De onderwijzer. "Ja, maar in welk land liggen Jasnaja Paljana en het
gouvernement Toela?"
Een leerling. "Het gouvernement Toela ligt zeventien wersten van ons
vandaan en daar ligt het gouvernement."
De onderwijzer. "Neen, dat is de hoofdstad van het gouvernement,
maar het gouvernement is iets anders. Nu, in welk land?"
Een leerling (die vroeger iets van aardrijkskunde gehoord heeft). "De
aarde is rond als een bal."
Door middel van te vragen in welk land een hun bekende Duitscher
vroeger leefde, en waar zij zouden belanden indien zij maar steeds
in dezelfde richting reden, kwamen de leerlingen op het antwoord,
dat zij in Rusland woonden. Sommigen antwoordden eenstemmig, toen ik
vroeg waar zij zouden belanden indien zij in ééne richting doorreisden:
"men komt nergens." Anderen zeiden: "aan het einde der wereld."
De onderwijzer (een antwoord van een' leerling herhalende): "Gij zegt,
dat ge in een ander land komt. Waar eindigt Rusland en waar begint
dat andere land?"
Een leerling. "Daar waar de Duitschers beginnen."
De onderwijzer. "Maar, als gij in Toela Gustaf Iwanowitsch of Karl
Fedorowitsch tegenkomt, zult gij zeggen dat daar de Duitschers
beginnen. Is het daar dus een ander land?"
Een leerling. "Neen, waar het vol Duitschers is."
De onderwijzer. "Neen, ook in Rusland zijn plaatsen waar het vol
Duitschers is, waar b.v. Iwan Fomitsch vandaan komt, en dat land heet
ook Rusland. Waarom is dat zoo?"
Zwijgen.
De onderwijzer. "Omdat zij met de Russen onder één wet leven."
Een leerling. "Hoe één wet? De Duitschers gaan niet naar onze kerk
en eten vleesch in de vasten."
De onderwijzer. "Neen, niet die wet, maar zij dienen denzelfden Tsaar?"
Een leerling (de scepticus Sjomka). "Vreemd!... Waarom hebben zij
eene andere wet en dienen onzen Tsaar?"
De onderwijzer gevoelt de noodzakelijkheid te verklaren wat eene wet
is en vraagt: "Wat beteekent gehoorzamen aan de wet, en staan onder
één wet?"
Eene leerlinge. "De wet erkennen beteekent trouwen."
De leerlingen kijken den onderwijzer vragend aan: "Is dat zoo?"
De onderwijzer begint uit te leggen, dat de wet zegt dat men, als
men steelt of moordt, in de gevangenis komt en gestraft wordt.
De scepticus Sjomka vraagt: "En is die wet niet bij de Duitschers?"
De onderwijzer. "De wet beteekent ook nog dat wij adellijken, boeren,
kooplieden, geestelijken hebben." (Het woord "geestelijken" wekt even
iets van niet-begrijpen.)
De scepticus Sjomka: "En dat heeft men daar niet?"
De onderwijzer. "In veel landen is het wel, in andere weer niet. Wij
hebben een' Russischen Tsaar en in de Duitsche landen is een Duitsche
Tsaar."
Dit antwoord bevredigt alle scholieren, zelfs den scepticus Sjomka.
De onderwijzer, die het noodig oordeelt de kinderen de
verschillende standen te verklaren, vraagt welke standen zij
kennen. De leerlingen beginnen op te noemen: "de adel, de boeren,
de popen, de soldaten"--"En?" vraagt de onderwijzer.--"De knechts,
de samowarmakers."
De onderwijzer vraagt welk verschil er tusschen hen bestaat.
Een leerling. "De boeren oogsten, de knechts dienen de heeren,
de soldaten dienen, de kooplieden handelen, de samowarmakers maken
samowars, de popen dragen de mis op, de adel doet niets."
In die volgorde en met die zwarigheden zochten wij naar verklaringen
van de begrippen: stand, grenzen, enz.
De les duurt twee uren. De onderwijzer gelooft, dat de kinderen veel
zullen onthouden van hetgeen zij gehoord hebben, en op dezelfde wijze
geeft hij de volgende les. Maar later komt hij tot de overtuiging,
dat de methode niet goed en alles wat hij deed onzinnig was.
IV. De tweede Geschiedenisles.
De herinnering aan deze les is ons het geheele leven bijgebleven. Wij
hadden de kinderen reeds lang beloofd, dat ik van het einde, en
de andere onderwijzer van het begin der geschiedenis zou vertellen
en zoo zouden wij bij elkaar komen. Ik kwam in de klasse waar les
werd gegeven in de Russische geschiedenis. Er werd verteld van
Swatosloff. 't Verveelde hen! Op de hoogste bank zaten, als naar
gewoonte, drie boerinnetjes met hare hoofddoeken om. Eén was in
slaap gevallen. Mischka stootte mij aan en zei: "kijk eens naar onze
koekoeken, ééntje is in slaap gevallen." En zij geleken inderdaad op
koekoeken. "Vertel ons liever van het einde," zeide een van de jongens,
en allen stonden op.
Ik ging zitten en begon te vertellen. Zooals altijd, was er even een
gestommel en geschuifel van voeten. Een ging er op, een ander onder
eene tafel zitten. Een derde klom op eene bank, numero vier kroop
er onder, en de overigen leunden en hingen op elkaars knieën en
schouders. 't Werd stil, en ik begon te vertellen van Alexander I,
van de Fransche revolutie, van de overwinningen van Napoleon, van
zijne heerschappij en van den oorlog, die met den vrede van Tilsit
eindigde. Zoodra het verhaal Rusland betrof toonden de kinderen van
alle kanten levendige belangstelling.
"Wat, wil hij ons ook overheerschen?" "Wees maar niet bang, Alexander
zal hem wel leeren," zeide een van allen, die iets van Alexander
gehoord had. Ik moest hen echter teleur stellen, zoover kwamen wij
nog niet. Zij waren zeer beleedigd dat men de zuster van den Tsaar
met Napoleon had willen laten trouwen, en dat Alexander met hem,
als met een' gelijke, op een vlot had staan praten. "Wacht maar,"
zei Fedjka met eene dreigende stem. "Nu, nu, vertel verder, vertel
verder!" Dat Alexander niet toegaf en Napoleon den oorlog verklaarde
was allen naar den zin. Toen Napoleon met zijn leger, bestaande uit
twaalf verschillende nationaliteiten, Duitschland en Polen in beweging
bracht, heerschte er een ademloos zwijgen.
Mijn vriend, de Duitscher, bevond zich in het vertrek. "Gij, gij
trekt ook op ons aan," zeide Fedjka (de beste verteller).
"Wees toch stil!" riepen de anderen.
De kinderen vonden het terugtrekken van de troepen zóó vreeselijk,
dat zij van alle kanten om opheldering vroegen, en Koetoezoff en
Barclay beschimpten. "Min van Koetoezoff!" "Wacht maar," zeide een
ander. "Waarom heeft hij zich overgegeven?" vroeg een derde.
Toen wij aan den slag bij Borodino kwamen, en ik ten slotte vertelde,
dat wij het toch niet gewonnen hadden, kreeg ik medelijden met de
kinderen. Het was alsof ik hun een zwaren slag toebracht.
"En al hebben wij het dan niet gewonnen, zij toch ook niet."
Toen Napoleon Moskou binnentrok, waar alles voor hem boog en hij
de sleutels kreeg, werd het rumoerig door hunne betuigingen van
afkeer. De brand van Moskou droeg natuurlijk hunne goedkeuring weg,
en ten slotte de vreugde toen de Franschen terug moesten trekken!
"Zoodra Napoleon Moskou verliet, viel Koetoezoff op hem aan en sloeg
er op in." "Hakte er op in," verbeterde Fedjka, die met eene kleur
van opwinding tegenover mij zat, en krampachtig (dat was zoo zijne
gewoonte) aan zijne vuile vingers trok. Nauwelijks had hij dat woord
gezegd, of een "ach" van verrukking klonk van alle kanten door het
vertrek. Een van de kleintjes riep: "Zoo is het beter, dat zijn andere
sleutels," enz. enz.
Ik vertelde verder hoe wij de Franschen verdreven hebben. Het speet
hun te hooren, dat er iemand, wien het zijn ontslag heeft gekost,
te laat aan de Beresina was gekomen. Fedjka riep zelfs uit: "ik zou
hem hebben dood geschoten; waarom kwam hij te laat?"
Met de bevroren Franschen kregen de kinderen medelijden. Toen wij de
grens overschreden, en de Duitschers, die vroeger tegen ons waren,
zich aan onze zijde schaarden, dacht een van de jongens op eens aan den
Duitscher, die zich in 't vertrek bevond. "Zoo zijt gij! Eerst trekt
gij tegen ons op, en als gij geen kracht meer hebt, dan zijt gij vóór
ons!" en plotseling stonden allen op en jouwden den Duitscher uit,
zoodat men het buiten kon hooren.
Nadat zij weer rustig waren geworden ging ik verder. Ik vertelde dat
wij Napoleon tot Parijs achtervolgden, den waren koning op den troon
hielpen, feestvierden en drinkgelagen aanrichtten, maar de herinnering
aan den Krimoorlog bedierf alles.
"Wacht maar," zeide Fedjka, en dreigde met zijn vuist; "laat ik maar
eens groot zijn; ik zal ze!" "Als wij de redoute van Schewardinski
en den heuvel van Malakoff eens onder handen kregen, wij zouden ze
wel terugnemen."
Het was reeds laat toen ik eindigde. Gewoonlijk sliepen de kinderen
om dien tijd. Nu sliep niemand. Zelfs de koekoeken hadden de oogen
wijd open. Tot mijne groote verbazing kroop, toen ik opstond, Taraska
onder mijn stoel vandaan en keek mij levendig en ernstig aan.
"Hoe kom jij hier?"
"Hij zat er al van 't begin af aan."
Men behoefde hem niet te vragen of hij het verhaal begrepen had,
men behoefde hem slechts aan te zien.
"Ik zal het thuis vertellen."--"Ik ook."--"Ik ook."
"Wat ga je vertellen?" vroeg ik.
"Ik?"--hij dacht een oogenblik na,--"alles zal ik vertellen."
"Komt er nog meer?"
"Neen", en allen stormden de trappen af. De een beloofde de Franschen
wel te zullen krijgen; een ander schimpte op de Duitschers, of
herhaalde dat Koetoezoff _er op in hakte_.
"Sie haben ganz Russisch erzählt," zeide de Duitscher, die door de
kinderen was uitgejouwd, tegen mij. "Gij moest eens hooren, hoe men
die geschiedenis bij ons vertelt. Sie haben nichts gesagt von den
Deutschen Freiheitskämpfen."
Ik was het geheel met hem eens, dat mijn verhaaal geen geschiedenis
was, maar een sprookje, dat het patriottisch gevoel opwekte.
En dat was dus onderricht in de geschiedenis; en deze proef was nog
meer mislukt dan de eerste. [123]
Voor de volledigheid van het paedagogisch overzicht zullen wij hier
Tolstoi's meening over muziekonderricht laten volgen.
"Uit de weinige proefnemingen, die ik op het gebied der muziek heb
genomen, heb ik onderstaande gevolgtrekkingen gemaakt.
"1. dat de methode om noten met cijfers te schrijven de gemakkelijkste
methode is.
"2. dat het leeren van maat, afgescheiden van de noten, de
gemakkelijkste methode is.
"3. opdat de muziek een spoor zal nalaten, en gaarne zal worden
aangenomen, is het noodzakelijk van het begin af aan kunst te leeren
en niet het kunnen zingen en spelen. Men kan jonge dames de oefeningen
van Burgmüller laten spelen, maar volkskinderen leeren liever niet
dan mechanisch.
"4. dat niets zoo slecht is bij het onderricht in muziek, als het
uitvoeren van koren op examens en in kerken.
"5. Het doel van het muziek-onderricht aan het volk moet slechts
bestaan in het geven van een algemeen begrip van de kennis der muziek,
maar niet in het aanleeren van den niet juisten smaak, die in ons
ontwikkeld is."
Het teekenen nam op de scholen te Jasnaja Paljana ook eene groote
plaats in, maar daar Tolstoi zelf hiervan niet genoeg op de hoogte was,
liet hij het aan zijn' collega over.
De drukke werkzaamheden, verbonden met het ambt van vrederechter,
en ook zijne bemoeiingen met de scholen, hadden Tolstoi's gezondheid
zeer geschokt, en daar hij voor tering vreesde, besloot hij eene
koemieskuur [124] te gaan doen.
Hij nam zijn' bediende Alexeï en twee van zijne leerlingen mee,
en ging half Mei op reis naar Samara.
Uit Moskou schreef hij aan zijne tante Tatjana, dat zij allen goed
gezond waren en gaf haar eenige aanwijzingen en opdrachten voor
de school.
De reizigers namen den trein tot Twer en gingen toen over op eene
stoomboot om de Wolga af te zakken tot aan Samara. Waarschijnlijk
kwam Tolstoi op de boot ook in die blijde stemming, waardoor iedere
reiziger wordt aangegrepen, die de Wolga bevaart. De breede rivier in
haren voorjaarstooi, het gelijkmatig ruischen van de stoomboot door
het water, de heerlijke lentenacht, de sterrenhemel weerspiegelend
in den stroom en de lichten langs de oevers en op de booten treffen
ons diep, terwijl de bonte schaar van arbeiders, pelgrims, Tartaren,
monniken en andere passagiers, ondanks het verschil in type, stand,
nationaliteit en geloof, aan het geheel een typisch groot-Russischen
stempel geeft.
Misschien zijn het de historische herinneringen, verbonden aan de Wolga
en de daarlangs liggende plaatsen, die ons in die onbeschrijfelijke
blijde stemming brengen, welke zoo vele gedachten en fantasieën
doet ontwaken.
Waarschijnlijk voelde ook Tolstoi deze gewaarwording, want den 20sten
Mei schreef hij in zijn dagboek:
"Op de stoomboot. Het is mij of ik opnieuw geboren ben, tot nieuw
leven en tot nieuwe kennis. De gedachte aan de ongerijmdheid van den
vooruitgang vervolgt mij. Met wijzen en dommen, met jongen en ouden
spreek ik over niets anders."
Op weg naar Samara hield Tolstoi zich eenigen tijd op te Kazan,
waar hij o.a. Wladimir Iwanowitsch Joeschkoff opzocht.
Uit Samara schreef hij aan zijne tante:
"Vandaag vertrek ik uit Samara naar Karalik, dat 130 wersten verder
ligt. Mijn adres te Samara is: 'Joeri Feodorowitsch Samarin, te
overhandigen aan L. N. Tolstoi.' Ik heb eene heerlijke reis gehad
en de plaats bevalt mij uitstekend. Met mijne gezondheid gaat het
beter, d.w.z. ik hoest minder. Alexeï en de kinderen maken het goed,
hetgeen gij hun' ouders kunt mededeelen. Schrijf mij toch eens iets
van Sergius of laat hij het zelf doen. Groet al mijn lieve kameraden
van mij, en zeg hun, dat zij mij eens moeten berichten, wat zij zoo
al doen. Wladimir Iwan Joeschkoff is nog een kraan van een man. Als
ik ter plaatse ben zal ik u uitvoeriger schrijven. Ik kus u de hand."
Den 28 Juni 1862 schreef hij:
"Nu ben ik reeds eene geheele maand zonder eenig bericht van u en
van huis. Wees zoo goed mij toch eens van alles te schrijven, van
de familie, van de studenten enz. Alexeï en ik gaan goed vooruit,
vooral hij, maar wij hoesten een weinig, ook vooral hij. Wij wonen
in eene kibitka; [125] het weer is heel mooi. Ik vond hier een'
vriend, Stolipin, hij is ataman in Oeralsk. Ik ben er heen gereisd
en nam vandaar een' schrijver mee terug, maar ik dikteer en schrijf
weinig. Mijne luiheid wijkt langzamerhand voor de koemies. Over een
paar weken denk ik van hier te vertrekken, en den 20sten Juli weer
thuis te zijn. Dat ik in dit verlaten nest geen brieven van huis krijg
en dat mijn tijdschrift is blijven liggen, hindert mij zeer. Ik kus u
de hand. Wees zoo goed mij alles te schrijven van Sergius, Maschinka
en van de studenten, die ik laat groeten."
En nu viel er, juist in den tijd dat Tolstoi van huis was, in
de scholen te Jasnaja Paljana iets voor, dat niemand had kunnen
verwachten.
Het is zeer wel te begrijpen dat de machtige prediking, met het woord
zoowel als met de daad, de aandacht van de overheid moest trekken,
en dat men de _Jasnaja Paljana_ ging beschouwen als eene bron van
misdadige propaganda. En het kwam zoover, dat in den zomer van 1862
de gendarmes plotseling eene huiszoeking instelden.
Eene beschrijving hiervan vinden wij in de _Gedenkschriften_ van
Eug. Markoff.
"Wij kunnen," zegt Markoff, "die karakteristieke gebeurtenis,
die slechts weinigen bekend is, maar die de aanleiding was dat
Tolstoi zijne paedagogische werkzaamheden tijdelijk opgaf, niet met
stilzwijgen voorbijgaan. Het spreekt van zelf dat Tolstoi, die in
zijne kwaliteit van vrederechter steeds voor de boeren ijverde, de
groote landeigenaren zeer tegen zich in 't harnas had gejaagd. Hij
ontving dreigbrieven van allerlei aard, men wilde met hem duelleeren,
hem afranselen, en maakte ten slotte het gerecht op hem opmerkzaam.
"Toevallig verschenen in denzelfden tijd, toen de _Jasnaja Paljana_
uitkwam, te St.-Petersburg geheimzinnige proclamaties van de
republikeinsche partij, en de politie begon ijverig te zoeken naar de
plaats waar zij gedrukt werden. Iemand van de plaatselijke overheid
uit Tolstoi's buurt, die hem vijandig gezind was, kwam op den snuggeren
inval, dat die geheimzinnige geschriften nergens anders vandaan kwamen,
dan uit dezelfde drukkerij waar het tijdschrift _Jasnaja Paljana_
gedrukt werd; niet in eene stad, zooals alle eerlijke menschen het
doen, maar in een dorp. En daarbij vergaten zij op te merken, dat op
het blad met groote letters te lezen stond, dat het niet in het dorp
maar op een van de eerste drukkerijen te Moskou, bij M. M. Katkoff,
werd gedrukt.
"Toch veroorzaakte deze aanklacht een geduchten storm.
"In Tolstoi's afwezigheid werd het landgoed bestuurd door zijne reeds
bejaarde tante, bijgestaan door zijne zuster Maria, die er met hare
kinderen gelogeerd was.
"Mijn vriend Auerbach en ik brachten dien zomer op mijn landgoed door,
dat op vijf wersten afstand van Jasnaja Paljana ligt. Eens op een'
morgen kwam er plotseling heel vroeg een ruiter, die ons verzocht,
voor gewichtige zaken zoo spoedig mogelijk naar Jasnaja te willen
komen. Wij lieten oogenblikkelijk inspannen en joegen er heen. Daar
aangekomen zagen wij eene formeele overrompeling. Postkoetsen met
bellen, tweespannen uit den omtrek, overheidspersonen en bovendien
nog gendarmes.
"De chef der gendarmes, als hoofd van deze gewichtige expeditie, had
tot groote ontsteltenis van de menschen uit het dorp, met veel leven en
vertoon, een' inval gedaan in Tolstoi's vredige woning. Ternauwernood
wilde men ons naar binnen laten gaan. De dames waren bijna buiten
zich zelven van schrik. Overal waren posten uitgezet, alles was
ondersteboven gekeerd, latafels, kasten, commodes, kisten en koffers
door elkaar geworpen. In de stallen werden de vloeren opgebroken. Met
een net zocht men in de vijvers van het park naar de misdadige
drukpers, terwijl men natuurlijk niets anders dan een onschuldig
vischje ving.
"Het spreekt van zelf dat men de ongelukkige scholen het allereerst
had doorzocht en er alles door elkaar had geworpen. Toen daar
niets werd gevonden, trok de geheele levenmakende bruiloftsstoet met
klingelende klokjes naar de andere zeventien scholen van het distrikt,
waar alles eveneens ondersteboven werd gekeerd; boeken en schriften
werden meegenomen, de onderwijzers en bewoners gearresteerd. Het
is licht te begrijpen dat zich in de dompige hoofden der boeren de
onzinnigste voorstellingen vormden."
Obolenski vertelt van deze gebeurtenis nog eenige belangrijke
bijzonderheden. "De scholen te Jasnaja Paljana gingen prachtig,
maar daar het onderwijs door studenten werd gegeven, werden zij door
de overheid niet welwillend gadegeslagen, en nam men aan, dat er te
Jasnaja Paljana politieke ongerechtigheden gebeurden. Er verscheen
zelfs een politie-officier, die natuurlijk niets vond, omdat er niets
was. Slechts in één van de kamers van het huis, die tot school was
ingericht, ontdekte zijn scherpziend oog een fotografietoestel. In 1862
was dit nog een zeldzaam iets, vooral in de provincie en de dorpen.
"'Wat is dat?' vroeg de officier gestreng. 'Van wien wordt hier
eene opname gemaakt?' De studenten waren natuurlijk zeer ontevreden
over dit ongewenschte bezoek en een spotvogel antwoordde vlug: 'Van
Herzen, naar de natuur.' 'Wat, Herzen?' vroeg de officier ... maar
het algemeen gelach bewees hem, dat hij voor den mal werd gehouden,
en op zijne lippen bijtend ging hij heen."
In zijne _Herinneringen aan Gravin A. A. Tolstoi_ vertelt Z. Jakoenin
nog het volgende:
"....Toen Tolstoi deze beleedigende gebeurtenissen had vernomen, zeide
hij: 'Ik zeg voortdurend tegen mij zelf: gelukkig dat ik niet thuis
was, want als ik geweest was zooals ik nu ben, dan had ik stellig
een moord begaan.'
"Die heftige woorden, die Tolstoi 42 jaren geleden uitte, zijn zeer
verklaarbaar, als men zich slechts even eene voorstelling maakt van
alle beleedigingen, die zijne naaste familie, zijne tante en zijne
zuster werden aangedaan. Men kan het zelf beoordeelen, wanneer men
weet dat een van de gendarmes Tolstoi's zuster geen verlof wilde
geven om van de studeerkamer naar de ontvangkamer te gaan, voordat
hij in hare aanwezigheid en in het bijzijn van de andere gendarmes
alle intieme brieven had voorgelezen, van welke wij reeds melding
hebben gemaakt, benevens Tolstoi's dagboek en alles wat hij sedert
zijn zestiende jaar had bewaard....
"De heer van Jasnaja Paljana wilde de hem aangedane beleediging,
waartoe hij nooit aanleiding had gegeven en die hem bovendien
gedwongen had zijne kuur te onderbreken, niet zonder protest voorbij
laten gaan. Hij wendde zich, dadelijk nadat hij het bericht van de
plundering had ontvangen, tot de nu overleden gravin A. A. Tolstoi,
met het verzoek het gebeurde aan personen mede te willen deelen, die
invloed hadden, hem goed kenden en op wier verdediging hij rekenen
kon. Tolstoi verlangde niet, dat degenen die hem zoo zwaar beleedigd
hadden, gestraft zouden worden, maar hij vroeg slechts herstel van
zijn goeden naam tegenover de boeren uit den omtrek, en een' waarborg
dat eene herhaling van deze gebeurtenis niet meer zou kunnen voorkomen.
"'Deze zaak laten rusten _kan_ en wil ik niet,' schreef Tolstoi. 'Mijn
werkkring, die mij geluk en rust gaf, is verwoest. Tante is door den
schrik zoo ziek geworden, dat zij het waarschijnlijk niet te boven
zal komen. De boeren beschouwen mij niet meer als een eerlijk mensch
(zooals ik toch in den loop der jaren verdiend heb genoemd te worden),
maar als een' misdadiger, een' brandstichter of een valschen munter,
die het slechts aan zijne slimheid te danken heeft dat hij nog vrij
rondloopt....'
"'Nu broeder, jij bent er ingevlogen.... Jij moet nog met praatjes van
eerlijkheid en gerechtigheid aankomen; bijna draag je zelf ketenen.'
"En de landeigenaren! Die juichen van verrukking. Wees zoo goed, als
gij met Perowski, Alex. Tolstoi, of met wien gij wilt, gesproken hebt,
mij zoo spoedig mogelijk te laten weten, wat ik moet schrijven en
hoe ik den Tsaar een' brief kan doen toekomen. Een andere weg staat
niet voor mij open. Openlijk als de beleediging was, moet ook de
genoegdoening zijn (de zaak op eene andere wijze in 't reine te brengen
is niet mogelijk), of ik ga naar het buitenland, waar ik ernstig over
denk. Naar Herzen ga ik niet. Herzen is Herzen en ik ben Tolstoi. Ik
wil het niet in 't geheim doen, maar openlijk verklaren dat ik mijn
landgoed verkoop om Rusland te verlaten, waar wij het eene oogenblik
niet weten wat ons het anderen zal overkomen."
Aan het slot van dezen langen brief schrijft Tolstoi nog, dat de chef
der gendarmes met eene voortzetting van het onderzoek gedreigd had,
totdat men gevonden zou hebben wat verborgen was. Tolstoi voegt
hieraan toe: "Ik heb pistolen in mijne kamer en wacht af hoe dit
alles zal eindigen...."
Ik herinner mij, dat Tolstoi mij vertelde, hoe zeer deze inmenging
van de politie in zijne zaken hem had beleedigd, te meer omdat het
in zijne afwezigheid geschied was. Hij besloot daarom zijn beklag in
te dienen, en bij de aankomst van Keizer Alexander II in Moskou was
Tolstoi in de gelegenheid den Tsaar persoonlijk een smeekschrift aan
te bieden, een verzoek inhoudende om in zijne eer te worden hersteld.
De Tsaar nam het verzoekschrift aan en zond een' adjudant naar Tolstoi
om hem eene verontschuldiging voor het gebeurde aan te bieden.
De overheidspersonen echter waren nog niet gerust gesteld en zoo
ontspon zich in den herfst van hetzelfde jaar eene eigenaardige
correspondentie tusschen den minister van binnenlandsche zaken en den
minster van volksontwikkeling over het tijdschrift _Jasnaja Paljana_.
De aanhalingen die wij hier laten volgen zijn ontleend aan de
_Herinneringen_ van Oesoff.
De minister van binnenlandsche zaken schreef den 3en October 1862
aan den minister van volkontwikkeling:
"De aandachtige lezing van het tijdschrift _Jasnaja Paljana_,
uitgegeven door graaf L. N. Tolstoi, gaf mij de overtuiging, dat dit
tijdschrift eene geheel nieuwe methode van onderwijs predikt voor de
volksscholen, en ideeën verkondigt, die zich door hunne richting als
schadelijk doen kennen. Zonder in nadere bijzonderheden te treden
of u dergelijke uitdrukkingen of artikelen aan te wijzen (hetgeen
evenwel geen moeielijkheid zou opleveren), oordeel ik het noodig Uwe
Excellentie opmerkzaam te maken op de algemeene richting en geest
van dit blad, die de grondslagen van geloof en moraliteit trachten
te ondermijnen.