"De school wordt gehouden in een steenen huis van twee verdiepingen. Er

zijn twee schoolvertrekken, eene werkkamer en twee kamers voor de

onderwijzers. Boven de stoep hangt onder een afdakje eene bel, en in

de gang bevinden zich gymnastiek-toestellen. In de gang, die men het,

even als de trappen, steeds kan aanzien dat zij veel beloopen wordt,

hangt ook eene werklijst. Om acht uur stuurt de onderwijzer een'

jongen, die gewoonlijk bij hem overnacht, naar beneden om te luiden.

"In het dorp is men reeds lang wakker, en een half uur nadat de bel

weerklonken heeft doemen uit nevel en mist kleine figuurtjes op,

die gezamenlijk, in clubjes van twee of drie, maar ook alleen, zich

schoolwaarts spoeden. De leerlingen hebben sedert lang niet meer de

behoefte om steeds als een kudde te zamen te loopen. Ook is het niet

meer noodig hen op te wachten en hun toe te roepen: 'kom kinderen, _na_

school'! Zij weten reeds dat men zegt _naar_ school; zij weten reeds

veel meer en, vreemd, als gevolg daarvan schuwen zij de eenzaamheid

niet meer.

"Niet slechts in zijne handen draagt de knaap niets mee, ook zijn

hoofd is niet bezwaard. Het is voor hem geen verplichting, de lessen

die hij gisteren gehad heeft, vandaag van buiten te kennen. Hij heeft

geen angst voor de les die hem wacht. Hij komt, zoo als hij is, met

zijn ontvankelijk gemoed, overtuigd dat het heden even prettig in

school zal zijn als gisteren. Hij denkt niet aan zijne klasse voordat

de school begonnen is. Nooit wordt het den kinderen verweten, zoo

zij verzuimen, en als gevolg daarvan mist er nooit iemand, behalve

misschien de grootste jongens, die in den drukken tijd vader moeten

helpen, maar die ook dan nog dikwijls, hijgend van vermoeidheid,

naar school komen. Is de onderwijzer nog niet aanwezig, dan wachten

zij op de stoep, spelen of maken een glijbaantje. Als het te koud is

gaan zij naar binnen en lezen of praten wat totdat de les begint. De

jongens en de meisjes bemoeien zich niet met elkaar, en zoo het al

geschiedt, dan nooit met één afzonderlijk.

"'Hei meiskes, waarom maken jelui geen glijbaantje?' 'Zie eens hoe

bevroren de meisjes er uitzien,' of 'meisjes, durf jelui met je allen

mij alleen wel aan?' Slecht één tienjarig meisje, met een bijzonder

helder verstand, wordt door de jongens hunne opmerkzaamheid waardig

gekeurd. Met deze ééne gaan zij om als met een' jongen, alleen

misschien een weinig beleefder en ingetogener."

In 1862 richtte Tolstoi het tijdschrift _Jasnaja Paljana_ op, waarin

verschillende opstellen voorkwamen over de theorieën, die op zijne

eigenaardige scholen in praktijk werden gebracht.

Wij zullen trachten een beknopt overzicht te geven van deze theorieën,

door Tolstoi in de vier volgende rubrieken ingedeeld:

1. Over de volksbeschaving. 2. Over de methodes om lezen en schrijven

te leeren. 3. Opvoeding en beschaving. 4. Verdere ontwikkeling der

beschaving.

"De volksbeschaving," zoo begint Tolstoi één van zijne eerste

artikelen, "was en is voor mij altijd een onbegrijpelijk iets

geweest. Het volk wil leeren en ieder afzonderlijk streeft onbewust

naar ontwikkeling. De meer ontwikkelde klasse, de hoogere standen,

evenals de regeering, streven er naar den minder bedeelden hunne kennis

mede te deelen. Beide partijen zouden door die overeenstemming gebaat

moeten zijn, maar het tegendeel is waar. Het volk verzet zich met

alle kracht tegen de hulp, die de regeering en de hoogere standen,

de vertegenwoordigers dus der meer ontwikkelde klasse, hun bieden,

zoodat de inspanning der laatsten vruchteloos is.

"Een van de redenen van dezen afkeer ligt in de wet op het lager

onderwijs, dat in Europa grootendeels verplicht is geworden, d.w.z. dat

men het volk dwingt lezen en schrijven te leeren, eene wet die men

helaas bij ons in Rusland ook tracht in te voeren.

"Waar dwang wordt uitgeoefend ontwikkelt zich ook verzet.

"Waarom bestaat er bij het volk verzet, terwijl het om beschaving

vraagt, zelf zich tracht te ontwikkelen en de opvoeding voor heilzaam

houdt?

"Men moet zich bij eene dergelijke botsing afvragen: 'wat is meer

gewettigd, verzet of medewerking?'

"De oplossing van dit vraagstuk is altijd ten gunste van den dwang

uitgevallen, maar om te dwingen moet men toch goede gronden kunnen

aanvoeren. En waar zijn die?" Hierop geeft Tolstoi het volgende

antwoord:

"Die gronden kunnen gevonden worden in: religie, filosofie, ervaring

en historie," hetgeen hij op de volgende wijze toelicht:

"In den tegenwoordigen tijd, nu de _godsdienst_ slechts zoo'n gering

deel uitmaakt van onze beschaving, kan hij voor het jonge geslacht

niet als dwangmiddel worden gebruikt.

"_Filosofische_ argumenten kunnen ook niet als zoodanig worden

aangemerkt. Alle filosofen, van Plato tot Kant, richten hun streven op

één punt: de school te bevrijden van haar hinderlijken, historischen

teugel, en in plaats daarvan datgene te vinden wat de mensch noodig

heeft. De meer of minder goede resultaten van dit streven vormen

den grondslag van hunne leer. Luther bracht den mensch er toe de

Heilige Schrift in hare oorspronkelijke gedaante, zonder commentaar,

te lezen. Bacon raadt aan, de natuur in de natuur te bestudeeren en de

wijsheid niet uit de boeken van Aristoteles te halen. Rousseau wil het

leven, zooals hij het begrijpt, door het leven leeren kennen en niet

afgaan op verouderde proefnemingen. Iedere schrede die de filosofie

voorwaarts doet, heeft ten doel op paedagogisch gebied de school te

bevrijden van die theorieën over het onderwijs, die men vroeger voor

de jeugd in toepassing bracht, en de aandacht op datgene te vestigen

wat het opkomende geslacht noodig heeft.

"Deze algemeene, doch zich zelf tegensprekende gedachte loopt door

de geheele filosofie; algemeen, omdat allen meer vrijheid voor de

school verlangen; zich zelf tegensprekend, omdat ieder paedagoog

de wet stelt die op zijne eigen theorie is gegrond, en daarmee een

hinderpaal is voor de vrijheid.

"De _ervaring_ op opvoedkundig gebied kan ons nog minder doen gelooven

in de noodzakelijkheid van den paedagogischen dwang. Behalve dat het

op zich zelf eene jammerlijke proefneming is, dat de school het kind

verwart, zijne geestesgaven verminkt, het in den besten tijd zijner

ontwikkeling aan zijn' familiekring ontrukt, het zijn levenslust

ontneemt en het maakt tot een gekweld, verschrompeld wezen, met eene

uitdrukking van vermoeidheid, angst en verveling, werktuigelijk

vreemde woorden uit een hem vreemde taal nazeggende,--behalve dat

alles verkrijgt men geen resultaat, omdat het gebrek aan vrijheid

elke mogelijkheid aan een' goeden uitslag te niet moet doen.

"De school moest het middel zijn voor de ontwikkeling en tevens

de toetssteen voor het jonge geslacht om steeds beteren uitslag te

verkrijgen. Slechts dan, als proefneming den grondslag der school

vormt, als deze beschouwd wordt als een paedagogisch laboratorium,

slechts in dat geval blijft de school niet ten achter bij den

algemeenen vooruitgang en dan kan alleen die proefneming een hechten

grondslag leggen voor wetenschappelijke ontwikkeling.

"De _historische_ gronden zijn niet minder wankel. De vooruitgang in

het leven, de techniek, de wetenschap gaan vlugger dan de vooruitgang

op school; deze blijft dus meer en meer terug en wordt daarom slechter

en slechter."

Op de bewering, dat de scholen goed zijn omdat zij bestaan en

altijd bestaan hebben, antwoordde Tolstoi met de beschrijving

zijner persoonlijke ervaring, opgedaan in Marseille, Parijs en

andere West-Europeesche steden, die hem de overtuiging schonk,

dat het grootste deel der volksontwikkeling niet in de scholen wordt

verkregen maar in het leven, dat de kennis op straat, in vergaderingen,

tentoonstellingen en uit de boeken opgedaan de schoolgeleerdheid

verre te boven gaat.

Ten slotte wendt Tolstoi zich met de volgende opmerking speciaal tot

de Russische paedagogen. "Aangenomen, dat de Duitsche school, ondanks

de fouten die haar aankleven, als historische proefneming is aan te

bevelen, welke reden hebben wij, Russen, dan nog om eene volksschool

te verdedigen, die wij niet hebben. Op welken historischen grond

kunnen wij verdedigen dat onze scholen op dezelfde leest geschoeid

moeten zijn als de West-Europeesche?

"Wat moeten wij, Russen, in de naaste toekomst doen? Zullen wij

overeenkomen als grondslag de meening der Fransche, Engelsche,

Duitsche of Noord-Amerikaansche paedagogen over te nemen? Of zullen

wij ons verdiepen in filosofie en psychologie om uit te vinden wat

noodig is voor de ontwikkeling van den menschelijken geest en voor

het opkomende geslacht, om dit naar ons begrip tot goede menschen te

vormen? Of wel, moeten wij van de historische ondervinding gebruik

maken, niet in den zin van het navolgen der oude gebruiken, maar zooals

de geschiedenis van het menschelijk lijden ons dat geleerd heeft, en

moeten wij eerlijk en oprecht erkennen, dat wij niet weten en niet

kunnen weten wat de toekomstige geslachten noodig hebben, maar dat

wij verplicht zijn deze behoeften te leeren kennen? Wij moeten niet

het onontwikkelde volk verwijten, dat het onze ontwikkeling niet aan

wil nemen, maar ons gebrek aan kennis en onzen trots, dat wij het

naar ons beeld willen vervormen.

"Laten wij toch het verzet van het volk tegen onze ontwikkeling niet

beschouwen als een der paedagogie vijandig element, maar integendeel

als eene uiting van goeden wil, die onzen arbeid moet leiden. Erkennen

wij ten slotte die wet, die zoo duidelijk spreekt uit de historie

der paedagogie en der ontwikkeling, dat, opdat de onderwijzer wete

wat goed en wat slecht is, de leerling de volle vrijheid moet hebben

zijne ontevredenheid te uiten, of minstens zich af te kunnen wenden

van de ontwikkeling, die hem instinctief niet bevredigt; erkennen

wij dat het kriterium enkel en alleen is--de vrijheid."

Het slot van dit artikel luidt:

"Wij weten dat slechts enkelen zich door onze bewijzen zullen

laten overtuigen. Wij weten dat onze overtuiging hierop berust,

dat de eenige methode voor beschaving in proefnemingen bestaat,

dat het eenige kriterium de vrijheid is. Voor den een is deze

bewering doodalledaagsch, voor den ander eene onduidelijke, abstracte

redeneering, voor een' derde eene fantasie en eene onmogelijkheid. Wij

zouden ons niet veroorloofd hebben de rust der paedagogen-theoretici

te verstoren, en eene overtuiging te uiten die in tegenspraak is met

de geheele wereld, indien wij ons wilden bepalen tot de uitgave dezer

artikelen. Wij gevoelen echter dat wij in staat zijn om schrede voor

schrede en feit voor feit de uitvoerbaarheid en de wettigheid van

onze stoute overtuigingen te bewijzen, en aan dat doel alleen wijden

wij het tijdschrift _Jasnaja Paljana_."

In het eerste nummer van dit orgaan richt Tolstoi zich op de volgende

wijze tot het publiek:

"Aan het publiek.

"Bij de betreding van dit voor mij nieuwe gebied word ik angstig

voor mij zelf, zoowel als voor de denkbeelden aan welker voltooiing

ik jarenlang gewerkt heb en die ik voor juist houd. Ik ben reeds van

te voren overtuigd dat vele van deze denkbeelden later zullen blijken

dwalingen te zijn. Hoeveel moeite ik mij ook gaf, het onderwerp in zijn

geheel te bestudeeren, zoo beschouwde ik het toch onwillekeurig van één

zijde. Ik hoop dat mijne ideeën tegenspraak zullen uitlokken. Alle

meeningen geef ik met genoegen eene plaats in mijn blad. Één

ding slechts zou ik vreezen, n.l. dat het meeningsverschil ons

verbitterde en de beschouwingen over het ons zoo dierbare onderwerp,

de volksbeschaving, in spot, personenstrijd of journalistieke polemiek

zouden kunnen ontaarden. Ik zeg niet dat spot en persoonlijkheden

mij niet kunnen deren, dat ik meen daar boven te staan. Integendeel,

ik erken dat ik bevreesd ben voor mij zelf, zoowel als voor de zaak;

ik vrees dat ik mij dan ook zou laten meesleepen door persoonlijke

polemiek, in plaats van mij rustig en onvermoeid aan mijn werk

te wijden.

"En daarom verzoek ik al mijne toekomstige tegenstanders, hunne meening

op eene zoodanige wijze te uiten, dat ik eene verklaring kan geven en

mijne bewijzen kan overleggen wanneer het meeningsverschil voortkomt

uit een misverstand, en mijne instemming kan betuigen dáár waar mij

bewezen wordt dat mijn inzicht niet juist is.

"Graaf L. Tolstoi."

In ieder nummer van het tijdschrift _Jasnaja Paljana_ werden opgenomen:

een of twee opstellen over de theorie der paedagogie; een overzicht

van de werkzaamheden der scholen, die onder Tolstoi's leiding

stonden; bibliografie; eene beschrijving van de schoolbibliotheek,

en--eene berekening van de uitgaven. Het bijblad bevatte grootendeels

bellettristische lectuur. De spreuk: "Glaubst zu schieben und wirst

geschoben," stond als motto aan het hoofd van het blad.

Het tijdschrift is eene bibliografische zeldzaamheid geworden. Behalve

Tolstoi's hoofdartikelen (opgenomen in deel IV van zijne verzamelde

werken), bevatte het blad verschillende losse op- en aanmerkingen,

beschrijvingen enz., die zeer belangrijk zijn voor den onderwijzer,

voor den theoretikus zoowel als voor den praktikus.

In een opstel over de methode om lezen en schrijven te leeren, zet

hij als zijne meening voorop, dat het lezen en schrijven niet de

eerste trap der beschaving is maar slechts een der hulpmiddelen. En

iets dat niet de eerste plaats inneemt is ook niet de hoofdzaak.

"Wanneer wij den eersten trap der beschaving willen vinden, waarom

zoeken wij dien dan in het lezen en schrijven en waarom niet

veel dieper? Waarom stil blijven staan bij één van de talrijke

hulpbronnen dezer beschaving en daarin de alfa en de omega zien,

terwijl het slechts een toevallig, weinig beteekenend middel is om

haar te verkrijgen?

"Het begrip 'beschaving' valt niet samen met het begrip 'lezen en

schrijven'.

"Wij zien menschen die zeer goed op de hoogte zijn van de hoofdzaken

der astronomie en wat daarop betrekking heeft, terwijl zij niet kunnen

lezen of schrijven. Men ziet eenvoudig door het leven gevormde lieden

bekwaam voor hun vak, met groote kennis en degelijk oordeel, die niet

kunnen lezen en schrijven, en daarentegen personen die dit wel kunnen

en ten gevolge hiervan geen nieuwe kundigheden hebben verworven."

Om te bewijzen dat de kennis van lezen en schrijven niet behoort tot

de dagelijksche behoeften van het volk, verwijst Tolstoi ons naar den

historischen gang van de ontwikkeling der inrichtingen van onderwijs.

"Eerst ontstonden niet de lagere, maar de hoogere scholen: eerst de

kloosterscholen, toen de middelbare, daarna de volksscholen. Het lezen

en schrijven is de laagste trap van ontwikkeling in deze georganiseerde

hiërarchie van de opleiding, of de eerste trap als men begint bij

het einde. En daarom beantwoordt de laagste school slechts aan de

eischen die de hoogste aangeeft. Er is echter nog een ander standpunt

van waaruit gezien de volkschool eene zelfstandige inrichting is, niet

verplicht de gebreken der hoogere scholen te dragen, een onafhankelijk

doel hebbende, een doel genaamd: 'de volksbeschaving.'

"De school voor lezen en schrijven is voor het volk als een werkplaats

en voldoet aan zijn begrensde behoeften; daarom is lezen en schrijven

voor dat volk een zeker soort van handwerk of kunst."

Nadat Tolstoi ons de beteekenis van het lezen en schrijven, en de

plaats die het in het volksleven inneemt, heeft aangewezen, gaat

hij over tot de beschouwing van de verschillende methodes van dit

onderwijs.

De deugden en de gebreken van verschillende andere methodes

ontledende, alleen even stilstaande bij de pedante Duitsche

Lautier-Anschauungs-Unterrichtsmethode, komt Tolstoi tot het besluit,

dat alle methodes goed en slecht zijn; dat de kunstvaardigheid en het

talent van den onderwijzer den grondslag vormen van iedere methode,

en ten slotte wendt hij zich met de volgende raadgevingen tot den

onderwijzer:

"Iedere onderwijzer in het lezen en schrijven moet één methode,

die voor het volk begrijpelijk is, goed kennen en daarmee proeven

nemen; hij moet verschillende methodes kennen, en die beschouwen als

hulpmiddel; het niet begrijpen van den leerling moet hij niet aan

dezen wijten, maar aan een gebrek in de methode, en hij moet dan

trachten eene andere manier van onderwijzen uit te vinden. Iedere

onderwijzer moet weten, dat iedere gekozen methode slechts eene

trede is, die men moet gebruiken om hooger te komen; moet weten,

dat, zoo hij dit verzuimt, een ander het doen zal; hij moet weten,

dat het geven van onderwijs eene kunst is die steeds hooger opgevoerd

kan worden en waarvan het einde en de volmaking niet zijn te bereiken."

Nog vollediger en duidelijker ontwikkelde Tolstoi zijne denkbeelden

over paedagogie in zijn geschrift: _Opvoeding en Beschaving_.

In de eerste plaats constateert hij het feit, dat deze twee begrippen

door het grootste deel der Russische en Europeesche paedagogen niet

van elkaar worden onderscheiden. Daarop tracht hij het verschil

aan te toonen en laat eene definitie volgen van de drie volgende

hoofdbegrippen: beschaving, opvoeding en onderricht.

"_Beschaving_ in den ruimen zin van 't woord is, volgens onze

overtuiging, eene samenvoeging van de invloeden die den mensch

ontwikkelen, hem eene ruimere wereldbeschouwing geven en hem nieuwe

kennis schenken. De kinderspelen, het verdriet, de ouderlijke

bestraffingen, boeken, het leeren (gedwongen of vrij), de kunst,

de wetenschap, het leven, alles geeft beschaving.

"_Opvoeding_ is de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met

het doel hem de algemeen aangenomen zeden en gebruiken te doen kennen.

"_Onderricht_ is eene overgave van kennis van den eenen mensch aan den

anderen (men kan onderwijs geven in het schaakspel, in geschiedenis,

in het laarzenmaken). Het leeren is eene schaduw van het onderricht,

is de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel

den leerling zekere physieke gewoonten te doen aannemen: het leeren

zingen, timmeren, dansen, roeien en uit het hoofd iets opzeggen. Het

onderricht en het leeren zijn middelen om te beschaven, zoo zij vrij

zijn, en middelen om op te voeden, zoo het leeren gedwongen en het

onderricht exclusief is, d.w.z. als de opvoeder slechts die vakken

onderwijst, die hij noodig acht.

"Opvoeding is gedwongen, beschaving is vrij. En van waar komt het

recht tot dien dwang?

"Dwang bij de opvoeding kan niet bestaan. Ik erken dien niet en hij

wordt, werd en zal niet erkend worden door het geheele jonge geslacht,

dat steeds en overal zich tegen gedwongen opvoeding zal verzetten."

Welke zijn de oorzaken van dezen dwang, dien het menschdom niet wil

erkennen? Op deze vraag geeft Tolstoi het volgende antwoord:

"Daar reeds sedert eeuwen abnormale verschijnselen, als dwang in

de opvoeding en de beschaving, bestaan, moeten de oorzaken in de

menschelijke natuur zijn vastgeworteld. Ik zie die oorzaken: 1. in

het familieleven, 2. in de religie, 3. in den staat, 4. in de hoogere

standen en bij ons in Rusland in de bekrompenheid van onze ambtenaren

en onzen adel."

Zonder den drie eersten oorzaken recht van bestaan toe te kennen, zegt

Tolstoi, dat hij ze toch begrijpen kan. "Het is moeielijk de ouders

te verhinderen, dat zij trachten hunne kinderen op te voeden zooals

zij zelf zijn opgevoed; het is moeielijk voor den geloovigen mensch

zijn streven niet daarop te richten, dat het kind in datzelfde geloof

opgroeit, en ten slotte is het moeielijk van de regeering te verlangen

dat zij niet zou zorgen voor de vorming van de noodige ambtenaren."

Maar welk recht heeft de bevoorrechte liberale klasse het volk, dat

haar vreemd is, op te voeden volgens eigen model? Dat kan slechts

verklaard worden door het bestaan van een grof-egoïstisch misverstand.

Waardoor ontstaat dit misverstand?

"Ik denk," zegt Tolstoi, "doordat wij de stem niet hooren die ons

roept, en wij hooren die niet omdat zij niet spreekt uit boeken, noch

van den katheder. Het is de machtige stem van het volk, waarnaar wij

moeten luisteren."

En dan treedt hij in beschouwingen over het uitgangspunt van dezen

opvoedingsdwang, d.w.z. van de inrichtingen voor onderwijs, van de

hoogste tot de laagste, en hij vindt bij haar geen troost voor de

toekomst. Onze universiteiten onderwerpt hij aan eene bijzondere

kritiek.

Hoewel Tolstoi den beschavenden invloed van de universiteit niet

geheel versmaadt, zegt hij toch:

"Ik erken het recht van eene universiteit, als deze beantwoordt

aan haar naam en aan haar grondbeginsel, n.l. lieden tot elkaar te

brengen om elkaar wederzijds te beschaven. Zulke universiteiten,

die wij officiëel niet kennen, bestaan en ontstaan in verschillende

hoekjes van Rusland: in de universiteiten zelf, in de kringen der

studenten. Hier komen menschen bij elkaar, men leest, spreekt met

elkaar, en ten slotte regelt men de samenkomsten en de onderwerpen

van gesprek. Dat is de ware universiteit. Onze hoogescholen zijn,

ondanks den ijdelen klank harer liberale inrichting, instellingen

die zich nergens door onderscheiden van de inrichtingen van onderwijs

voor vrouwen en van de cadettenscholen.

"Behalve alle afwezigheid van vrijheid en zelfstandigheid is hare

grootste fout dat zij buiten het leven staan.

"Zie, hoe de zoon van den landman leert landman, de zoon van

den kerkdienaar, kerkdienaar, de zoon van den herder, herder te

worden. Reeds van zijne jeugd af aan stelt hij zich op het juiste

standpunt tegenover de menschen, de natuur en het leven. Reeds in

zijne jeugd leert hij werkende, leert hij aldus te zorgen voor de

materiëele zijde van het leven, d.w.z. zich zijn dagelijksch brood,

kleeding en huisvesting te verschaffen.

"Zie nu naar den student, ontrukt aan zijne familie, heengeworpen

in eene vreemde stad, waar van alle kanten de verleiding lokt,

zonder middel van bestaan (want hetgeen hij van zijne ouders

krijgt reikt slechts voor het allernoodigste en wordt nog voor zijn

genoegen uitgegeven), in een' vriendenkring, die hem versterkt in

zijne fouten, zonder leiding, zonder doel, ontrukt aan het oude

leven en niet geschikt voor het nieuwe; ziedaar, op eene kleine

uitzondering na, de omstandigheden van den student. Zij worden

onvermijdelijk òf ambtenaren, alleen ten gerieve van de regeering, òf

ambtenaar-professoren, ambtenaar-letterkundigen, alleen ten gerieve van

de hoogere standen; òf menschen zonder levensdoel, ontrukt aan hunne

vroegere omgeving, met eene bedorven jeugd, geen plaats vindende in

het leven, de zoogenaamde jongelui met eene akademische opleiding,

de meer ontwikkelden, doch met een anderen naam, de opgewonden,

ziekelijke liberalen.

"De universiteit is de voornaamste van onze opvoedingsinrichtingen. Zij

meent de grootste rechten te hebben in zake opvoeding, en de

verkregen resultaten leveren ons het bewijs van de onwettigheid en het

onbestaanbare van haar opvoedingssysteem. Slechts van het gezichtspunt

der hoogere standen kan men genoegen nemen met de vruchten die zij

oplevert. De universiteit vormt geen lieden die noodig zijn voor het

geheele menschdom, doch alleen personen die onontbeerlijk zijn voor

de bedorven hoogere kringen der maatschappij."

Tolstoi heeft op deze radikale stellingen eenige tegenspraak verwacht

van menschen die het nieuwe schuwen, en sluit daarom zijn artikel

met het volgende antwoord:

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 28 / 32 段