FULCO DE MINSTREEL
EEN HISTORISCH VERHAAL
UIT DEN TIJD VAN GRAAF JAN I
VOOR JONGELIEDEN
DOOR
C. JOH. KIEVIET
HOOFDSTUK 1
Een late rit
't Was op een schoonen Augustusavond van het jaar onzes Heeren 1297,
dat drie ruiters in gestrekten draf langs den heirweg reden, die naar
het slot van den Heer van Heukelom voerde. Ongetwijfeld hadden zij een
warmen rit achter den rug, want een wit schuim liep den edelen dieren
langs de zijden, en de kleederen der ruiters waren met stof bedekt. Het
was een heete dag geweest, zoo heet als het in de hondsdagen maar
zijn kan. Het zonnetje had den ganschen dag als een gloeiende bol
aan den wolkenloozen hemel geschitterd en hare verzengende stralen
naar het aardrijk geschoten. Nu daalde het langzaam ter kimme en
stond op het punt van onder te gaan. Toch bleef het nog warm, zelfs
drukkend in de lucht, en er bestond grond voor de veronderstelling,
dat er wel eens eene donderbui zou kunnen volgen.
Het stof van den uitgedroogden weg vloog dwarrelend van onder de
hoeven der twee voorste paarden omhoog en hulde den derden ruiter,
die een weinig achteraan reed, in eene zoo dichte wolk, dat het hem
bijna onmogelijk was geregeld adem te halen, eene omstandigheid, die
zijn lot verre van aangenaam maakte. Toch deed hij geen moeite om die
stofwolk te ontvluchten en zich bij de andere ruiters te voegen. Een
vluchtige blik op de kleeding van het drietal zou reeds voldoende
zijn om daarvan de reden te doen kennen; de sierlijke kleederen der
voorste ruiters toch laten geen twijfel over, of zij worden gedragen
door Heeren van edelen bloede, terwijl de grovere stof, die den derden
ruiter omkleedt, den dienstman verraadt. Doch bezien wij hen liever
wat nader.
Hoe treft ons de koene blik en de fiere houding van den oudste der
edellieden, een schoonen jonkman van hoogstens vijfentwintigjarigen
leeftijd, wiens blonde haren krullend te voorschijn komen van onder
de roode, met gouddraad gerande muts. Van welk eene fijne stof is
zijn korte, rijk geborduurde lijfrok vervaardigd, en welk een tal van
edelsteenen flikkert aan den gordel, dien hij om zijn middel draagt,
en waaraan een blinkend zwaard, aan het gevest eveneens met kostbare
steenen bezet, bevestigd is. In sierlijke plooien golft hem de blauw
fluweelen mantel om de schouders; zijne korte broek reikt hem tot niet
verder dan halverwege de dijen, en zijne beenen zijn met bruine hozen
bekleed. Gouden sporen aan de hielen toonen aan, dat hij niet alleen
edelman, maar ook ridder is. De schoone jonkman is koninklijk gekleed,
en zijne fiere vorstelijke houding doet die kleeding eer aan. Hij zit
keurig te paard: het schijnt bijna, alsof hij met den vurigen schimmel,
dien hij berijdt, één wezen vormt.
Uit de tuigage van het ros blijkt evenzoo de rijkdom van den
edelman. Ook die is versierd met edelsteenen en paarlen, de
stijgbeugels zijn van zilver, het donkerroode dekkleed, waarop in
zilverdraad het wapen van IJselstein is gestikt, is van kostbaar
fluweel. Toch, hoe vorstelijk en rijk de indruk ook moge zijn, dien
deze ruiter teweegbrengt, koninklijk bloed stroomt hem niet door de
aderen. Het is Heer Gijsbrecht, de eigenaar van het machtige slot te
IJselstein, en zijn naam is reeds, niettegenstaande des Ridders jeugd,
beroemd in het graafschap. Was hij niet een van de eerste edelen, die
van ruiters en voetknechten vergezeld optrok, om den moord in 1296 op
Graaf Floris V gepleegd, te wreken? Hoe zeer was hij verontwaardigd
over de lage daad, waaraan Gerard van Velzen, Herman van Woerden,
Jan van Kuik, en ook zijn eigen oom Gijsbrecht van Amstel zich hadden
schuldig gemaakt. Nauwelijks had het gerucht van den vreeselijken
moord hem bereikt, of hij verzamelde zijne strijdmacht, en rukte op
het slot Kroonenburg aan, waar Gerard van Velzen eene schuilplaats had
gezocht. Dáár vereenigde hij zich met de Kennemers en West-Friezen,
die aangevoerd werden door Klaas de Grebber, en met de Heeren van
Kleef en van Zullen, en viel met onstuimige kracht op het moordslot
aan. Weldra stond hij bij de belegeraars bekend als een van de
stoutmoedigste ridders van het Graafschap, die bij eene bestorming
immer de eerste, bij elken terugtocht de laatste was. Waar het gevecht
het heerst, het gevaar het grootst was, daar kon men er zeker van zijn,
de fiere gestalte van den jeugdigen ridder te vinden. Van terugdeinzen
was bij hem geen sprake. "Voorwaarts, altoos voorwaarts!" was zijne
leuze. Voor een groot deel was het aan zijn beleid en zijne dapperheid
te danken, dat het slot Kroonenburg werd ingenomen en de moordenaars
hunne gerechte straf ontvingen. En zoo geducht hij was in den strijd,
zoo beminnelijk en innemend was hij in het dagelijksche leven. Van
hem kon getuigd worden, dat hij was een ridder zonder vrees of blaam
en een sieraad van zijn stand. Rechtvaardig jegens zijne onderzaten,
was hij mild voor de armen, en weezen en weduwen een beschermer.
De ruiter aan zijne zijde is, hoewel niet zoo kostbaar, toch op gelijke
wijze getooid als Heer Gijsbrecht. Uit het wapen van IJselstein, dat
op zijn lijfrok en ook op het dekkleed van den zwarten hengst, dien
hij berijdt, gestikt is, raadt gij, dat hij tot het Huis van Heer
Gijsbrecht behoort. Het is Jonker Jan van Asperen, de schildknaap
van Gijsbrecht. Hij telt ongeveer zeventien jaar, en al kan men
hem geen schoonen jongeling noemen, toch is hij flink gebouwd. Uit
zijne trekken spreekt meer moed en woeste kracht, dan schranderheid,
uit zijne donkere oogen meer drift, dan geest. Toch is hij eerlijk
en trouwhartig; voor zijn Heer zou hij gaarne zijn leven wagen. De
gouden sporen vinden we bij hem niet; hij is dus nog geen ridder,
waarvoor hij dan ook nog wel wat te jong is.
De derde ruiter, die zich soms met een grappig gezicht het stof van
de lippen blaast, is, zooals we reeds opmerkten, een dienstman. Zijn
naam is eenvoudig Fulco, en zijne kameraden noemen hem nog al eens
Fulco den Minstreel, welken naam hij te danken heeft aan zijne schoone
stem en aan de vele liederen, waarop hij hen op feestdagen dikwijls
onthaalt. Hij is een vroolijke jongen van ongeveer twintig jaar, die
de grootste heldenstukken met onverstoorbare kalmte verricht. Heer
Gijsbrecht houdt hem in hooge eere en is, wanneer hij, zooals nu,
op reis gaat, het liefst door hem vergezeld. Hij weet, dat Fulco
zijn volle vertrouwen waardig is, en bovendien dankt hij hem
het behoud van zijn leven. Nooit zal hij het vergeten, hoe Fulco
zich, bij de belegering van Kroonenburg, door een dichten drom van
vijanden heensloeg om hèm te redden, toen hij zich in de hitte van
den strijd vergeten en te ver tusschen de vijanden gewaagd had. Van
alle kanten drongen dezen op hem aan, en ongetwijfeld zou hij het
leven verloren hebben, indien Fulco hem niet met gevaar van zijn
eigen leven verlost had. En Fulco is zich bewust, dat hij bij zijn
Heer een potje breken kan, maar nooit komt de gedachte bij hem op
daarvan misbruik te maken. Hij gedraagt zich steeds zooals het een
goed dienaar betaamt. Zoo ook nu. Hoeveel last hem het opgejaagde
stof ook veroorzaken moge, hij denkt er niet aan zich ongevraagd bij
de andere ruiters te voegen. Gelukkig wendde Heer Gijsbrecht zich
tot hem, en riep:
"Wel, hoe heb je het met de warmte, Fulco?"
"Als een jong speenvarkentje aan het braadspit, Edele Heer. Ik begin
bijna te sissen."
"En je bent bijna onzichtbaar ook, jongen. Zie eens, Jonker, is het
niet alsof je Fulco door de wolken zag vliegen?"
"Ha, ha!" lachte Jonker Jan. "De wolken hangen gelukkig nog al laag
bij den grond, Fulco. 't Zou er anders slecht voor je uitzien."
"Alsof het er nu mooi voor mij uitzag, Jonker. 'k Geloof, dat mijne
tong wel voor heirweg te gebruiken is."
"Kom naast ons rijden, Fulco," gebood Heer Gijsbrecht. "We mochten
je anders nog uit het gezicht verliezen."
Die uitnoodiging behoefde niet herhaald te worden. "Pfff, wat een
warmte en wat een stof!" zuchtte Fulco, en met een knipoogje tegen
den Jonker en een blik op de tasch, die hij aan den zadel had hangen,
liet hij er op volgen: "'k Wed, dat ik wel twee bekers wijn noodig
zou hebben, om al het opgezamelde stofweg te spoelen. Mijne keel is
er droog van."
"En één, om wat af te koelen op den koop toe," vervolgde Jonker Jan,
terwijl hij het knipoogje van Fulco beantwoordde.
De jonge edelman glimlachte.
"Een poosje geduld nog," zeide hij. "Binnen een half uur bereiken wij
den zoom van het woud, dat we door moeten trekken. Daar vinden we dan
tegelijkertijd water voor onze paarden, die ook wel eene verfrissching
noodig hebben, en een zachten mosgrond om ons een oogenblik op neer
te zetten. Maar lang kunnen we toch niet toeven, want het is al laat
en we hebben nog een flinken rit vóór ons."
"Uwe Edelheid heeft gelijk," zeide Jonker Jan. "'t Wordt al vrij
donker, en we moeten minstens nog twee uur rijden. 't Zal laat zijn,
eer we op den burcht aankomen. Als we maar niet na middernacht in
het bosch zijn."
Fulco glimlachte. Hij wist wel, waarom Jonker Jan niet graag na
middernacht door een bosch of langs een kerkhof ging.
"De Jonker heeft gelijk, Edele Heer," zeide hij spottend. "Dan zal
het niet pluis zijn in dat donkere woud."
"Wat nu, Jonker?" vroeg Heer Gijsbrecht, terwijl hij de wenkbrauwen
fronste. "Je bent toch niet bang?"
"Bang, Heer?" riep de schildknaap uit, en een donkere blos verfde
hem de kaken. "Bang? Ik ben voor niemand bang. Wee hem, die het zou
durven wagen, mij zelfs maar een stroohalm in den weg te leggen. Bij
St. Joris, het zou hem slecht vergaan!"
Bij díe woorden sloeg hij de hand zoo driftig aan zijn zwaard, dat
het gerinkel daarvan zijn zwarten hengst de ooren deed spitsen.
"Goed gesproken, hoewel de straf wel wat zwaar zou zijn voor eene
zoo kleine misdaad," hernam de edelman glimlachend. "Ik wist ook wel,
dat een Jonker van Asperen geen lafaard kon zijn. Maar waarom wil-je
dan zoo graag vóór middernacht op den burcht zijn?"
De Jonker zweeg. Hij schaamde zich de oorzaak van zijne vrees te
noemen. Maar Fulco, die maar al te gaarne toegaf aan zijne zucht tot
spotten, antwoordde in zijne plaats:
"Wel, Edele Heer, dat is licht te bevroeden. U weet het toch even
goed als wij:
"Van elf tot één
Zijn de spoken op de been.
"De Jonker is niet bang voor schepsels van vleesch en bloed, maar
voor zulke wezens, die men met zijn zwaard wel driemaal doormidden
kan hakken en dan toch niet gewond zijn. Brrr, 't is om te rillen!"
"Dwaasheid!" mompelde Heer Gijsbrecht. "Wees toch niet zoo
kinderachtig, Jonker. Zulke wezens bestaan immers niet?"
"Ze bestaan wel, Heer," zeide de Jonker beslist, "en ik beken, dat
ik hen liever niet ontmoet. Ik ben er bang van."
"Ik ook!" spotte Fulco.
"Spot er maar niet mede," vermaande de Jonker ernstig. "Ik verzeker u,
dat ze bestaan. Jonker Herman van 's Heerenberg heeft me onlangs er
wel zooveel van verteld, dat ik volstrekt geen lust heb, persoonlijk
met hen kennis te maken. En hij zegt, dat het vooral de spotters zijn,
op wie de Witte Wijven het gemunt hebben."
"O wee, dan zal ik er van lusten, als ze me zien!" lachte Fulco. "En
noemde hij ze Witte Wijven? Wat vertelde hij er zoo al van?"
"Dat zeg ik aan geen sporters," mompelde de Jonker verstoord. "Maar
zie eens, Heer, wat daar eene donkere lucht komt opzetten! Ik denk,
dat we eene donderbui zullen krijgen."
"Dat schijnt wel zoo; we hebben gelukkig het bosch bereikt. Daar zullen
we niet zoo spoedig last hebben van den regen. Ziedaar de beek, waarvan
ik sprak. Laten we hier een oogenblik afstijgen en wat uitrusten."
De ruiters stegen af, en nu eerst kon men goed zien, hoe warm
de paarden het hadden gehad. Het zweet bedekte bijna hun geheele
lichaam en het schuim stond hun op den bek. Fulco nam ze bij den
teugel en leidde hen naar de beek, waar zij dadelijk hun dorst
gingen lesschen. Daarna bond hij ze aan lage boomtakken vast,
zoodat zij zich aan het welige gras te goed konden doen, en nam toen
plaats bij de edellieden. Die waren al ijverig bezig, zich aan den
meegenomen mondvoorraad te vergasten. De vermoeiende rit had hun honger
bezorgd. Fulco vond het niet meer dan een staaltje van zijn plicht,
het voorbeeld van zijn Heer naar zijn beste vermogen te volgen.
Intusschen werd het zeer duister, hoewel de maan scheen. De lucht
werd bedekt met donkere wolken, die een grilligen vorm hadden en
er dreigend uitzagen. Weldra begon nu en dan een enkele droppel te
vallen. De edelman stond op.
"Laten wij te paard stijgen," zeide hij. "Wat wordt het verbazend
donker. Als we den weg door het woud maar kunnen vinden. Ik zou niet
gaarne op den laten avond nog verdwalen."
Fulco maakte de paarden los en een oogenblik later reden zij in galop
verder. 't Was aan de beesten te merken, dat de korte rust hun goed
gedaan had.
Doch al spoedig dwong de duisternis den ruiters, den gang der dieren
wat te matigen, en toen zij dieper in het woud kwamen, werd het zelfs
zoo donker, dat zij niet dan stapvoets voort konden gaan. Zij konden
bijna geen hand voor oogen meer zien. De regen nam in hevigheid toe,
en nu en dan werd het bosch verlicht door den blauwen gloed van een
bliksemstraal. Van den regen hadden zij eerst niet veel last, daar
het bladerdak boven hun hoofd hen beschermde. Doch weldra begon dat
te veranderen. Het werd zwaar weer. Al vlugger en vlugger volgden de
bliksemstralen elkander op en de regen viel bij stroomen. De bladeren
kon al dat water niet dragen en begonnen den verzamelden voorraad op
de ruiters uit te storten.
"Konden we hier ergens maar eene schuilplaats vinden," zeide Heer
Gijsbrecht.
"Dicht hier in de nabijheid moet eene verlaten hut staan, Heer,"
antwoordde Fulco.
"Ja, dat weet ik," hernam de Ridder. "Maar 't is zoo donker .... "
Plotseling flikkerde een felle bliksemstraal door de lucht, die het
bosch als in een laaien gloed zette. Een knetterend geluid en een
zware slag volgden er onmiddellijk op. De vurige schimmel schrikte
er van en begon zoo woest te steigeren, dat de ridder hem slechts
met moeite bedwingen kon.
"Daar staat de hut!" riep Fulco. "Ik zag haar bij het licht van den
bliksem. Hier, linksaf!"
Terzelfder tijd trof een noodkreet hunne ooren.
"Ik hoor roepen!" riep Jonker Jan.
"Ik ook!" schreeuwde Fulco. "Spoedig hierheen! Volgt mij
maar. Hoort! Hoort! Daar pleegt men eene misdaad!"
"Vooruit, Fulco! Vooruit!"
"Hier is de hut! Stijgt maar af!"
"Help! Help!" klonk het.
In een oogwenk waren de ruiters van hun paard gegleden en de hut
binnengeijld.
Fulco alleen bleef buiten, waar hij de schuwe paarden bij den teugd
hield.
Weer doorkliefde een bliksemstraal de lucht en gaf Fulco de gelegenheid
te zien, hoe eene in elkander gedoken gedaante ongemerkt door de deur
naar buiten wilde sluipen.
"Terug, schurk!" bulderde hij hem toe, terwijl hij met zijne vrije
hand snel het zwaard trok en het dreigend ophief. "Terug, als je
leven je lief is!"
Zoodra de vreemde bemerkte, dat hij gezien was, richtte hij zich
op en zette het op een loopen. Fulco trachtte hem tegen te houden,
doch dat gelukte niet, daar hij de paarden niet durfde loslaten. De
schurk rukte zich los en vloog heen, doch niet, dan nadat Fulco's
zwaard met kracht op zijn achterhoofd was nedergedaald. Een rauwe
kreet was het antwoord op die tuchtiging. Een oogenblik later hoorde
Fulco de hoefslagen van een paard, dat zich verwijderde.
"Waar is de schurk?" klonk nu de stem van Jonker Jan, die zich naar
buiten spoedde.
"U komt een oogenblik te laat, Jonker. Hij is er vandoor."
"Dat is jammer! Ik had niet gemerkt, dat hij de deur uitgeslopen was,
en zocht hem nog in de hut."
"Hij heeft het ook lang niet dom overlegd. 't Is bepaald een slimme
kwant, Jonker. Wat heeft hij uitgevoerd?"
"Kom binnen, dan zul-je het hooren. Bind de paarden maar hier of daar
vast. In dit weer gaan we toch niet verder."
Zien we intusschen, wat er in de hut gebeurd was. Zoodra Heer
Gijsbrecht van zijn paard gesprongen en, door den jonker gevolgd,
naar binnen was gesneld, riep hij:
"Hier is hulp! Wie waagt het, een ander overlast aan te doen?"
"Help, Heer!" klonk eene vrouwenstem. Doch zoodra had de ridder den
klank dier stem niet vernomen, of hij riep uit:
"Wat hoor ik? Die stem? Bertha, ben jij het?"
"Gode zij dank! O, Gijsbrecht, wat komt je te juister tijd!"
"Maar spreek, Bertha," zeide Gijsbrecht, haar bij de hand vattende,
"wat is er, wat overkomt u?"
"Hij is al gevlucht, de onverlaat. Zoodra hij u hoorde binnenkomen,
liet hij me los en sloop heen!"
"Dan kan hij nog niet ver af zijn!" riep Jonker Jan, zich naar buiten
spoedende, doch--zooals de lezer weet, ook daar was de roover
hem te vlug geweest.
Gijsbrecht trok Bertha naar zich toe en sloeg haar zijn arm om
den hals.
"Maar mijne Bertha, mijne lieve bruid, hoe komt het toch, dat ik u
in dit noodweer hier aantref? En wat gebeurde er toch eigenlijk?"
"Juist dit noodweer heeft mij hier eene schuilplaats doen zoeken,
Gijsbrecht," zeide de Jonkvrouw. "Ik wist immers, dat je heden komen
zoudt? Mijn verlangen naar u deed mij u tegemoet rijden, in de meening,
dat ik u weldra zou tegenkomen. Maar je kwam zoo laat, Gijsbrecht,
en .... "
"Ja, 't werd later dan ik gehoopt had, Bertha. Er was nog zooveel
in orde te brengen op het kasteel, ten einde mijne schoone Bertha
met eere als Edelvrouw te kunnen ontvangen, dat het mij waarlijk
onmogelijk was vroeger te komen."
"Eindelijk werd ik door het onweer overvallen," vervolgde de Jonkvrouw,
"en vond ik in deze hut eene schuilplaats tegen den regen. Kort nadat
ik hier binnengekomen was, hoorde ik den hoefslag van een paard. Ik
meende, dat jij het waart, wiens komst daardoor werd aangekondigd. Ik
had mij bedrogen. Een vreemdeling kwam binnen .... "
"Een ridder?"
"Neen, een dienstman."
"Kende je hem?"
"Ik heb zijn gelaat niet kunnen onderscheiden, doch uit zijne wijze
van spreken bleek mij duidelijk, dat hij een dienstman was. Bemerkende
dat ik eene Jonkvrouw en alleen was, drong hij op mij aan en wilde
mij van mijne sieraden berooven. Doch ik weerde hem van mij af,
met alle kracht, waarover ik beschikken kon ...."
"Waarom gaf je ze niet liever vrijwillig over? Uwe krachten waren
immers toch niet opgewassen tegen de zijne?"
"Zou ik aan een schurk maar gewillig geven, waarom hij
vraagt?" vervolgde de Jonkvrouw fier. "Neen, Gijsbrecht, daarvoor
stroomt mij te veel Arkelsch bloed door de aderen. Ik duwde den
schurk met zooveel kracht van mij af, dat hij tegen den grond viel,
maar .... "
Plotseling werd zij in de rede gevallen door de stem van Fulco,
die lachend zong:
"Brederoo het edelste,
Wassenaar het oudste,
Egmond het rijkste,
En Arkel het stoutste."
"Goed zoo, Fulco!" riep Heer Gijsbrecht. "Dat liedje bevat waarheid,
en je hoort, dat de Jonkvrouw Arkelsch bloed in de aderen heeft.
-- En wat verder, Bertha?"
"Mijn verhaal is uit, Gijsbrecht. Juist, toen hij met vernieuwde woede
op mij aanviel, klonken de hoefslagen van paarden en een oogenblik
later kwam jij binnen. Ik denk, dat hij achter u om de deur uitgegaan
is, wat bij deze duisternis gemakkelijk kon geschieden."
"Je zijt mijne moedige Bertha!" zeide de ridder. "Jammer, dat de
schurk ongestraft ontkomen is."
"Niet ongestraft, Edele Heer!" zeide Fulco. "Ik heb hem met mijn
zwaard eene gedachtenis op zijn krullebol gegeven, waarvan hij lang
pleizier zal hebben. De lomperd bedankte mij er niet eens voor en
ging zonder groeten heen."
"De kennismaking beviel hem zeker niet," lachte de ridder. "Doch hoe
staat het met het weer? Bij al die drukte heb ik er in 't geheel geen
erg meer in gehad."
"De donderbui is overgedreven, maar het regent nog, dat het giet. Het
is althans voor Jonkvrouw van Arkel geen weer om er door te gaan,"
sprak de schildknaap.
"Dan blijven we hier, totdat het wat droger wordt," besloot
Gijsbrecht. "Komt, laten we om de tafel gaan zitten en het ons wat
gezelliger maken. Toe Fulco, zing eens een lied. Men noemt je immers
den Minstreel? Dan vergeet de Jonkvrouw misschien hare onaangename
ontmoeting en wordt zij op andere gedachten gebracht."
"Dat is niet noodig, mijn Gijsbrecht," antwoordde Bertha lachend. "Nu
jij bij me zijt, ben ik den schurk al geheel vergeten. Toe Fulco,
zing eens voor ons. Je bent immers op weg naar eene bruiloft, en daar
moet men vroolijk zijn."
"Als de hooge bruid zelve dat vraagt, mag ik niet weigeren,"
zeide Fulco lachend, en met een ondeugenden trek op het gelaat,
vervolgde hij:
"Ik ken een lied van een Ridder en zijne bruid, doch ik vrees, dat
de Jonker het misschien liever niet hooren wil."
"Waarom niet?"
"Omdat het al bijna middernacht is, en er komt iets van een spook in."
"Dan moet je het juist zingen, Fulco," hernam de Jonkvrouw. "Eene
spookgeschiedenis hoort bij deze nachtelijke ontmoeting."
"Nu goed, luister dan," en Fulco zong met eene heldere stem:
Daar, waar de gloed der gele duinen
Zich mengt met groen van eikenhout,
De donkere naald der denneboomen
Zich kleurt op bruin van 't beukenwoud,
Daar had eene dapp're Friesche krijgsman
Een slot gebouwd op 't heuvelzand,
En sleet hij kalm zijn najaarsdagen
Na bangen strijd voor 't vaderland.
Wanneer de laatste zonnestralen
't Kasteel vergulden met hun glans,
Staat's Ridders dochter Adelheide
Daar peinzend op den torentrans.
Zij luistert naar de stem der winden,
Vertolkt door 't groene looverdak,
Naar 't lied van bontgepluimde zangers,
Blij huppelend van tak op tak.
En zwijgt de wind, dan hoort zij 't bruisen
Der golven op het vlakke strand,
Die duizendstemmig haar verhalen
Van wond'ren uit het verre land.
De beurtzang van de vogellied'ren,
Van bladgeruisch en golfgedans,
Bekoort en treft 't gevoelig harte
Der schoone Jonkvrouw op den trans.
En ginds verheft zich uit de boomen
Het slot van Ridder Deodaat.
"Ei zie, hij komt! Wat voert hem tot ons?
Waartoe die haast, dat droef gelaat?"
De Jonkvrouw spoedt zich naar beneden
En groet den makker van haar jeugd,
Want welkom is haar te allen tijde
Haar deelgenoot in leed en vreugd.
"De vorst der Franken, koning Karel,
Roept zijn vazallen op ten strijd!"
Zoo doet nu Deodaat zich hooren.
"Hem is mijn trouw, mijn zwaard gewijd.
De Arabier bedreigt de grenzen;
De Islam heeft tot plicht gezet
De gansche wereld te verwinnen
Voor Allah en voor Mohammed." --
--"Waar zulke rampen ons bedreigen,
Voegt mij geen rust," sprak Eelkema.
"Nu zullen wij den Mooren toonen,
Dat ik, schoon oud, den vijand sta.
Nu allen Karels vanen volgen,
Neemt Eelkema het zwaard ter hand,
Om met zijn broed'ren te gaan strijden
Voor Christendom en vaderland."
--"Moet dan uw dochter achterblijven,
Alleen op 't ouderlijk kasteel?
Wie zal mij, Jonkvrouw, bijstand leenen
Indien mij rampspoed valt ten deel?"
--"Wel bitt're droefheid baart het scheiden,
Maar 'k laat mijn dienaars op het slot.
Met moed den Islam te bekampen
Is Christenplicht, de wil van God." --
Haar trouwe speelnoot komt haar troosten:
"Wanneer een vijand U genaakt,
Houd dapper stand, in 't vast gelooven
Dat Deodaat U goed bewaakt." --
--"Hoe kunt Ge uw vriendin beschermen,
Wanneer Ge strijdt aan 't Zuiderstrand?" --
--"Indien de nood dringt, zal 'k verschijnen,
Daarop mijn ridderwoord tot pand!" --
Hoe droevig viel der Jonkvrouw 't scheiden
Van ouder en van speelgenoot.
Slechts hoop op weerzien deed berusten,
En ook 't geloof aan hulp in nood.
Sinds gaat zij trouw den trans bestijgen,
Doorvorscht den omtrek heinde en veer,
Maar schoon de jaren snel verdwijnen .....
Het ridderpaar keert nimmer weer."
Hier zweeg Fulco een oogenblik.
"Dat was een treurig einde," zeide Bertha zacht, terwijl ze Gijsbrechts
hand vaster in de hare drukte.
"Arme ridders! Zoover van uw vaderland te moeten sterven. Zou het
waar gebeurd zijn?"
"Ongetwijfeld, Edele Jonkvrouw!" antwoordde Fulco.
"En zijn ze werkelijk nooit teruggekeerd?" vroeg de schildknaap.
"Neen, Jonker, zij waren in den strijd tegen de Mooren gesneuveld,
evenals zoovele anderen. Zij waren als dappere ridders met het zwaard
in de vuist gestorven."
"Ach, wat zal die arme Adelheide zich ongelukkig en verlaten gevoeld
hebben. Nu kon haar dappere Deodaar niet meer ter hulp snellen,
als gevaren haar bedreigden. De dood maakte het hem onmogelijk,
om aan zijn ridderwoord getrouw te blijven."
"Toch niet, Edele Jonkvrouw," hernam Fulco... "Luister slechts;
het lied is nog niet ten einde."
"Neen Fulco!" riep de Jonker angstig, "nu niet! Zing dat dan liever
later eens. 't Is nu middernacht, en .... "
"Kom, dwaasheid!" zei de ridder lachend. "Toe Fulco, laat ons nu
hooren, wat er verder gebeurde."
De plaaglustige Fulco had geen verdere aanmoediging noodig.
"Luister dan," zeide hij.
De woeste Noorman trekt door 't land
En plundert kloosters en kasteelen.
Geen slot is voor zijn macht bestand,
't Moet al in d'eigen rampspoed deelen.
Wie slechts den minsten weerstand waagt
Wordt spottend in den dood gejaagd.
De Noorman Godfried komt voor 't slot
En eischt het op van Adelheide,
Die vruchteloos, bij 't dreigend lof,
Van Vorst of Ridder hulp verbeidde.
Maar, schoon zij ook geen uitkomst ziet,
Zich overgeven wil zij niet.
De dienaars toonen trouw en moed;
Men weet, er is geen hulp te wachten.
Verbitterd door 't vergoten bloed,
Dien weerstand achter wal en grachten,
Zweert woeste Godfried brand en moord
En dreigt vergramd met galg en koord.
Maar kost het krachten, hij wint veld;
De overmacht is niet te keeren.
Elk dienstkecht op 't kasteel is held,
Wenscht tot het uiterst zich te weren.
Steeds feller wordt het slot benard!
De hoop verflauwt in 't moedigst hart.
De vijand legt een sterken dam,
Begint met woede storm te loopen.
Schoon menigeen om 't leven kwam,
Rammeit men deur en slotpoort open.
Verlamd wordt elke weerstandskracht:
't Kasteel is dra in 's vijands macht ....
De Noorman Godfried dringt vooruit.
Daar ziet hij Jonkvrouw Adelheide.
"Ik eisch de meesteres tot buit,
Die zeker lang mijn komst verbeidde.
Schenkt aan geen sterveling genâ!
Voor mij de bruid, haha! haha!"
Hij sleept haar ijlings met zich meê
En spot met tranen en met klachten.
De Jonkvrouw, overstelpt van wee,
Beproeft vergeefs haar zwakke krachten.
Zij dekt zich jamm'rend het gelaat
En roept verward: "help, Deodaat!"
Een slag weergalmt!... Daar splijt de aard! ....
Een zwarte Ridder springt naar voren.
Hij zwaait een scherp en vlammend zwaard ....
Werpt onversaagd zich op de Noren.
En Godfried, overmand van schrik,
Deinst sidd'rend voor dien vuur'gen blik.
Wat baat het of hij weerstand biedt?
Eén bliksemslag .... hij stort ter neder.
Al wat ontvluchten kan, ontvliedt,
En keert naar 't spookslot nimmer weder.
Een hol gelach klinkt spottend na:
"Voor mij de bruid, haha! haha!"
"Verschrikkelijk!" riep de Jonker, wiens gelaat nu doodsbleek geworden
was. "Dat was eene ontzettende gebeurtenis, en ik noem het dwaas,
ja roekeloos, om zulk een lied in het holst van den nacht te zingen,
en dan nog wel midden in een dicht woud. 't Is goed, om .... "
"Och kom, Jonker," viel Jonkvrouw Bertha hem in de rede, "wees toch
niet zoo kinderachtig en bang. Ik begin bijna te gelooven, dat er
nog heel wat veranderen moet, eer je den ridderslag waardig zijt. 't
Was een mooi lied, Fulco, en ik dank u er wel voor. 't Was werkelijk
zeer mooi!"
Fulco's oogen tintelden van genoegen. Hij had zijn doel, den jonker
bang te maken, volkomen bereikt, en ook was hij gevleid door de
vriendelijke woorden van de schoone ridderbruid.
Maar Jonker Jan had geen genoegen. Hij gevoelde zich gekrenkt en
vernederd. Hij trad op de jonkvrouw toe, en zeide, het gevest van
zijn zwaard grijpende:
"Eenmaal hoop ik Uwe Edelheid metterdaad te kunnen toonen, dat dit
zwaard geen lafaard toebehoort. Een Jonker van Asperen kent geen
vrees!"
"Behalve voor spoken!" lachte Fulco.
"Zwijg, ellendige dorper!" bulderde Jan, het zwaard thans uit
de scheede trekkende, "waag jij het, den spot te drijven met een
edelman? Bij St. Joris .... "
"Genoeg, genoeg!" kwam Heer Gijsbrecht thans tusschenbeide. "Geen twist
hier in het bijzijn der Jonkvrouw. Steek dat zwaard op, Jonker. Je weet
het immers zelf zeer goed, dat we niet aan je moed twijfelen. Daarvoor
kenden we je reeds te lang. En Fulco .... "
"Twijfelt er ook niet aan, Jonker," vervolgde Fulco, den jonker de
hand toestekende. "Ik wilde u alleen maar een weinig plagen."
De jonker nam de hem toegestoken hand aan.
"Dat is dus weer in orde," hernam de ridder. "Ik geloof, dat de
regen eindelijk opgehouden is. Laten we vertrekken. Heer Otto zal
wel ongerust over u zijn, Bertha."
Fulco haalde de paarden, en een oogenblik later ging het in
galop verder. Het edele bruidspaar reed voorop, de jonker en Fulco
volgden. Het was nu niet zoo duister meer tusschen de boomen. De maan
goot hare zilveren stralen door het bladerdak en teekende scherpe
schaduwen op den grond, die door jonker Jan niet zonder wantrouwen
werden aangezien. Hij vreesde, dat Fulco's lied maar al te zeer
geschikt was geweest, om de aandacht der gevreesde Nacht-alven
op hen te doen vestigen. Doch niets verdachts liet zich zien. Zij
hadden ongeveer een half uur gereden, toen zij een drom van ruiters
zagen naderen.
"Dat zal uw Heer Vader met zijne gasten zijn, Bertha," zeide Gijsbrecht
van IJselstein. "Ik denk, dat hij ongerust geworden is en u komt
zoeken."
"Ik denk het ook, hoewel ik mij die vrees niet begrijpen kan,"
antwoordde Bertha.
Het vermoeden was juist. Heer Otto van Heukelom had zich over zijne
dochter ongerust gemaakt, en was haar met zijn edele gasten tegemoet
gereden.
"Daar zijn ze! Daar zijn ze!" klonk het uit verscheidene monden,
toen de verschillende ruiters elkander genaderd waren.
Heer Otto reed vooruit en begroette zijn aanstaanden schoonzoon en
diens gevolg met groote hartelijkheid.
"Wij werden ongerust, Bertha," zeide hij vriendelijk. "'t Was ook al
te onvoorzichtig, om zoo laat nog zonder geleide uit te rijden. Waarom
geen schildknaap medegenomen?"
"Omdat eene Jonkvrouw van Arkel geen vrees mag koesteren, Heer Vader,"
antwoordde Bertha lachend. "In dat geslacht kent men immers dat
woord niet?"
"Je hebt gelijk," antwoordde de edelman eveneens lachende, "maar mijne
fiere dochter vergete niet, dat er een groote afstand bestaat tusschen
moed en roekeloosheid. Doch laten we naar het kasteel terugkeeren. 't
Is al middernacht."
Een half uur later reden zij de hooge poort van het slot binnen. De
edelen begaven zich naar de Vrouwen, die in de groote burchtzaal waren,
en Fulco ging naar de keuken, waar hij als een oude bekende en welkome
gast begroet werd.
HOOFDSTUK 2
In en om den burcht
Den volgenden morgen was alles al vroeg in de weer op den adellijken
burcht te Heukelom. De hooge gasten, die het slot herbergde, waren
nauwelijks van de sierlijk gebeeldhouwde ledikanten opgestaan,
of zij begaven zich naar de diep naar binnen gemetselde vensters,
om door de kleine, in lood gevatte ruitjes een nieuwsgierigen blik
naar buiten te werpen.
Met blijdschap zagen zij, dat de donderbui, die den vorigen avond
had gewoed, plaats gemaakt had voor een lachenden hemel en een helder
zonnetje. Op het binnenplein trof hun een levendig schouwspel. Alles
was daar in beweging. Bedienden liepen ijverig heen en weer, om alles
voor het feest in gereedheid te brengen.
De paarden werden uit de stallen gehaald en gereinigd. De hoofdstellen
werden gepoetst en opgeknapt, de dekkleeden geschuierd. Het was een
gelach en gepraat van de bedienden, een brieschen en hinniken van de
paarden, en een kakelen en snateren van het opgeschrikte pluimvee
zonder einde. Ginds, buiten de poort, op dat weiland, zagen zij
een ander tooneel. Op een vierkant afgezet plein waren werklieden
ijverig bezig met het hijschen van een groot aantal vlaggen. Elke vlag
verschilde van de overige en alle droegen verschillende kleuren en
wapens. Door de zon beschenen en door een zacht windje licht bewogen,
geven zij aan het tooneel een aanstekelijk vroolijk aanzien. Op die
afgezette weide zullen de edele ridders dien dag hunne krachten
met elkander meten, want daar zal, ter eere van het bruidspaar,
een steekspel worden gehouden.
Heerlijk vooruitzicht voor de ridders en edelvrouwen, die zich
vol blijde verwachting van de vensters af keeren, om zich voor de
feestelijkheid te kleeden.
Op de binnenplaats vinden wij onzen ouden bekende, Fulco, terug. Hij
is bezig den vurigen schimmel van Heer Gijsbrecht met de meeste zorg
te reinigen en op te sieren. Hij heeft het fraaie dier juist geroskamd
en haalt er nu met een schuier de losse haartjes af, zoodat het beest
glimt in de heldere zonnestralen. Geduldig laat het Fulco zijn gang
gaan. 't Schijnt, of het dier begrijpt, dat er heden een wedstrijd
gehouden zal worden in schoonheid, moed en kracht.
"Ziezoo, Schimmel," zegt Fulco, het dier liefkoozend op den blanken
hals kloppende, "nu mag zelfs de keizer van Duitschland je zien,
hoewel ik moet zeggen, dat jouw en mijn Heer minstens evenveel waard
is. Kijk, daar komt Jonker Jan aan. Goeden morgen, Jonker!"
"Goeden morgen, Fulco. Jongen, daar heb je eer van. Wat is die schimmel
toch een edel dier. Ik heb zijn weergâ nog nooit gezien."
"U heeft gelijk, Jonker. 't Is een edel, fier beest. Hij is zijn
meester waardig."
"Dat mag je zeggen. Ben je al op de kampplaats geweest? 't Is er
in orde, hoor! Het mag gezien worden. O, Fulco, dat ik slechts de
riddersporen hadde. Hoe gaarne zou ik meêkampen om den eerepalm!"
"Dat kan ik me begrijpen, Jonker. Zou Heer Hendrik van Vianen ook
komen? In dat geval hebben de andere ridders niet veel kans op den
prijs. Hij is nog nooit overwonnen, naar ik hoor."
"Volkomen waar. Jammer dat hij er zoo trotsch en prat op is. Ik wou,
dat hij eindelijk zijn meester toch eens vond."
"En dat die meester onze Heer Gijsbrecht ware," zeide Fulco. "Ha,
wat zou ik lachen! Maar wie komt daar de poort binnenrijden? Als
men van den duivel spreekt, trapt men hem op den staart, zegt het
spreekwoord, en nu geloof ik, dat het waarheid bevat. Dat is immers
de Heer van Vianen?"
"Niemand anders. Dat kun je aan zijn trotsch en barsch uiterlijk
wel zien."
"Phoe, wat een gezicht. Hij kijkt als een oorworm, en hier mag men
met recht zeggen: zoo heer, zoo knecht. Zie eens, wat een galgentronie
die dienaar heeft."
De ruiters waren genaderd en stegen van hunne paarden af. Een klein
hoofdknikje van den edelman moest als groet gelden.
"Hier, pak aan!" zeide hij norsch tot Jonker Jan, hem de teugels
toereikende. "Je moet het beest zacht met een wollen doek afwrijven
en water geven."
Jonker Jan verroerde zich niet. Ware de vraag op wat vriendelijker
toon tot hem gericht, hij zou geen oogenblik geaarzeld hebben, dadelijk
een stalknecht te ontbieden, hoewel het volstrekt zijn werk niet was,
evenmin als dat van Fulco. Zij hadden alleen hun Heer te dienen. Maar
aan een zoo onbeschoft bevel wilde hij niet voldoen.
Fulco gaf ook niet veel blijken van bereidwilligheid om het bevel op
te volgen. Hij kon zijn lachen bijna niet bedwingen, toen hij zag,
hoe woedend de barsche edelman werd.
"Ik ben geen stalboef, Heer!" gaf jonker Jan koel ten antwoord. "Mijn
naam is Jonker Jan van Asperen, en ik ben schildknaap van Heer
Gijsbrecht van IJselstein."
"Pak jij dan aan, hondsvot!" gebood de ridder aan Fulco.
"Uwe Edelheid vergist zich," klonk het spottend uit Fulco's mond. "Mijn
naam is geen hondsvot; ik heet Fulco, en ben dienaar van .... "
"Loop naar den duivel!" bulderde Vianen woedend, terwijl hij dreigend
zijne rijzweep ophief.
"Sla mij niet, Heer!" riep Fulco hem met fonkelende oogen toe. "Die
tijd is voorbij, dank zij onzen edelen Graaf Floris! Waag het niet,
die zweep te gebruiken of ik vergeet, dat gij een edelman zijt!"
Bij die woorden was Fulco, dìe terwijl hij zijn werk verrichtte,
ongewapend was, op Jonker Jan toegeloopen en trok diens zwaard uit
de scheede.
De edelman weifelde nog een oogenblik en liet toen de zweep
zakken. 't Scheen, dat hij een weinig ontzag had voor dat blinkende
voorwerp. Vloekend gaf hij zijn paard aan zijn eigen dienaar over,
en begaf zich in het kasteel.
Toen hij geheel uit het gezicht was, keken Jan en Fulco elkander aan
en barstten in een schaterend lachen uit.
"Wat een opgeblazen en norsch Heer is dat," zeide de jonker. "Die
man leeft tweehonderd jaar te laat. Hij verbeeldt zich, geloof ik,
dat de wereld alleen voor hem gemaakt is, en dat iedereen voor zijn
wil moet buigen."
"Is die vriendelijke man jouw Heer?" vroeg Fulco spottend aan den
vreemden dienstman.
"Ik behoor hem met lijf en .... "
"Ben je een lijfeigene?"
"Dat ben ik, helaas. 't Is niet alles, om zoo'n Heer geheel en al
toe te behooren. Gij hebt gezien, hoe gauw hij met de zweep in de
weer is. Ik ten minste heb in mijn leven meer slaag gehad .... "
"Dan eten?" lachte Fulco. "Je ziet er bleek genoeg voor uit."
.... "Neen, meer slaag dan mij lief is, wilde ik zeggen."
"Daar geef je misschien wel reden toe?" hernam Fulco plagend, daar
de uitdrukking van 's mans gelaat hem in 't geheel niet beviel.
"Toch niet, toch niet! Doch laat ik de paarden maar op stal zetten. Ik
heb geen lust, om .... "
"Je hebt toch gehoord, dat je Heer je geboden heeft, zijn paard af
te wrijven en te drenken?"
"Laat hij dat zelf doen," mompelde de lijfeigene. "Ik bedank er
hartelijk voor. Er loopen hier dienstlui genoeg."
"Als je nu mijn knecht waart, kreeg je vast zoo'n pak slaag met
de hondenzweep, dat je het op een anderen tijd wel zoudt laten,
om onnoozele dieren slecht te behandelen, en dat zou je verdiend
hebben ook."
"Dan ben ik blij, dat jij mijn Heer niet bent!" zei de andere droogjes,
terwijl hij de beesten op stal bracht.
"Ziet u wel, Jonker, dat ik gelijk had, toen ik zeide: 'zoo heer,
zoo knecht?' Toch bevalt de knecht me nog minder dan de heer."
"Mij ook. Maar nu ga ik nog eens naar de kampplaats kijken. 't Zal
er zoetjes aan wel al druk worden."
"Nog een oogenblik, Jonker. Heeft u aan dien lijfeigene niets
bijzonders gemerkt?" vroeg Fulco zacht.
"Bijzonders? Neen, volstrekt niet. Alleen vond ik, dat hij er slecht
uitzag. Heb jij dan wat aan hem gezien?"
"Ja, Jonker, ik heb verschillende dingen aan hem opgemerkt, die mij
op een vermoeden brengen."
"Je maakt me nieuwsgierig, Fulco. Wat heb je dan gezien?"
"Ten eerste, dat hij een schurkengezicht heeft, waardoor ik hem,
zoolang ik van het tegendeel niet ten volle overtuigd ben, tot alles
in staat acht."
"Ik ook. En ten tweede?"
"Ten tweede houdt hij, niettegenstaande het zeer warm wordt en hij
een flinken rit achter den rug heeft, zorgvuldig zijne kap over het
hoofd. Uit vrees, dat zij weg zou glijden, heeft hij haar zelfs een
paar maal vaster op het hoofd getrokken."
"En ten derde?"
"Ten derde is die kap aan het achterhoofd met garen hersteld en ziet
zij er tamelijk morsig en gevlekt uit."
"Daarvoor wordt zij gedragen door een lijfeigene," viel Jonker Jan in.
"Toegegeven, Jonker. Maar, en dat is ten vierde: de man ziet er
lijdend en bleek uit."
"Dat is waar. Hij kijkt precies, alsof iemand hem op zijne eksteroogen
trapt. Nu, en ten vijfde?"
"Dat is er niet, Jonker. Maar aan deze vier gegevens heb ik genoeg om
de gevolgtrekking te maken, dat niemand anders dan hij gisterenavond
Jonkvrouw Bertha heeft aangerand!"
"Daar zeg je zoo wat!" riep de Jonker verrast uit. "Wat ben jij toch
een slimmerd, Fulco; ik zou niet op die gedachte gekomen zijn, maar
nu je het zegt, ja, 't heeft er allen schijn van."
"Dat meen ik ook," hernam Fulco, "en het moet al raar loopen, als ik
hem vandaag niet eens onder zijne smerige kap kijk. Ik moet er het
mijne van hebben."
"Natuurlijk, en als .... maar daar komen weer nieuwe gasten aan. Ik
groet je, 't wordt mijn tijd."
"En ik zal den schimmel op stal zetten. Maar neen, daar nadert Heer
Gijsbrecht. Ik zal nog een oogenblik wachten. Wien heeft hij daar
bij zich? Dat schijnt een geestelijke te zijn."
"'t Is de Bisschop van Utrecht," antwoordde de Jonker, zich
verwijderende.
"Welk een krijgshaftig uiterlijk onder dat geestelijk gewaad,"
mompelde Fulco. "Waarlijk, ik had mij den dapperen Bisschop Willem
van Mechelen niet anders voorgesteld. Doch," en nu klopte hij het
vurige ros op den blanken hals: "laat ik je maar op stal zetten,
Schimmeltje. Heer Gijsbrecht schijnt te veel in zijn gesprek verdiept
om oog voor ons te hebben."
Inderdaad, de ridder had hen niet opgemerkt. Luisteren wij naar het
gesprek, dat hem zoozeer schijnt te boeien, dat hij alles vergeet,
wat om hem heen gebeurt.
"Alleen om mijne vroegere rechten op Drechterland terug te krijgen,"
aldus klinkt de stem van den Bisschop, "heb ik dadelijk na den dood
van Graaf Floris..."
"Na den afschuwelijken moord," mompelde Heer Gijsbrecht, terwijl hij
de wenkbrauwen fronste, "die het Graafschap van den edelsten vorst
beroofde, dien het ooit gehad heeft, en het eene prooi deed worden
van zijne talrijke vijanden .... "
"Waaronder ook ik behoorde," hernam de Bisschop. "Doch met het recht
aan mijne zijde, zooals ge weet. Drechterland behoort rechtens aan
het Sticht, en de Hollandsche Graven hebben het alleen in hun bezit
door het recht van den sterkste."
"Uw Hoogeerwaarde heeft gelijk, maar gij vergeet, dat het bij het
sluiten van den vrede voor goed aan Holland werd afgestaan."
"Ik onderwerp mij aan geene vredesbepalingen, die den belangen van het
Sticht schade berokkenen," zeide de Bisschop trotsch. "Daarom heb ik na
Floris' dood den opstand der West-Friezen krachtig gesteund en mij van
bijna geheel Noord-Holland meester gemaakt. Jammer, driewerf jammer,
dat ik voor den Henegouwschen Graaf, Jan van Avennes, heb moeten
wijken. Bijna was ik meester geweest in Holland: de West-Friezen waren
in opstand, de Vlamingen waren in Zeeland gevallen en mijn leger trok
zegevierend tot Medemblik door."
"Totdat Jan van Henegouwen u dwong het beleg op te breken," zeide
Gijsbrecht. "Ik weet het."
"Indien gij mij bijgestaan hadden, wie weet hoe dan de uitslag zou
geweest zijn," zei de Bisschop op verwijtenden toon. "Misschien ware
Holland dan met het Sticht vereenigd."
"Ik mag de wapenen niet voeren tegen mijn leenheer,
Hoogeerwaarde. IJselstein is een Hollandsch leen."
"Maar zijt ge dan ook niet Maarschalk van Utrecht, en mij als zoodanig
hulp verschuldigd?"
"Ik ben uw Maarschalk, Hoogeerwaarde, en stel daar grooten prijs
op. Ik zou ook nimmer de wapenen tegen het Sticht voeren, evenmin
als tegen den Graaf van Holland."
"Het zij zoo, hoe het mij ook spijt. Doch 't is nu voorbij. Mijn leger
is verslagen, en ik heb vredesvoorwaarden aangeboden, die voorloopig
aangenomen zijn. Graaf Jan I is uit Engeland teruggekomen en Jan van
Avennes, die Holland voor zijn neef, den Graaf, uit de handen van de
vijanden gered heeft, met schande het land uitgejaagd. Een schoone
dank!" spotte de Bisschop.
"Voorzeker, 't is schande, dat stem ik toe, doch dat is niet het
werk van Graaf Jan, maar van den heerschzuchtigen Zeeuw Wolfert van
Borselen, die onzen Graaf geheel in zijne macht schijnt te hebben."
"Schijnt te hebben?" herhaalde de Bisschop vragend. "'t Is volstrekt
geen schijn, wat ik u verzeker. De Heer van Borselen heeft den
zestienjarigen graaf zoo geheel in zijne macht, dat deze zelfs
een stuk heeft onderteekend, waarin hij verklaart, dat hij in alle
regeeringsaangelegenheden den raad en het goedvinden van den Heer
van Borselen zal opvolgen."
"Maar dat is meer dan ergerlijk," riep Heer Gijsbrecht uit, terwijl
hij plotseling bleef staan en den Bisschop aanzag. "Dan zal het dus nog
zoover komen, dat wij, Hollandsche edelen, het hoofd moeten buigen voor
dien Zeeuwschen moordenaar, die op den koop toe den onmondigen zoon van
zijn slachtoffer, wellicht als een gevangene, op zijn kasteel bewaart,
alleen om zelf den scepter te kunnen zwaaien? Dat nooit! Hem, dien
verwaten moordenaar, ben ik geene gehoorzaamheid verschuldigd. Liever
grijp ik naar de wapenen en ontruk den jongen Graaf aan zijne macht."
"Hetgeen u ongetwijfeld zou mislukken, IJselstein," viel de Bisschop
in. "Van Borselen heeft een groot deel van den adel op zijne hand, en
die is sterk, al geef ik gaarne toe, dat de macht der vrije poorters
niet spoedig te hoog geschat wordt. Doch heb maar geduld: heel lang
zal Van Borselen niet regeeren. Hij jaagt door zijne eigenmachtige
handelingen de steden al meer en meer tegen zich in het harnas; hij
schendt hare rechten en vrijheden met de grootste willekeur. En wat
voor zijne heerschappij nog erger is: hij ontneemt den Hollandschen
edelen hunne hooge betrekkingen en schenkt die aan zijne Zeeuwsche
gunstelingen. Heeft hij niet den geachten Heer Dirk van Brederode
uit's Graven dienst ontslagen en Jan van Renesse in zijne plaats tot
Baljuw van Zuid-Holland aangesteld? En toen hij zag, dat deze edelman
bij den Graaf in hooge gunst begon te geraken, heeft hij hem toen niet
in een valstrik gelokt en hem met schande het land doen verlaten? Nu
is Heer Aloud, Van Borselen's getrouwe handlanger, tot Baljuw benoemd."
"Zulk eene dwingelandij gaat alle perken te buiten!" riep Gijsbrecht
vertoornd uit. "Maar dat kan niet lang duren! Wanneer de beleedigde
edelen zich met de verdrukte steden verbinden ...."
"Is zijn rijk ten einde," vulde de Bisschop aan. "Doch nu moet er
nog rekening met hem gehouden worden en ik in de eerste plaats ben
daartoe verplicht, want de vredesvoorwaarden, die mij gesteld worden,
zijn zeer hard. Ik moet zelfs afstand doen van de leenheerschappij
over de kasteelen van Amstel en Woerden."
"Een zware eisch, Hoogeerwaarde."
"Dien gij moet trachten, minder zwaar te maken, IJselstein."
"Ik?" vroeg Gijsbrecht verwonderd.
"Ja, gij, want u draag ik op, persoonlijk naar het hof te Veere te
gaan, om daar de vredesonderhandelingen ten einde te brengen."
De jonge ridder, getroffen door de eervolle onderscheiding, die hem
te beurt viel, maakte eene hoffelijke buiging en zeide:
"Ik dank Uw Hoogeerwaarde wel voor die groote eer, maar ...."
"O!" riep de Bisschop lachend, "ik weet, wat gij zeggen wilt; gij
denkt aan uwe schoone en lieve bruid, en hoe eenzaam zij zich zal
gevoelen op het kasteel te IJselstein. Maar stel u gerust. Gij kunt
eerst uwe gemalin naar hare nieuwe woonplaats vergezellen en daar
op uw gemak uwe zaken in orde brengen. Indien gij over twee of drie
weken vertrekt, is het nog vroeg genoeg.
"Dan neem ik uwe opdracht gaarne en met blijdschap aan, Hoogeerwaarde
Vader, en het zal aan mij niet liggen, indien de onderhandelingen
geen goed einde hebben. Doch laten wij naar de zaal terugkeeren,
waar wij zeker al met ongeduld gewacht worden."
Weinig uren daarna klonken de heldere klokketonen van de
burchtkapel over veld en weide, en verkondigden ver in 't rond,
dat de huwelijksplechtigheid een aanvang zou nemen. Edele ridders,
in hunne schoonste en sierlijkste kleederen gehuld, kwamen met hunne
vrouwen en dochters, schitterende van diamanten en edelgesteenten,
de kapel binnen en namen plaats. En nauwelijks waren zij gezeten,
of daar verscheen Gijsbrecht van IJselstein met zijne schoone bruid
aan den arm. Het bruidspaar begaf zich naar de zetels die voor het
altaar waren geplaatst. Aller oogen waren op hen gericht, en dat was
waarlijk geen wonder, want zelden nog was er een schooner paar voor
het echtaltaar geknield.
Welk eene vorstelijke gestalte gaf die bruidegom, welk eene fierheid,
gepaard met innemende lieftalligheid, die bruid te bewonderen.
Zoodra zij hadden plaats genomen, begon het koorgezang. De Bisschop
trad door eene zijdeur binnen en knielde voor het altaar neder,
waar hij bad, totdat het koorgezang zweeg. Toen stond hij op, om
den gewonen kerkdienst te doen, waarna hij het jonge paar in den
echt vereenigde. Schoon was de toespraak, waarin hij hun de dure
verplichtingen voorhield, die zij in dit oogenblik jegens elkander op
zich namen, hartelijk en van vriendschap getuigende waren de woorden,
waarmede hij hun al het geluk toewenschte, dat op de aarde gesmaakt
kan worden.
Innig geroerd knielden Gijsbrecht en Bertha voor hem neder en
ontvingen zijn zegen. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Onder
koorgezang en orgelmuziek verlieten allen het kerkgebouw, om zich naar
de burchtzaal te begeven. En dat het daar niet aan gelukwenschen
en hartelijke handdrukken ontbrak, is licht te begrijpen. Als
bruidsgeschenk ontving Bertha van hare ouders het rijke slot, waarin
het feest gevierd werd.
Intusschen was het daarbuiten, om het afgezette tournooiveld,
nog veel drukker en woeliger geworden dan in den burcht. Honderden
menschen, misschien wel duizenden, waren van de omliggende plaatsen
samengestroomd, om het steekspel bij te wonen, dat ter eere van dit
huwelijk zou worden gehouden. En de menschen troffen het bijzonder,
want het was prachtig weer.