voortgaan, moet volgens mijne meening des te meer als schadelijk worden
aangemerkt, omdat de uitgever, die een bijzonder groot litterair
talent heeft, niet verdacht kan worden van slechte bedoelingen of
van gewetenloosheid. Het kwaad schuilt hier in de onwaarheid en
de excentriciteit van zijne overtuiging, die in zulk een schoonen
vorm gegoten wordt, dat jonge, onervaren paedagogen zich er heel
gemakkelijk door zullen laten meesleepen, terwijl bovendien de zaak
der volksontwikkeling in eene verkeerde richting wordt gedreven. Ik
heb daarom de eer Uwe Excellentie te verzoeken de opmerkzaamheid van
den censor op dit tijdschrift te willen vestigen."
Nadat de minister van volksontwikkeling deze missive had ontvangen,
gaf hij bevel alle reeds verschenen nummers van de _Jasnaja Paljana_
aan een ernstig onderzoek te onderwerpen. Daarna schreef hij den
minister van binnenlandsche zaken, dat hij in de richting van het
bewuste tijdschrift niets gevaarlijks had kunnen ontdekken; dat het
echter uitspraken op opvoedkundig gebied bevatte, die aan de kritiek
van bevoegde paedagogen moesten worden onderworpen, maar in geen
geval aan het verbod van den censor.
"In 't algemeen," schreef de minister verder, "moet ik zeggen, dat de
werkzaamheden van graaf Tolstoi op paedagogisch gebied volle achting
verdienen, en het ministerie van volksontwikkeling verplicht is hem
te helpen en te ondersteunen, hoewel het niet overeenstemt met al
zijne denkbeelden, waarvan trouwens graaf Tolstoi waarschijnlijk bij
eene veelzijdige beschouwing ook zelf terug zal komen."
Maar het liberale ministerie van volksontwikkeling heeft zich
vergist.--Tolstoi heeft zijne denkbeelden niet opgegeven, hoewel
aanvallen als de boven beschrevene de verdere ontwikkeling van de
scholen te Jasnaja Paljana zeer hebben belemmerd.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
HUWELIJK. TOLSTOI'S WERKEN IN DEZEN TIJD.
Ondanks het zichtbare succes kon de uitslag zijner werkzaamheden op
paedagogisch gebied Tolstoi niet bevredigen. Ondanks de grootschheid
van het zoo kunstig opgetrokken gebouw was hij niet zeker van
de hechtheid der fundamenten. Integendeel, hij wist dat zij niet
vertrouwbaar of in 't geheel niet aanwezig waren, en zijn steeds
analyseerend verstand liet hem niet toe zich daarbij neer te leggen.
De beschrijving van die ontevredenheid met zich zelf, voorkomende in
zijne _Biecht_, heeft betrekking op dit tijdperk van zijn leven.
"...Het scheen mij toe, dat ik dat alles in het buitenland geleerd had,
en gewapend met al die wijsheid keerde ik in het jaar van de opheffing
der lijfeigenschap naar Rusland terug. Ik aanvaardde het ambt van
vrederechter en begon tevens te onderwijzen: het onontwikkelde volk in
de scholen, het beschaafde publiek door middel van mijn tijdschrift,
dat ik toen ging uitgeven.
"Alles scheen goed te gaan, maar ik voelde dat ik niet geheel
geestelijk gezond was en dat het zoo niet lang zou kunnen duren. Ik
zou misschien reeds toen tot die wanhoop zijn vervallen, die mij
vijftien jaren later aangreep, indien er nog niet ééne zijde van 't
leven was geweest, die ik nog niet kende en die mij redding beloofde:
dat was het familieleven.
"Gedurende een jaar sprak ik recht en hield ik mij bezig met de scholen
en de journalistiek. Spoedig echter overwerkte ik mij. Zoo zwaar werd
mij de strijd als vrederechter, zoo vaag scheen mij mijne werkzaamheid
in de scholen, zoo heftig werd mijn afkeer van de journalistiek,
waar ik steeds naar uitvluchten moest zoeken, omdat ik wenschte te
onderwijzen en tegelijk te verbergen dat ik niet wist wàt,--zóó
ondragelijk werd mij dat alles, dat ik ziek werd, meer zielsziek
dan lichamelijk. Toen maakte ik mij van alles los en vertrok naar de
steppen, naar de Baschkirs, om reine lucht in te ademen, koemies te
drinken en te leven op dezelfde wijze als de dieren.
"Na mijn' terugkeer trad ik in het huwelijk."
De volgende gebeurtenis had ook in dit tijdperk van Tolstoi's leven
plaats.
In 't begin van 1862 verloor Tolstoi, die zich nog dikwijls door den
hartstocht voor het spel liet meesleepen, bij het biljarten duizend
roebel aan den bekenden publicist Katkoff, den uitgever van een te
Moskou verschijnend blad.
Niet in staat zijne schuld af te doen, gaf hij zijne vertelling _De
Kozakken_ in betaling.
Het nog niet geheel voltooide verhaal zag in Januari 1863 het licht;
tengevolge van ermee verbonden onaangename herinneringen heeft Tolstoi
het nooit afgemaakt.
Toerghenjeff gaf Fet eene beschrijving van de gebeurtenis in de
volgende bewoordingen:
"Tolstoi heeft aan Botkin geschreven, dat hij in Moskou veel geld
verspeelde en duizend roebel van Katkoff leende, waarvoor hij zijn'
roman uit den Kaukasus in betaling gaf. God geve dat hij, al is het dan
ook langs dien weg, tot zijne eigenlijke bezigheden terugkeert. Zijne
vertellingen _Kinder-, Jongens- en Jongelingsjaren_ zijn in 't Engelsch
vertaald en vallen, naar ik hoor, zeer in den smaak. Ik heb een'
kennis van mij gevraagd een artikel daarover in de _Revue des deux
Mondes_ te plaatsen."
Tolstoi was in die dagen veel aan huis bij dokter Bers, in wiens
familie hij binnen korten tijd zou worden opgenomen.
"Wij waren nog heel jonge meisjes," vertelde gravin Tolstoi aan
Löwenfeld, "toen Tolstoi reeds bij ons aan huis kwam. Hij was
reeds een bekend schrijver en leidde in Moskou een vroolijk, lustig
leventje. Eens kwam hij opgewekt bij ons en vertelde verheugd, dat
hij juist zijn verhaal _De Kozakken_ voor duizend roebel aan Katkoff
had verkocht. Wij vonden het een' lagen prijs. Toen bekende hij ons,
dat hij tot den verkoop gedwongen was. Den vorigen avond had hij met
biljarten juist die som verspeeld, en het was eene eerezaak die schuld
dadelijk te vereffenen. Die mededeeling ontroerde ons meisjes zóó,
dat wij in tranen uitbarstten. Tolstoi had zich voorgenomen een vervolg
op _De Kozakken_ te schrijven, maar daar is nooit iets van gekomen."
In dien zelfden tijd kwamen Tolstoi en Fet, tusschen wie door den
twist met Toerghenjeff eene verwijdering was ontstaan, elkaar ook
weer nader. Over die toenadering schrijft Fet:
"Hoewel mijn geheugen anders zoo nauwkeurig alle gewichtige
gebeurtenissen uit mijn leven, ja zelfs een enkel woord, bewaart,
kan ik mij toch de omstandigheden die er toe hebben bijgedragen om
mijne vriendschappelijke verhouding met Tolstoi weer te herstellen,
niet te binnen brengen, hetgeen voor mij het bewijs is dat zijne
boosheid het best vergeleken kan worden met hagel in Juni, die van
zelf smelt. Ik veronderstel echter dat de zaak niet zonder hulp van
Borisoff in 't reine is gekomen.
"Hoe het ook zij, Tolstoi verscheen weer binnen onzen gezichtskring,
en met de hem eigen geestdrift begon hij mij te vertellen van zijne
bezoeken bij dokter Bers en diens familie.
"Bij mijn bezoek aan de familie Bers, waar Tolstoi mij volgens zijne
belofte geïntroduceerd had, maakte ik kennis met een beminnelijken,
aristokratischen, hoffelijken ouden heer, en eene mooie, statige
brunette, zijne vrouw, die blijkbaar het hoofd in huis was. Van eene
beschrijving van de drie aantrekkelijke mooie meisjes, waarvan de
jongste een schoone altstem bezat, zal ik mij onthouden. Alle drie
bezaten, ondanks de nauwlettende zorg der moeder en hare onmiskenbare
bescheidenheid, dat zekere iets dat de Franschen 'du chien' noemen."
In een aan ons gericht particulier schrijven van Tolstoi's
schoonzuster lezen wij over zijne verhouding tot de familie Bers en
den geleidelijken overgang tot zijn huwelijk:
"Tolstoi's betrekking tot onze familie dateert reeds van
vroeger. Grootvader Isljeneff en de vader van Leo Tolstoi waren buren
en vrienden. De families kwamen veel bij elkaar, en mijne moeder en
Tolstoi noemden elkaar, toen zij nog kinderen waren, jij en jou. Toen
Tolstoi zijn ontslag uit den dienst had genomen, kwam hij dikwijls
bij ons. Mijne moeder, destijds reeds getrouwd, was eene vriendin van
Maria Nikolajewna, Tolstoi's zuster, en bij deze Maria Nikolajewna
ontmoette ik, toen nog een kind, hem heel dikwijls. Hij speelde
allerlei spelletjes met zijne nichtjes en mij. Ik was toen tien jaar
en kan er mij niet veel meer van herinneren. In het jaar van zijn
huwelijk was hij van eene buitenlandsche reis teruggekeerd. Hij was
gedurende eenige jaren niet bij ons geweest en zag bij zijn eerste
bezoek, op ons buiten Pakrowskoje (in de nabijheid van Moskou),
mijne twee oudere zusters als volwassen jonge dames terug. Uit het
buitenland had Tolstoi een' leeraar, een zekeren Keller, meegenomen en
in Moskou engageerde hij nog andere onderwijzers voor zijne scholen,
waaraan hij zich met hart en ziel wijdde. Wij maakten dikwijls groote
wandelingen met hem. Hij leefde geheel met ons mee en onze verhouding
werd zeer intiem.
"In Augustus vertrokken mijne moeder, mijne twee zusters en ik
voor twee weken naar het landgoed van mijn' grootvader, dat in het
gouvernement Toela ligt. Tolstoi reisde met ons mee. Wij passeerden
Jasnaja Paljana, waar hij met zijne tante Tatjana, zijn' broer
Sergius en zijne zuster Maria Nikolajewna woonde. Bij die gelegenheid
bracht mijne moeder daar een bezoek. Den volgenden dag werd er een
pic-nic gehouden met de families Auerbach en Markoff, in het boschje
Zasjek. Men was daar bezig een' hooiberg te maken, waar wij bovenop
klommen. Tolstoi volgde ons ook naar het landgoed van mijn' grootvader,
en daar kwam het aan de ombertafel tot eene verklaring, op dezelfde
wijze als dat in Anna Karjenina wordt beschreven, n.l. door middel van
de beginletters van de woorden. In September keerden wij naar Moskou
terug, waarheen Tolstoi ons volgde, en den 17den September verscheen
in Moskou de aankondiging van hun huwelijk. Gedurende zijn geheele
verblijf te Moskou was hij opgewekt, vroolijk en tintelend van geest.
"Hij bracht ons muziek mee, wij studeerden Cherubini en anderen, hij
accompagneerde mij iederen dag, noemde mij Mme Viardot en verzocht
mij steeds voor hem te zingen."
Nu laten wij 't verhaal van deze gebeurtenissen volgen, zooals gravin
Tolstoi het aan Löwenfeld vertelde, hier en daar verbeterd en aangevuld
met kleine opmerkingen, die wij van haar zelf mochten vernemen.
"De graaf was in dien tijd een geregelde gast in ons huis. Wij dachten
dat hij zich sterk interesseerde voor mijne oudste zuster, mijn vader
vooral, tot aan het oogenblik dat hij om mijne hand kwam vragen. Dat
gebeurde in 1862. In Augustus gingen wij over Jasnaja voor eenige
weken naar onzen grootvader. Moeder wilde de zuster van den graaf een
bezoek brengen, en daarom bleven wij, mijne moeder, wij, drie zusters,
en mijn jongste broer, eenige dagen te Jasnaja Paljana logeeren. Het
wekte niemands verwondering, dat de graaf bijzonder vriendelijk voor
ons was; wij kenden elkaar immers, zooals ik u reeds vroeger verteld
heb, al heel lang en hij stond altijd op een zeer vriendschappelijken
voet met ons. Het landgoed van mijn' grootvader, of juister gezegd,
van mijne grootmoeder (want zijn eigen vermogen heeft hij verspeeld)
lag op 50 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Eenige dagen na onze
aankomst verscheen ook Leo Tolstoi, en in 't kort gezegd, daar werd
eene dergelijke scène afgespeeld, als in Anna Karjenina is beschreven,
n.l. waar Lewin eene liefdesverklaring met de beginletters van de
woorden op eene tafel schrijft en Kitty hem dadelijk begrijpt. En
sedert dien tijd," vervolgde gravin Tolstoi met een lachje, waaruit
bleek, dat zij zich deze gebeurtenis met genoegen herinnerde, "sedert
dien tijd heb ik nooit begrepen, hoe ik toen toch de beteekenis van
die letters heb geraden. Het moet wel waar zijn, dat gelijkgestemde
zielen klinken in denzelfden toon, evenals gelijkgestemde snaren."
De zinnen, gewisseld tusschen Leo Tolstoi en Sophia Andrejewna,
luidden:
"I. u. f. h. e. m. t. o. v. m. e. u. z. L. H. g. e. T. h. o.
"In uwe familie heerscht een misverstand ten opzichte van mij en uwe
zuster Lisa. Helder gij en Tanischka het op."
Sophia Andrejewna verstond dien zin en gaf een teeken van begrijpen.
Toen schreef hij nog eens:
"U. j. e. u. r. o. g. h. m. h. a. t. d. a. m. o. e. d. v. m. g. g.
b. i.
"Uwe jeugd en uw recht op geluk herinneren mij heden al te duidelijk
aan mijn' ouderdom en dat voor mij geen geluk bestaanbaar is."
Meer woorden werden er tusschen hen niet gewisseld, maar het was
voldoende, zij begrepen elkaar.
De familie Bers was dus weer naar haar buitengoed teruggekeerd, en
Tolstoi was hen gevolgd. Hij woonde in Moskou, zij op hun buiten, waar
zij reeds twintig jaren lang iederen zomer gingen doorbrengen. Tolstoi
was er nu een dagelijksche gast; allen waren er van overtuigd, dat
hij wenschte binnen korten tijd met de oudste dochter te trouwen, en
daar gaf hij den 17den September Sophia Andrejewna op haren verjaardag
een' brief, waarin hij haar ten huwelijk vroeg. Natuurlijk ontmoette
hij bij haar slechts blijde instemming, maar de oude vader was er
niet mee ingenomen. Hij wilde niet breken met de traditie, en de
jongste dochter vóor de oudste laten gaan. Eerst weigerde hij zijne
toestemming, maar ten slotte moest hij zwichten voor de standvastigheid
van zijne dochter zoowel als van Tolstoi. In Tolstoi's dagboek vinden
wij de volgende aanteekeningen over die gebeurtenissen.
Den 2 Augustus schreef hij, na een bezoek te hebben gebracht bij de
familie Bers:
"Ik vrees voor mij zelf. Als dit ook eens weer het verlangen naar
liefde is en niet de ware liefde! Ik tracht alleen op de zwakke zijde
van haar karakter te letten en toch heb ik haar lief."
In dienzelfden tijd besefte hij ten volle hoe eenzaam hij in 't
leven stond.
"Ik voelde mij geheel gezond toen ik opstond, mijn hoofd was bijzonder
helder, het schrijven ging goed, maar de inhoud was arm. Daarna
bekroop mij zoo'n weemoedige stemming, als ik in lang niet gevoeld
had. Ik heb geen vrienden, niemand. Ik ben geheel alleen. Ik had
vrienden toen ik den Mammon diende, niemand nu ik de waarheid dien."
Daarna schreef hij:
"Ik ging te voet naar Pakrowskoje, naar de familie Bers. Rustig,
aangenaam. Sonja gaf mij eene vertelling te lezen. Welk eene
energie van waarheid en van eenvoud. Haar peinigt de onzekerheid. Ik
las alles zonder hevige gemoedsaandoeningen, zonder teekenen van
afgunst of ijverzucht. Het bijzonder onaantrekkelijke uiterlijk en
het onbestendige oordeel waren goed geteekend. Ik werd rustig; dat
alles heeft op mij geen betrekking."
De vertelling is helaas niet tot ons gekomen, maar door de schrijfster
zelve vernietigd.
Den 28sten Augustus, toen hij dus 34 jaar werd, voelde Tolstoi,
zooals uit zijne aanteekeningen blijkt, weer twijfel, zelfverwijt en
strijd. Hij schreef:
"In de gewone treurige stemming stond ik op. Heerlijke rust-brengende
nacht. Jij met je leelijk gezicht, denk niet aan trouwen. Gij zijt
voor iets anders bestemd, al wildet gij er veel voor geven indien
dat niet zoo ware."
Maar de drang naar huiselijk geluk werd bij hem steeds sterker,
en zijn verlangen naar liefde ging ten slotte over in eene ware
hartstochtelijke liefde, die geen hinderpalen kende. En ondanks dien
grooten hartstocht toonde Tolstoi ook hier weer zijne eerlijkheid en
liefde voor de waarheid. Nadat hij reeds het jawoord had ontvangen,
gaf hij zijne bruid zijn dagboek, waarin hij zijn leven bloot legt en
waarin geheel naar waarheid al de misstappen, in zijne jeugd begaan,
zijn vallen en zijn zielestrijd, zijn beschreven.
Het lezen van het dagboek was een zware slag voor het jonge meisje,
dat in haren held het ideaal van deugd had gezien. Haar lijden was
groot en haar strijd zóó zwaar, dat er oogenblikken van twijfel kwamen
en zij er toe overhelde om alle banden met hem te verbreken. Maar
de liefde overwon den twijfel, en toen zij in lange, slapelooze
nachten haar lijden had uitgeweend, gaf zij hem het boek terug, met
een' blik waaruit hare vergiffenis en hare sterke, reeds gestaalde
liefde spraken.
Het huwelijk werd den 13den September voltrokken, eene week dus na de
officiëele aankondiging van hunne verloving. De huwelijksplechtigheid
had plaats in het Kremlin, in de hofkerk. Daarna vertrokken zij per
rijtuig naar Jasnaja Paljana, waar zij door hun' broeder Sergius en
tante Tatjana werden opgewacht.
De broer van gravin Tolstoi, S. A. Bers, geeft de volgende
karakterschets van zijne zuster:
"Mijn overleden vader was tegen alle inrichtingen van onderwijs
voor vrouwen; daarom ontving Tolstoi's vrouw hare opvoeding thuis,
maar zij deed toch een examen en verwierf een diploma, dat haar het
recht gaf tot het geven van huisonderwijs. Als jong meisje hield zij
haar dagboek bij, trachtte verhalen te schrijven en vertoonde eenigen
aanleg voor schilderen."
Tolstoi schreef korten tijd na zijn huwelijk aan Fet:
"Fetoeschka, oompje, lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!
"Ik ben twee weken getrouwd en zoo gelukkig; ik ben een ander, een
geheel nieuw mensch. Wanneer zal ik je zien? Bedenk, dat ik je zeer,
zeer waardeer, en tusschen ons is zooveel onvergetelijks, Nikoljenka
en nog zooveel meer. Kom eens hier heen om kennis met mij te maken. Ik
kus Maria Petrowna de hand. Vaarwel, lieve vriend, in gedachten omhels
ik je hartelijk."
Na zijn huwelijk ging Tolstoi's leven in geheel nieuwe onbekende banen,
die hem redding beloofden, zooals hij in zijne _Biecht_ zegt. Wij
zullen zien in hoeverre Tolstoi's verwachtingen zijn bewaarheid. De
zucht tot analyseeren verliet hem ook nu, in deze veilige haven, niet
en verwoestte ook deze illusie. Maar zijn verheven _verstand_ verhief
hem tot de hoogste hoogten. Wij hopen, voor zoover het mogelijk is,
een' blik te slaan op dat geheimzinnig proces van zijn zieleleven,
om daarvan in een volgend deel eene beschrijving te geven.
In dit tijdperk van zijn leven schreef Tolstoi, behalve de reeds
genoemde, nog de volgende werken:
_De Sneeuwstorm, Aanteekeningen van een' Marqueur, Twee huzaren,
Polikoeschka_ en _Familiegeluk_.
In _De Sneeuwstorm_ geeft hij eene beschrijving van een
winterlandschap. Bij de lezing ziet men niet slechts den sneeuwstorm,
den onder de sneeuw bedolven weg, den verdwaalden vrachtrijder met
zijne troika, maar men hoort zelfs ieder geluid en men voelt langzaam
het leven in zich verstijven.
In de _Aanteekeningen van een' Marqueur_ schildert Tolstoi ons hoe
eene reine, teere ziel ten onder gaat te midden van het zedenbederf
eener groote stad.
In _De twee Huzaren_ worden twee geslachten tegenover elkaar gesteld;
het oude, vol levenslust, te veel misschien zich overgevend aan genot,
maar een geslacht uit één stuk, oprecht en daarom vol levenskracht en
harmonie; en daarnaast het jonge geslacht, gedemoraliseerd in zijne
ingetogenheid, berekening en huichelarij. De natuurlijke harmonie is
verbroken, maar de bewuste harmonie nog niet gevonden, en in de ziel,
bedorven door de zonde, weerklinkt een vreemde dissonant.
_Familiegeluk_ is een kalm, gracieus verhaal van liefde, eene
weerspiegeling van den door den schrijver beleefden roman.
_Polikoeschka_ is eene tragedie uit de lijfeigenschap. In deze
vertelling leeren wij het zieleleven kennen van een' boer, die onder
een grof omhulsel het meest teere karakter verbergt, dat echter te niet
gaat bij de aanraking van het ontaarde, leugenachtige "barstwo." [126]
De kritiek van die jaren bemoeide zich heel weinig met deze
merkwaardige werken. De kritici zochten een algemeenen vorm,
passende in hun milieu, en waren niet toegankelijk voor de hoog
moreele schoonheid, die uit iedere bladzijde van deze werken sprak.
Het zwijgen der kritici bracht één hunner er toe een artikel te
schrijven met het opschrift: _Graaf Leo Tolstoi en zijne werken;
eene verschijning in de hedendaagsche litteratuur, over 't hoofd
gezien door onze kritici._
Wij achten het hier de plaats niet, om ons te verdiepen in eene
kritiek over genoemde werken, die wij slechts hebben aangehaald als
overtuigende bewijzen van de onvermoeide werkkracht en het scheppende
talent van Leo Tolstoi.
BESLUIT.
In deze vluchtige beschrijving is het halve leven van Leo Tolstoi
aan uw oog voorbijgetrokken.
Opdat eene onbekwame hand de origineele gedachten en getuigenissen
niet zou verminken, hebben wij getracht, overal waar het slechts
mogelijk was, het woord te geven aan Tolstoi, aan zijne bloedverwanten,
vrienden en bekenden, terwijl wij ons bepaald hebben tot de taak die
interessante beelden aan te wijzen.
Ondanks het onafgewerkte materiaal gelooven wij toch dat de lezer zich
een duidelijk beeld kan vormen van Leo Tolstoi's karakter gedurende
deze helft van zijn leven. Ten slotte wenschen wij nog de aandacht te
vestigen op eenige van zijne in het oog loopende karaktertrekken, die,
naar onze meening, de aanleiding waren voor zijne verdere ontwikkeling.
Wij noemen in de eerste plaats de ongewone hartstochtelijkheid,
waarmee Tolstoi zich wijdde aan iedere zaak die zijne opmerkzaamheid
trok. Wat het ook was, jacht, kaartspel, muziek, lektuur, paedagogie
of landhuishoudkunde, hij drong geheel door in het wezen der dingen,
en de indrukken die zij in zijne kunstenaarsziel achterlieten verwerkte
hij en legde hij neer in zijne boeiende geschriften, die als 't ware
gedrenkt zijn met moreele en philosophische gedachten.
Met denzelfden hartstocht wijdde hij zich aan het zoeken naar waarheid,
het doel van 't menschelijk leven, en met dezelfde kracht van zijn
genie verwerkte hij ook die denkbeelden en schonk daarna der wereld
het verkregen resultaat, gegoten in een schoonen vorm.
Een bijzondere trek van zijn karakter is de liefde tot oprechtheid,
die hem vaak in moeielijkheden heeft gebracht, maar die hem ten slotte
leidde tot dien God van waarheid, Dien hij steeds diende, hoewel
hij soms, onbewust voor zich zelf, Zijn beeld verduisterde onder den
invloed van zijne wisselende gemoedsstemmingen en levensomstandigheden.
En dan treft ons nog een andere kenmerkende karaktertrek: de liefde
voor het goede, de voortdurende drang tot volmaking, met het doel het
goede te verbreiden, zijn ijver om ook anderen het goede te leeren
en hun de schoonheid ervan aan te toonen.
Die drie karaktertrekken, gevoegd bij zijne aangeboren talenten,
geven ons eene afdoende verklaring voor den door Tolstoi verkregen
wereldinvloed.
Wanneer wij een' blik slaan op de eerste helft van Tolstoi's leven, dan
bemerken wij nóg eene sterk sprekende eigenschap, n.l. de voortdurende
ontevredenheid met zich zelf, zijn' litterairen arbeid en zijne
overige werkzaamheden. Die ontevredenheid werd nog aangewakkerd
door eene voortdurende zelfontleding, die steeds zijne schoonste
illusies verwoestte, en niet voortsproot uit een ziekelijk verdriet
zonder reden, maar waaraan diepe, reëele oorzaken ten grondslag
lagen. Ondanks Tolstoi's groote gaven en bijzonder ontwikkelden geest
gelukte het hem niet een vasten grondslag, eene synthese, te vinden
voor al de ideeën, die hem bestormden. Dikwijls kwam hij de oplossing
van de groote vraag zeer nabij, zonder haar echter te kunnen grijpen,
hetgeen hem dan telkens ontzettend deed lijden.
Die twijfel, dat vruchteloos zoeken naar eene (zooals de mathematikus
zegt) absoluut afdoende oplossing, geeft ons de verklaring van alle
tegenstrijdigheden in zijn oordeel en zijne zelfbeoordeeling.
In het volgende deel hopen wij eene beschrijving te geven van de
gebeurtenissen, die hem naar dat tijdperk van zijn leven voerden,
waarin de dorst naar waarheid en de wanhoop haar niet te kunnen vinden
het toppunt hadden bereikt; gebeurtenissen, die hem onvermijdelijk
moesten brengen tot de eenig-mogelijke oplossing, tot het eenige
richtsnoer in 't leven en bij zijn' arbeid, tot: _de religie_.
INHOUD.
Opdracht
Inleiding
Inleiding van Leo Tolstoi bij zijne herinneringen
I. De Voorouders van Leo Tolstoi van vaderszijde
II. Voorouders van Leo Tolstoi van moederszijde
III. De Ouders van Leo Tolstoi
IV. Kinderjaren
V. Jongensjaren
VI. Jongelingsjaren
VII. Kaukasus
VIII. De Donau en Sewastopol
IX. St.-Petersburg
X. Roman
XI. Eerste buitenlandsche reis. Het leven te Moskou. Berenjacht
XII. Tolstoi's Tweede buitenlandsche reis
XIII. Tolstoi en Toerghenjeff. Vrederechter
XIV. Tolstoi's paedagogische werkzaamheden. De oprichting van
scholen. Theorieën
XV. De praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana
XVI. Huwelijk. Tolstoi's werken in dezen tijd
Besluit
AANTEEKENINGEN