spelen met de schitterende kleuren der vaandels, die het tournooiveld
versierden. Pratende, lachende en joelende bewoog zich de menigte
rondom het veld of verdrong zich om de stellages, door rondreizende
kunstenmakers of kooplieden opgericht. Hier trachtte een potsenmaker
door een vloed van snaaksche gezegden en het trekken van allerlei
leelijke gezichten, die, naar het algemeen gelach te oordeelen,
blijkbaar in den smaak van zijne hoorders vielen, de snuisterijen van
zijn meester aan den man te brengen, terwijl deze er voor zorgde, ze
zoo uitlokkend mogelijk op eene tafel te rangschikken. Daar vertelde
een andere grappenmaker,--en hij zette zijne woorden kracht
bij, door af en toe zoo geweldig op een trompet te blazen, alsof de
toenmalige gehoorvliezen van olifantsvel waren,--dat zijn meester
een beroemde Oosterling was, die tot heil van de lijdende menschheid
uit zuivere liefde voor zijne medeschepselen, uit het Heilige Land
was overgekomen met onfeilbare geneesmiddedelen voor alle mogelijke
kwalen. Voor eene kleinigheid kon men bij hem terecht, want het was
hem volstrekt niet te doen om rijk te worden. O neen, hij kwam alleen
met het doel, om zieke menschen weer gezond te maken. Hij trok zonder
pijn kiezen, alsof het grassprietjes waren, maakte recht wat krom,
en hoorende, wat doof was. Kortom, hij was een ware wonderdokter.
Elders weer werd de schare gelokt door het heldere geluid van eene
vedel. Daar laat een rondreizende minstreel zijne zangen hooren, en
hij heeft eer van zijn werk. Zie slechts, hoe iedereen met aandacht
luistert, hoe al die oogen schitteren, waar de zanger met krachtige
tonen de roemrijke daden van zijn held bezingt, hoe een angstige trek
op ieders gelaat verschijnt, waar hun wordt verteld hoe hij gewond
en stervende van zijn ros geslingerd wordt, hoe een traan in menig
oog opwelt, als in roerende klanken de smart der liefhebbende en
treurende Edelvrouw wordt verhaald.
Onder de hoorders, die aan de lippen van den zanger hingen, bevond
zich ook Fulco, wiens hulp op den burcht wel eenigen tijd gemist kon
worden. En een vurig bewonderaar van zang en muziek als hij was,
hadden de tonen der vedel hem al spoedig naar de plaats gelokt,
waar de minstreel zijne liederen zong.
"Mooi, dat was mooi!" mompelde Fulco, toen het lied uit was, zich
haastig, als schaamde hij zich er voor, een traan uit het oog
vegende. En na den minstreel met een geldstukje voor zijne kunst
beloond te hebben, sloeg hij den weg in naar den potsenmaker, die
nog altoos bezig was, de groote bekwaamheden van den Oosterschen
wonderdokter te verkondigen. Weldra schudde hij van het lachen bij
de snakerijen, die hij hoorde, en die hem al spoedig den indruk deden
verliezen, door den zanger bij hem gewekt.
"Komt, menschen," klinkt het van de stellage, "blijft daar toch niet
langer staan, alsof je wortel geschoten hadt in den grond! Voor alle
kwalen, geen enkele uitgezonderd, weet deze beroemde Oosterling
raad. Heb-je hoofdpijn,--hij strijkt je driemaal met zijn
heiligen steen langs het voorhoofd, blaast, en--pfff, weg vliegt
de pijn! Heb-je eksteroogen, bloedvinnen of puisten,--zijne
zachte olie doet ze in drie dagen tijds verdwijnen als erwtensoep
in eene hongerige maag! Heb-je een bochel of kromme beenen, in twee
maanden maakt zijne zalf je zoo recht als de stok, waarmede mijne
lieve grootmoeder me placht af te ranselen in mijne prille jeugd! En
die was recht hoor, niet mijne grootmoeder, neen, die volstrekt niet,
maar de stok, en taai ook, dat verzeker ik je. 't Is, of ik het nog
voel!" En hierbij trekt de grappenmaker weer zoo'n leelijk gezicht,
dat iedereen het uitschatert. "Komt menschen, voor alle kwalen weet hij
raad, en hij reist de geheele wereld door, alleen uit liefde tot zijn
lijdenden evenmensch. Geen ziekte, geen kwaal is er, waarvoor hij geen
raad weet, en zelfs die voor ongeneeslijk zijn verklaard, herstellen
nog door zijne beroemde wonderzalf, die, wonder boven wonder, een been
of arm weer doet aangroeien, waar zulk een lichaamsdeel verloren is
gegaan! En dat in hoogstens drie maanden tijds!"
En de spreker heeft eer van zijn werk, want verscheidene omstanders
richten hunne schreden naar den beroemden man, om voor goed geld
slechte medicijnen te koopen. Doch den potsenmaker gaat het nog niet
vlug genoeg. Er moeten meer koopers komen; daarom laat hij zijne oogen
onder de menigte ronddwalen, tot hij iemand opmerkt, die er zeer bleek
en lijdend uitziet. Dien man met den vinger aanwijzend, gaat hij voort:
"Zie me daar nu dien ongelukkigen stumper staan. Wat eene kleur! Hoe
vermagerd! Ik vraag u, menschen, staat hij al niet met zijn éénen
voet in het graf?"
Aller oogen richten zich op den aangewezen persoon, die zich thans
daar wel honderd mijlen vandaan wenscht. Ook Fulco kijkt dien kant uit,
en--herkent dadelijk den lijfeigene van den Heer van Vianen.
"Ha, ha," mompelt hij, "dat is mijn lieve vriend. Wacht, daar moet
ik bij wezen. Schooner gelegenheid komt er misschien nooit weer terug."
En zich tusschen het volk doordringende, gaat hij ongemerkt achter
den lijfeigene staan, die, hoe warm hij het ook heeft, nog altoos de
kap van zijne lijfrok over het hoofd houdt.
"En wat zal hem schelen?" gaat de bediende van den wonderdokter
voort. "Wat zal hem schelen? Zóó erg of zóó vreemd kan het niet wezen,
of mijn beroemde meester maakt het in korten tijd beter. Heb-je 't in
de ingewanden, goede vriend? Of heb-je pijn of ben-je ziek? In een
oogwenk ben-je zoo gezond als een vischje. Kom, draal niet langer,
't kost maar eene kleinigheid, en, kun-je niet betalen, dan kost
het je niets, totaal niets! Kan het nog mooier? Wat, blijf-je nog
staan? Durf-je niet? Dan zal ik het nog beter met je maken. Zeg maar,
wat je scheelt, en ik zal zelf de kruiden halen, die je noodig hebt,
en je genezen, daar iedereen bijstaat. Zeg maar, wat je deert."
Doch de lijfeigene blijft zwijgen.
"Dan zal ik het wel zeggen," roept Fulco lachend. En de vuile kap bij
de punt vastgrijpende, trekt hij die plotseling achterover, wat met
een kreet van pijn door den dienaar wordt beantwoord. En nu is het
iedereen duidelijk, wat den man scheelt. Aan zijn hoofd heeft hij
eene slecht verbonden wond, die, ongereinigd, veel erger schijnt,
dan zij werkelijk is.
"Kom maar hier, goede man, ik zal je wel helpen!" roept de
potsenmaker. "In eene week is het genezen, dat beloof ik je."
Fulco luisterde niet langer. Hij had zijn doel bereikt. Hij boog
zich tot den dienstman over en fluisterde hem in 't oor: "Schurk,
durf jij wel weerlooze jonkvrouwen aanranden? Dat dacht je niet,
hè, dat het zoo gauw aan het licht zou komen. Bereid je maar voor op
hetgeen je te wachten staat!"
En zich omdraaiende, verliet hij de groep, om op eene andere plaats
naar iets anders te gaan kijken. Doch daartoe had hij geen gelegenheid,
want plotseling werd zijne aandacht getrokken door schetterende muziek,
getrappel van paarden en kletteren van wapens. De ridders waren in
aantocht. Het steekspel zou beginnen.
HOOFDSTUK 3
Een steekspel en wat er de gevolgen van waren
Welk een schoonen stoet vormden die ridders op hunne vurige rossen. Hoe
schitterden die wapenrustingen in de helle zonnestralen, hoe kostbaar
waren zoowel paarden als ruiters getooid, hoe vroolijk wapperden de
vaandels boven hunne hoofden, hoe fier zaten die ridders te paard!
Voorop rijdt Hendrik van Vianen, de geduchte kampioen, wien reeds
bij voorbaat door bijna iedereen, ook door hem zelven, de overwinning
wordt toegeschreven. Hoe trotsch laat hij zijne oogen ronddwalen over
de menigte, die het tournooiveld omringt, en een verwaten glimlach
komt over zijn norsch gelaat, als hij ziet, hoe daar de hoofden bij
elkaar worden gestoken en men fluistert:
"Dat is de Heer van Vianen, die nog nooit overwonnen is."
"Kent ge hem?" vraagt een ander.
"Kennen, neen, doch ik zie het aan het wapen, dat op zijn maliënkolder
geschilderd is; zie maar: drie zwarte zuilen op een veld van zilver."
"Wat ziet hij er trotsch uit!"
"Geen wonder waarlijk. Hij heeft in kracht en moed zijne partij nog
nooit gevonden!"
"En wie is dat, die ridder met de gekanteelde baren op zilver?"
"Weet je dat niet? 't Is de Heer van Arkel. Maar zie eens, daar komen
de edelvrouwen. Wat zijn ze prachtig gekleed!"
"Prachtig? Dat zou ik meenen! 't Is bekend, dat bijna elke edelvrouw
wel zooveel juweelen aan haar lijfrok en gordelriem draagt, dat men
er wel een kasteel voor koopen kan. Kijk, kijk, daar is de heer van
IJselstein met zijne bruid. Wat een schoon paar! Hij doet zeker niet
mede aan het steekspel, want hij neemt in de hooge tent bij de Vrouwen
plaats. Zeker de eereplaats. Dat is jammer. Ik had hem wel eens tegen
Vianen willen zien."
"Dat zal hij wel niet durven. 't Is ook niet alles, om voor de oogen
van je bruid van 't paard te worden geworpen.
"Bang is hij anders niet; dat heeft hij getoond na den dood van
Graaf Floris, toen hij een van de eersten was, die te velde trok om
den moord te wreken. En toen heeft hij zich dapper gedragen, zooals
iedereen weet."
"Dat is waar. Nu, misschien doet hij dan niet mede, om den Bisschop
gezelschap te houden. Kijk, die zit naast hem."
Terwijl deze en dergelijke gesprekken gehouden werden door de
omstanders, reden de ridders in optocht het tournooiveld eenige malen
rond. Telkens als zij voorbij het bruidspaar reden, maakten zij eene
sierlijke buiging en lieten zij de speren zakken.
Op een teeken van de kamprechters, aan wie de leiding van het spel was
toevertrouwd, hielden de ridders halt en werden hun de tournooiwetten
voorgelezen. Daarna verdeelden zij zich in twee groepen, die aan
weerszijden van een touw, dat het krijt in twee gelijke helften
verdeelde, plaats namen en ieder een aanvoerder kozen.
Aan de eene zijde viel die eer te beurt aan den Heer van Heusden,
kenbaar aan zijn blazoen, dat een rad van keel voerde op goud, aan de
andere zijde aan den Heer van Vianen, wiens vroegere overwinningen
hem ook bijna recht gaven op die onderscheiding. De ridders reden
terug tot aan het einde van het krijt en monsterden met een laatsten
blik den toestand van hunne rusting en de tuigage van hun paard.
De kamprechters, gewapend met lange staven en omringd door hunne
dienaren, die, als krijtwaarders, kortere staven in de hand droegen,
namen plaats aan de einden van het touw.
Alles is gereed. Ademloos bijna wacht ieder op hetgeen gebeuren
zal. Daar heft Bertha van Arkel, nu Vrouwe van IJselstein, de
hand ten teeken op, het touw valt en wordt snel verwijderd, de
muziek, bestaande uit bazuinen, pauken, trommen en schalmeiën, valt
schetterend in, en onder het geroep van Vianen! Vianen! aan de eene,
Heusden! Heusden! aan de andere zijde storten de ruiters met gevelde
glaviën en gesloten vizier, op elkander in. De grond dreunt onder
de hoefslagen der strijdrossen, de lucht davert van het gekletter
der wapenrustingen en van het geroep der strijdenden, en opgetogen
en meêgesleept door het schoone schouwspel, barst het volk in een
donderend gejuich los. De edel- en jonkvrouwen werpen den strijdenden
linten, handschoenen en andere voorwerpen toe, om hen aan de moedigen,
en met verdubbelde kracht zetten dezen den strijd voort. Hier vliegt
eene glavie aan stukken in de lucht, daar trachten er twee tevergeefs
elkander uit den zadel te lichten, ginds stort een derde bewusteloos op
den grond. IJlings schieten de dienaren toe om hem uit het strijdperk
te dragen.
Daar rijden Vianen en Heusden op elkander in. 't Wordt stiller in en
om de kampplaats. De beide strijdenden trekken ieders aandacht. Met
welk eene woeste kracht heeft de botsing plaats, en verwondering baart
het, dat niemand den zadel ruimt. De glavie van Van Heusden is aan
splinters geslagen. Haastig grijpt hij eene andere en opnieuw valt
hij Vianen aan, doch nogmaals breekt zijne glavie en bijna kantelt
hij uit den zadel. Daar grijpt hij zijn zwaard, welk voorbeeld Vianen
volgt, en met bliksemsnelheid volgen de slagen elkander op. Doch
Heusden, hoe ook toegejuicht, want men gunde den trotschen Vianen
de overwinning niet zoo graag als hém, voelt langzamerhand zijne
krachten minderen. Eene laatste poging wil hij doen; hij drukt zijn
paard de gouden sporen in de zijden en rijdt onstuimig op Vianen in,
om hem door zijne verpletterende slagen tot wijken te dwingen, doch
zijne tegenpartij houdt stand als eene rots, slaat hem het schild in
tweeën en had hem ongetwijfeld uit den zadel doen storten, indien niet
Bertha een teeken had gegeven. Dadelijk traden de krijtwaarders toe
en wierpen hunne staven tusschen de strijdenden. Dat was het teeken,
dat de strijd geëindigd was. Vianen had als altoos de zege behaald.
Er zal een uur pauze gehouden worden, welken tijd de ridders gebruiken,
om zich te ververschen en hunne rustingen in orde te brengen. Daarna
zal de strijd beginnen van man tegen mail, en dan eerst zal blijken,
wie de sterkste is.
Niet zoodra is het uur verschenen, of door bazuinen klaroengeschal
worden de ridders opnieuw ten strijde opgeroepen. De kamprechters
met hunne dienaren hebben hunne plaatsen wederom ingenomen. Weer
geven de bazuinen een sein, en nu rijdt een zwaar gewapend ridder
gevolgd door zijn schildknaap, het krijt binnen. Voor den wapenkoning
houdt hij halt. Op de vraag van deze, wie hij is en wat hij verlangt,
klinkt zijn antwoord:
"Ik Witte, Heer van Haemstede, daag elken ridder, wie hij ook zij,
ten strijde met speer en zwaard ter eere van de schoone Jonkvrouw
Bertha van Arkel."
En nauwelijks heeft hij uitgesproken, of luide klinkt het gekletter
der bazuinen en klaroenen. Zijne uitdaging wordt aangenomen, want een
andere ridder rijdt het perk binnen en plaatst zich tegenover den Heer
van Haemstede. Uit zijn wapen, een geharnasseerden keelen liebaard
op goud, blijkt, dat hij tot het edele geslacht der Brederodes behoort.
De strijd begint. Met eene woeste vaart rijden de beide edelen op
elkander in en met een geweldigen schok heeft de botsing plaats. De
speren vliegen aan splinters, de ruiters waggelen op hunne tossen. Snel
neemt ieder van zijn schildknaap eene nieuwe speer, en weer rijden
zij op elkander in, doch juist op het oogenblik, dat zij elkander
genaderd zijn, struikelt het paard van Witte van Haemstede, valt en
werpt zijn ruiter over zich heen, onder de hoeven van het andere
dier. IJlings schieten de bedienden toe en brengen den gevallene
buiten het perk. Niemand heeft de overwinning behaald, doch nu laat
Brederode zijne uitdaging hooren, en nauwelijks is dat geschied,
of daar rijdt de Heer van Vianen het perk binnen.
"Arme Brederode," klinkt het zacht uit den mond der omstanders. "Nu
zal hij het kwaad te verantwoorden hebben."
En dat was ook zoo, want reeds bij den eersten schok kon hij zich
ternauwernood in den zadel houden. Toch bleef hij zitten, wat een
luid gejuich van de menigte uitlokte. Maar nu kwam Vianen met zulk
eene ontstuimige vaart op hem aanrennen, dat Brederode met een hevigen
dreun van het paard stortte. Ook hij werd door zijn schildknaap buiten
het strijdperk gebracht.
In galop reed Vianen het perk rond, en trotsch lachte hij, nu
van alle kanten een donderend gejuich opsteeg ter eere van den
overwinnaar. Eindelijk hield hij voor den wapenkoning stil, en met
eene luide stem, die door iedereen gehoord werd, riep hij:
"Ik, Hendrik, Heer van Vianen, bijgenaamd de Onoverwinnelijke,
daag elken ridder, wie hij ook zijn moge, ten strijde, ter eere van
Jonkvrouw Bertha van Arkel, de schoone Bruid!" En zijn paard de sporen
gevende, reed hij, onder het schallen der muziek, in vliegenden galop
de kampplaats rond. Doch hij bleef alleen.
Geen enkele ridder, hoe beleedigd ook door zijne tergende uitdaging,
durfde den strijd met hem wagen. Met een minachtenden glimlach op het
gelaat naderde Vianen den wapenkoning ten tweeden male en herhaalde
zijne uitdaging in zoo mogelijk nog tergender bewoordingen.
En opnieuw werd zijne uitdaging beantwoord door bazuin- en
trompetgeschal. Doch geen enkele ridder reed het perk binnen. Tartend
keek Vianen in het voorbijrijden den kring van edellieden aan,
en 't was waarlijk bij zulk een beleedigend gedrag geen wonder,
dat zijne trotsche gestalte meer met haat dan met bewondering werd
nagezien. Ten derden male naderde hij den wapenkoning, en luid klonk
zijne uitdaging in het rond:
"Ik, Hendrik, Heer van Vianen, bijgenaamd de Onoverwinnelijke,
daag ter eere van Jonkvrouw Bertha van Arkel, elken ridder tot een
eerlijken strijd met speer en zwaard, en mocht deze uitdaging, die
nu voor de laatste maal geschiedt, onbeantwoord blijven, dan maak
ik als overwinnaar aanspraak op den uitgeloofden prijs: het met goud
versierde schild!"
Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of met gesloten vizier rende
een ridder het strijdperk binnen, gezeten op een fieren schimmel, die,
dartel als hij was, zich niet dan met groote moeite door zijn meester
liet bedwingen. Aan 's ridders speer prijkte een gele handschoen,
ongetwijfeld het eigendom van eene of andere Jonkvrouw, te wier eere
de Ridder streed.
Met onbeschrijfelijke geestdrift werd deze verschijning door het
volk begroet, want ieder had zich geërgerd aan de trotsche woorden
van den stuggen edelman. En, al wist men niet, wie die fiere ridder
was, toch gunde ieder hem gaarne de overwinning. Hij reed, gevolgd
door zijn schildknaap, die ook het vizier gesloten hield, naar den
wapenkoning en sprak:
"Ik, genaamd de Onbekende Ridder met de gele Handschoen, verklaar
ter eere van Jonkvrouw van Arkel de uitdaging van Heer Hendrik van
Vianen aan te nemen."
Daarop plaatsten de beide ridders zich op een grooten afstand van
elkander en maakten zich strijdvaardig.
Er heerschte eene doodsche stilte onder de menigte. Ieder was vol
spanning, hoe deze kamp zou eindigen, en die spanning werd bovendien
nog geprikkeld door het geheimzinnige van dien vreemdeling.
Daar gaf de jonge bruid het teeken en de kamprechter riep met luide
stem:
"Laisser aller!" (Laat begaan.)
De ruiters drukten de sporen in de zijden hunner paarden en reden
met eene ongekende vaart op elkander in. 't Was, alsof zij elkander
verpletteren wilden. Al bij den eersten schok bleek het Vianen,
dat hij, zooal niet zijn meester, dan toch stellig zijne evenknie
gevonden had, want de Onbekende bleef rechtop in den zadel zitten,
terwijl hij zelf slechts met moeite zijn evenwicht bewaren kon en zijne
glavie tot aan zijne hand toe scheurde. Een daverend gejuich, waaraan
bijna geen einde scheen te zullen komen, steeg uit het volk op. De
ridders zwaaiden met hunne speren, de jonk- en edelvrouwen waren van
hare zitplaatsen opgestaan en juichten den Onbekende toe. Honderden
kleinigheden, meest sieraden, werden hem toegeworpen. Met een
hoffelijke buiging reed hij terug, om zich tot een nieuwen aanval
gereed te maken. Ook Vianen deed dat,--doch geprikkeld door de
toejuìchingen, die zijn tegenstander ten deel vielen, met woede in
het hart. Daar vlogen zij opnieuw op elkaar in, zoo mogelijk nog
woester dan te voren, en weer met denzelfden uitslag. De Onbekende
hield stand als eene rots, Vianen bleef, terwijl de speer aan zijne
hand ontviel, slechts met groote moeite in den zadel. De geestdrift
van de toeschouwers klom tot uitbundige op gewondenheid. Aan het
gejubel kwam schier geen einde. Verbitterd trok Vianen zijn zwaard. De
Onbekende deed evenzoo, en nu zag men eene kracht en behendigheid
ontwikkelen, zooals misschien nog nooit op eenig tournooiveld te
bewonderen was geweest. Onophoudelijk kletterden de slagen op helm of
schild. Onstuimig drongen de vurige rossen met snuivende neusgaten
op elkander in. Stofwolken maakten hen bijna onzichtbaar. Daar ging
plotseling een kreet op uit de menigte, die weldra in een eindeloos
gejuich en gejubel overging.
De Onbekende sloeg den Heer van Vianen het schild in tweeën en het
zwaard uit de hand. Door den schok wankelde de Onoverwinnelijke in
den zadel, en met een zwaren slag viel hij op den grond.
De Onoverwinnelijke was voor het eerst overwonnen.
"Eere den Overwinnaar! Eere den Onbekende!" juichte het volk. Men
zwaaide met stokken en doeken, de muziek schetterde, de lucht daverde
van het gejubel.
"Eere den Onbekende! Eere Heer Gijsbrecht van IJselstein!" schreeuwde
Fulco, die met ademlooze spanning het gevecht gevolgd had.
"Eere Gijsbrecht van IJselstein, den dapperste onder de ridders!"
Daar sloeg de Ridder zijn vizier op, en waarlijk, niemand anders dan
Gijsbrecht van IJselstein had den Heer van Vianen overwonnen.
Nieuw gejubel, nieuw gejuich! De ridders voegden zich achter hem
en reden met hem het strijdperk rond. Daarna hielden zij stil voor
Jonkvrouw Bertha van Arkel.
Gijsbrecht knielde voor haar neder en ontving uit de handen zijner
bruid den prijs, die voor den overwinnaar was uitgeloofd. Hoe blonken
hare oogen daarbij van edelen trots op haar bruidegom, hoe fier klopte
haar het hart bij de daverende toejuichingen, die hem ten deel vielen,
hoe innig bewonderde zij thans haar jongen echtgenoot!
Onder het schetteren van bazuinen en klaroenen keerden de edelen
naar den burcht terug, waar zij zich van hunne zware rustingen
ontdeden en die verwisselden voor sierlijke lijfrokken en kostbare
mantels. Nauwelijks waren zij daarmede gereed, of reeds werd het
teeken gegeven, om aan den feestdisch te verschijnen.
't Was een vroolijk gezelschap, dat zich verzamelde om de tafels,
die met den heerlijksten voorraad beladen waren. Geen enkele ridder
ontbrak, en al kwam ook Heer Witte van Haemstede met zijn linkerarm
in een doek, omdat die een weinig gekneusd was door den val, en al
had Heer Hendrik van Vianen eene lichte wond aan het voorhoofd,
gelukkig had geen der dappere ridders zich zoo ernstig gewond,
dat hij verhinderd was, aan den maaltijd deel te nemen. De tafels
waren rijk versierd met gouden bekers en schalen, kunstig nagebootste
kasteelen en een overvloed van het heerlijkste gebraad, blanke rivier-
en zeevisch en de fijnste wijnen, die Frankrijk en Duitschland maar
opleverden. Eene aangename, vroolijke muziek liet zich hooren.
En de gasten bewezen eer aan de heerlijke gerechten, die hun werden
voorgediend. Als om strijd roemden zij de gastvrijheid van den Heer
en de Vrouwe van Heukelom. 't Ging er vroolijk langs en de ridders
toonden, dat zij nog wel wat anders konden, dan vechten. 't Was een
kruisvuur van aardige gezegden en vroolijke jokkernijen. De bekers
werden lustig geheven en vlug geledigd, en nu en dan werd door den
vroolijken Brederode een liedje aangeheven, dat door bijna alle
aanwezigen meegezongen werd.
Iedereen genoot van het heerlijke feest, iedereen was vroolijk, --
slechts één uitgezonderd. Heer Hendrik van Vianen deelde niet in de
algemeene vreugde. Met gefronste wenkbrauwen en een stroeven trek
op het gelaat zat hij te midden der vroolijken. Barstte iedereen in
een schaterend lachen uit, als Brederode zijne snakerijen verkocht,
zijn gelaat alleen bleef stroef en norsch: 't scheen wel, of hij niet
eens gehoord had, wat er gezegd werd. Zong men een vroolijk lied, hij
alleen zweeg. Zijne oogen stonden somber en dof, en er kwam alleen
gloed in, als hij heer Gijsbrecht aankeek, wat hij soms wel minuten
aaneen kon doen. Ja, dan kwam er gloed in, maar het was de gloed van
den haat. Want hij haatte den jongen, fieren edelman, tegen wien hij,
de trotsche Vianen, die zich zoo graag "de Onoverwínnelijke" noemde,
het in het strijdperk had moeten afleggen. Hij, de Onoverwinnelijke,
was overwonnen.
Nooit zou hij dien naam meer durven noemen, want hij begreep maar al
te goed, hoe dan zijne vijanden zouden meesmuilen. En vrienden had
hij niet. Als hij dat nog nooit geweten had, zou hij het wel hebben
kunnen opmaken uit het gejubel, dat uit de menigte opsteeg ter eere
van IJselstein, toen deze hem uit den zadel deed storten.