Dat gejuich dreunde hem nog in de ooren, en de gedachte, dat zijne

nederlaag het volk zooveel vreugde had verschaft, deed hem dorsten

naar wraak. Zijn gemoed was vervuld van den bittersten haat tegen den

fieren overwinnaar, zijne oogen gloeiden van wraakzucht. Daarom nam

hij geen deel aan het feest. Alleen den beker gunde hij weinig rust;

hij dronk veel, zelfs te veel, en hoe meer hij dronk, hoe gloeiender

de blikken werden, die hij op Heer Gijsbrecht wierp. Hij wond zich op,

en eindelijk--toen de wijn hem naar het hoofd begon te stijgen,

was er maar eene kleinigheid noodig, om het blijde feest te doen

eindigen in een twist, misschien zelfs wel erger.

En aan die kleinigheid zou het niet ontbreken.

Daar stond de Bisschop van Utrecht op, en den beker heffende, riep hij:

"Komt edele Ridders en Edelvrouwen, wijden wij een dronk aan het

welzijn en het geluk van het bruidspaar! Ledigen wij den beker als

eene hulde aan de schoone bruid, en ter eere van den bruidegom,

den fieren overwinnaar!"

Die woorden werden met geestdrift begroet. Alle gasten stonden op en

hieven de bekers omhoog. Daverend klonk het door de groote burchtzaal:

"Ter eere van de schoone bruid en van den dapperen overwinnaar!"

Iedereen drong naar voren, om met Gijsbrecht en Bertha te klinken, en

in dat gedrang had niemand er eerst erg in, dat Heer Hendrik van Vianen

geen deel nam aan die eerbewijzingen. Doch daar bemerkte plotseling

Brederode het en vertoornd over zooveel onwellevendheid, riep hij:

"Wat nu, Vianen, gij weigert toch niet te drinken ter eere van

Jonkvrouw van Arkel, en hulde te brengen aan den overwinnaar van het

tournooispel? Kom, vergeet, evenals iedereen in uw geval zou doen,

de geleden nederlaag en breng hulde aan hem, die haar verdient. 't

Was een eerlijke kamp .... "

"Dat was het niet!" bulderde Vianen, onder het opstaan met zijne

vuisten zoo ruw op de tafel slaande, dat het drinkgeraad er van

rinkelde. "Dat was het niet. 't Was geen eerlijke kamp. Op eene

eerlijke wijze zou hij mij nooit overwonnen hebben!"

Hij zag vuurrood, zoowel van woede als van het drinken. Hij beefde

van wraakzucht.

Zijne woorden hadden een geweldig tumult ten gevolge. Van alle kansen

drongen de ridders op hem aan.

"Dat is onwaar, Vianen!" riepen zij. "Trek die beleedigende woorden

in. Ge zijt eerlijk overwonnen en er is volgens de tournooiwetten

gestreden. Uwe beschuldiging is valsch!"

"Wat? Durft ge mijne woorden in twijfel trekken, van mij, Vianen? Ik

zeg, en iedereen mag het hooren, dat IJselstein door een valschen

aanval mijn paard aan het schrikken maakte, waardoor het op zijde

sprong en mij deed vallen. Hij hield zich niet aan de wetten van

het spel en overwon mij door list. Doch ik erken hem niet als mijn

meester! Hij is een valschaard en niet dat alleen, maar ook een

lafaard! Laat hij het zwaard trekken als hij durft!"

Dat was te veel voor Heer Gijsbrecht. Hij rukte het zwaard uit de

scheede en trad met fonkelende oogen op Vianen toe. Deze had eveneens

het zwaard getrokken, doch bij de bewegingen, die hij daarbij maakte,

waggelde hij op zijne beenen en hield zich met moeite staande. 't

Werd nu iedereen duidelijk, dat hij dronken was.

"Terug! Terug!" klonk het van alle zijden, en men drong zich tusschen

de twee ridders in. "Terug IJselstein, ziet ge dan niet, dat hier

niet gestreden mag worden? Ziet ge dan niet, dat hij dronken is?"

"Wat, dronken?" bulderde Vianen. "Ik dronken? Neen, ik ben niet

dronken, maar hij is een lafaard. Hij durft niet!"

Doch Gijsbrecht had het zwaard al weder in de scheede gestoken. Hij

begreep, dat dit geen eerlijk gevecht kon worden.

"Ga naar uwe kamer, Vianen," sprak hij, "en tracht te slapen. Morgen

ben ik bereid u te woord te staan."

"Naar mijne kamer? Denkt gij dan, dat ik nog een oogenblik langer

met een lafaard onder één dak wil zijn? Ik bedank voor die eer. Ik ga

naar huis. Tot wederziens, IJselstein, maar wacht u dan voor Vianen!"

Nog altoos met zijn zwaard in het rond schermende, zoodat alles wat

hij bij ongeluk raakte, aan scherven of gedeukt op den grond viel,

liep hij de deur uit.

Enkele ridders, waaronder ook IJselstein, volgden hem. Waggelende

begaf hij zich, onder het uiten van de leelijkste beleedigingen, naar

de andere zijde van het kasteel, waar de bedienden verzameld waren.

Ook daar was iets bijzonders aan de hand.

't Was er den geheelen middag een vroolijk gezelschap geweest. De

tafels waren, dank zij der gulheid van de Edelvrouwe, die ook

den dienaren graag het goede gunde, ruim voorzien geweest van

heerlijk wildbraad en opwekkende dranken. Onder allerlei gesprekken,

afgewisseld door grappen en vroolijke liedjes, hadden zij er zich te

goed gedaan. Zelfs Peer, de lijfeigene van Vianen, was weer op zijn

gemak gekomen. Eerst had hij zich stil en zwijgend aan een hoekje van

de tafel gezet en wierp hij steelswijze angstige blikken op Fulco,

doch toen hij bemerkte, dat deze in het geheel niet op hem lette,

ja, hem zelfs niet eens scheen op te merken, begon hij langzamerhand

te hopen, dat Fulco het geheele geval vergeten was. En dat scheen

waarlijk wel zoo, want Fulco was zoo vroolijk, dat het onmogelijk was

te gelooven, dat hij nog aan andere dingen kon denken. Hij wist zijne

buren kostelijk te vermaken, wat duidelijk bleek uit het vroolijk

gelach, dat zich telkens rondom hem deed hooren. En zoo voelde Peer,

die eerst volstrekt geen eetlust had gehad, langzamerhand zijn moed

klimmen en met zijn moed kwam ook zijn eetlust terug. Hij begon

eindelijk zelfs praats te krijgen. Dat duurde zoolang, tot plotseling

een der aanwezigen zeide:

"'t Is toch eene brutale aanranding geweest, die gisterenavond gepleegd

is. Die schurk had eigenlijk al aan den strop moeten hangen."

Als met een tooverslag waren bij Peer zoowel zijn moed en eetlust

als zijn praats verdwenen. Hij voelde, dat hij trilde van angst.

"Dat had hij verdiend!" riep een ander.

"Maar eerst eene geeseling!" meende een derde.

En weer ging er eene rilling over Peers rug. Het zweet brak hem uit,

en angstig zochten zijne blikken die van Fulco, doch deze keek hem

niet aan. Hij scheen niet eens te hooren wat er gezegd werd, want

hij stond op en greep eene vedel, die tegen den wand stond.

"Ha, dat is een voortreffelijk plan, Fulco," riep men van alle

kanten. "Stilte, we krijgen een lied!"

"Een lied van Fulco den Minstreel!" riep lachend Marij, de dienstmaagd

van Jonkvrouw Bertha. "Dat zal wat moois wezen!" liet zij er plagend

op volgen.

"Dat zal het zeker," antwoordde een tweede, "Fulco behoeft voor den

besten minstreel niet onder te doen. Ik heb hem meer gehoord."

"Nu moet je me niet zoo sterk prijzen, dat ik niet eens meer zou durven

beginnen," zeide Fulco gestreeld, terwijl hij de snaren spande. Toen

stond hij op en begon afwisselend te spelen en te zingen. Soms tokkelde

hij zacht op de snaren, terwijl hij zong. Ieder luisterde met aandacht,

en Peer begon weer te herademen, althans voor korten tijd, want het

bleek hem spoedig, dat de inhoud van Fulco's lied niet geschikt was,

om hem op zijn gemak te brengen.

"Mijn lied heet: de Redding," sprak Fulco, en met eene schoone stem

zong hij:

De slotbrug daalt, de hoefslag klinkt!

De Jonkvrouw, op haar ros gezeten,

Schoon reeds de zon in 't Westen zinkt,

Wil toch haar bruigom welkom heeten.

Daar buiten vreest zij geen gevaar:

Is niet haar Ridder spoedig daar?

't Was zoel geweest den ganschen dag,

Nu pakten wolken dreigend samen;

Maar Bertha, die 't gevaar niet zag,

Verbaast zich, dat geen ruiters kwamen.

Daar wordt de rijweg hel verlicht!

Een slag volgt op de bliksemschicht!

Waarheen thans, Bertha, in dit uur?

Terugtocht kan hier niet meer baten.

Waar schuilt Ge voor het hemelvuur?

De gansche omtrek is verlaten.

Maar ginder naakt de zoom van 't woud;

Daar staat een jagershut in 't hout.

De regen valt bij stroomen neer

En duisternis bedekt de aarde.

De kleine hut heeft in dit uur

Voor Bertha een onschatbare waarde.

De Jonkvrouw bindt haar paard aan 't hek

En treedt in 't onbewoond vertrek.

Thans neigt zij luisterend het oor

Of ook haar bruigom langs mocht komen;

Wis dringt de hoefslag tot haar door.

Het bliksemt telkens in de boomen.

Maar .... hoort zij niet een voetstap daar?

Wie is 't? Een vriend, of .... nieuw gevaar?

"Sta, Jonkvrouw, geld en siersels af!

Sta af! of 't kost U hier het leven!"

--"Maar vrees dan, booswicht, ook uw straf!"

Zegt Jonkvrouw Bertha zonder beven.

"Geen lid van mijn aloud geslacht,

Dat een bevel van roovers acht!"

Met galmt haar hulproep door het woud

En tracht zij moedig zich te weren.

Daar klinken stemmen in het hout,

Die Bertha's moed en kracht vermeêren.

"Mijn bruigoms stem, die redding meldt,

Nu buk ik nooit voor ruw geweld!

Te hulp, te hulp!"--"Waar is 't gevaar?"

--"Hier, Gijsbrecht, hier!" De hulp komt nader.

De dapp're bruidegom is daar

En zoekt in 't duister naar den dader.

Thans vreest de roover voor den dood

En zucht om redding uit den nood.

De blijdschap op haar lief gelaat

Werpt Bertha zich in 's Ridders armen.

De roover neemt zijn kans te baat;

Hij wacht van Gijsbrecht geen erbarmen.

Hij sluipt in haast door 't klein vertrek

En redt zich over 't lage hek.

Maar zie, de dienaar, die hier wacht

Om trouw de paarden te bewaken,

Verheft zijn zwaard met alle kracht

En treft, dat kap en schedel kraken.

"Hier hebt Ge, roover, loon naar werk:

Een onuitwischbaar Kaïnsmerk!"

Intusschen dreef de bui voorbij

En kon de Jonkvrouw huiswaarts keeren.

Verheugd ging 't bruidspaar zij aan zij.

Wie zou nu dapp're Bertha deren?

De dienaar meesmuilt in zijn baard:

"Die zwaardslag was een goudstuk waard!"

Fulco zweeg. Daverende toejuichingen waren zijn deel. Doch Fulco

lachte thans niet. Met den vinger naar Peer wijzende, die doodsbleek

in den versten hoek eene schuilplaats zocht, riep hij:

"En wilt ge weten, wie de schurk is, die dat feit durfde

ondernemen? Daar staat hij! 't Is Peer, de eigene van den Heer van

Vianen. Laat hij het ontkennen, als hij durft!"

Doch Peer durfde niet. Aan al zijne leden bevend viel hij op de knieën

en smeekte om erbarming.

Daaraan dacht evenwel niemand. Van alle kanten drong men op hem aan.

"Naar de burchtzaal met den schurk! Naar de burchtzaal!" klonk

het. "Hij moet nog heden zijn vonnis hebben! Voort met den roover!"

Men sleurde hem naar de deur, doch juist op dat oogenblik werd die

met kracht opengeworpen en verscheen de Heer van Vianen aan den ingang.

"Peer," riep hij met ruwe stem, "de paarden! We gaan naar huis!"

"Hier is Peer! Hier is de aanrander!" klonk het verwarde geroep van

de dienaren.

"Genade, genade!" kreunde Peer in doodsangst.

"Wie waagt het mijn dienaar overlast aan te doen?" schreeuwde Vianen

woedend. "Laat los, hondsvotten, of ...."

Daar kwamen ook de andere edelen, waaronder Heer Gijsbrecht, het

vertrek binnen. Vreezende, dat Vianen in zijne blinde woede misschien

een ongeluk zou begaan, en niet wetende, wat er aan de hand was,

riepen zij:

"Laat dien man los! Zijn Heer wil vertrekken!"

"Maar hij is de roover, die...!"

"Laat den man los!" gebood Gijsbrecht krachtig. "Wie of wat hij ook

zij, laat hem los!"

Aan dat bevel werd voldaan, zij het dan ook schoorvoetend.

Vianen trad naar buiten, en Peer, die zich te Heukelom in het geheel

niet meer op zijn gemak gevoelde, volgde hem met zeldzamen spoed. Nog

nooit had hij zijn Heer zoo vlug bediend als nu. In minder dan geen

tijd zaten beiden te paard en reden de slotbrug over.

De ridders keerden naar de burchtzaal terug en vergaten spoedig

het gebeurde.

Maar Heer Gijsbrecht van IJselstein had een vijand gekregen, die niet

licht te achten was.

HOOFDSTUK 4

De wraak van Vianen

Veertien dagen later vinden we Heer Gijsbrecht in de groote zaal

van het slot te IJselstein, gedost in zijn schoonste gewaad, bezig

zijne bevelen te geven aan zijne dienaren. Hij drukt hun de stipste

gehoorzaamheid jegens zijne gemalin op het hart, belooft hun eene

buitengewone belooning, wanneer zij gedurende zijne afwezigheid

getrouw hun plicht doen, maar dreigt met dubbele straf hen, die zich

aan plichtsverzuim mochten schuldig maken.

Daarna neemt hij met vriendelijkheid van allen afscheid, en blijft

alleen over met zijn schildknaap, Jonker Jan van Asperen. Hij legt

zijne hand in de zijne, en zegt:

"En aan U, mijn trouwe knaap, draag ik de zorg op, niet alleen

voor mijn kasteel en voor mijne overige bezittingen, maar ook voor

het dierbaarste, dat ik bezit: voor mijne lieve gemalin. We beleven

vreemde tijden, Jonker, en niemand weet tegenwoordig, of de dag van

morgen vrede of oorlog zal brengen. Daarom heb ik, voor ik van hier ga,

zooals ge weet, het kasteel in staat van tegenweer gebracht, opdat,

als onverhoopt soms een vijand mocht komen opdagen, hij het niet

onverdedigd vinde. Beloof me, dat ge haar zult steunen in het bestuur,

en zoo noodig, haar zult verdedigen en beschermen in den nood!"

"Ik zweer het, edele Heer!" antwoordde Jonker Jan ernstig en

vastberaden. "Zoolang mijn arm een zwaard kan voeren, zal haar geen

leed genaken."

"Ik wist, dat ge dit zeggen zoudt, en had geen ander antwoord

verwacht. Heb dank voor die woorden. Doch daar hoor ik haar

aankomen. Laat ons nu eene wijle alleen."

De jonker vertrok en Bertha kwam binnen. Ook zij was gekleed om uit

te gaan; zij wilde haar echtgenoot een eindweegs vergezellen. Zij zag

bleek en hoewel hare gestalte als altoos fier was, scheen het toch,

alsof er thans een angstige trek op haar gelaat lag. Gijsbrecht ging

haar tegemoet en sloeg haar zijn arm om den hals.

"Alles is gereed, Bertha," zeide hij. "We kunnen dadelijk

vertrekken. Maar, liefste, wat ziet ge bleek en wat is dat --

tranen in de oogen? Kom, kom, wat is dat voor malligheid? Nu had ik

toch gedacht, dat je moediger waart."

"Och, Gijsbrecht," zuchtte Bertha, "wees niet boos op me; ik weet wel,

dat het kinderachtig van me is, maar heusch, ik voel me zoo beangst. 't

Is me, alsof er een groot ongeluk zal gebeuren.., alsof ik... u nooit

terug zal zien."

Bij die woorden barstte zij in tranen uit.

"Maar hoe komt ge toch op die gedachte, mijn Bertha? Gisteren nog

kende je geen vrees en was je even moedig als altoos."

"O, ja, dat was gisteren, Gijsbrecht, maar nu .... "

"En waarom ben je dan nu wel bevreesd?"

"Omdat ik .... O, Gijsbrecht, 't was zoo akelig, o, ga toch niet naar

het hof te Veere .... Omdat ik zoo'n vreeselijk naren droom gehad heb."

"Ik moet gaan, Bertha. De Bisschop heeft het mij opgedragen, ik moet,

-- maar kom, kom, je weet toch wel, dat droomen bedrog zijn."

"Deze niet, neen Gijsbrecht, deze niet. Och, ik smeek u, blijf toch

hier! Die droom vervolgt mij reeds den geheelen morgen."

"En hoe was die droom dan wel?"

"O, zoo naar, Gijsbrecht. Ik zag u geboeid in een vreeselijken kerker,

bleek en vermagerd, en je riept voortdurend, terwijl de ketens,

waarmede je aan den muur geklonken waart, rammelden: 'Bertha, Bertha,

waarom verlos je me niet? Zie je dan niet, dat ik hier anders sterven

moet?'"

En opnieuw begon de jonge edelvrouw te schreien. Ook Gijsbrecht

was een weinig bleeker geworden, doch spoedig herkreeg hij zijne

opgeruimdheid weder en zeide:

"Gekheid, Bertha. Droomen zijn nog nooit anders dan bedrog geweest, ik

geloof er niet aan. Je hebt zeker onrustig geslapen en toen gedroomd,

zooals dat iedereen wel eens overkomt. Een flinke rit in de frissche

morgenlucht zal die nare gedachten wel uit je hoofdje doen verdwijnen

en je weer vroolijk maken. Kom, laten we te paard stijgen."

"Dus je blijft bij uw plan, en gaat naar Veere?"

"Ik moet, Bertha. Dat kan nu eenmaal niet anders, doch--wees niet

bezorgd. Over veertien dagen ben ik immers weer hier?"

Bertha richtte het hoofd op en veegde de tranen weg, die haar in

de oogen stonden. 't Scheen, of zij al haar moed en geestkracht

terugkreeg, nu zij wist, dat er niets aan het besluit te veranderen

viel.

"Laat dan komen, wat er komen moet. Dat God u bescherme!"

En haar echtgenoot een kus gevende, liet zij er op volgen:

"We zullen er het beste maar van hopen, niet waar? Laten we gaan."

Op de binnenplaats stonden vier paarden gereed, die door Jonker Jan

en Fulco bij de teugels gehouden werden. Fulco zou zijn Heer op de

reis vergezellen, en hij vond dat verre van onaangenaam. Hij hield

wel van zoo'n tochtje en 't was bij hem gewoonlijk: hoe verder, hoe

liever. Gijsbrecht hielp Bertha in den zadel, en weldra reden zij de

slotbrug over, door de bedienden van het kasteel met een hartelijk:

"Goede reis, God behoede u!" begroet.

Bertha schikte zich blijkbaar in het onvermijdelijke, want zij sprak

over allerlei zaken, behalve over haar droom. En toen zij een uur

later een teeder afscheid van Gijsbrecht nam, hield zij zich zoo flink,

dat het scheen, of zij er zelfs niet meer aan dacht.

Langzaam reed de Edelman, door Fulco gevolgd, verder. Telkens keek

hij achterom en wuifde zijne vrouw en den Jonker een vaarwel toe,

dat herhaaldelijk beantwoord werd. Eindelijk verloor hij hen uit het

gezicht. Toen gaf hij zijn paard de sporen en reed snel voort.

Wij zullen de beide reizigers niet verder op den voor dìen tijd verren

tocht vergezellen. Genoeg zij het te weten, dat zij de reis zonder

ongelukken aflegden en in blakenden welstand te Veere aankwamen.

Dicht bij die stad lag het sterke kasteel van den Heer Wolfert van

Borselen, bij wien Graaf Jan I zijn intrek genomen had. Dat heette

natuurlijk eene vrijwillige daad, maar in werkelijkheid was hij

daar niet veel meer dan een gevangene, die echter met al de eer,

aan zulk een machtig vorst verschuldigd, behandeld werd. Toch was

hij niet meer dan een gevangene, want Van Borselen bewaakte hem en

al zijne handelingen als met argusoogen: hij liet hem nooit alleen,

en zelfs op zijn uitstapjes in den omtrek hield hij hem gezelschap. De

heerschzuchtige Edelman, wien het nergens anders om te doen was, dan

om de regeering geheel in handen te hebben, begreep maar al te goed,

dat hij daarvoor meester moest zijn van den persoon des Graven, die

nog niet veel meer dan een kind was, en wien hij daarom gemakkelijk

naar zijne hand kon zetten.

Jan, de zoon van den edelen Graaf Floris V, telde dan ook nog

nauwelijks zestien jaren, en was daarenboven klein van gestalte en

zwak en ziekelijk van lichaam. Geen wonder was het daarom geweest,

dat zoovelen getracht hadden, zich van de voogdij over den jongen

Graaf, en zoo ook van de regeering, meester te maken, waaronder,

behalve Van Borselen, genoemd moeten worden Dirk van Cleve en Jan

van Avennes, graaf van Henegouwen. Tevens trachtte ook Willem II

Bertold van Mechelen zijn voordeel te doen, en viel met een leger in

Noord-Holland, dat hij veroverde tot Medemblik toe.

Spoedig moest hij echter wijken voor Jan van Avennes, die overal,

als de neef van Jan I, met gejuich werd begroet. Ook de Vlamingen,

die op aanstoken van Van Borselen in Zeeland gevallen waren, trokken,

voor zijne macht beducht, terug. Zoo scheen het, alsof dus Jan Van

Avennes het pleit om de oppermacht zou winnen, toen hem plotseling de

tijding ter oore kwam, dat Graaf Jan geland was, en dat hij ontvangen

was door en zijn intrek genomen had bij Heer Wolfert van Borselen. Dat

was hem eene streep door de rekening, doch zoo dadelijk gaf hij zich

niet gewonnen. Onverwijld zond hij Graaf Jan zijn groet, en noodigde

hem uit, te Dordrecht te komen, waar hij hem de regeering zou overgeven

en rekening afleggen over het gehouden bestuur. Doch dat wilde Van

Borselen niet, omdat hij begreep, dat zijn rijk dan spoedig uit zou

zijn. Hij waarschuwde daarom den Graaf voor dien tocht, zeggende,

dat Jan van Avennes wel eens heel andere bedoelingen zou kunnen

hebben. Het was immers best mogelijk, dat het zijn plan was, den

Graaf gevangen te nemen en zich van de regeering meester te maken? De

Graaf geloofde die woorden, en Jan van Avennes kreeg al spoedig een

antwoord, dat alles behalve vriendelijk was. Hij werd uitgenoodigd

om zonder gewapend geleide te Blijdorpe, in Zeeland, te komen. Vrees

behoefde hij niet te koesteren, want de Graaf zou hem een vrijgeleide

geven. Maar zoo gemakkelijk liet de Henegouwer zich niet verschalken,

en hij verliet toornig het land. Dat hij goed gezien had bleek maar

al te duidelijk, want Van Borselen verspilde groote schatten, om hem

op zijn tocht naar Henegouwen gevangen te nemen.

Zoo had dan nu Van Borselen alle macht in handen, waarvan hij gebruik

maakte om zijnen vrienden, allen Zeeuwen, groote bedieningen te

geven. Den Heer van Brederode ontsloeg hij als Baljuw van Zuid-Holland

en benoemde Jan van Renesse in diens plaats.

Al spoedig bleek het hem echter, dat deze even heerschzuchtig was

als hij zelf, en dat de Graaf zich meer en meer tot hem voelde

aangetrokken. Daarom beschuldigde hij hem van het plan, om zich van

den Graaf meester te maken, ten einde hem aan Hollands vijanden over

te leveren. De Graaf geloofde die beschuldiging, en Renesse had het

alleen aan eene snelle vlucht te danken, dat hij geen kennis maakte

met den kerker. Tot Baljuw in zijne plaats werd Heer Aloud benoemd,

die zich weldra door zijne aanmatigende handelingen door geheel

Holland gehaat maakte.

Zoo was de toestand in zake 's lands regeering op het oogenblik,

dat Heer Gijsbrecht als gevolmachtigde van den Bisschop te Veere

aankwam. Het was dus waarlijk geen wonder, dat hij met ongeduld het

oogenblik te gemoet zag, waarop hij voor den jongen Graaf en diens

machtigen beheerscher zou moeten verschijnen. Wat den eerste betrof,

hij had den knaap lief om der wille van diens edelen vader, Graaf

Floris, maar Van Borselen, den indringer, zooals hij hem noemde,

haatte hij uit het diepst van zijn hart. Het was immers maar al te

zeer bekend, welke rol hij had gespeeld in den moord op Graaf Floris,

van welke daad hij een der eerste aanleggers was geweest, en het was

hem onbegrijpelijk, hoe de moordenaar des vaders nog onder de oogen

durfde komen van den zoon.

Lang behoefde hij niet te wachten, want reeds den eersten dag na

zijne aankomst ontving hij de uitnoodiging, om voor den Graaf te

verschijnen. Gevolgd door Fulco begaf hij zich naar het slot, waar

hij door een schildknaap naar de burchtzaal werd geleid. De Graaf

en Van Borselen hadden aan eene tafel plaats genomen. Twee klerken,

ieder met eene lessenaar voor zich, zaten aan weerskanten.

Eerbiedig naderde Gijsbrecht den jongen Graaf en heette hem, ook namens

den Bisschop, hartelijk welkom in het vaderland. Met een snellen blik

nam hij beide mannen op. Wat viel de jongeling, wien hij zich reeds

als niet groot en sterk had voorgesteld, hem tegen. Hij was niet meer

dan een zwakke, ziekelijke knaap, die in de hoogste mate verlegen,

zijn groet met een paar onbeduidende uitdrukkingen beantwoordde. Doch

des te krachtiger was de figuur van den Heer Van Borselen, wien men

het kon aanzien, dat zijne trotschheid en heerschzucht hem tot alles

in staat deden zijn. Reeds bij den eersten blik, dien Gijsbrecht met

hem wisselde, voelde hij, dat die geduchte man zijn vijand was. Hij

nam zich voor, op zijne hoede te zijn.

Nadat de gebruikelijke plichtplegingen waren afgeloopen, ging Van

Borselen dadelijk over tot de behandeling van de zaak, die IJselstein

naar Veere had gevoerd: het vaststellen van de vredesvoorwaarden

tusschen Utrecht en Holland, en nu bleek het al spoedig, dat

Gijsbrecht de reis veilig achterwege had kunnen laten, want Van

Borselen wilde geen vrede, of de Bisschop moest afstand doen van de

leenheerschappij over Amstel en Woerden. Welke pogingen Gijsbrecht ook

deed om die bepalingen zachter en aannemelijker te maken, het baatte

niets. Van Borselen bleef halsstarig bij zijn eisch, en dreigde den

oorlog dadelijk te zullen hervatten, wanneer zijne voorwaarden niet

werden aangenomen. Hoe het hem ook speet, Gijsbrecht moest toegeven,

want de Bisschop had hem opgedragen, den vrede tot elken prijs aan

te nemen. Met een zucht onderteekende hij het tractaat, dat door een

der klerken geschreven was en hem werd voorgelegd.

"Dus die zaak is eindelijk aan kant," zeide Van Borselen, toen

Gijsbrecht hem het document overhandigde.

"Nu heb ik nog iets met u te bespreken, Heer van IJselstein."

"Met mij?" vroeg Gijsbrecht verwonderd.

"Ja, met u," klonk het droge antwoord. "De Graaf namelijk wenscht

van u te vernemen, hoe uwe houding zal zijn, ingeval de Bisschop het

gesloten tractaat ontrouw mocht worden en opnieuw het zwaard tegen

Holland trekken mocht."

"Die daad zou ik ongetwijfeld afkeuren, Heer van Borselen," antwoordde

Gijsbrecht, "en betreuren. De Bisschop zou zeer zeker op mijne hulp

ook niet kunnen rekenen."

"Dat is de bedoeling niet," hernam Van Borselen kortaf. "Wij wenschen

te weten, of gij in dat geval zoudt doen, wat gij als leenman van den

Graaf verplicht zijt, namelijk, den Bisschop van Utrecht bestrijden,

ja of neen."

"Neen, Heer!" klonk het beslist. "Als Maarschalk van Utrecht zou ik

in geen geval het zwaard tegen Utrecht voeren; evenmin als tegen den

Graaf, omdat deze mijn leenheer is."

Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden · 第 3 / 12 段