen glinsterden van begeerte.

"Nu?" vroeg Fulco, al rammelende. "Mij dunkt, 't is een mooi sommetje,

dat over een half uur je eigendom kan zijn."

"Als ik maar wist, waar ik mij in veiligheid kon brengen," zeide

Peer begeerig.

"Wel, dat is doodeenvoudig," meende Fulco. "Kijk, zóó moet je doen. In

alle stilte ga je naar den stal en je zadelt daar het beste paard, dat

je vinden kunt. Dan wacht je zoo lang, tot het kleine kereltje op de

plaats komt. Je grijpt het, springt te paard, en--we brengen het

samen op IJselstein. Daar, op den burcht, ben je veilig. Ik verzeker

je, dat de Edelvrouwe je daar zoo rijk beloonen zal, dat je voor je

leven lang genoeg hebt. Je kunt een rijk man worden."

En weer rinkelden de goudstukken in de beurs, wat voor Peer een zoo

verleidelijk geluid was, dat hij uitriep:

"Afgesproken, Fulco. Ik ga terstond, want ik heb nu de meeste kans

van slagen, omdat Vianen nog niet thuis is. Hij is op Culemborg. Dus

jij wacht me hier?"

"Natuurlijk! Maar wees voorzichtig, hoor, en neem je maatregelen

goed. Denk om de belooning."

"Laat alles maar aan mij over," zeide Peer, zich verwijderende.

"Wat een afgrijselijk mensch," mompelde Fulco, toen hij uit het

gezicht was. "Ik schaam mij bijna, van zulk een schepsel gebruik te

moeten maken. Bah, wat een ellendeling. Ik weet waarlijk niet, wie

de ergste is, de Heer of de knecht. 't Is een fraai tweetal, waard om

naast elkander opgehangen te worden. Doch in elk geval geloof ik toch,

dat ik zoo de meeste kans heb, om mijn doel te bereiken, want het is

waarlijk geen gemakkelijke onderneming. Toevallig, dat ik dien braven

Peer nu juist ontmoet! Vooreerst zal hij nog wel niet terugkomen. Maar

wacht eens; ik moet toch voorzichtig zijn, want mijne lieve vriend kon

wel eens berouw krijgen en een duitje trachten te verdienen, door mij

te verraden, in plaats van mij te helpen. Hij is tot alles in staat,

die lieve Peer. Het beste is, dat ik een plaatsje zoek, waar ik zoowel

den weg als het kasteel goed in het vizier heb. Dan kan ik alles reeds

in de verre zien aankomen. Mooi, hier zit ik goed. Laat nu maar komen,

wat wil; ik voel me hier of ik thuis was."

Fulco bleef geduldig wachten, wel een uur lang. Eerst was hij vrij

rustig en bedaard, want hij begreep zeer goed, dat Peer zoo spoedig

niet terug kon komen. Maar toen het zonnetje al hooger en hooger

klom, begon ook zijn ongeduld toe te nemen en eindelijk tuurde hij

onafgebroken in de grootste spanning naar de kasteelpoort. Doch

niets liet zich zien. Langzamerhand begon hij Peer's bedoelingen

te wantrouwen.

"Peer, lieve Peer," mompelde hij met de tanden bijna op elkander

geklemd, "bedrieg mij niet, want waarlijk, je zult er niet veel

pleizier van beleven. We zien elkander nog wel eens weder, wil

ik hopen."

Doch Peer kwam niet. Er waren al bijna twee uren sedert zijn vertrek

verloopen, en nog liet zich niets zien. Fulco werd angstig. Hij

begreep maar al te goed, dat, zoo het plan verhinderd werd, zijn arme

Heer verloren was. Het ontvoeren van dat kind was het eenige middel,

dat hem redden kon.

En nog altoos bleef Peer uit. Fulco's oogen deden hem bijna pijn van

het aanhoudend staren in dezelfde richting. Eindelijk kon hij het

niet meer uithouden. Hij sprong op en begon driftig heen en weer te

loopen. Meer en meer begon hij te gelooven, dat hij bedrogen was.

"Peer, Peer, dat zal je heugen!" riep hij woedend uit. "Blijf nu uit

mijne handen, wat ik je bidden mag, want nu zul-je nog eens wat anders

voelen dan eene geeseling."

Peer stoorde zich niet aan Fulco's machtelooze woede; hij bleef steeds

onzichtbaar. In de hevigste onrust wachtte Fulco nog wel een uur, maar

er kwam niemand. Fulco twijfelde niet langer of Peer had hem bedrogen.

"Hij had dat kind wel al twintigmaal kunnen grijpen," mompelde

hij. "Was ik zelf maar gegaan, dat was vrij wat verstandiger

geweest. Niets gaat toch maar zoo goed als wat men eigenhandig

verricht. Wie weet of die lieve Peer al niet gegrepen en opgesloten

is. 't Is best mogelijk. Dan hoop ik, dat hij nog eens dunnetjes

overgegeeseld wordt; dat is hij dubbel waard."

Doch al zijn gemopper baatte Fulco niet. Peer bleef waar hij was. De

zon stond eindelijk reeds in het zuiden. Fulco werd meer dan onrustig,

hij werd verdrietig. De moed ontzonk hem.

"Arme, arme Heer!" zuchtte hij. "Nu is alles verloren, nu kan niemand

u meer redden. Welk een vreeselijk lot staat u te wachten, o, ik

mag er niet aan denken. Doch ik blijf hier. Ik zal de wacht houden,

zoolang gij leeft, en--wil de ellendige Vianen u dooden, al staan

er ook honderd krijgers rondom, met het zwaard in de vuist zal ik u

trachten te verlossen of met u sterven .... "

De tranen liepen den trouwen Fulco langs de wangen. Plotseling echter

richtte hij het hoofd op.

"Daar komt wat!" riep hij verrast en bijna ontsteld uit. "Hij is het,

hij is het! Zou het hem gelukt zijn?"

Fulco rekte den hals zoover mogelijk uit om te kijken.

"Hij heeft het kind!" jubelde hij. "Goddank! Voorloopig gered!"

IJlings vloog hij naar zijn paard en bijna in hetzelfde oogenblik

zat hij in den zadel. Met ongeduld wachtte hij Peer af. Hij zag,

dat deze het kind voor zich op het paard had. Weldra was Peer hem

genaderd. Hij hield zijn paard in en keek angstig achterom.

"Word ik vervolgd?" vroeg hij gejaagd.

"Nog niet," zeide Fulco. "Geef het kind hier."

"Eerst het geld!" riep Peer met brandende blikken.

"Hier is het!" zeide Fulco kortaf, hem de beurs overreikende. Toen

nam hij het kind, dat schreiend om zijne moeder riep, van hem over.

"Nu naar IJselstein!" zeide hij kortaf.

De ruiters gaven hun paard de sporen en reden snel weg. Beiden

gevoelden zij zich gelukkig met hun buit. Peer liet het geld van de

eene hand in de andere glijden en welbehaaglijk luisterde hij naar

den helderen klank van het edele metaal. Hij vond het eene schoone

verdienste voor zulk eene kleine taak en hij zou er gaarne vrij wat

erger voor gedaan hebben. Voor goud deed hij alles; zijn geweten

veroorzaakte hem niet den minsten last meer; de ongelukkige had het

al lang tot zwijgen gebracht.

En Fulco gevoelde zich ook gelukkig. Met angstvallige zorg hield hij

het schreiende knaapje in zijne armen gekneld. Ja, hij was gelukkig met

zijn buit en al het goud ter wereld zou niet in staat geweest zijn,

om hem te bewegen er afstand van te doen. Hij wist immers, dat dit

kind het leven van zijn meester kon redden! Toch had hij medelijden

met het arme kind, dat zoo onbarmhartig uit de armen zijner moeder

was gescheurd, en dat nu werd weggevoerd, om aan zijne vijanden te

worden overgeleverd.

"Arm kind," zeide hij teeder, "wees maar stil, hoor, mijn ventje,

wij zullen je geen kwaad doen. 't Is toch ongelukkig," vervolgde hij

tegen Peer, "dat zoo'n onnoozel schaap zoo jong reeds lijden moet

voor de misdaden van zijn vader. Maar zeg, waarom bleef je toch zoo

verbazend lang weg?"

"Omdat ik niet eerder in de gelegenheid kwam," zeide Peer, voor de

honderdste maal achterom kijkende, uit vrees, dat hij vervolgd zou

worden. En waarlijk, ver achter zich zag hij eene stofwolk, die

ongetwijfeld door ruiters veroorzaakt werd.

"Daar komen ze!" riep hij angstig. "We zijn verloren!"

Fulco keek om.

"Ben je dwaas!" riep hij. "Zoo gauw hebben ze ons niet. Over een

goed half uur zijn we te IJselstein en we zijn ze een mooi eindje

vóór. Maar toch moeten we zoo hard rijden, als we kunnen. Vooruit,

beestje. Laat nu eens zien, wat je kunt!"

Met groote snelheid reden zij voort. Zij waren bijna voortdurend

in galop. Peers hoofd lag bijna op den nek van het paard. Blijkbaar

verkeerde hij in den hevigsten angst.

Na eenigen tijd keek Fulco nog eens om, en bemerkte nu tot zijn schrik,

dat zijne vervolgers vrij wat op hem gewonnen hadden.

"Dat gaat verkeerd!" riep hij Peer toe. "Wij verliezen!"

"O, hemel!" kermde Peer. "Wat zal mij nu gebeuren!"

"Niet veel goeds!" riep Fulco, terwijl hij opnieuw zijn paard de

sporen gaf, een voorbeeld, dat Peer hem zoo ijverig navolgde, dat

het bloed zijn arme paard langs de beenen droop.

Nog eenmaal keek Fulco om. 't Gevaar naderde.

"Vooruit! Vooruit!" riep hij, zich ook zoover mogelijk voorover

buigende. Daar hoorde hij kreten achter zich. Men gebood hen halt

te houden.

"Al te vriendelijk!" mompelde Fulco. "Vooruit Zwart, nog een

kwartier! Vooruit!"

Doch Zwart kon niet meer. Het arme dier had gedaan, wat het kon. Het

paard van Peer was vlugger en sterker, naar het scheen. Het ging

Fulco vooruit. Deze begreep, dat het hem niet mogelijk zou zijn,

den burcht tijdig te bereiken.

"Peer!" riep hij. "Halt, Peer!"

Maar Peer had geen lust, zijn leven in gevaar te stellen. Hij geraakte

hoe langer hoe meer vóór.

"Peer!" riep Fulco nu met donderende stem, "Peer, hier, zeg ik je! Neem

jij het kind en breng het op IJselstein. Mijn paard kan bijna niet

meer voort. Peer, hoor je niet, wat ik zeg? Alléén laten ze je daar

toch niet binnen. Hier, neem het kind!"

Deze bedreiging hielp. In den grootsten angst hield Peer zijn paard een

weinig in, zoodat Fulco hem spoedig had ingehaald. Peer nam snel het

kind over. Voort ging het weer. Peer reed hem dadelijk weer vooruit,

hoezeer Fulco zijn paard ook tot spoed aanzette.

"Ik ben verloren!" mompelde Fulco, "maar Peer zal het kasteel wel

bereiken. Als hem dat gelukt, sterf ik met vreugde, want dan is

mijn Heer in elk geval gered. Ha, nu dien hoek nog om, en dan ligt

IJselstein voor ons. Voort, Zwart, voort, voort!"

Daar verrezen de torens van het machtige kasteel vóór hem, maar nog

dichter hoorde hij zijne vijanden achter zich.

"Ho, roover, kinderdief!" hoorde hij zich toeroepen. Hij gaf zijn paard

onophoudelijk de sporen, en zwaaide met zijn arm, in de hoop, dat de

wachters op den toren hem bemerken zouden. Meer en meer naderden zijne

vijanden. Zijn paard sleepte zich met moeite voort. Daar hoorde hij

ze vlak achter zich. Snel trok hij zijn zwaard en maakte zich gereed,

zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

"Halt, roover! Halt, kinderdief!"

Zijne vervolgers waren hem nu genaderd, en hij hoorde, hoe de zwaarden

uit de scheeden vlogen,--maar, hij zag met een snellen blik

ook, dat Peer voor de poort gekomen was en dat de brug neêrgelaten

werd. Zijn paard hijgde naar adem. Het kon niet meer. Snel liet Fulco

er zich afglijden en plaatste zich met zijn rug er tegen. Zoo was

hij van achteren tegen elken aanval gedekt. Zijne vervolgers waren

vijf in getal.

"Te laat!" schreeuwden zij, toen zij zagen, dat Peer de brug

overging. "Maar deze roover zal in elk geval sterven!"

Woest drongen zij op Fulco aan, maar hij verdedigde zich met den moed

der wanhoop. Toch was het een hopelooze strijd, hoe angstwekkend zijn

zwaard ook door de lucht flikkerde.

Maar daar kwam hulp. In vliegenden galop reed een aantal ruiters den

burcht uit.

"Houd je goed, Fulco, houd moed!" hoorde hij zich toeroepen, en Fulco

hield moed. Wel voelde hij, dat zijne krachten begonnen te verminderen,

maar toch hield hij zijne vijanden op een afstand.

Nog een oogenblik--en daar waren zijne vrienden genaderd. Tegen

hen waren de vijanden niet opgewassen. Met groote haast sloegen zij

op de vlucht.

Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden · 第 5 / 12 段