scholen, geen gymnasium, geen colleges over het Romeinsche recht
hebben? 'Wat moet er dan van het menschdom worden?' hoor ik vragen;
'dat alles zal er dus niet zijn, indien de leerling het zelf niet
verlangt en gij zult hen niet tot goede menschen kunnen vormen. Maar
kinderen, weten toch niet altijd, wat zij noodig hebben; kinderen
vergissen zich enz.' Ik laat mij niet in met een dergelijken strijd;
die zou ons leiden tot de vraag: staat in dezen de menschelijke
natuur boven het menschelijk oordeel? Dat weet ik niet en op dat
standpunt plaats ik mij niet. Ik beweer slechts, dat, als wij
inderdaad kunnen weten wat wij moeten onderwijzen, niemand mij kan
verhinderen onzen Russischen kinderen de Fransche taal te leeren,
de middeleeuwsche genealogie en zelfs de kunst om te stelen. En ik
zal dit alles bewijzen, precies zooals gij het hebt bewezen. 'Dus
moet er geen gymnasium en geen Latijnsche taal zijn? Wat moeten wij
dan wel doen?' hoor ik weder.
"Maak u niet bezorgd. Latijn en rhetorica zullen blijven, nog
honderden van jaren, en zij zullen er zijn slechts daarom, omdat
het geneesmiddel gekocht is en men het moet innemen, zooals een
zieke zegt. Over nauwelijks honderd jaren zal mijne gedachte, die
ik misschien onklaar en onduidelijk weergeef, algemeen eigendom zijn
geworden. Na nauwelijks honderd jaren zullen zij zijn verdwenen, al
deze inrichtingen: de lagere scholen, de gymnasia en de universiteiten,
en zullen er vrije instellingen verrijzen, gegrond op de vrijheid
van het leerende geslacht."
Natuurlijk werden deze vermetele gedachten niet aangenomen door de
paedagogen, die omstreeks 1860 de opvoeders waren van de hoogere,
zoowel als van de lagere standen. De beleedigde wetenschap heeft deze
denkbeelden zelfs geen tegenspraak waardig gekeurd. In de _Verzamelde
Kritieken over Tolstoi_ van Zelinski, die met zorg zijn samengesteld,
vinden wij slechts twee ernstige opstellen gewijd aan het tijdschrift
_Jasnaja Paljana_ en aan Tolstoi's school. Deze kritieken werden
in 1862 opgenomen in den _Sawremjennik_. Op een van deze kritieken,
geschreven door Markoff, heeft Tolstoi in zijn blad geantwoord onder
het opschrift: "Vooruitgang en verdere ontwikkeling der beschaving."
Markoff zegt o.a. in zijne kritiek, dat een paedagogische dwang
gerechtvaardigd is, dat hij dus de vrije ontwikkeling een recht van
bestaan toekent en dat hij de tegenwoordige systemen van opvoeding
bevredigend acht. De praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana, welke
door den schrijver ten zeerste worden bewonderd, is volgens zijne
meening in tegenspraak met de theorieën van hunnen stichter en leider.
Tolstoi herhaalt in zijn antwoord aan Markoff wat hij reeds vroeger
heeft gezegd en komt tot de gevolgtrekking, dat zij in hoofdzaak
daarom niet overeenstemmen, omdat Markoff aan den vooruitgang gelooft
en hij niet.
Zijn ongeloof aan den vooruitgang verklaart Tolstoi op de volgende
wijze:
"Door de geheele menschheid (zegt een historikus die aan vooruitgaan
gelooft) gaat sedert onheugelijke tijden een proces van vooruitgang,
en hij voert als bewijsgrond hiervoor aan: Engeland in 1685 vergeleken
bij het Engeland van den tegenwoordigen tijd. Doch, zelfs indien men
kan bewijzen dat de gesteldheid van Rusland, Frankrijk en Italië in
den tegenwoordigen tijd gunstiger is dan die van het vroegere Rome,
Griekenland en Karthago, dan verbaast mij toch steeds de volgende
onbegrijpelijke omstandigheid. Men neemt een wet aan voor de geheele
menschheid, terwijl men slechts eene vergelijking maakt tusschen kleine
onderdeelen. Men zegt: 'vooruitgang is eene algemeene wet voor de
geheele menschheid', maar slaat daarbij geen acht op Azië, Amerika,
Afrika, en Australië, op millioenen menschen. Wij bemerken de wet
van vooruitgang in het hertogdom Hohenzollern-Sigmaringen, met eene
bevolking van 2000 zielen; wij weten dat China met zijn 200 millioen
inwoners onze geheele theorie van den vooruitgang verwerpt, en toch
twijfelen wij er geen oogenblik aan, dat de vooruitgang eene algemeene
wet is voor de menschheid; dat wij, die daaraan gelooven, gelijk,
en zij die het ontkennen, ongelijk hebben, en wij gaan met geweren en
kanonnen naar de Chineezen om hun het begrip van den vooruitgang te
brengen. Het gezonde verstand zegt mij, dat, zoo het grootste gedeelte
van het menschdom, het zoogenaamde Oosten, de wet van den vooruitgang
niet erkent, maar haar integendeel verwerpt, die wet niet bestaat
voor de geheele menschheid, maar dat er slechts een geloof in den
vooruitgang bestaat bij een zeker gedeelte der menschen. Ik, evenals
alle menschen, die vrij zijn van het bijgeloof in den vooruitgang,
zie slechts dat het menschdom bestaat en dat de herinneringen aan
het verleden evenveel worden vergroot, als zij verloren zijn gegaan,
dat het werk van vorige geslachten dikwijls den grondslag vormt
van nieuwen arbeid maar ook dikwijls een hinderpaal daarvoor is,
dat de welstand der menschen hier in een enkel opzicht grooter,
daar in een ander opzicht kleiner wordt. Hoe gaarne ik het ook zou
wenschen, ik kan geen wet vinden voor het menschdom in het algemeen
en ik ben van oordeel, dat men de geschiedenis even gemakkelijk aan
het begrip van den voor- als van den achteruitgang kan onderwerpen,
of aan iedere andere historische fantasie. Ik ga verder. Ik zie de
noodzakelijkheid niet in, afgezien van de onuitvoerbaarheid van het
plan, algemeene wetten in de geschiedenis te gaan zoeken. De algemeene,
eeuwige wet is neergeschreven in de ziel van iederen mensch. De wet
van den vooruitgang of der volmaking is ook neergelegd in de ziel van
den mensch, en slechts als gevolg van eene begripsverwarring zoekt men
haar in de geschiedenis. Wanneer die wet individueel gedacht wordt,
wordt zij vruchtdragend; in de geschiedenis overgebracht wordt zij
een leeg begrip, een ijdele klank, leidende tot abstracte redeneering,
ieder fatalisme rechtvaardigend.
"De vooruitgang van de menschheid in 't algemeen is een niet bewezen
en niet bestaand feit voor alle Oostersche volken; daarom is de
bewering dat de vooruitgang eene wet is voor de geheele menschheid
even ongegrond, als de verzekering dat alle menschen blond zijn,
behalve degenen die donker zijn." [122]
De theorieën, neergeschreven in dit hoofdstuk, zijn ontleend aan een
uitvoerig opstel over dit onderwerp, dat wij niet in zijn geheel hebben
aangehaald, omdat het ons hier te ver zou voeren. Vóor wij echter van
dit onderwerp afstappen, laten wij nog een uittreksel volgen van een
artikel, getiteld: _Ontwerp voor een algemeen plan tot stichting van
volksscholen_, waarin Tolstoi eene geestige kritiek levert op een in
1862 van regeeringswege uitgekomen reglement op schoolzaken.
Deze kritische beschouwing kan men samenvatten in de volgende
uitspraken.
"In de grondgedachte van het reglement ligt het Amerikaansche
systeem, het volk te verplichten schoolbelasting te betalen, terwijl
de regeering de zorg voor de instandhouding der school op zich
neemt. Dezelfde regeling evenwel kan goed zijn in eene demokratische
republiek en slecht in een despotisch bestuurd keizerrijk, waar de wet,
die 'den wil van het volk' uitdrukt, veranderd is in eene uitoefening
van ruwen dwang.
"De onuitvoerbaarheid van dit reglement ligt hierin, dat de ontwerpers
bij eene volkomen afwezigheid van kennis van het Russische volksleven,
het plan niet in overeenstemming hebben gebracht met de behoeften
van het volk.
"De reglementeering van de volksontwikkeling, neergelegd in deze
verordening, is eene rem voor de reeds bestaande, zich uitbreidende
vrijheid der volksontwikkeling."
Aan het slot van dit vluchtig overzicht van Tolstoi's paedagogische
theorieën geven wij als onze meening, die lijnrecht staat tegenover
Markoff's uitspraak, dat de praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana
niet in tegenspraak is met deze theorieën, maar zich integendeel
onmiddellijk daarbij aansluit.
De beschrijving, die Tolstoi geeft van zijne scholen te Jasnaja
Paljana, laten wij hier als auto-biografisch materiaal volgen.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
DE PRAKTIJK IN DE SCHOLEN TE JASNAJA PALJANA.
In zijne paedagogische opstellen schildert Leo Tolstoi ons eenige
tafereeltjes uit het schoolleven, waaraan hij zich zoo met hart en ziel
heeft gewijd, niet als een pedante schoolmeester, die onderwerping
verlangt, maar als een groot kind, zich geheel gevende, meevoelende
met zijne schoolkameraden, die hij tevens laat deelen in zijne rijke
geestesgaven.
Wanneer wij de volgende kleine schetsjes te zamen voegen dan verrijst
de reusachtige, geniale figuur van dezen paedagoog in al zijne
grootheid voor ons geestesoog.
I. Avondwandeling.
Het is niet koud--een winteravond zonder maanlicht; de hemel is bedekt
met grauwe wolken. Bij het kruis blijven wij staan; de oudste jongens,
die reeds drie jaren op school gaan, blijven bij mij en vragen of ik
hen nog een eindweegs wil vergezellen. De jongeren zijn begonnen met
een nieuwen onderwijzer, en staan met mij nog niet op dien voet van
vertrouwen als de ouderen.
"Nu, laten wij dan naar het Zakaz gaan," (een boschje dat een
200 schreden van de laatste huizen verwijderd ligt) opperde een
van hen. Het sterkst van allen drong Fedjka er op aan. Hij is
een jongen van een jaar of tien, met eene zachte, ontvankelijke,
poëtische natuur. Ik geloof dat het aanwezig zijn van gevaar een van
de hoofdvoorwaarden voor zijn genoegen was. Hij wist dat er in het
boschje wolven waren en daarom wilde hij er heen. De andere jongens
ondersteunden zijn verzoek, en met ons vieren gingen wij naar het
bosch. Een van hen, ik zal hem Sjomka noemen, een physiek zoowel als
moreel gezonde jongen van twaalf jaar, liep zingend en jodelend voor
ons uit.
Naast mij liep Pronka,--de zoon van arme ouders,--een bescheiden,
bijzonder verstandige, ziekelijke jongen, ziekelijk waarschijnlijk
door gebrek aan voedsel. Fedjka liep tusschen mij en Sjomka en
sprak voortdurend. Met eene weeke stem vertelde hij, dat hij hier
's zomers de paarden liet grazen, zeide dat er niets angstigs was en
vroeg daarbij: "en als er eens een komt?" onvoorwaardelijk verlangende
dat ik hierop iets zou antwoorden.
Wij gingen niet midden door het bosch--dat zou te gevaarlijk
zijn geweest--maar ook aan den zoom werd het reeds donker. De
weg was bijna niet meer te onderscheiden, de lichten van het dorp
verdwenen. Sjomka bleef luisterend staan. "Zeg, jongens, wat is
dat?" zeide hij plotseling. Wij zwegen, maar hoorden niets. Toch kwam
de angst even boven: "maar wat zouden wij doen als hij er eens uitkwam
... op ons aanvloog?" vroeg Fedjka. Wij spraken over de roovers in den
Kaukasus. Zij herinnerden zich nog de Kaukasische geschiedenissen, die
ik hun lang geleden eens verhaald had, en ik begon weer te vertellen
van de Abreks, van de Kozakken en van Chadzji-Moerad. Met groote passen
liep Sjomka voor ons uit, zijn stevige rug steeds in gelijkmatige
schommeling. Pronka trachtte ook naast mij te komen, maar Fedjka
stootte hem op zij, en Pronka die, waarschijnlijk door zijne armoede,
iedereen gehoorzaamde, kwam slechts bij de spannendste passages naar
voren, hoewel hij dan tot aan zijne knieën door de sneeuw moest waden.
Iedereen, die de boerenkinderen maar een weinig kent, zal hebben
opgemerkt dat zij niet aan liefkozingen gewend zijn en ze ook niet
dulden, geen zacht woord, geen kus, geen streelende aanraking van
de hand, niets. Daarom was ik ook heel verbaasd toen Fedjka bij het
angstigste gedeelte in het verhaal plotseling eerst mijn' arm streelde
en daarop met zijn volle hand twee van mijne vingers omklemde, die
hij niet weer losliet. Als ik maar even zweeg, drong hij mij verder
te vertellen, en dat op zoo'n smeekenden, bewogen toon, dat men hem
zijn verzoek niet kon weigeren. "Zeg, loop mij niet voor de voeten,"
zeide hij plotseling boos tegen Pronka, die voor ons uit liep. Hij
was geheel in vervoering, hij vond het griezelig heerlijk, hield
mijne hand vast, en niemand moest het wagen zijn genot te verstoren.
"Nu, en toen, en toen? O, wat is dat mooi!"
Wij waren langs het bosch geloopen en kwamen nu aan het andere gedeelte
van het dorp. "Laten wij nog een eindje wandelen," vroegen alle drie,
toen wij de lichten van het dorp zagen,--"nog een eindje." Wij liepen
verder over den mullen, slechten rijweg, waar onze voeten soms diep
in wegzonken. Eene wazige duisternis omringde ons, de wereld als
het ware voor ons afsluitend. De wolken hingen laag, alsof men ze
op ons neerwierp; eindeloos ver deinde de witte schemer, waaruit wij
alleen opdoemden, onze voeten knarsend over de sneeuw. De wind deed
de toppen der kale boomen zwiepen, maar wij werden beschut door het
boschje. Ik eindigde mijn verhaal op het punt, waar de ingesloten Abrek
een lied aanheft en zich in zijn dolk werpt. Allen zwegen. "Waarom
begon hij te zingen, toen hij was ingesloten?" vroeg Sjomka. "Dat
heeft men je toch reeds gezegd; hij wilde sterven!", antwoordde
Fedjka verontwaardigd. "Ik denk, dat hij een gebed zong," beweerde
Pronka. De anderen stemden hiermee in. Wij bleven aan het uiterste
einde van het dorp, bij de heg achter de schuren staan. Sjomka nam
een rijs van den grond en sloeg er mee tegen den bevroren stam van
eene linde. Ritselend viel de rijp van de takken; dat was het eenige
geluid dat zich liet hooren.
"Leo Nikolajewitsch," vroeg Fedjka, (ik dacht, dat hij weer iets van
een verhaal zou vragen) "waarom leert men zingen? Ik heb er dikwijls
over nagedacht, werkelijk, waarom zingt men?"....
....Het geeft mij eene vreemde aandoening, alles te herhalen wat wij
toen besproken hebben, maar het komt mij voor dat al onze gesprekken
nuttig waren en liepen over plastische en moreele schoonheid.
Den schrijver van deze biographie viel onlangs een zeldzaam geluk te
beurt. Evenals Fedjka, die Tolstoi's hand vasthield en in verrukking
kwam, wandelde ook ik verschillende malen met hem door dat zelfde
boschje. Luisterende naar zijne verhalen kreeg ik een gevoel, dat ik
niet beter kan weergeven dan met Fedjka's woorden:
"Nu, en toen, en toen? O, wat is dat mooi!"
II. De Opstellenles.
Den vorigen winter las ik eens in het spreekwoordenboek van Snegireff
en ik nam het mee naar school. Wij zouden dat uur de Russische taal
behandelen.
"Nu jongens, schrijf eens iets over een spreekwoord," zei ik.
De beste leerlingen, Fedjka, Sjomka en een paar anderen, spitsten
hunne ooren.
"Wat voor een spreekwoord, wat zegt gij toch?" klonk de weervraag.
Ik opende het boek: "Met den lepel voedt gij hem en met den steel
steekt gij hem de oogen uit."
"Zóó stel ik het mij voor," zeide ik: "een boer heeft een armen stakker
in huis genomen, daarna krijgt hij berouw van zijne goedheid en komt
dus in de omstandigheid waarvan het spreekwoord zegt: 'eerst voedt gij
hem met den lepel en dan steekt gij hem met den steel de oogen uit.'"
"Wat kan men daarvan schrijven?" zei Fedjka, en de anderen luisterden
opmerkzaam; maar plotseling haalden zij hunne schouders op, en
overtuigd dat het werk hunne krachten te boven ging, hervatten zij
hunne vroegere bezigheden.
"Schrijf zelf eens wat," zei een van hen tegen mij.
Daar waren allen het mee eens; ik nam pen en papier en begon te
schrijven.
"Nu," zei ik, "wie het 't beste kan, jelui of ik!"
Ik begon de vertelling te schrijven, die in het 4de nummer van de
_Jasnaja Paljana_ is opgenomen.
Iedere onbevooroordeelde lezer, die gevoel heeft voor kunst en voor
het volksleven, zal de eerste, door mij geschreven bladzijde, onwaar
en gekunsteld als zij is, van de volgende, die door de leerlingen
werden opgesteld, kunnen onderscheiden als een vlieg in de melk.
Fedjka keek telkens op van zijn schrift, en toen hij mijn' blik
ontmoette, gaf hij mij een knipoogje en zeide met een lachje: "Schrijf
nu, schrijf nu, of ik zal je!" Men kon zien dat het hem interesseerde
hoe groote menschen schreven. Nadat hij zijn schrijfwerk vlugger en
slechter dan gewoonlijk had afgemaakt, klom hij op de leuning van mijn'
stoel en begon over mijn' schouder kijkend te lezen. De anderen kwamen
nu ook bij ons staan, en ik begon hun voor te lezen wat ik geschreven
had. Het viel niet in hun' smaak; niemand prees mij. Ik schaamde mij
een weinig en om mijne gekwetste schrijvers-eigenliefde te bevredigen
begon ik hun te vertellen, hoe het vervolg zou zijn. Ik liet mij geheel
door mijn verhaal meesleepen, begon hier en daar te verbeteren, en
de kinderen hielpen mij daarbij. De een zei: "die grijsaard moet een
toovenaar worden." "Neen," zei een ander, "geen toovenaar; een gewoon
soldaat." "Neen, laat het liever een dief zijn!" "Neen, dat zou niet
bij het spreekwoord passen," en zoo spraken zij allen door elkaar.
De kinderen betoonden eenstemmig de grootste belangstelling. Het
was voor hen iets geheel nieuws, het bijwonen van het ontstaan
eener vertelling en daar deel aan te nemen. Zij gingen er in op en
lieten zich er geheel door meesleepen. Hun oordeel was grootendeels
gelijkluidend en juist, zoowel wat betreft den geheelen opzet van het
verhaal als de onderdeelen en de karakteristiek der personen. Bijna
allen namen deel aan het schrijven, maar het meest traden Sjomka
en Fedjka op den voorgrond. De vastberaden Sjomka, met zijn gevoel
voor juiste schildering, en Fedjka, met zijne waarlijk poëtische
voorstellingen, die elkaar snel en onophoudelijk opvolgden.
Hunne opmerkingen waren zoo weinig toevallig, in zoo hooge mate
doordacht en overwogen, dat ik hun meer dan eens gelijk moest geven
als wij het niet eens waren geweest. Bij mij stond het vast dat het
verhaal zóó moest worden, dat het eenvoudig eene juiste verklaring
voor het spreekwoord gaf; de kinderen daarentegen verlangden slechts
ware voorstellingen.
Ik wilde b.v. dat de boer, nadat hij den grijsaard in huis had genomen,
zelf berouw zou krijgen over zijn goedheid,--zij vonden dat onmogelijk
en schiepen eene booze boerin. Ik zei: "de boer heeft eerst medelijden
met den ouden man en dàn met zijn brood." Fedjka antwoordde, dat zoo
iets ongerijmd zou zijn, en zeide: "de boer wilde van 't begin af
aan niet naar de oude boerin luisteren en later ook niet toegeven."
"Wat denkt gij dat het voor een soort van man is?" vroeg ik.
"Hij is net oom Timofeï," zeide Fedjka met een lachje, "ook zoo'n
kort baardje, hij gaat naar de kerk en houdt bijen."
"Hij is goedig maar driftig," zei ik.
"Ja," zeide Fedjka; "die zou de boerin zeker niet hebben gehoorzaamd."
Van het oogenblik af aan, dat men den ouden man in de hut had gedragen,
begon een levendige arbeid. Nu ondervonden de kinderen blijkbaar
voor het eerst het blijde gevoel van met het woord hunne gedachten
zuiver weer te kunnen geven. Vooral bij Sjomka was dit duidelijk
merkbaar. Onophoudelijk maakte hij de meest juiste opmerkingen. Het
eenige wat men er tegen kon hebben was, dat zij slechts het oogenblik
schetsten, zonder verband te houden met het verhaal. Ik had geen tijd
om alles zoo gauw op te schrijven en verzocht hun even te wachten en
goed te onthouden wat zij gezegd hadden. Het scheen of Sjomka alles wat
hij beschreef voor oogen zag: de stijve bevroren laarzen, de modder
die er afsijpelde toen zij begonnen te ontdooien, en hoe zij bros
werden als beschuiten toen de boerin ze op de kachel zette. Fedjka
daarentegen zag slechts de onderdeelen, die hetzelfde gevoel in hem
wakker riepen als dat de personen hem inboezemden. Hij zag de sneeuw
tusschen de lompen van den grijsaard, begreep het gevoel van medelijden
waarmee de boer zei: "mijn God, wat ziet hij er uit!" Fedjka stelde
zelf de personen uit de vertelling voor: hoe de boer sprak, met zijne
armen gestikuleerde en met zijn hoofd schudde. Hij zag de halfvergane
jas en het gescheurde hemd, waar het magere lichaam, vochtig van
de sneeuw, doorheen schemerde. Hij fantaseerde eene boerin, die,
op bevel van haren man, den grijsaard brommig de laarzen uittrok,
en hij hoorde diens klagende zucht toen hij murmelde: "zachtjes,
zachtjes, moedertje, mijne voeten zijn vol wonden."
Sjomka had hoofdzakelijk objectieve beelden noodig: de schoenen,
den grijsaard, de boerin, bijna zonder onderling verband. Bij Fedjka
waren het gevoelens van medelijden, waarvan hij zelf geheel was
doordrongen. Hij liep de geschiedenis vooruit en sprak er van, hoe men
den grijsaard zou voeden, hoe hij 's nachts zou neervallen, hoe men
naderhand in het veld den jongens lezen en schrijven zou leeren, zoodat
ik hem moest vragen zich niet zoo te haasten en goed te onthouden wat
hij gezegd had. De tranen drongen hem bijna in de oogen, onrustig kneep
hij zijne magere, bruine handen samen. Hij werd boos op mij en stootte
onophoudelijk uit: "staat het er, staat het er?" Despotisch toornig
gedroeg hij zich tegenover de anderen; hij wilde spreken, hij alleen,
en niet spreken zooals men praat, maar zooals men schrijft, d.w.z. met
het woord zuiver zijne gevoelens weergeven. Hij duldde zelfs niet,
dat ik eene verandering in zijne woordschikking maakte. Als hij zei:
"in mijne beenen zijn wonden," dan mocht men niet zeggen: "er zijn
wonden in mijne beenen." Zijne ziel was op dat oogenblik week en
verteederd door een gevoel van liefde. Hij zag met een kunstenaarsoog,
en stootte alles van zich dat niet beantwoordde aan het begrip van
eeuwige schoonheid en harmonie. Zoodra dan ook Sjomka een onjuist
beeld gebruikte, niet in overeenstemming met het overige, werd Fedjka
boos en zei: "Och jij, wil jij ook meepraten!"
Nauwelijks had ik iets gekunstelds, iets onwaars bij het verhaal
willen voegen of hij zeide driftig dat het niet noodig was. Ik stelde
voor het uiterlijk van den boer te beschrijven, en dat vond hij goed;
maar op mijn' voorslag om er ook in te zetten, wat de boer zou doen als
de vrouw naar haren peet liep, vormde zich bij hem de tegengedachte:
"als dat eens bij den overleden Sawoska gebeurd was, die had haar wel
bij de haren getrokken!" En dat zei hij zóó ernstig, zóó meewarig,
dat de kinderen in lachen uitbarstten.
Het hoofdvereischte voor alle kunst, het gevoel voor verhouding,
was sterk bij Fedjka ontwikkeld. Al het overbodige dat de jongens in
het midden brachten, hinderde hem.
Hij trad zóó despotisch op en leidde zóó heerschzuchtig de wording
van het verhaal, dat het de anderen verveelde, die daarom spoedig naar
huis gingen; alleen Sjomka, hoewel hij anders werkte, gaf geen kamp.
Wij schreven van zeven tot elf. Zij voelden geen koude of vermoeienis
en werden nog boos op mij toen ik ophield. Toen begonnen zij zelf te
schrijven, maar dat gaven zij spoedig op; het ging niet. Plotseling
vroeg Fedjka mij hoe ik heette. Wij begonnen te lachen omdat hij dat
niet wist.
"Ik weet wel," zeide hij, "hoe gij heet, maar hoe is uw familienaam? Er
wonen hier Fokanitscheffs, Zjabreffs en Jermilins." Ik zeide het
hem. "En zullen wij het laten drukken?" vroeg hij. "Ja." "Dan moet
er op staan: door Makaroff, Morozoff en Tolstoi."
Fedjka bleef lang zeer opgewonden en kon dien nacht den slaap niet
vatten. Ook ik was den geheelen avond zeer bewogen en lang behield
ik een gevoel van vreugde, van angst en bijna van berouw. Ik voelde
dat op dezen dag zich voor hem eene nieuwe wereld had geopend, eene
wereld van vreugde en van lijden,--de wereld der kunst. Het scheen
mij toe, dat ik iets gezien had dat niemand het recht heeft te zien,
het ontluiken van de geheimzinnige bloem der poëzie. Het was mij blij
en angstig te moede, evenals den schatgraver, die het wonderbloempje
wilde vinden; blij, omdat ik plotseling, geheel onverwacht, datgene
gevonden had, waarnaar ik twee jaren ijverig had gezocht,--de kunst om
te onderwijzen, de gedachten uit te drukken; angstig, omdat die kunst
nieuwe behoeften, eene geheele wereld van verlangens zou opwekken,
die, zooals ik toen meende, niet in overeenstemming waren met den
kring waarin mijne leerlingen leefden.
....Ik eindigde de les omdat ik zeer bewogen was.
"Wat scheelt u, waarom zijt gij zoo bleek, gij zijt toch niet ziek?",
vroeg mijn kameraad mij. Ik heb inderdaad slechts twee- of driemaal
in mijn leven zoo'n heftige aandoening gevoeld als op dien avond, en
lang heb ik er mij geen rekenschap van kunnen geven wat ik eigenlijk
voelde. Ik had eene vage gewaarwording, dat ik misdadig een blik had
geworpen op een geheimzinnigen arbeid, die verborgen moest blijven
voor het sterflijk oog. Het was mij, alsof ik bederf gezaaid had in
de pas ontwaakte ziel van dien boerenjongen.
....Vaag voelde ik berouw als over heiligschennis, en daarbij was het
mij zoo wel te moede, zoo blij, zooals het den mensch moet zijn die
iets aanschouwt dat nog geen sterfelijk wezen vóór hem heeft gezien.
III. De eerste Geschiedenisles.
Ik was van plan in de eerste les uit te leggen, waardoor Rusland
zich van de andere landen onderscheidt, waaraan het grenst, en hoe
het geregeerd wordt. Ik wilde vertellen wie op het oogenblik regeerde
en wanneer de Tsaar den troon had bestegen.
De onderwijzer. "Waar wonen wij, in welk land?"
Een leerling. "In Jasnaja Paljana."