"....En nu nog een woord over die ongelukkige historie met Tolstoi. Ik

reisde over Petersburg en hoorde van 'vertrouwbare personen' (o,

die vertrouwbare personen!) dat eene copie van mijn laatsten brief

(waarin hij mij zijne verachting te kennen geeft) in Moskou door

hem zelf zou zijn verspreid. Het maakte mij razend, en ik heb hem

eene uitdaging gezonden om, zoodra ik weer in Rusland zal zijn,

met hem te duelleeren. Tolstoi antwoordde dat het verspreiden van

dien brief een praatje is en voegde er bij dat, hoewel ik hem had

beleedigd, hij mij om verontschuldiging verzocht, en dat hij van het

duel afzag. Natuurlijk moet ik er nu ook genoegen mee nemen, maar nu

vraag ik u hem te willen mededeelen (hij schreef mij immers vroeger dat

hij ieder bericht van mij aan hem als eene beleediging zou opnemen),

dat ik zelf afstand doe van het recht om met hem te duelleeren, en

dat ik hoop dat deze gebeurtenis nu voor goed begraven is. Zijn' brief

met verontschuldigingen heb ik vernietigd en den anderen, dien hij mij

door Dawidoff had gestuurd, heb ik niet ontvangen. En daarmee basta."

In Tolstoi's dagboek vinden wij over deze zaak:

"October. Gisteren ontving ik een' brief van Toerghenjeff, waarin

hij mij beschuldigt hem voor een' lafaard te hebben uitgemaakt en

copieën van zijne brieven te hebben verspreid. Ik heb hem geschreven

dat dit praatjes zijn en zond hem bovendien den volgenden brief:

'Gij hebt mijn optreden eerloos genoemd; vroeger hebt gij mij in

het gezicht willen slaan, en ik erken dat ik schuld heb, vraag u om

verschooning en wensch niet meer te duelleeren.'"

Gravin Tolstoi schrijft in hare aanteekeningen, dat deze brief werd

geschreven met de gedachte, dat zoo Toerghenjeff zich niet persoonlijk

kon wreken, en toch tegenover het publiek in zijne eer hersteld moest

worden, hij dezen brief kon gebruiken. Tolstoi stond boven dergelijke

zaken, en het oordeel der menschen verachtte hij. Toerghenjeff toonde

zich nu klein, en antwoordde dat hij zich voldaan achtte.

Den 7den Januari schreef Toerghenjeff nogmaals aan Fet:

"....En nu ter zake. Hebt gij Tolstoi gezien? Eerst heden ontving ik

den brief, dien gij mij in September door bemiddeling van Dawidoff

stuurdet. (Wat zijn die Russische zakenmenschen accuraat!) Hierin

schrijft hij dat hij mij heeft willen beleedigen en biedt hij mij

zijne verontschuldiging aan. En in dien zelfden tijd stuurde ik hem,

opgewonden door 't gepraat van anderen, eene uitdaging voor een duel.

"Uit een en ander maak ik de gevolgtrekking dat onze gesternten zich

in tegengestelde richtingen bewegen, en daarom is het beter, zooals

hij zelf ook inziet, eene ontmoeting te vermijden. Maar gij kunt hem

schrijven, of zeggen, dat ik hem, wanneer wij ver van elkaar zijn,

acht en liefheb, en met belangstelling zijne loopbaan volg, maar dat

dit alles verandert zoodra wij bij elkaar zijn. Wat kan men daaraan

doen! Wij moeten maar denken dat wij ieder op een verschillende

planeet of in eene andere eeuw leven."

Waarschijnlijk heeft Fet er met Tolstoi over gesproken en daardoor

opnieuw diens misnoegen opgewekt, hetgeen hij aan Toerghenjeff heeft

geschreven, waarop deze den volgenden brief zond.

"Januari 1862.

"Waarde Afanasie Afanasjewitsch!

"Allereerst vraag ik u excuus voor al de onaangenaamheden, die mijn

brief u bezorgd heeft. Mijne eenige verontschuldiging is, dat ik

niet had voorzien dat Tolstoi de zaak zoo op zou nemen, maar dat

ik integendeel had gedacht haar tot een goed einde te brengen. Het

schijnt echter beter het geval geheel te laten rusten. Nogmaals,

vergeef mij wat ik onwillekeurig misdeed."

En hiermede eindigen wij de beschrijving van deze ongelukkige

gebeurtenis, die plotseling eene scheiding veroorzaakte tusschen twee

groote mannen, doch waaruit misschien later eene zuiverder verhouding

zou ontstaan.

Wij kunnen hier nog bij voegen dat de wijze, waarop Garschin dezen

twist in het Januari-nummer van den Historischen Bode beschreven heeft,

niet juist is. Waarschijnlijk heeft hij niet uit zuivere bronnen geput.

In de jaren 1861 en '62 bekleedde Tolstoi het ambt van vrede- en

scheidsrechter in een deel van het district Krapiwenski.

De roep, die van hem uitging, dat hij zijne boeren niet uitzoog

en uitmergelde, was bijna een hinderpaal geworden voor zijne

bevestiging in bovengenoemd ambt. Hierover ontspon zich eene uitvoerige

correspondentie, waarvan wij slechts de belangrijkste stukken laten

volgen.

De gouvernements-adelmaarschalk beklaagde zich o.a. bij den minister

van binnenlandsche zaken over den gouverneur van Toela, die Tolstoi tot

vrede- en scheidsrechter had benoemd. Hij wees er op, dat de geringe

overeenstemming tusschen Tolstoi en den overigen adel van Toela,

in zake landhuishoudkunde, aanleiding kon geven tot ongewenschte

botsingen tusschen de leden van het lichaam waar Tolstoi nu deel van

uitmaakte. Daarbij zou de benoeming zijn geschied met verwaarloozing

van eenige daaraan verbonden formaliteiten.

De minister antwoordde daarop, dat de zaak waarschijnlijk op een

misverstand berustte en onderzocht zou worden.

Op eene aan hem gerichte vraag antwoordde luitenant-generaal Daragan,

de gouverneur van Toela, in een confidentiëel schrijven, o.a. het

volgende:

"Ik ken graaf Tolstoi persoonlijk als een beschaafd, ontwikkeld mensch,

die zeer veel voor de bewuste zaak voelt. Daarbij hebben verschillende

landeigenaren uit dit district mij hun' wensch te kennen gegeven,

graaf Tolstoi als scheidsrechter benoemd te zien, zoodat er voor

mij geen reden bestaat hem door een ander, mij onbekend, persoon te

vervangen. Ook heeft de voorganger van Uwe Excellentie, onder vele

andere invloedrijke personen, mijne aandacht op hem gevestigd."

Zoo bleef Tolstoi dus in zijn ambt gehandhaafd en uit de stukken,

die ons zijn geworden, blijkt, dat hij met al de kracht die in hem

was trachtte het volk te vrijwaren voor de groote willekeur der

landeigenaren en politie-ambtenaren, zoodat de vrees van den adel

voor zijne benoeming niet ongegrond bleek te zijn.

Wij zullen hier eenige voorbeelden van zijne werkzaamheid laten volgen.

Eene landeigenares, eene zekere Artjoechowa, beklaagde zich dat een

gewezen stalknecht van haar was weggegaan, omdat hij volgens zijne

verklaring "een volkomen vrij man" was.

Tolstoi antwoordde hierop:

"Mark kan volgens mijne uitspraak met zijne vrouw gaan waarheen hij

wil. Beleefd verzoek ik u nog het volgende: hem schadevergoeding te

geven voor de diensten, die gij gedurende drie maanden wederrechtelijk

van hem genoten hebt, alsook voor de slagen zijne vrouw toegebracht,

hetgeen nog meer tegen de wet is. Indien gij geen genoegen neemt met

mijn besluit, dan hebt gij het recht in beroep te gaan bij het vrede-

en bij het gouvernements-gerecht. Ik zal in deze zaak geen verdere

verklaringen meer geven.

"Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn

"Uw onderdanige dienaar Graaf L. Tolstoi."

De eischeres teekende protest aan en de overige leden van het

vredegerecht, die tegenstanders van Tolstoi waren, stelden hem, zooals

in vele andere gevallen, in het ongelijk. Daarop ging de zaak naar

de tweede instantie, die zich nu--en dit geschiedde meermalen--met

Tolstoi's uitspraak vereenigde.

Zoo werd Mark dus vrij verklaard en zijne vrouw kreeg eene

schadeloosstelling voor de haar toegebrachte slagen.

Zijne volgende uitspraak gold een' strijd over het afgrazen van

eene weide.

Eenige boeren, die bij een' landeigenaar aan 't ploegen waren, hadden

in het schaftuur hunne paarden op diens weide laten grazen. Hij ging

zich daarover bij Tolstoi beklagen. Deze ried hem aan de boeren niet

te vervolgen, waarschijnlijk in de hoop dat eene betere verhouding

tusschen dien landeigenaar en de boeren daarvan het gevolg zou

zijn. De aanklager wilde hier niets van hooren, maar eischte eene

schadevergoeding van tachtig roebel.

De wijze waarop Tolstoi deze zaak behandelde bevredigde den

landeigenaar niet, en hij beklaagde zich bij het gerecht.

"...Graaf Tolstoi," schreef hij, "verscheen met drie boeren,

die als deskundigen moesten optreden, in de bewuste weide. De

boeren gaven als hun oordeel te kennen, dat er drie desjatin waren

afgeweid, vertegenwoordigende eene waarde van dertig roebel. Graaf

Tolstoi was het met deze uitspraak niet eens en schatte de schade

op vijftien roebel. De deskundigen spraken den graaf niet tegen,

en zoo werden de boeren dus tot eene schadeloosstelling van vijftien

roebel veroordeeld."

De landeigenaar, die deze uitspraak niet in overeenstemming met de

wet vond, voegde hier nog aan toe:

"Ik ben overtuigd dat het vredegerecht, steeds geneigd het lot van

de boeren te verbeteren, niet zal dulden dat deze verbeteringen

zullen geschieden langs den weg, door den vrederechter graaf Tolstoi

aangewezen."

Derhalve ter verantwoording geroepen, antwoordde Tolstoi, dat hij op

grond van artikel 29, 31 en 32 van de wet tot regeling van de zaken

der boeren, het niet noodig oordeelde eenige opheldering te geven. De

zaak ging verder naar het gouvernements-gerecht en werd teruggezonden

zonder eenige schriftelijke verklaring, met de kantteekening "accoord",

zoodat de beslissing wederom ten gunste van Tolstoi uitviel.

Het volgende voorval toont, hoe weinig eerzuchtig Tolstoi in zijne

betrekking was. Steeds streefde hij er naar zoo rechtvaardig mogelijk

te handelen, en mocht hij zich al eens vergissen, dan erkende hij

dit volmondig.

Een grondeigenares had zich beklaagd dat Tolstoi aan een van hare

knechts wederrechtelijk een' pas had uitgereikt. Toen bij het onderzoek

bleek dat hare aanklacht gegrond was, erkende hij eene fout te hebben

begaan en bood aan haar schadevergoeding te geven.

Hoewel Tolstoi altijd opkwam voor hunne rechten had hij dikwijls zeer

veel last met de boeren, die, na de opheffing van de lijfeigenschap,

hardnekkig hunne vroegere voorrechten trachtten te behouden.

Tusschen den landeigenaar Osipowitsch en zijne gewezen lijfeigenen

was het volgende geschil ontstaan. Een gedeelte van het dorp was door

brand vernield en nu wilde de landheer den boeren niet toestaan hunne

hutten weer op dezelfde plaats op te bouwen; bovendien onthield hij

hun het noodige materiaal en den vereischten vrijen tijd.

Tolstoi vond eenerzijds de eischen der boeren wettig, maar aan

den anderen kant zag hij dat de omstandigheden van den kleinen

grondeigenaar zóó waren, dat hij er onmogelijk aan kon voldoen. Hij

wendde zich nu tot den adel met een verzoek om hulp voor den

collega-landheer, wiens zaken zoo achteruit waren gegaan, of voor

diens boeren. Maar zijn verzoek werd afgewezen en men begon de boeren

te dwingen de eischen van den landheer in te willigen.

De zaak werd van de eene instantie naar de andere verwezen en kwam

maar niet tot een eind. Tolstoi zag in, dat het niet gunstig voor de

boeren zou afloopen, en teekende daarom nogmaals protest aan. Maar

dit bracht geen verandering in de behandeling der zaak, en toen hij

begreep dat door de leden van het gerecht met opzet een verkeerde

weg werd ingeslagen en dat hij niet krachtig genoeg was dit tegen

te gaan, verliet hij bij wijze van protest de vergadering, zonder

de behandelde stukken te onderteekenen. Wegens deze handelwijze werd

eene aanklacht ingediend bij het gouvernementsgerecht, waarop echter

geen acht werd geslagen.

Over 't algemeen trachtten de landeigenaren hun' boeren zoo weinig

mogelijk grond te geven en hen met de slechtste stukken af te

schepen. Wanneer Tolstoi een dergelijk streven opmerkte, kwam hij

tusschen beiden en zorgde dat er verandering in kwam.

Het spreekt van zelf dat de sympathie, die Tolstoi den boeren toedroeg,

den landeigenaren een doorn in het oog was. Zij beschuldigden hem

dat hij tweedracht zaaide; dat hij de patriarchale verhouding,

die er steeds tusschen den landheer en de boeren had bestaan,

verstoorde, waardoor de boeren tot onwettige handelingen kwamen;

zij beklaagden zich dat zelfs de leden van het boeren-bestuur, om

Tolstoi te gerieven, hunne plichten verzaakten, zoodat er anarchie

in het dorp heerschte en onregelmatigheden, als diefstal, willekeur

en verregaande onafhankelijkheid, welig tierden.

Hoe beter de verhouding met de boeren werd, des te onaangenamer werd

die met den adel en de overige landeigenaren, zoodat Tolstoi's positie

steeds moeilijker en ten slotte onhoudbaar werd. In Juni 1861 schreef

hij in zijn dagboek:

"Mijn ambt van vrederechter heeft mij weinig materiaal geleverd, mij

in onmin gebracht met alle landeigenaren en mijne gezondheid verwoest."

Nog eenige maanden bleef Tolstoi op zijn post, maar in Februari 1862

besloot hij zijn ontslag te nemen.

De aanvraag hiertoe omkleedde hij met alle redenen die hem tot deze

daad noopten, wijzende op de systematische tegenwerking die hij

steeds had ondervonden, en zelfs revisie vragende van enkele tegen

zijn advies in genomen besluiten. Tevens verzocht hij verlof zijn

ambt voorloopig aan den oudsten kandidaat te mogen overdragen.

Een' tijd lang bleef Tolstoi nog in functie, maar den 30sten April

droeg hij, wegens zijne geschokte gezondheid, zijn ambt tijdelijk aan

een' ander over. Eindelijk, 26 Mei, kwam bericht bij den gouverneur van

Toela, dat het verzoek werd ingewilligd en hij om gezondheidsredenen

was ontslagen.

De volgende schets, ontleend aan Löwenfeld, toont ons duidelijk hoe

onrechtvaardig Tolstoi werd beschuldigd de boeren te bevoordeelen

ten koste van de landeigenaren.

"Een jonge Duitscher, in betrekking bij een' landeigenaar in Toela,

moest voor zaken van zijn' patroon Tolstoi op Jasnaja Paljana

bezoeken. Er was een verschil gerezen over een stuk grond tusschen

den landheer en zijne boeren, en in zijne kwaliteit van scheidsrechter

moest Tolstoi uitspraak doen in deze zaak.

"Om een oordeel te kunnen vellen moest hij den grond zelf in

oogenschouw nemen, en daarom begaf hij zich, vergezeld van een'

twaalfjarigen boerenjongen, dien hij zijn kleinen landmeter noemde,

naar de aangeduide plaats. Hier ontving hij de boerendeputatie,

bestaande uit drie personen, die hunne belangen kwamen bepleiten.

"'Nu kinderen, wat wenscht ge?' vroeg graaf Tolstoi. De afgevaardigden

legden hem uit, dat zij een ander stuk grond wenschten te ontvangen

dan hun was toegewezen.

"'Het spijt mij zeer, dat ik uw verzoek niet kan inwilligen,' zeide

graaf Tolstoi, 'want als ik het toestond dan zou ik uwen landheer

zeer benadeelen,' en daarop begon hij hun de redenen zijner weigering

duidelijk uiteen te zetten.

"'Och, doe maar iets voor ons,' vroegen de boeren.

"'Neen, ik kan niets voor u doen,' herhaalde graaf Tolstoi.

"Alsof zij niets gehoord hadden, herhaalden de boeren, die met

eerbiedig gebogen hoofd voor hem stonden: 'och, doe iets voor ons,

vadertje, doe iets voor ons.'

"'Wanneer gij wilt, vadertje,' begon opnieuw de woordvoerder,

'dan kunt gij wel iets voor ons doen,' en de overige leden van de

deputatie knikten bij wijze van instemming met hun hoofd.

"Graaf Tolstoi bekruiste zich en zeide: 'Bij Gods rechtvaardigheid

zweer ik u, dat ik u niet kan helpen.' En toen de boeren maar

door zeurden: 'Och vadertje, doe iets voor ons, doe iets voor ons,

vadertje', wendde hij zich driftig tot den jongen Duitscher, die

ook aanwezig was en zeide: 'Misschien kon Amfion nog vlugger bergen

en bosschen verzetten dan wij dezen boeren iets aan het verstand

kunnen brengen.'

"Bij de voortzetting van het gesprek, dat nog wel een uur duurde,

verloor graaf Tolstoi geen oogenblik zijn geduld en bleef hij steeds

welwillend. De halsstarrigheid van de boeren ontlokte hem niet één

ruw woord."

Vorst Dmitri Dmitrijewitsch Obolenski vertelt ons nog eene herinnering

van een feestdiner, waarbij Tolstoi zijn buurman was.

"Bij gelegenheid van eene verkiezing werd den leden van het

scheidsgerecht een feestdiner aangeboden.

"Dat diner zal ik niet licht vergeten. Na afloop bleven eenige

landeigenaren, waaronder natuurlijk ook ik, nog een oogenblikje

napraten. Toevallig kwam ik naast Tolstoi te zitten, met wien ik

toen al heel goed bekend was. Er werden eenige toasten uitgebracht;

de eerste, die met groot enthousiasme werd ontvangen, gold den 'Tsaar,

den Bevrijder'.

"'Ik drink dien toast met zeer veel genoegen,' zeide Tolstoi, 'want

alleen aan hem hebben wij de emancipatie te danken...'

"In het jaar van de afschaffing der lijfeigenschap (vervolgt Obolenski)

stichtte Leo Tolstoi eenige scholen in Jasnaja Paljana, waarvoor ik mij

zeer interesseerde. Ik bezocht hem dikwijls en in den herfst gingen

wij veel samen jagen. Wie zou nu in den vluggen jager, voor wien

geen sloot te breed was, met wien ik dagen achtereen op jacht ging,

den diepzinnigen filosoof herkennen! Aangenamer gezelschap kan men

zich moeielijk denken. Een goed vrederechter vind ik hem echter niet,

daarvoor was hij veel te verstrooid. Als den dag van gisteren herinner

ik mij nog het eerste protocol dat hij indiende. Het onderschrift

luidde letterlijk:

"'Dit protocol zal op verzoek van een' zekeren die-en-die, niet

kunnende schrijven, door een' zekeren stalknecht zoo-en-zoo worden

onderteekend.' Alle namen waren vergeten. Zooals graaf Tolstoi het

gedicteerd had, had de knecht het opgeschreven zonder één naam in

te vullen, en zoo werd het, zonder te zijn doorgelezen, door Tolstoi

onderteekend en doorgezonden naar het gouvernements-gerecht.

"Ik hoorde deze geschiedenis van mijn' oom, die als lid van

bovengenoemd lichaam het protocol had ontvangen."

Tolstoi onderscheidde zich niet door kanselarijarbeid, maar hij

was, wat zijn hart en verstand betreft, uitstekend berekend voor

het ambt van scheidsrechter, en als zoodanig heeft hij ook goede

herinneringen achtergelaten. In zijne paedagogische loopbaan, waarop

wij in het volgende hoofdstuk zullen terugkomen, was hij, ondanks

eenige tegenspoeden, zeer gelukkig.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

TOLSTOI'S PAEDAGOGISCHE WERKZAAMHEDEN.--DE OPRICHTING VAN

SCHOLEN.--THEORIEËN.

Reeds eenige malen had Tolstoi zich met paedagogischen arbeid bezig

gehouden. In het jaar 1849, teruggekeerd uit St.-Petersburg, stichtte

hij eene volkschool te Jasnaja Paljana en voerde eenige verbeteringen

in, in de hoop daardoor het volk nader te komen. Wij weten dat deze

eerste proefneming met eene mislukking eindigde. Bij zijn vertrek

naar den Kaukasus werd de school natuurlijk gesloten, doch zij werd

weer geopend na zijn eerste buitenlandsche reis.

Tolstoi was zich zijn gebrek aan theoretische kennis volkomen bewust,

en haastte zich dit tekort aan te vullen op de door ons in het vorige

hoofdstuk beschreven wijze. Na zijn' terugkeer uit het buitenland

voelde hij zich krachtig genoeg om eene nieuwe proef te wagen. Wederom

ging hij zich wijden aan het volksonderwijs en bracht dat tot eene

nog ongekende hoogte.

In een van zijne artikelen over paedagogie heeft hij over zijne

proefnemingen en voorbereidingen in zake schoolarbeid het volgende

gezegd.

"Toen ik, nu ongeveer vijftien jaar geleden, zonder eenige

voorbereiding, zoo min practisch als theoretisch, alleen bezield met

den innigen wensch een goed onderwijzer in mijne school te zijn,

mij voor het eerst ging wijden aan het volksonderwijs, stootte

ik dadelijk op de twee vragen: 'wat moet ik onderwijzen?' en 'hoe

moet ik onderwijzen?' De meeningen van de verschillende personen

die belang stellen in volksontwikkeling, loopen hierover, thans

zoowel als vroeger, zeer uiteen. Sommigen antwoorden op de vraag

'wat moet ik onderwijzen?' dat, behalve het lezen en schrijven, de

natuurwetenschappen voor eerstbeginnenden zeer nuttig zijn; anderen

weer oordeelen deze geheel overbodig, ja zelfs schadelijk. De een geeft

de voorkeur aan aardrijkskunde en geschiedenis, de ander ontkent de

noodzakelijkheid daarvan, een derde pleit voor de oude Slavische taal,

spraakkunst en godsdienstonderwijs, en nummer vier acht ook dit niet

goed, maar is voor algemeene ontwikkeling.

"Over de vraag: 'hoe moet ik onderwijzen?' liepen vroeger, en loopen

ook nu nog, de meeningen nog meer uiteen, en de verschillende wijzen

waarop schrijven, lezen en rekenen worden onderwezen zijn ook nu,

evenals vroeger, in tegenspraak met elkaar.

"Toen ik in de Russische litteratuur geen bevredigend antwoord op

deze vragen vond, wendde ik mij tot de Europeesche. Ik las alles wat

er over paedagogie geschreven was, richtte mij tot de beroemdste

vertegenwoordigers van deze wetenschap in Europa en vond niet

alleen geen antwoord op mijne vraag, maar kwam tot de overtuiging,

dat in de paedagogie als wetenschap eene dergelijke vraag niet eens

bestond; dat iedere paedagoog, voorstander van eene zekere school,

onvoorwaardelijk geloofde in de juistheid van zijne methode. Kritiek

daarop uit te oefenen zou een nuttelooze arbeid zijn geweest. En

daarbij, waarschijnlijk omdat ik mij aan de opvoeding van 't volk ging

wijden zonder eenige voorbereidende studie, zonder er in de verste

verte begrip van te hebben hoe ik moest onderwijzen, maar zelf in de

dompige dorpsschool begon te schoolmeesteren, vestigde zich bij mij de

overtuiging dat er een kriterium moest zijn volgens hetwelk de vraag

kon worden opgelost: 'hoe en wat moet men onderwijzen: het psalmboek

van buiten leeren of de grondbeginselen der natuurkunde? Het alfabet

onderwijzen volgens de Duitsche- of volgens de oud-Slavische methode?'

"Ik werd bij de oplossing van deze vraag geholpen door een weinig

paedagogisch talent en doordat de zaak mij zoo zeer ter harte

ging. Toen ik in onmiddellijke aanraking kwam met de veertig kleine

boertjes, die mijn school bezochten (ik noem hen kleine boeren

omdat zij alle karaktertrekken, zooals vlug begrip, praktischen zin,

vroolijkheid, eenvoud en afwezigheid van alle valschheid aan den dag

legden, die den Russischen boer eigen zijn), en zag hoe ontvankelijk

zij waren voor de wetenschappen die zij noodig hadden, begreep ik

tevens dat de oude kerkelijke methode van onderwijzen een verouderd

standpunt was, dat niet meer voor hen deugde. Ik beproefde het op eene

andere manier, en daar ik afkeerig ben van allen dwang, zette ik nooit

door zoodra ik bemerkte dat de leerstof niet goed werd verwerkt. Deze

proefnemingen bewezen mij, en ook den onderwijzers die volgens mijne

vrije methode op de andere scholen te Jasnaja Paljana les gaven,

dat bijna alles wat men in de paedagogische wereld over schoolzaken

schrijft, geheel in strijd is met de werkelijkheid; dat er onder

de aangenomen leervakken veel is, b.v. natuurkundige wetenschappen,

aanschouwelijk onderwijs en andere, dat den leerlingen afkeer en spot

inboezemt en dat zij niet kunnen verwerken. Toen begonnen wij naar

leerstof te zoeken die gemakkelijk door de kinderen werd begrepen,

en zoo vormde ik dus mijne eigene methode, die echter nog op één lijn

stond met alle andere, terwijl de vraag waarom zij beter was ook nog

onopgelost bleef.

"....In dien tijd werden mijne paedagogische geschriften nog met

de grootste onverschilligheid ontvangen. Men viel hier en daar

over eene kleinigheid, maar voor het vraagstuk zelf interesseerde

men zich blijkbaar niet. Ik was toen nog jong en die koelheid deed

mij veel verdriet. Ik begreep niet dat ik met mijne vraag 'hoe en

wat moeten wij onderwijzen?' gelijk was aan den man, die in eene

vergadering van Turksche pasha's, beraadslagende over het vraagstuk:

'hoe kunnen wij de meeste belasting innen?' ten antwoord gaf: 'mijne

heeren, om te weten van wien en hoeveel belasting gij kunt eischen,

moet gij eerst eene oplossing vinden voor de vraag: "waarop berust

het recht, dat wij belasting eischen?"'

"Waarschijnlijk hebben de pasha's met een minachtend voorbijgaan van

deze ongepaste vraag hunne beraadslagingen voortgezet." [121]

Uit Tolstoi's brieven hebben wij gezien, hoe hij ook gedurende zijn

verblijf in het buitenland vervuld was van zijne scholen.

Met groote regelmatigheid wijdde Tolstoi zich, na zijne terugkomst in

het voorjaar van 1861, aan de taak, die hij zich zelf had opgelegd,

en in 1862 kon hij met tevredenheid constateeren, dat er op eene

bevolking van 10,000 zielen, behalve de kerkelijke, reeds 14 nieuwe

scholen verrezen waren. Ook in de omliggende districten nam het aantal

scholen snel toe.

...."De betaling voor deze scholen geschiedde eenvoudig volgens

eene mondelinge afspraak met de ouders of met het bestuur van de

boerenvereeniging. Iedereen zal moeten toestemmen, dat een dergelijke

betrekking wel de meest gewenschte kan zijn die er tusschen onderwijzer

eenerzijds en ouders of boeren anderzijds kan bestaan."

In een van Tolstoi's paedagogische artikelen geeft hij eene zeer

uitvoerige beschrijving van de oprichting zijner scholen.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 27 / 32 段