de les beginnen, toen de deur openging, en een seminarist met eene
hoofdbuiging meldde: 'Hier is iemand die u wenscht te spreken.'
"Hij had een' heer bij zich, die zich niet voorstelde en die ik voor
een' Duitscher hield, omdat hij even zuiver Duitsch sprak als wij.
"'Welke les gaat gij geven?' vroeg hij.
"'Eerst geschiedenis en dan Duitsch,' antwoordde ik.
"'Heel goed; ik heb reeds verschillende scholen in Zuid-Duitschland,
Frankrijk en Engeland bezocht, en wilde nu gaarne met de Noord-Duitsche
kennis maken. Hoeveel klassen heeft uwe school?'
"'Zeven; dit is de tweede. Ik ken echter mijne leerlingen nog niet,
omdat ik pas met hen ben begonnen en kan dus waarschijnlijk uwe
nieuwsgierigheid niet bevredigen.'
"'Dat is mij precies gelijk. Hoofdzaak voor mij zijn het leerplan en
de methode. Vertel mij, als gij wilt, eens volgens welke methode gij
geschiedenis onderwijst.'
"'Ik heb zelf een plan ontworpen.' Toen ik dat nu den vreemden leeraar
in de geschiedenis, waarvoor ik hem hield, ging verklaren, nam deze
een notitieboekje uit zijn' zak, waarin hij ijverig aanteekeningen
maakte. Plotseling zeide hij:
"'Het komt mij voor dat in dit zoo goed doordachte plan de
vaderlandsche geschiedenis ontbreekt.'
"'Neen, die is niet vergeten, maar daarmee beginnen wij pas in de
volgende klasse.'
"Het werd tijd voor de les, en ik begon te vertellen van de
verschillende trappen van beschaving. De vreemdeling ging stil door met
het maken van zijne aanteekeningen, en vroeg toen de les geëindigd was:
'Wat nu?'
"'Duitsch. Ik wilde, eerlijk gesproken, de kinderen laten lezen, maar
als gij iets anders liever hebt, dan zal ik het gaarne veranderen.'
"'Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Weet gij, ik heb er veel
over nagedacht hoe men de vrije gedachte van de kinderen kan
ontwikkelen.' (In het Duitsch zeide hij letterlijk: de gedachte
'flüssig machen,' eene uitdrukking die ik nooit zal vergeten.) Ik
deed mijn best om aan zijn' wensch te voldoen.
"Ik noemde een onderwerp, en daarover moesten de kinderen een opstel
maken. De vreemdeling stelde hier veel belang in, liep tusschen
de banken door, nam beurtelings de schriften van de kinderen en
las wat zij hadden neergeschreven. Ik bleef op mijne plaats, om de
leerlingen niet af te leiden. Toen de opstellen bijna klaar waren,
vroeg mijn gast:
"'Mag ik nu het werk meenemen? Ik stel er heel veel belang in.'
"Dat is toch al te erg, dacht ik, maar antwoordde beleefd, dat
het onmogelijk ging, daar de kinderen hunne schriften zelf moesten
bekostigen; dat de Weimarsche bevolking arm was en de ouders boos
zouden worden, zoo men hen verplichtte nieuwe te koopen.
"'Dat is te verhelpen,' zeide hij, en ging weg.
"Ik wist niet hoe ik het had, en stuurde een kind naar mijn' vriend,
den directeur van het seminarium, met de boodschap dat hij eens moest
komen, omdat er bij ons iets heel ongewoons voorviel. Mijn vriend kwam.
"'Nu heb je mij een koopje bezorgd,' zeide ik, 'mij zoo'n zonderling
te sturen, die de schriften der kinderen mee wil nemen.'
"'Ik heb niemand gestuurd,' antwoordde hij.
"'Maar gij zijt toch de directeur van het seminarium, en een
seminarist heeft hem immers gebracht.' Toen herinnerde hij zich,
dat er in zijne afwezigheid een hooggeplaatst ambtenaar bij zijne
vrouw was geweest, die haar verzocht had er zorg voor te dragen dat
men den hem vergezellenden heer alle door hem gewenschte inlichtingen
zou verschaffen.
"Terwijl wij zoo het geval bespraken, keerde de vreemdeling terug met
zijn' arm vol schriften, die hij in den eersten den besten winkel had
gekocht. Daar de beide heeren gelijktijdig bij mij waren, moest ik
hen wel aan elkaar voorstellen, en wisselden zij dus de gebruikelijke
plichtplegingen.
"'Monhaupt, directeur van het gymnasium.'
"'Graaf Tolstoi uit Rusland.'
"Hij was dus een graaf en geen leeraar! en een Rus. En hij sprak
Duitsch als een geboren Duitscher.
"De kinderen kregen bevel hunne opstellen over te schrijven in
de schriften, welke graaf Tolstoi had meegebracht. Hij verzamelde
ze zorgvuldig, rolde ze op en gaf ze aan een' bediende, die bij de
deur op hem wachtte. Van mij ging hij met den directeur naar Trebst,
een leeraar aan de Hoogere Burger-School, dien hij vroeger eens in
Rusland had leeren kennen."
Dr. von Bode eindigt zijn artikel met de volgende woorden, gewijd
aan den ouden onderwijzer:
"Nu moet ik nog een paar woorden zeggen van den ouden Schlentzer. Hij
stierf in 1905 op bijna 93-jarigen leeftijd. Voor mij was hij een
zeer merkwaardig mensch, omdat hij de twee mannen gekend heeft aan
wier boeken ik het beste deel van hetgeen ik weet heb ontleend. Hij
heeft Goethe en Tolstoi gekend. Eens heeft Schlentzer met Goethe
gesproken. Hij was in 1828 gymnasiast te Weimar en woonde met een'
schoolkameraad bij Eckermann, op een paar schreden afstand van het
huis van Goethe. De beide jongens zagen hem dikwijls voor het raam
zitten, en daar zij hem zoo graag eens van dichtbij wilden zien en
met hem wilden praten, vroegen zij Eckermann of die hun daartoe niet
eens in de gelegenheid kon stellen.
"En zoo gebeurde het, dat Eckermann hen op een' zomermorgen door
een poortje Goethe's tuin binnen liet gaan, waar de dichter liep
te wandelen. Toen hij de gymnasiasten zag, ging hij naar hen toe,
vroeg wie zij waren, wat zij wilden worden, en gaf hun den raad flink
te studeeren.
"Er was niets merkwaardigs in dit gesprek, maar Schlentzer, dien toch
in zijn leven, als onderwijzer en als mensch, veel eer te beurt viel,
verzekerde mij dat niets hem zooveel genoegen had gedaan als dat
korte gesprek met zijn' beroemden tijdgenoot."
Van Weimar ging Tolstoi naar Gotha, waar hij de groote
Fröbelkindertuinen bezocht en kennis maakte met de eerste
paedagogen. In Jena kwam hij in aanraking met den jongen mathemathicus
Keller, dien hij overreedde mee naar Rusland te gaan, om hem bij de
uitvoering zijner opvoedingsplannen te helpen. Tolstoi hield zich ook
nog eenige dagen te Dresden op, waar hij Auerbach weer ontmoette. In
zijn dagboek vinden wij de volgende korte aanteekening:
"21 April, Dresden. Auerbach is een prachtmensch. _Ein Licht, nur
eingefangen._ Zijne vertellingen zijn _Over den eersten indruk der
Natuur, Versöhnung, Abend_ e.a. Over het Christendom schrijft hij
als over de hoogste uiting van den menschelijken geest. Hij zegt
uitstekend verzen. Muziek vindt hij _ein pflichtloser Genuss_,
dat volgens zijne meening tot zedenbederf leidt. Eene vertelling:
_Schätzkästlein_. Hij is 49 jaren, oprecht, jong van hart en geloovig;
twijfel kent hij niet."
Uit Dresden schrijft Tolstoi zijne tante Tatjana:
"Ik ben goed in orde en brand van verlangen naar Rusland terug te
keeren. Nu ik echter eenmaal in Europa ben en niet weet wanneer ik er
weer zal komen, wil ik, dat zult gij wel begrijpen, zooveel mogelijk
nut van mijne reis trekken. Nu, op dat punt kan ik tevreden zijn. Ik
neem zoo'n groote hoeveelheid indrukken en kennis mee, dat het een'
heelen tijd zal duren, voor ik alles in mijn hoofd geregeld heb. Ik
denk tot den 21sten in Dresden te blijven en reken er vast op met
Paschen in Jasnaja Paljana te zijn. Als de scheepvaart den 25sten
nog niet geopend is, ga ik over Warschau naar Petersburg, waar ik
moet zijn om vergunning te krijgen voor eene krant, die ik op mijn
school te Jasnaja wil redigeeren. Ik breng een jongen Duitscher mee;
hij is leeraar aan de universiteit, beschaafd en ontwikkeld, maar
nog zeer jong en onervaren." [120]
Den 22sten April bevond Tolstoi zich te Berlijn, waar hij ook kennis
maakte met den zoon van den beroemden paedagoog Diesterweg, directeur
van het seminarium. Hij had zich voorgesteld een verlicht mensch te
zien, zonder vooroordeelen, die zich in zijn' veeljarige loopbaan
een zelfstandig oordeel had gevormd, en hij vond (dit zijn zijne
eigen woorden) een kouden, harteloozen pedant, die meende volgens
vastgestelde regels kinderzielen te kunnen vormen.
De vraag of er verschil bestaat tusschen de begrippen: opvoeding,
beschaving en onderricht, was voornamelijk het onderwerp van hun
gesprek.
"Diesterweg lachte spottend wanneer iemand beweerde, dat er inderdaad
verschil bestond; volgens zijne begrippen waren deze drie één. En
ondertusschen spraken wij èn over opvoeding, èn over beschaving,
èn over onderwijs, en wij begrepen elkaar heel goed."
Later zullen wij zien, dat niet alleen deze paedagoog, maar de geheele
methode, die hij in West-Europa had zien toepassen, Tolstoi niet kon
bevredigen. Dat hij in zijne scholen proeven nam met het door hem
in Frankrijk, Engeland en Duitschland verzameld materiaal geschiedde
alleen met het doel om eene zelfstandige methode te verkrijgen.
Na eene afwezigheid van negen maanden, kwam Tolstoi eindelijk den
23sten April 1861 in Rusland terug.
Het is wel te begrijpen, dat de zware Duitsche wetenschap Tolstoi
niet kon bevredigen, hetgeen hem evenwel niet had weerhouden zich
er met zijn bekend enthousiasme op te werpen, alles bestudeerende,
in de praktijk zoowel als in de theorie.
Het resultaat van die studie was, dat Tolstoi, de toewijding en den
ernst van den onderwijzer waardeerende, de methode afkeurde.
Het kwaad (dat volgens zijne meening de geheele Europeesche wetenschap
aankleeft) school zijns inziens hoofdzakelijk in het volgende: "Het
hoofddoel van de vertegenwoordigers der wetenschap is het streven
naar eene goede positie, waaraan veel vrije tijd verbonden is,
om dien dan in het beste geval in dienst te stellen van het volk,
dat echter in dien zelfden tijd reeds zooveel heeft moeten lijden,
dat eene toenadering van weerskanten onmogelijk is geworden. En het
volk, gegriefd, stil lijdend, trekt zich terug van zijne helpers, die
het niet begrijpen, het onwetend beleedigen en hoogstens lapmiddelen
hebben voor zijne physieke en moreele wonden."
In hoeverre Tolstoi der paedagogie eene andere richting heeft gegeven,
zullen wij in een later hoofdstuk behandelen.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
TOLSTOI EN TOERGHENJEFF.--VREDERECHTER.
Zooals reeds in het vorige hoofdstuk is gezegd, reisde Tolstoi van
Berlijn naar St.-Petersburg. Begin Mei vertrok hij naar Moskou en
spoedig daarna kwam hij terug in Jasnaja Paljana.
Rusland vierde feest bij den aanvang van het nieuwe tijdperk, de
afschaffing van de lijfeigenschap.
Alles wat het bezat aan intellectueele en vooruitstrevende personen
nam deel aan de ingrijpende gebeurtenissen, en een van de eersten
was natuurlijk Leo Tolstoi.
Door het werkzaam aandeel, dat hij nam in alle takken van het
maatschappelijk leven, werd zijn bestaan zoo veelzijdig, dat wij
gedwongen zijn de door ons aangenomen chronologische volgorde te
verlaten en over te gaan tot een overzicht van zijne werkzaamheden,
die, hoe verschillend ook van aard, in zekeren zin toch steeds voeling
hielden met zijn particulier en familieleven.
Zijne bezigheden in de maatschappij, waarop wij later zullen
terugkomen, waren tweeërlei: de administratieve werkkring van scheids-
en vrederechter en zijne bemoeiingen met de volksschool, benevens
het schrijven zijner paedagogische opstellen.
Voor wij tot de behandeling van bovengenoemde werkzaamheden overgaan,
moeten wij ons nog eenige oogenblikken met den particulier Tolstoi
bezighouden.
Tolstoi had zich voorgenomen op de terugreis zijne beide buren Fet
en Toerghenjeff op te zoeken. Naar aanleiding daarvan ontspon zich
de volgende correspondentie tusschen de beide laatsten:
"Fetti carissime!
"Hierbij ingesloten zend ik u een briefje van Tolstoi, dien ik juist
heb geschreven, dat hij beslist in 't begin van de volgende week
moet komen. Gezamenlijk doen wij dan een' inval in uw Stjepanowska,
nu de nachtegalen nog zingen en de lente lacht met haren liefsten
glimlach. Ik hoop dat hij mijne roepstem zal volgen en spoedig hier
zal zijn. In ieder geval kunt gij mij in 't eind van de volgende week
verwachten. Houd u verder goed, wind u niet op, denk aan de woorden
van Goethe: 'Ohne Hast, ohne Rast', en werp onderwijl nog eens een'
enkelen blik naar uwe verlaten muze."
Ingesloten was het volgende briefje van Tolstoi:
"Lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!
"In gedachten omhels ik u hartelijk voor uwen brief, voor uwe
vriendschap, en daarvoor dat gij 'Fet' zijt. Toerghenjeff te ontmoeten
vind ik aangenaam, maar u weer te zien verheugt mij tienmaal meer. Hoe
lang is 't niet geleden dat wij elkaar gesproken hebben, en wat is
er in dien tijd al niet gebeurd! Het doet mij toch zoo veel genoegen,
dat gij u aan 't landleven hebt gewijd, en ik ben er trotsch op, dat
ik daar ook een weinig toe heb meegewerkt. Maar ben ik eigenlijk de
persoon om u raad te geven? Een vriend is goed, maar hij kan sterven,
weggaan; men kan hem uit het oog verliezen. De natuur echter, waarmee
wij ons voor immer hebben verbonden, hetzij dan door eene koopacte,
of wel door geboorte en erfenis, is beter. Zij is koud, ongevoelig,
veeleischend, maar daarbij blijft zij ons trouw tot aan den dood,
en als wij sterven gaan wij in haar over. Ik daarentegen heb mij van
haar afgekeerd, mij wachten andere bezigheden; maar indien ik niet
wist dat zij om mij heen is, dat ik mij maar behoef om te wenden om
haar te grijpen, dan zou mijn leven treurig zijn. God schenke u zijn'
zegen, opdat gij vreugde moogt beleven van uw Stjepanowka! Dat gij
schrijft en zult schrijven, daaraan twijfel ik niet. Ik druk uwe
vrouw de hand; zeg haar dat zij mij niet moet vergeten. Het zou al
heel ongelukkig moeten loopen, zoo ik dezen zomer niet bij u kwam;
wanneer echter, dat weet ik niet."
"Ondanks de vriendelijke belofte," schrijft Fet, "was de verschijning
van een rijtuig, dat vlug nader kwam en weldra voor het huis
stilhield, eene groote verrassing voor ons en met vreugde begroetten
wij Toerghenjeff en Tolstoi. Het is niet te verwonderen dat de aanblik
van het landgoed, armoedig als het er toen nog uitzag, Toerghenjeff
de woorden ontlokte: 'Wij keken en keken en konden uw huis maar
niet ontdekken. Eindelijk zagen wij een' vetten pannekoek om een'
wijsvinger, en ziedaar Stjepanowska!'
"Terwijl de gasten uitrustten en de gastvrouw de twee uren, die haar
nog restten vóór het middagmaal, gebruikte om alles een feestelijk
aanzien te geven, onderhielden wij ons zóó levendig als dat slechts
mogelijk is tusschen menschen, die nog niet levensmoe zijn...."
Een betreurenswaardig feit maakte aan dit samenzijn een ontijdig einde;
er brak n.l. een twist uit tusschen Toerghenjeff en Tolstoi. Deze
gebeurtenis is tamelijk juist door Fet in zijne _Herinneringen_
weergegeven; wij laten de beschrijving hier volgen, aangevuld en zoo
noodig verbeterd, met gebruikmaking van ander vertrouwbaar materiaal.
"'s-Morgens, op onzen gewonen tijd," zoo vertelt Fet, "d.w.z. om acht
uur, kwamen onze gasten in de eetkamer, waar mijne vrouw, gezeten aan
't eene eind van de tafel, achter den samowar, en ik aan 't andere,
hen reeds opwachtten. Toerghenjeff zat rechts, Tolstoi links van mijne
vrouw, die, wetende, dat haar rechterbuurman groote waarde hechtte
aan de opvoeding zijner dochter, dezen vroeg of hij met de nieuwe
Engelsche gouvernante tevreden was. Hij putte zich uit in lofredenen
en vertelde o.a., dat zij met echt Engelsche nauwgezetheid hem eene
som gelds had gevraagd, die zijne dochter uitsluitend moest aanwenden
voor liefdadige doeleinden.
"'En nu," vervolgde Toerghenjeff, "verlangt de gouvernante dat mijne
dochter de oude kleedingstukken van arme menschen eigenhandig verstelt
en zelf aan de eigenaars terug brengt.'
"'En vindt gij dat goed?' vroeg Tolstoi.
"'Zeker, dat leert haar weldadig zijn en brengt haar in aanraking
met de behoeftigen.'
"'En ik vind, dat een jong, mooi-aangekleed meisje, dat daar met een
vuil, slecht-riekend kleedingstuk op haar schoot zit, comedie speelt.'
"'Ik verzoek u, dat niet te herhalen,' stoof Toerghenjeff op, trillend
van woede.
"'Waarom zou ik mijne meening niet zeggen?' antwoordde Tolstoi.
"'Gij wilt dus zeggen, dat ik mijne dochter eene slechte opvoeding
geef?'
"Tolstoi antwoordde hierop, dat hij eenvoudig uitte wat hij dacht en
geen persoonlijkheden bedoelde."
Voordat Fet den tijd had tusschen beiden te komen, zeide Toerghenjeff,
wit van drift: "En als je dat wilt zeggen, dan zal ik je een slag
in je gezicht geven." Bij die woorden vloog hij met de handen aan
zijn hoofd de kamer uit. Een oogenblik daarna keerde hij terug, en,
zich tot mevrouw Fet wendende, zeide hij: "Vergeef mij om Gods wil
mijn onbehoorlijk gedrag, waarvan ik diep berouw heb." Daarop verliet
hij de kamer weer.
Kort daarna vertrokken de gasten.
Tolstoi schreef van het station Nowosjelok een' brief aan Toerghenjeff
die een eisch tot genoegdoening behelsde; daarop reisde hij verder
naar Bogoeslaff, een station dat halfweg het landgoed van Fet en
Nikolski, eene bezitting van de Tolstoi's, ligt. Vandaar liet hij
pistolen halen, en daar er nog geen antwoord op zijn schrijven
was gekomen stuurde hij Toerghenjeff een' tweeden brief die eene
formeele uitdaging bevatte. Tevens gaf hij den wensch te kennen, niet
te duelleeren zooals schrijvers dat gewoonlijk doen, d.w.z. dat twee
schrijvers een' derden en ook pistolen meenemen, en dat alles eindigt
met champagne, maar dat hij een ernstig duel verlangde. Daarom verzocht
hij Toerghenjeff gewapend in het bosch van Bogoeslaff te komen.
Tolstoi ging niet slapen, maar bleef den geheelen nacht
wachten. Eindelijk kwam er antwoord op den eersten brief. Toerghenjeff
schreef:
"Geachte Heer Leo Nikolajewitsch!
"In antwoord op uwen brief kan ik slechts herhalen, wat ik mij reeds
bij Fet verplicht achtte te zeggen. Meegesleept door een onwillekeurig
vijandig gevoel ('t is hier niet de plaats dit nader te omschrijven),
beleedigde ik u zonder eenige aanleiding uwerzijds, en vroeg u daarna
om verschooning. Hetgeen vanmorgen gebeurd is toont duidelijk aan,
dat iedere toenadering tusschen twee zulke tegenstrijdige naturen als
de onze tot niets kan lijden. Ik doe des te liever de schuld af, die ik
mij tegenover u bewust ben, omdat deze brief waarschijnlijk het laatste
levensteeken zal zijn, dat tusschen ons gewisseld wordt. Van ganscher
harte hoop ik dat dit schrijven u moge bevredigen, en ik verklaar u van
te voren mijne instemming met het gebruik dat gij er van wilt maken.
"Met de meeste hoogachting heb ik, geachte heer, de eer te zijn
"27 Mei 1861, Spasskoje.
"Uw dw. dn.
Iwan Toerghenjeff."
Hierbij was het volgend bijschrift:
"10 1/2 uur 's-nachts.
"Iwan Petrowitsch brengt mij daar juist mijn' brief terug die, door de
domheid van mijn' bediende, te Nowosjelok in plaats van te Bogoeslaff
is bezorgd. Wil deze nalatigheid verontschuldigen. Ik hoop dat nu
mijn bode u nog te Bogoeslaff zal treffen."
Waarschijnlijk dienzelfden dag nog schreef Tolstoi aan Fet:
"Ik kon mij niet weerhouden den brief van den heer Toerghenjeff (een
antwoord op mijn' brief) te lezen. Ik wensch u in uwe verhouding tot
dien heer het allerbeste, maar ik veracht hem en heb hem dat ook
geschreven; daarmee is alles tusschen ons uit, behalve natuurlijk
indien hij genoegdoening vordert. Hoewel ik uiterlijk kalm was stormde
het in mij en verlangde ik eene betere verontschuldiging van dien heer,
hetgeen ik hem in mijn' brief van Nowosjelok heb geschreven. Hier
is zijn antwoord, waarmee ik genoegen neem, hetgeen ik hem ook te
kennen heb gegeven, onder bijvoeging, dat de reden waarom ik zijne
verontschuldiging aanneem niet ligt in onze tegenstrijdige naturen,
maar in eene oorzaak die hij zelf begrijpen kan. Bovendien zond ik
tengevolge van het oponthoud een tweeden scherpen brief, waarin ik hem
uitdaagde, maar waarop ik geen antwoord ontving. Indien het nog komt,
zal ik den brief ongeopend terugzenden. En dit is nu het einde van
deze treurige geschiedenis, waaraan gij, zoo zij over uwen drempel
mocht gaan, het bovenstaande moet toevoegen.
"L. Tolstoi."
Op de uitdaging antwoordde Toerghenjeff het volgende:
"Uw bediende zegt, dat hij op antwoord moet wachten, maar ik
zou niet weten wat ik aan mijn eerste schrijven nog zou kunnen
toevoegen. Misschien dit, dat ik u het volste recht toeken mij uit
te dagen. Gij hebt er de voorkeur aan gegeven mijne uitgesproken
en herhaalde verontschuldigingen aan te nemen. Gij hebt het zoo
gewild. Ik geef u de oprechte verzekering, dat ik mij gaarne aan uw
schot zou hebben blootgesteld, om daardoor mijne inderdaad zinnelooze
woorden uit te wisschen. Hetgeen ik tegen u gezegd heb wijkt zoo af
van mijne gewone wijze van doen, dat ik het slechts kan toeschrijven
aan een gevoel van verbittering, dat ontstaan is door onze geheel
tegenstrijdige inzichten. Dit is geene verontschuldiging; ik wil mij
niet rechtvaardigen; het is slechts eene verklaring. En daarom moeten
onze wegen zich scheiden. Dergelijke gebeurtenissen laten zich niet
uitwisschen, maar ik acht het mijn plicht, nogmaals te herhalen, dat
gij in deze zaak gelijk en ik schuld heb. Ik voeg hier nog bij dat
in dit geval het zwaartepunt niet ligt in den moed dien ik u al of
niet wil toonen, maar in de bekentenis dat gij zoowel het recht hebt
mij uit te dagen (natuurlijk in den aangenomen vorm, met secondanten)
als om mij te vergeven. Gij hebt gekozen wat gij goed vondt, en mij
past het mij naar uw besluit te voegen.
"Wederom verzoek ik u de betuiging mijner oprechte hoogachting te
aanvaarden.
"Iw. Toerghenjeff."
Waarschijnlijk stelde Fet pogingen in het werk, zijne beide vrienden
te verzoenen, want in zijne _Herinneringen_ schrijft hij:
"Tolstoi zond mij het volgende briefje:
"'Toerghenjeff...., hetgeen ik u verzoek hem even nauwkeurig over te
brengen als gij mij zijne welwillende meening mededeeldet, hoewel ik
u uitdrukkelijk verzocht had niet meer over hem te spreken.
"'Graaf L. Tolstoi.'
"'Ik verzoek u mij niet meer te schrijven, daar ik uwe zoomin als
zijne brieven zal openen.'"
"Ik behoef wel niet te zeggen," vervolgt Fet, "dat ik mijn uiterste
best deed om deze kwestie, die helaas in mijn huis begonnen was,
tot een goed einde te brengen.
"Ik herinner mij nog in welk een onbeschrijflijk ironische woede
Nikolaas Nikolajewitsch Toerghenjeff geraakte, toen hij van 't geval
hoorde. 'Welk eene dwaasheid,' riep hij uit, 'te verlangen, dat
iedereen zal denken zooals wij zelf! Maar zijt gij eenmaal begonnen,
zet dan de zaak ook door tot aan het einde, met het pistool in de
hand.' Zoo sprak hij tot mij; wat hij tegen Iwan Toerghenjeff heeft
gezegd, is mij niet bekend.
"Het slot van de zaak was, dat het tot een formeele breuk kwam
tusschen Tolstoi en mij, en tot op dit oogenblik weet ik nog niet,
of onze verhouding weer vriendschappelijk is geworden."
"Eenigen tijd later," vertelt gravin Tolstoi, "gebeurde het, dat
Tolstoi in eene van die verheven gemoedsstemmingen geraakte, die men
nu en dan bij hem kon waarnemen. Hij was dan verdraagzaam, liefdevol
en vervuld van de begeerte om naar het goede en het allerhoogste te
streven. Als hij in dien toestand verkeerde, kon hij het niet verdragen
een' vijand te hebben. En daarom zond hij den 25sten September aan
Toerghenjeff een' brief, waarin hij zijne spijt uitdrukte dat hunne
verhouding vijandig was. Hij schreef:
"'Zoo ik u beleedigd heb, vergeef het mij dan, het is mij eene oneindig
treurige gedachte te weten dat ik een vijand heb.'"
Dit schrijven werd naar den boekhandel van Dawidoff gestuurd, waarmee
Toerghenjeff in relatie stond. Om de eene of andere reden werd de brief
niet dadelijk doorgestuurd en nu gebeurde het, dat juist in dien tijd
Toerghenjeff een onaangenaam gerucht ter oore kwam, waarvan hij Fet
in den volgenden brief mededeeling deed.
"Parijs, 8 November.