"Gisteren is hij hier begraven. Ik heb er eerst over gedacht

hem te vervoeren en jou te telegrafeeren, maar ben toen van plan

veranderd. Het geeft niet, de wonden nog verder open te rijten. Het

spijt mij dat de doodstijding je midden in je jachtvermaak heeft

bereikt. Het bericht kon je bij al die afleiding onmogelijk zoo

treffen als ons. En toch is het zoo goed voor een mensch! Ik ondervind

nu de waarheid van hetgeen men mij eens gezegd heeft, n.l. dat men

zelf den dood gemakkelijker onder de oogen ziet, indien men iemand

heeft verloren die zooveel voor ons is geweest als hij voor ons

was. Jouw brief kwam juist toen de mis voor hem werd opgedragen. Nu

kan je nooit meer met hem op jacht gaan! Een paar dagen vóor zijn'

dood bespraken wij nog zijne aanteekeningen over de jacht en las hij

ze mij voor. Hij sprak ook veel over jou en zeide dat God jou alles

geschonken had, wat een mensch gelukkig kan maken, maar dat je zelf

je leven bederft. Dadelijk, den tweeden dag, heb ik een afgietsel van

zijn gelaat en een portret van hem laten maken. Het portret is niet

goed gelukt, maar het masker geeft zijne edele trekken geheel weer."

De dood van zijn broer Nikolaas maakte een' diepen indruk op Tolstoi,

deed hem een tijdlang alle belangstelling in het leven verliezen en

bracht zijn geloof in het goede aan het wankelen.

In zijn dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen:

"13 October 1860. 't Is nu bijna een maand geleden dat Nikolaas is

gestorven en sedert dien tijd heb ik alle belangstelling in het

leven verloren. Weer een vraag: Waarom? Ook ik sta mogelijk niet

meer ver van den weg daarheen! Waarheen? Nergens heen. Ik tracht te

schrijven; ik wil er mijzelf toe dwingen, maar het gaat niet, omdat

ik het werk niet die waarde kan toekennen, die men het moet toekennen

om er kracht en geduld voor te hebben. Tijdens de begrafenis kwam

de gedachte bij mij op een materialistisch evangelie te schrijven:

het leven van Christus--den materialist."

Nadat de eerste, heftigste smart eenigszins bedaard was, schreef

Tolstoi aan zijn' vriend Fet:

"Ik veronderstel dat ge reeds weet wat hier gebeurd is. Den 20sten

September stierf Nikolaas letterlijk in mijne armen. Niets in mijn

leven heeft zoo'n sterken indruk op mij gemaakt. Het is waar dat

hij altijd zeide, dat er niets erger is dan de dood. En wat doet het

goed te denken dat de dood toch het eind is van alles en dat er niets

erger is dan het leven. Waarom zou men zich nog moeite geven als er

voor iemand als Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi niets overblijft? Hij

heeft nooit gezegd dat hij de nadering van den dood voelde, maar ik

weet dat hij den afstand kende, die hem er van scheidde.

"Eenige oogenblikken vóordat hij stierf schrikte hij plotseling uit

eene sluimering wakker en fluisterde ontzet: 'Maar wat is het dan

toch?' Toen zag hij den dood, den overgang in het niet. En als hij

niets kon vinden, waaraan zal ik mij dan vastgrijpen, wat zal ik dan

vinden? Nog minder. En ik, noch iemand anders, zal zooals hij tot

aan het laatste oogenblik met den dood strijden. Tot aan de laatste

minuut deed hij alles zelf, trachtte zich bezig te houden, schreef,

vroeg mij naar mijn werk en gaf mij raad.

"Maar hij deed dat alles, geloof ik, niet uit een innerlijken aandrang,

maar uit principe. Hij bleef zich zelf tot aan het einde. Den avond

van te voren ging hij naar zijne slaapkamer en viel daar, door

zwakte overmand, bij 't open raam op zijn bed neer. Toen ik bij hem

kwam zeide hij met tranen in de oogen, dat hij daar zoo heerlijk een

uurtje had gelegen. 'Uit stof zijt gij geboren en tot stof zult gij

wederkeeren.' Eén vage hoop rest ons nog, dat wij daar in de natuur,

waarvan wij een deel zullen uitmaken, iets zullen vinden.

"Allen die zijne laatste minuten bijwoonden zeiden: 'hoe heerlijk,

rustig en zacht is hij ingeslapen.' Maar ik weet hoe vreeselijk

hij heeft geleden, want niets van hetgeen er in hem omging ontging

aan mijn' blik. Duizendmaal heb ik tegen mij zelf gezegd: laat de

dooden de dooden begraven, maar men moet toch altijd zijne krachten

gebruiken. Men kan een' stem niet zeggen: val omhoog, terwijl alles

hem omlaag trekt, niet lachen om een scherts die geen scherts is,

niet eten wanneer men geen honger heeft. Waarom zou men zich inspannen,

daar morgen de doodstrijd kan beginnen, de dood met zijn afschuwelijke

leugen en zelfbedrog ons kan verrassen en wij kunnen overgaan in

het niet?!

"Een misplaatste grap! 'Wees nuttig, wees deugdzaam, wees gelukkig

in het leven,' zeggen de menschen tegen elkaar; 'gij en het geluk

en de deugd en het nuttig zijn, alles bestaat in de waarheid.' En de

waarheid, die ik in de dertig jaren die ik leefde heb leeren kennen,

is, dat onze toestand ontzettend is.

"'Neem het leven zooals het is, gij brengt u zelf in dezen toestand.'

"Wel zeker, ik neem het leven zooals het is!

"Nauwelijks heeft de mensch den hoogsten trap van zijne ontwikkeling

bereikt of hij ziet duidelijk dat alles ijdel, dat alles bedrog

is, en dat de waarheid, die hij toch boven alles lief had, iets

vreeselijks is. Als gij die waarheid recht in 't gezicht ziet, dan

zult gij ook opschrikken en als mijn broeder zeggen: 'Maar wat is

het dan toch?' Het spreekt van zelf dat, zoolang wij nog den wensch

koesteren de waarheid te leeren kennen en de waarheid te spreken,

wij ons daartoe zullen inspannen. Dat is alles wat mij nog overbleef

van mijne zedelijke wereld; verder gaan mijne wenschen niet. Daarnaar

alleen wil ik streven, maar niet in den vorm van uwe kunst. De kunst

is leugen en ik houd zelfs niet van een schoonen leugen.

"Dezen winter blijf ik hier; men moet toch ergens zijn. Schrijf mij

eens spoedig. Ik houd evenveel van je als mijn broer, die tot aan

zijne laatste oogenblikken aan je heeft gedacht, van je hield.

"L. Tolstoi."

De indruk, dien de dood der duizenden, die hij onder de muren van

Sewastopol had zien vallen, op Tolstoi had gemaakt, was niet zoo

groot als die van dit ééne sterfgeval, den dood van zijn liefsten

broeder. Toen zag hij met een physiek, nu met zijn geestesoog. Hij

zag--en stond ontzet. Oprecht als hij was, trachtte hij zich zijne

onmacht tegenover de macht van den dood niet te ontveinzen. En deze

oprechtheid redde hem. Van dat oogenblik af, kan men zeggen, verliet de

gedachte aan den dood hem niet meer en in den zielestrijd, die daarmee

onvoorwaardelijk gepaard gaat, bleef hij overwinnaar. Na verloop van

eenige maanden schreef hij naar aanleiding van een nieuw sterfgeval:

"Na een smartelijk lijden stierf een jongen van dertien jaren aan de

tering. Waarom? Het geloof aan de vergelding is de eenige oplossing van

die vraag. Als zij niet bestaat, dan is er ook geene ongerechtigheid,

wordt de gerechtigheid geheel overbodig en is de behoefte daaraan

bijgeloof.

"De gerechtigheid is eene levensvoorwaarde tusschen de menschen

onderling, die zij ook zoeken in hunne betrekking tot de wereld. Zonder

het leven hiernamaals is zij geheel ondenkbaar. Gelijkvormigheid

is de eenige onveranderlijke natuurwet, zullen de natuurkundigen

zeggen. In verschillende uitingen van den menschelijken geest, in de

liefde, in de poëzie, in de schoonste openbaringen vinden wij haar

niet. Dat alles heeft bestaan en is gestorven, dikwijls zonder dat

het te voorschijn trad. De natuur schrijdt haar doel ver voorbij,

door het menschdom de behoefte aan liefde en poëzie te schenken,

als haar eenige wet gelijkvormigheid is."

Na verloop van zeven-en-twintig jaren schreef hij het boek _Over

het leven_, dat eindigt met de woorden: "Het leven van den mensch is

een streven naar de gelukzaligheid; waarnaar hij streefde, dat werd

hem gegeven; evenmin als de gelukzaligheid den mensch tot onheil kan

strekken, evenmin kan het leven het einde zijn."

Sergius Plaksin geeft ons nog eenige bijzonderheden van Tolstoi's leven

te Hyères, in den familiekring van zijne zuster. Plaksin zelf was in

dien tijd nog een kleine jongen, die met zijne moeder in hetzelfde

pension woonde als de familie Tolstoi.

"Tijdens zijn verblijf te Hyères bracht Tolstoi dikwijls geheele dagen

bij zijne zuster door. Zelf onvermoeid in het wandelen, leerde hij het

ons. Altijd vond hij nieuwe plekjes en nieuwe wandelingen. Nu eens

gingen wij de zoutmijnen bekijken op het schiereiland Porquerolles,

dan beklommen wij den berg, waar eene kapel voor de Heilige Maagd

was opgericht, of we bezochten eene ruïne, om de eene of andere reden

'Trou des Fées' genaamd.

"Onderweg vertelde Tolstoi ons allerlei sprookjes: van het gouden

paard, of van den reuzenboom, in wiens takken gezeten men alle steden

en zeeën van de geheele wereld kan zien. Hij wist dat ik geen sterke

borst had en droeg mij daarom dikwijls heele einden op zijn' schouder.

"Na het middageten vertelde Tolstoi onzen goedhartigen huisheer en zijn

gezin de alleronmogelijkste dingen van Rusland, zoodat zij niet wisten

wat zij er van moesten gelooven, totdat mijne moeder of gravin Tolstoi

erbij kwam, die hun dan uitlegde wat waarheid en wat fantasie was.

"Dadelijk na het diner kwamen wij bij elkaar, om op het terras naar het

weer te gaan kijken of in de groote zaal te gaan spelen. Op de tonen

van slechte pianomuziek voerden wij dan een ballet of eene opera uit,

zonder medelijden te hebben met onze toeschouwers: onze moeders, Leo

Tolstoi en mijne gouvernante Liza. Ballet en dans werden afgewisseld

door gymnastische oefeningen, waarin Tolstoi, die er altijd sterk op

aandrong de spieren te oefenen, ons voorging. Hij strekte zich dan

in zijne volle lengte op den grond uit, beval ons hetzelfde te doen,

en dan moesten wij ons oprichten zonder onze armen te gebruiken. Ook

hing hij tusschen de deurposten wel eens ringen voor ons op, waaraan

hij dan tot onze groote vreugde zelf ook werkte.

"Het gebeurde wel eens dat wij zooveel leven maakten, dat de moeders

Tolstoi vroegen ons wat rustiger bezig te houden. Wij moesten dan om

de tafel gaan zitten, met pen en inkt voor ons.

"'Luister nu goed,' zeide Tolstoi, 'ik zal jelui les geven.'

"'Waarin?' vroeg Liza, het toenmalige voorwerp mijner liefde.

"Tolstoi vervolgde zonder zijn nichtje een antwoord waardig te keuren:

"'Schrijf nu.'

"'Maar oompje, wat moeten wij schrijven?' hield Liza aan.

"'Luister dan, ik zal je een onderwerp opgeven.'

"'Wat opgeven?' kon Liza niet nalaten te zeggen.

"'Een onderwerp,' vervolgde Tolstoi gewichtig. 'Schrijf nu: "Waardoor

onderscheidt Rusland zich van andere landen?"'

"'Begin nu, maar pas op, niet naschrijven hoor!'

"En wij begonnen.

"De regels die Kolja schreef liepen alle, hoe schuin hij zijn hoofd

ook hield en hoe diep hij ook zuchtte, kris en kras over 't papier. Een

transparent gebruiken mochten wij niet, dat was maar verwennen, zeide

Tolstoi. Terwijl wij dus onze gedachten aan het papier toevertrouwden

en de beide moeders een of anderen nieuwen roman lazen, liep Tolstoi

met groote schreden de kamer op en neer, totdat eindelijk de nerveuse

gravin uitriep:

"'Wat heb je toch, Leo? Je loopt als een ijsbeer heen en weer. Ga

toch zitten.'

"Na verloop van een half uur ongeveer waren onze opstellen klaar, en

Tolstoi nam eerst het mijne, maar de regels waren in elkaar geloopen

en daarom gaf hij het mij terug en moest ik het zelf voorlezen. En ik

begon met luider stemme te vertellen, dat Rusland zich daardoor van

andere landen onderscheidde, dat men in de vastendagen pannekoeken at,

uitstapjes naar de bergen maakte en op Paschen eieren kleurde.

"'Kranig,' zeide Tolstoi, die nu het handschrift van Kolja nam,

waarin Rusland zich door sneeuw,--en dat van Liza, waarin het zich

door de troika van de overige gedeelten der wereld onderscheidde. Wara,

de oudste van ons, had de uitvoerigste beschrijving gegeven.

"'s Avonds leerde Tolstoi ons teekenen, waarvoor hij de ingrediënten

uit Marseille, waar hij dikwijls heenging, meenam.

"Geheele dagen bracht hij met ons door; hij speelde met ons,

onderwees ons, en als er soms verschil was ontstaan trad hij als

scheidsrechter op."

Nu laten wij nog de korte beschrijving, ons verstrekt door gravin

Tolstoi, volgen van eene soirée, waar Tolstoi ook tegenwoordig was.

"Na den dood van Nikolaas woonden wij te Hyères. Leo had toen al naam

gemaakt en de Russische kring gaf zich veel moeite om met hem in kennis

te komen. Eens waren wij gevraagd bij vorstin Doedoekowa-Korsakowa,

waar een voornaam gezelschap bijeen was. De clou van den avond zou

de aanwezigheid van Tolstoi zijn, maar hij liet, helaas, heel lang

op zich wachten. De gasten begonnen reeds te wanhopen en de gastvrouw

beklaagde zich al in stilte over hare soirée manquée, toen eindelijk

nog graaf Tolstoi werd aangediend. Alles leefde op, maar hoe groot

was aller verbazing, toen hij binnen kwam, gekleed in een gewoon

wandelcostuum en op klompen.

"Hij was juist van eene lange wandeling teruggekeerd, niet naar huis

gegaan, en begon dadelijk een levendig betoog te houden over het

voordeel van klompen boven laarzen, terwijl hij iedereen aanried zijn

voorbeeld te volgen.

"Men vergaf hem in dien tijd ook reeds alles en het werd nog een heel

gezellige avond. Tolstoi was zeer opgewekt; er werd gezongen en op

algemeen verlangen nam hij de begeleiding op zich."

Tot begin December bleef hij in Hyères, reisde toen over Marseille

naar Genève, waar hij zijne zuster met de kinderen achterliet om zelf

eene reis door Italië te gaan maken. Achtereenvolgens bezocht hij Pisa,

Livorno, Florence, Rome en Napels.

Gedurende zijne buitenlandsche reis vertoefde Tolstoi eenige malen

te Marseille, welke groote handelsstad hem blijkbaar sterk aantrok

en interesseerde.

In een van zijne opstellen over paedagogie geeft hij de volgende

beschrijving van zijn verblijf te Marseille.

"Het vorige jaar bevond ik mij te Marseille, waar ik alle inrichtingen

van onderwijs voor de arbeidende klasse bezocht. De zucht tot leeren

bij de bevolking is zoo groot, dat bijna alle kinderen drie, vier,

vijf en zes jaar naar school gaan. Het leerplan bevat de volgende

vakken: bijbelsche en algemeene geschiedenis, het van buiten leeren van

den cathechismus, de vier hoofdbewerkingen der rekenkunde, Fransche

orthographie en boekhouden; waarom dit laatste op het programma stond

heb ik nooit begrepen en heeft ook geen der leeraren mij kunnen

uitleggen. Het eenige dat ik wel begreep, nadat ik de boeken der

leerlingen, die den cursus hadden afgeloopen, had gezien, is, dat zij

nog geen drie regels van de rekenkunde kenden, dat zij machinaal wat

met getallen leerden werken en op dezelfde wijze 'tenue des livres'

hadden geleerd. Het is onnoodig te zeggen dat boekhouden, zooals het

in Duitschland en Engeland wordt onderwezen, alleen reeds vier uren

voor de verklaring vereischt voor een' leerling die de vier regelen

der rekenkunde machtig is.

"Niet één der kinderen, die deze scholen bezochten, kon zelfstandig

eene som oplossen, d.w.z. de eenvoudigste optelling of aftrekking

maken. Wat zij echter uit het hoofd hadden kunnen leeren, deden zij

vlug en goed.

"Op eene vraag uit de Fransche geschiedenis, die zij juist van buiten

hadden geleerd, wisten zij goed te antwoorden; maar toen ik hun iets

vroeg waarop zij zich niet hadden voorbereid, kreeg ik ten antwoord

dat Hendrik IV door Julius Caesar was vermoord."

"... In Marseille bezocht ik ook nog eene gewone en eene kloosterschool

voor volwassenen. Die scholen werden door een duizend leerlingen

bezocht (twee honderd mannen), terwijl de stad 250,000 inwoners

telt. Het onderricht werd hier op dezelfde wijze gegeven: mechanisch

lezen, waarvoor reeds een jaar of langer gebruikt werd, boekhouden

zonder kennis der rekenkunde, geloofsleer enz.

"Daarna bezocht ik eene bewaarschool, waar kinderen van vier jaren

als soldaatjes marcheerden, op commando in de handjes klapten en

met bevende stemmetjes hymnen zongen ter eere van God en van hunne

weldoeners.

"Resumeerende kwam ik tot de conclusie, dat het onderwijs in Marseille

bijzonder slecht is. Wanneer er eens een wonder kon gebeuren en men

de menschen kon gade slaan in die inrichtingen voor onderwijs, zonder

hen op straat, op hun werk, in de café's of in hun huizen te zien,

dan zou ons oordeel zijn, dat het volk onwetend, ruw, huichelachtig en

vol vooroordeelen is, kortom, een volk bijna zonder beschaving. Geeft

men zich echter de moeite om zich met de menschen in verbinding

te stellen en met hen te praten, dan komt men tot de overtuiging,

dat het Fransche volk bijna is zooals het meent te zijn; vlug van

begrip, verstandig, vrijgevig, nadenkend en werkelijk beschaafd. Let

eens op een' dertigjarigen werkman uit eene stad. Hij schrijft een

brief zonder de fouten welke hij er op school in maakt, soms zelfs

heelemaal goed. Hij is op de hoogte van de politiek en bijgevolg

ook van aardrijkskunde en de nieuwste geschiedenis; hij weet iets

van litteratuur en heeft eenig begrip van natuurkunde. Heel dikwijls

kan hij een weinig teekenen, en van wiskunde weet hij zooveel als hij

voor zijn beroep noodig heeft. Hoe nu heeft hij dit alles verkregen?

"Het antwoord op die vraag vond ik vanzelf, toen ik na mijn

schoolbezoek eens op straat in de café's, de café-chantants, de

museums, de werkplaatsen, bij de havens en in de boekwinkels begon

rond te zien. Dezelfde jongen, die mij had verteld dat Hendrik IV

door Julius Caesar vermoord was, kende heel goed de geschiedenis van

_De drie Musketiers_ en van _De Graaf de Monte-Christo_. In Marseille

vond ik acht-en-twintig goedkoope geïllustreerde tijdschriften van 5

à 10 centimes. Onder eene bevolking van 250,000 inwoners waren 30,000

exemplaren verspreid. Wanneer wij dus aannemen, dat tien menschen één

nommer lezen of hooren voorlezen, dan worden zij nog door iedereen

gelezen. Dan hebben wij nog de museums, de publieke bibliotheken, de

schouwburgen, de café's, twee groote café-chantants, waar iedereen

tegen betaling van 50 centimes toegang heeft, en die dagelijks

gemiddeld door 25,000 menschen bezocht worden, om nog niet eens van de

kleine inrichtingen te spreken. In al die café's worden tooneelstukken

opgevoerd, verzen gedeclameerd enz. enz. Ruw berekend ontvangt een

vijfde gedeelte van de bevolking dagelijks dus onderwijs op de wijze

zooals de Grieken en de Romeinen het in hunne amphiteaters ontvingen.

"Of die opvoeding goed of slecht is, dat is eene andere vraag. Wij

zien echter dat de onbewuste opvoeding sterker is dan de gedwongene,

die geheel door haar verdrongen en op den achtergrond geschoven wordt.

"Het eenige wat den leerlingen bijbleef van hun vijf- of zesjarig

onderricht bestond hierin, dat zij in staat waren eenige letters

naast elkaar te zetten en er woorden van te vormen."

In Januari van 't jaar 1861 bevond Tolstoi zich weer te Parijs,

waar hij als naar gewoonte het leven op straat met groote aandacht

gadesloeg.

"Toen ik in Parijs was," zeide Tolstoi eens tegen Schyler, "zat

ik soms heele dagen boven op de omnibussen, mij vermakende met de

beschouwing van het publiek, en ik kan u de verzekering geven, dat

ik bijna in iedere persoon een type van Paul de Kock herkende."

Dat de werken van dien auteur onzedelijk zouden zijn heeft Tolstoi

steeds tegengesproken.

"Van de geheele Fransche litteratuur stel ik de boeken van Alexandre

Dumas en Paul de Kock het hoogste," vervolgde Tolstoi zijn gesprek

met Schyler, en op diens verwonderden blik sprak hij verder:

"Neen, kom mij niet met dien onzin aan, dat Paul de Kock onzedelijk

is. Naar Engelsche begrippen is hij misschien een weinig 'leste et

Gaulois', zooals de Franschen het uitdrukken, maar onzedelijk is

hij niet. Wat hij ook zegt, en al veroorlooft hij zich hier en daar

eene gewaagde scherts, zijne richting blijft volkomen zedelijk. Hij

is de Fransche Dickens. Zijne personen zijn naar het leven geteekend

en geheel afgewerkt.

"En wat Dumas betreft, ieder romanschrijver moest hem van buiten

kennen. Ik lees en herlees zijne werken. De intrige is altijd mooi,

maar hoofdzakelijk legt hij er zich op toe om een goed verband en

eene goede oplossing te verkrijgen."

Te Parijs kwam Tolstoi in aanraking met Toerghenjeff, waardoor eene

eenigszins nauwere betrekking tusschen die beide schrijvers ontstond.

Vandaar reisde hij naar Londen, waar hij bijna iederen dag met Herzen

samen kwam. Hij behandelde met hem vele gewichtige vragen van den

dag, maar van deze gesprekken kunnen wij helaas niets weergeven,

daar noch Herzen, noch Tolstoi er aanteekeningen van hebben gemaakt.

In de _Herinneringen van Toetschkowaja Ogarjewaja_ vinden wij nog

een paar woorden, die betrekking hebben op deze samenkomsten.

"Tolstoi, de schrijver van _Kinder-, Jongens-_ en _Jongelingsjaren_,

boeken die eene groote beroering te weeg brachten in de lezende wereld,

bracht dikwijls een bezoek bij Herzen. Deze was daar zeer mee ingenomen

en bewonderde vooral de vrijheid, waarmede hij zijne diepste, innigste

gevoelens neerschreef en ook mondeling uitte. Wat zijne filosofie

betreft, die vond Herzen dikwijls zwak, onduidelijk en nietsbewijzend."

Eene dochter van Herzen, die echter slechts eene vage voorstelling

van deze samenkomsten heeft, verschafte ons nog de volgende kleine

aanteekening.

"Als klein meisje las en bewonderde ik de werken van Tolstoi. Eens

van vader hoorende, dat deze schrijver ons een bezoek zou brengen,

vroeg ik vergunning daarbij tegenwoordig te zijn. Om niet opgemerkt te

worden ging ik op het vastgestelde uur in mijns vaders studeerkamer,

in het uiterste hoekje zitten, en spoedig daarop werd Tolstoi

aangediend. Met kloppend hart zat ik te wachten, maar hoe groot was

mijne teleurstelling toen daar een naar de laatste Engelsche mode

gekleede heer binnenkwam, die dadelijk met mijn' vader een levendig

gesprek begon over de laatste hanengevechten en bokspartijen die hij

in Londen had bijgewoond. In dit eenige onderhoud dat ik bijwoonde

gelukte het mij niet ééne enkele diepe gedachte op te vangen."

Men kan echter gerust aannemen, dat de gesprekken van deze twee

groote Russische schrijvers zich niet bepaalden tot een praatje over

sport. Bij het afscheid gaf Herzen zijn' vriend eene introductie mee

voor Proudhon.

In Engeland, evenals elders, bezocht Tolstoi verschillende scholen. Ook

luisterde hij in het parlement naar eene rede van Palmerston, die

ruim drie uren duurde.

In Londen ontving Tolstoi het bericht, dat hij tot vrede- en

scheidsrechter was benoemd, en den 19en Februari 1861, den dag

van de opheffing der lijfeigenschap, besloot Tolstoi naar Rusland

terug te keeren. Hij reisde over Brussel, waar hij Proudhon een

bezoek bracht. Deze energieke, uit het volk geboren, zelfstandige

denker maakte een' diepen indruk op Tolstoi. Waarschijnlijk

is deze kennismaking ook van invloed geweest op zijne veranderde

wereldbeschouwing. Eens met mij over Proudhon sprekende, zeide Tolstoi:

hij schijnt mij een energieke man, en heeft, zooals men dat noemt,

"le courage de son opinion."

Proudhon's bekend aphorisme: "la propriété c'est le vol" zou als

epigram boven de meeste van Tolstoi's economische werken geplaatst

kunnen worden.

In Brussel bracht Tolstoi ook nog een bezoek aan den ouden, grijzen

Poolschen historicus Lelewel, die daar in groote armoede leefde. Hier

ook schreef hij het begin der vertelling _Polipoeschka_.

Eindelijk, den 13en April, vertrok Tolstoi uit Brussel om over Berlijn

naar zijn vaderland terug te reizen.

De eerste stad die hij in Duitschland aandeed was Weimar, waar hij

de gast was van den Russischen gezant, die hem in kennis bracht met

den hofmaarschalk, welke, op zijne beurt, hem voorstelde aan den

Groothertog Karel Alexander.

Door bemiddeling van den gezant kreeg Tolstoi verlof het huis van

Goethe, dat in dien tijd nog niet voor 't publiek geopend was,

te bezichtigen. Veel meer belangstelling toonde hij echter voor de

Fröbel-scholen en -tuinen, die toenmaals onder directie stonden van

Mina Schelhorn, eene persoonlijke leerlinge van Fröbel. Met groote

bereidwilligheid vertelde zij den vriendelijken Russischen graaf alles

wat hij van haren werkkring en hare kinderen wenschte te vernemen.

Onlangs schreef Dr. von Bode in het paedagogisch tijdschrift _Der

Säemann_ een belangrijk artikel, getiteld _Tolstoi te Weimar_, waarin

hij o.a. het gesprek weergeeft, gevoerd tusschen den nu reeds overleden

Julius Schlentzer en Tolstoi, bij diens bezoek aan Schlentzer's school.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 25 / 32 段