Met zijne veronderstelling, dat het stilzwijgen der beide vrienden aan

een zekere koelheid van het publiek moest worden toegeschreven, heeft

Droezjinin zich echter vergist. Al heeft die koelheid misschien ook

bestaan, de reden van hunne werkeloosheid lag toch ergens anders. Het

was, dat beiden voelden dat er geen geestelijke band bestond tusschen

den schrijver en de lezers. De schrijvers wisten niet wat zij moesten

schrijven en het publiek, vertegenwoordigd in de persoon van den

kritikus, niet wat het van hen kon verwachten.

Deze rusttijd hield aan, totdat eene plotselinge gebeurtenis een

heftigen indruk maakte op hun gevoel of hun verstand en hen weer aan

den arbeid riep.

Keeren wij nu tot de ziekte van Nikolaas Tolstoi terug. Op weg naar

het buitenland schreef deze uit St.-Petersburg aan zijn' vriend Fet:

"Lieve vrienden Afanasie Afanasjewitsch en Iwan Petrowitsch!

"Ik kom mijne belofte nog vlugger na dan was afgesproken. Ik

wilde u uit het buitenland schrijven en nu doe ik het reeds uit

St.-Petersburg. Wij vertrekken morgen, d.w.z. Zaterdag. Ik heb dokter

Z.... geconsulteerd. Hij is een Petersburger en geen Berlijner,

zooals ik uit den brief van Toerghenjeff had opgemaakt. Hij stuurde

mij naar de badplaats waar Toerghenjeff zich tegenwoordig ook bevindt,

nl. Soden. Mijn volgend adres is Frankfurt am Main."

Fet ontving den tweeden brief uit Soden.

"Ik heb niet eerst op antwoord gewacht, maar wil u even melden, dat

ik goed en wel in Soden ben aangekomen. Men heeft echter bij mijne

aankomst geen kanonschoten gelost. Wij troffen hier Toerghenjeff,

die leeft en gezond is, zelfs zóó gezond, dat hij zelf verklaart

'geheel gezond' te zijn. Hij vond hier eene Duitsche jonge dame, die

hij het hof maakt. Wij (dit is voor Iwan Petrowitsch bestemd) hadden

ons voorgenomen te gaan schaken, maar tot nu toe is er nog niets van

gekomen. Hij denkt aan zijne Duitsche en ik aan mijn herstel. Want

nu ik dezen herfst opoffer, wil ik den volgenden kranig voor den dag

komen. Soden is een heerlijk plekje. Ik ben hier nog niet eens eene

week en voel mij reeds veel beter. Wij, Sergius en ik, bewonen drie

kamers voor twintig gulden in de week; table d'hôte à één gulden,

wijn is verboden. Een eenvoudig plaatsje dus, zooals ge ziet,

maar mij bevalt het heel goed. Voor mijn venster staat een heel

gewone boom, maar in de takken zit iederen avond een vogeltje te

zingen. Dat herinnert mij aan het huisje in Nowosjelka. Doe mijne

groeten aan Maria Petrowna; houdt u goed, lieve vrienden, en schrijft

mij dikwijls. Ik denk lang in Soden te blijven, minstens een week

of zes. Op weg hierheen heb ik niet geschreven omdat ik den geheelen

dag ziek was. Nogmaals vaarwel!"

Leo Tolstoi schreef reeds 28 Juni 1860 uit Moskou aan Fet, dat

hij had besloten zijne zuster naar het buitenland te begeleiden,

en vroeg hem in verband met deze reis eenige huishoudelijke zaken

(naar de paarden zien, enz.) voor hem te willen regelen.

Den 3den Juni vertrok hij met zijne zuster Maria Nikolajewna en hare

kinderen per stoomboot uit Petersburg naar Stettin en vervolgens

naar Berlijn.

De ziekte van zijn' broer was niet bepaald de aanleiding voor Tolstoi's

reis, maar heeft die slechts verhaast. Reeds lang was hij van plan

zich in Europa op de hoogte te gaan stellen van hetgeen men daar voor

de volksopvoeding deed.

"Nadat ik mij een jaar met de scholen had bezig gehouden," zegt

Tolstoi in zijne _Biecht_, "vertrok ik voor de tweede maal naar het

buitenland, om te leeren hoe ik het aan moest leggen anderen iets te

leeren, terwijl ik zelf niets wist."

Of zijn arbeid vruchten zou dragen, kon hij eerst na twintig jaren

beoordeelen, maar op het oogenblik wierp hij zich met hart en ziel

op de studie.

De ziekte en naderhand de dood van zijn' broer brachten geene

verandering in zijne plannen, maar deelden zijne reis in twee

helften. Wij zullen trachten een geregeld overzicht te geven van

zijne werkzaamheden. [117]

Tolstoi kwam dus met zijne zuster in Berlijn, waar hij eenige dagen

bleef, terwijl zij doorging naar Soden.

Hier bezocht hij de universiteit, waar hij eenige college's over

geschiedenis, natuurkunde en physiologie bijwoonde en een' avondcursus

volgde in een "Handwerkerverein." De populaire voordracht, gehouden

door een' beroemden professor, interesseerde hem in hooge mate en

vooral de daarmede verbonden debatten wekten zijne belangstelling

op. Deze wijze van volksopvoeding was voor Tolstoi iets geheel

nieuws. Hij was zeer verbaasd over de vlugheid en vrijheid van

gedachtenwisseling tusschen een van de voornaamste vertegenwoordigers

der wetenschap en het volk.

Sedert dien tijd zijn er reeds meer dan veertig jaren verloopen, en

nog steeds greep Rusland dit eenvoudige middel om het volk op te voeden

niet aan. Nog steeds maakt de geestelijke zoowel als de staatscensuur

de toepassing van deze eenvoudige wijze van volksopvoeding onmogelijk.

Ten slotte bezocht Tolstoi nog de gevangenis in de wijk Moabit,

waar juist een nieuw strafsysteem, de eenzame opsluiting, was

ingevoerd. Deze wijze van straffen maakte natuurlijk geen' gunstigen

indruk op Tolstoi.

Den 14den April vertrok hij uit Berlijn, bleef één dag in Leipzig,

waar hij een school bezocht, om vervolgens door de Sachsische Schweiz,

die hij bijzonder mooi vond, naar Dresden te reizen. Hier maakte hij

kennis met Auerbach, den schrijver van vele bekende volksverhalen.

De Amerikaansche schrijver Schyler vertelt in zijne _Herinneringen

aan Graaf L. N. Tolstoi_ het volgende van deze ontmoeting.

"Ik herinner mij dat ik, Tolstoi eens met het in orde brengen van

zijne bibliotheek helpende, opmerkte dat de volledige verzameling

der werken van Auerbach eene eerste plaats op eene eerste plank had

gekregen. Tolstoi gaf mij de twee deelen van _Ein neues Leben_, om

ze, als ik naar bed ging, eens door te lezen. 'Aan dezen schrijver,'

voegde hij erbij, 'heb ik het te danken, dat ik scholen voor mijne

boeren heb opgericht en dat mijne belangstelling is opgewekt voor

hunne ontwikkeling. Toen ik voor de tweede maal in Europa kwam en

Auerbach een bezoek bracht kenden wij elkaar nog niet. "Ik ben Eugen

Baumann," (de held uit een zijner verhalen) zeide ik en haastte mij,

toen ik zag dat hij min of meer verlegen werd, er bij te voegen:

"niet van naam maar in karakter." Daarop vertelde ik hem wie ik was,

dat zijne werken mij tot nadenken hadden gebracht, en welk een goeden

invloed zij op mij hadden uitgeoefend.

"Het toeval," zoo vertelt Schyler verder, "voerde mij het volgend jaar

naar Berlijn, waar ik in het gastvrije huis van den Amerikaanschen

gezant Bancroft het genoegen had Auerbach te ontmoeten. Eens kwam

het gesprek op Rusland en daardoor ook op Tolstoi, en herinnerde ik

hem aan dat voorval.

"'Ja,' zeide hij, 'ik weet nog heel goed hoe ik schrok, toen die

vreemd uitziende heer mij zeide, dat hij Eugen Baumann was. Ik was

n.l. bang dat hij mij van laster kwam beschuldigen.'"

De Saksische scholen konden Tolstoi niet bevredigen. Den 19den Juli

vertrok hij naar Kissingen, zoodat hij langzamerhand ook dichter bij

zijn broer kwam. Onderweg las hij veel, o.a. ook over de geschiedenis

der paedagogie.

Den 5den Augustus 1860 schreef Tolstoi uit Kissingen aan zijne tante:

"Ik heb u zoolang niet geschreven, lieve tante, omdat ik u niet alleen

tijding van mijzelf wilde doen toekomen, maar ook van al de onzen. Ik

wacht nu echter al tien dagen tevergeefs op bericht van hen. Maria

en ik zijn in den besten welstand te Berlijn aangekomen en maar één

dag zeeziek geweest.

"In Berlijn ben ik met Maria en Warenka naar den bekenden dokter Traube

geweest. Hij vond Maria volmaakt gezond en stuurde haar alleen voor

haar' arm naar Soden. Warenka moet de zeebaden gebruiken, maar hart

en longen zijn niet aangedaan. Voor mij oordeelt hij Kissingen het

geschiktst. In Berlijn kreeg ik eene vreeselijke kiespijn, zoodat

Maria eerst vier dagen later naar Soden vertrok. Wij ontvingen een'

brief van de broers, waarin Nikolaas schreef dat het _schijnt_ dat zijn

verblijf in Soden hem goed doet. Dát is alles wat ik van hem weet. In

Berlijn heb ik tien aangename en nuttige dagen doorgebracht, maar de

tandpijn heeft mij er vier bedorven. Voorzoover ik het beoordeelen kan

na een verblijf van negen dagen, schijnt Kissingen goed te zijn voor

mijne migraine. Ik heb hier Auerbach met zijne vreemde oogen ontmoet,

wat ik heel prettig vond, en ook zijne vrouw met haar krijschende

stem, hetgeen mij minder verheugde. Mijn adres is: Kissingen

(Bavière). Ik hoop dat gij mij spoedig zult antwoorden. Vaarwel, ik

kus uw handje. Zeg s.v.p. aan den opzichter, dat hij goed voor alles

moet zorgen en schrijf mij eens over 't werk, den oogst, de paarden,

en of er zieken zijn. Laat de onderwijzer mij op de hoogte houden van

de schoolzaken, hoeveel kinderen er komen en of ze goed leeren. Ik

kom ongetwijfeld tegen den herfst terug en ben van plan mij nog meer

dan vroeger met het onderwijs bezig te houden. De goede reputatie

van de school mag dus, nu ik er niet bij ben, niet verloren gaan,

en er moeten zooveel mogelijk leerlingen worden aangenomen."

Ook in Kissingen las Tolstoi zeer veel: op natuurkundig gebied Bacon,

op godsdienstig Luther, terwijl Riehl's werken hem tot gids strekten

bij de studie der staatswetenschap. Waarschijnlijk heeft hij zich ook

met Herzen bezig gehouden, want in zijn dagboek vinden wij de in dien

tijd neergeschreven aanteekening:

"Herzen: geen helder verstand, eene ziekelijke eigenliefde, maar

zijne goedheid, breede opvatting en elegante stijl zijn Russisch."

In Kissingen maakte Tolstoi kennis met den Duitschen socioloog

Jul. Fröbel, den schrijver van _Theorie der Politiek_, en met diens

oom, den paedagoog Fröbel, den stichter van de kindertuinen.

Fröbel was vol bewondering voor Tolstoi's scherpen blik en opvattingen,

die geheel nieuw voor hem waren en volkomen in tegenspraak met zijn

systeem.

"Ruslands vooruitgang is slechts mogelijk," verklaarde Tolstoi,

"wanneer de volksontwikkeling daarvan den grondslag vormt. Die

volksontwikkeling heeft bij ons meer kans van slagen dan bij u in

Duitschland, omdat het Russische volk nog geheel onbedorven is,

terwijl men het Duitsche volk kan vergelijken met een' knaap, die

eenige jaren eene verkeerde opvoeding heeft ontvangen."

De volksontwikkeling moet volgens Tolstoi's meening niet verplicht

zijn. Zal zij vruchten dragen, dan moet de drang naar weten zich zelf

openbaren, zooals b.v. de honger zich zelf openbaart.

Het grondbezit der boeren was een onderwerp dat hem ook zeer veel

belang inboezemde; in hunne onderlinge samenwerking (het artèl) zag hij

het beeld van den toekomststaat. Fröbel kon dikwijls een glimlach niet

weerhouden als Tolstoi zijne meening uitte over het Duitsche volk. Dat

hij b.v. in niet één boerenwoning de mooie _Dorpsvertellingen_ van

Auerbach, noch de werken van Hebel had gevonden, bracht hem buiten

zichzelf van verbazing. "Bij ons," zeide hij dan, "zouden de boeren

tot tranen geroerd worden door zulke boeken."

De indrukken, ontvangen door den omgang met Auerbach en Fröbel,

versterkten hem nog in zijn voornemen om de plannen, die hem

voor den geest zweefden, ten uitvoer te brengen. Fröbel vestigde

Tolstoi's aandacht op de werken van Riehl, wiens denkbeelden zeer

veel met de zijne overeenstemden; ijverig wijdde hij zich daarop aan

de bestudeering van Riehl's _Natuurlijke Historie van het Volk_,

als zijnde de grondslag van de Duitsche sociale politiek. Ook de

geschriften van den paedagoog Fröbel werkte hij grondig door. Tijdens

zijn verblijf in Kissingen maakte Tolstoi, daartoe aangelokt door de

schoone natuur en de vele geschiedkundige herinneringen, verschillende

grootere of kleinere uitstapjes in den omtrek. Hij ging naar den Harz,

vertoefde eenige dagen in Thüringen, en van uit Eisenach bracht hij

een bezoek aan den Wartburg.

Tolstoi voelde zeer veel belangstelling voor Luther, den grooten

Duitschen hervormer, die, brekende met de traditie, zijn zwaren

strijd op den Wartburg heeft gestreden. Hij bezocht de kamer waar

Luther gewoond heeft, en waar, voor het eerst, de woorden uit den

Bijbel in de Duitsche taal werden neergeschreven.

"Luther is groot," schreef Tolstoi na dat bezoek in zijn dagboek.

Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi bevond zich, zooals wij weten, nog

steeds in Soden. Den 19den Juli schreef hij aan zijn' vriend Fet:

"Ik had u reeds eerder willen schrijven, lieve vriend, maar ik

wilde u bericht zenden van de geheele Tolstoi-kolonie, hetgeen

om de volgende reden echter niet kan geschieden: mijne zuster is

met de kinderen naar Soden gekomen, waar zij een poosje voor hunne

gezondheid blijven, maar oompje Leo zit in Kissingen, dat hier een

uur of vijf vandaan ligt, en komt maar niet hierheen, zoodat ik hem

nog niet heb gezien. Ik heb Sergius, die op zijne terugreis naar

Rusland Kissingen heeft aangedaan, uw' brief meegegeven. Hij zal

wel spoedig bij u zijn en u alle bijzonderheden vertellen. Vergeef

het mij, beste Afanasie Afanasjewitsch, dat ik uw' brief aan mijn'

broer heb gelezen. Er stond veel waars in, maar alleen daar waar

gij in 't algemeen spreekt. Hetgeen gij van u zelf zegt is niet

waar. Men kan zich zelf en zijn' kring niet beoordeelen, en daarbij

ontbreekt het u aan praktijk. Verdiep u minder in theorieën, word

practisch en dan ben ik overtuigd dat uwe laksheid zal verdwijnen

en gij nog eens een werk zult schrijven, dat Toerghenjeff en ik

en nog een paar anderen met genoegen zullen lezen. En de rest van

't menschdom draait gij den rug toe. Weet gij waarom ik zooveel

van u houd, Afanasie Afanasjewitsch? Omdat gij zoo oprecht zijt en

nooit holle frasen gebruikt, zooals b.v. onze dierbare en hooggeachte

vriend Toerghenjeff. Toch is het mij heel eenzaam geworden sedert hij

niet meer hier is, afgezien nog van het feit, dat de schaakclub is

ontbonden. Zelfs mijn eetlust wordt minder sedert ik zijne gezonde,

gezette gestalte niet meer tegenover mij zie en ik niet meer verplicht

ben hem telkens het vleesch bij de worteltjes of de worteltjes bij het

vleesch aan te reiken. Wij hebben het dikwijls over u gehad, vooral

den laatsten tijd: 'Nu maakt Fet zich gereed om op reis te gaan,

nu komt Fet,' enz. enz.... Toerghenjeff heeft zich een zwarten hond

gekocht, een halfbloed panter. Ik drink geen bronwater meer en heb

mij voorgenomen veel uitstapjes te maken. Mijn hoofdkwartier echter

blijft Soden en het adres onveranderd."

Van Nikolaas Tolstoi bleef ons zoo weinig litteraire arbeid, dat

wij hier de enkele brieven laten volgen, die hij wisselde met zijne

familie en met Dmitri Alexejewitsch Djakoff. Hoewel zij niet zeer

belangrijk zijn, geven zij ons toch een' indruk van zijn vriendelijk,

goedhartig karakter.

Uit Soden schreef hij de familie Djakoff twee brieven.

"Hebt ge mijn' brief uit St.-Petersburg ontvangen, beste vriend? Zoo

ja, dan moet gij u schamen, dat gij er nog niet op hebt geantwoord. Ik

hoop dat al de uwen gezond zijn, en schrijf mij nu in 's hemelsnaam

of Darja Alexandrowna [118] ook naar het buitenland gaat. Waarheen

en wanneer zij ook gaat, als ik het maar weet, dan reis ik haar

dadelijk tegemoet. Bronwater drink ik niet meer, ik houd nu alleen

maar rust. Mijne zuster is ook hier en denkt een week of vier te

blijven. Mijn adres is: Soden, près de Francfort sur le Main, maison

'Landlust'.

"Met mijne gezondheid gaat het vooruit, hoewel ik nog niet geheel

beter ben; waarschijnlijk kunnen wij hetzelfde van uw landgoed

zeggen. Schrijf mij nu eens heel spoedig hoe het gaat, welke plannen

gij hebt, enz. enz.... Leo is in Kissingen, Sergius is bij mij in

Soden geweest, maar heeft al zijn geld verspeeld en is reeds weer

naar Rusland terug. Waarschijnlijk is hij nu bij u.

"Geheel de uwe, Graaf N. Tolstoi."

"19 Juli. (Nieuwe stijl.)

"Ik weet niet, Darja Alexandrowna, hoe ik u zal danken voor uw

schrijven; gij hebt uwen buurman dus nog niet vergeten. Hoe gaat het

met uwe gezondheid en hoe maakt Maschi het? Ik hoop dat wij elkaar van

't jaar nog zullen zien, en ik denk daaraan met groot genoegen. Gij

hebt slechts te schrijven wanneer gij naar het buitenland gaat,

waar gij u bevindt, en ik zal er zijn. Mijne zuster is ook in Soden

en draagt mij op u te groeten. Wij schelden den geheelen dag op het

weer--zomer is het hier niet geweest. Er is veel koude, regen en wind,

en dat niet alleen in Soden maar in heel Europa. Laat u dat echter

niet afschrikken. Kom maar en breng mooi weer mee.

"Met de meeste hoogachting verblijf ik

"Uw u toegenegen Graaf N. Tolstoi."

En aan zijn' vriend:

"Ik vrees, mijn beste Dmitri, dat deze brief u niet zal bereiken; zoo

gij hem wel ontvangt, meld mij dan per omgaande, waar gij heen gaat

en vooral, waar gij den herfst zult doorbrengen. Mijn adres blijft

nog steeds Soden, omdat ik zelf niet weet waar ik heen zal gaan. De

doktoren hebben mij druiven en een zacht klimaat voorgeschreven,

twee dingen die dit jaar in Europa niet te vinden zijn. Mijne zuster

laat u groeten.

"Geheel de uwe N. Tolstoi."

Nikolaas Tolstoi had eenige aangename weken met zijne zuster en hare

kinderen in Soden doorgebracht, maar zijne gezondheid liet nog veel

te wenschen over. De doktoren rieden hem eenstemmig een verblijf in

Italië aan.

Sergius Tolstoi was den 6den Augustus weer naar Rusland

teruggekeerd. Natuurlijk maakte hij van de gelegenheid gebruik zijn'

broer Leo in Kissingen op te zoeken, om hem tevens op de hoogte te

brengen van den slechten staat der gezondheid van hun' broeder. Drie

dagen later, juist op den dag dat Sergius weer vertrok, kwam Nikolaas

zelf naar Kissingen. Gravin Tolstoi met de kinderen waren nog in

Soden gebleven, waar Nikolaas zich spoedig weer bij hen voegde.

Leo Tolstoi ging nog voor eenigen tijd naar den Harz, waar hij van

de heerlijke natuur genoot en ook veel tijd aan lezen besteedde.

Eindelijk, 26 Augustus, kwam hij in Soden, waar alles reeds voor

de afreis gereed was, en den 29sten Augustus gingen de beide broers

naar Frankfort.

Waarschijnlijk had Tolstoi's sterke individualiteit haar stempel

gedrukt op zijne geheele persoonlijkheid. In Dresden immers maakte hij

Auerbach aan 't schrikken, en in Frankfort gebeurde iets dergelijks.

Gravin Tolstoi vertelt ons daarvan:

"Wij waren in Frankfort en Prins Alexander van Hessen met zijne gemalin

brachten mij een bezoek. Plotseling ging de deur open en Leo, in een

allervreemdst kostuum, dat herinnerde aan een' Spaanschen roover op

een plaatje, verscheen op den drempel. Ik was stom van verbazing. Hij

was blijkbaar niet zeer ingenomen met mijne gasten, want hij verdween

zoo spoedig mogelijk.

"'Qui est donc se singulier personnage?' vroegen mijne gasten.

"'Mais c'est Léon Tolstoy.'

"'Ah, mon Dieu, pourquoi ne l'avez-vous pas nommé. Après avoir lu

ses admirables écrits, nous mourrions d'envie de le voir.'"

Op advies van den dokter vertrok de geheele familie Tolstoi naar

Hyères, een plaatsje aan de Middellandsche Zee.

Nikolaas vond hier helaas ook geen baat en heeft er maar heel kort

mogen wonen.

Een paar dagen na hunne aankomst schreef Tolstoi een' brief aan zijne

tante Tatjana, waaruit blijkt dat zij nog niet alle hoop op herstel

hadden opgegeven:

"De gezondheid van Nikolaas blijft nog steeds dezelfde, maar nu wij

hier zijn hopen wij op beterschap, omdat zijne levenswijze in Soden,

de reis en het gure weer hem meer kwaad dan goed hebben gedaan. De

drie dagen die wij hier zijn hebben wij prachtig weer gehad, en men

zegt dat het hier altijd zoo is. Maria heeft kennis gemaakt met eene

prinses Galizina, die hier al negen jaren woont. Toen zij hier kwam

was zij er veel slechter aan toe dan Nikolaas, en nu is zij eene

volkomen gezonde, sterke vrouw." [119]

Met de gezondheid van Nikolaas ging het echter meer en meer

achteruit. Hij schreef eenige dagen vóor zijn' dood nog een' brief

naar Parijs, aan zijn' vriend Djakoff, waarin hij zelf de opmerking

maakt, dat zijne krachten hem verlaten. Ook was het reeds merkbaar

dat zijne hand hare vastheid had verloren.

"Ik schrijf je een paar woorden om je te laten weten waar ik ben. Mijne

zuster en ik zullen den winter in Hyères blijven. Mijn en ook Leo's

adres is: Mme Sénéquier, Rue du Midi. Naar Parijs gaan kan ik helaas

niet meer. De reis is mij te vermoeiend, ik ben heel zwak. Schrijf mij,

zoodra gij zijt aangekomen en dezen brief hebt gelezen, waar gij zijt,

wat gij doet, enz. Nu het niet mogelijk is elkaar te zien moeten wij

elkaar maar schrijven.

"Geheel de uwe N. Tolstoi."

Nikolaas Tolstoi stierf den 20 September 1860.

Leo Tolstoi deelde zijne tante Tatjana in de volgende bewoordingen

het sterfgeval mede.

"Waarde Tante!

"De zwarte rand om mijn brief zal u reeds alles gezegd

hebben. Vanmorgen om negen uur is gebeurd hetgeen ik nu reeds twee

weken ieder oogenblik verwachtte. Gisteren was het voor de eerste

maal dat ik hem met het aankleeden mocht helpen. Vanmorgen voor 't

eerst werd hij bepaald bedlegerig en vroeg om een' verpleger. Zijn

bewustzijn heeft hij niet verloren. Een kwartier vóor zijn dood dronk

hij nog een glas melk en zeide, dat hij zich beter gevoelde. Gisteren

maakte hij nog grappen en toonde hij nog belangstelling voor mijne

opvoedingsplannen. Zeer kort voor zijn' dood fluisterde hij eenige

malen: 'mijn God, mijn God.' Ik geloof, dat hij zich zijn' toestand

wel bewust was, maar hij wilde ons en zich zelf misleiden. Maria,

die een paar wersten hier vandaan woont, was eenige uren van te voren

weggegaan. Zij had het einde niet zoo spoedig verwacht. Ik heb hem

juist de oogen toegedrukt. Spoedig zal ik bij u zijn en u alles

vertellen... Vorstin Galizina heeft zich belast met de zorg voor

de begrafenis, die hier zal plaats hebben. Vaarwel, lieve tante,

troosten kan ik u niet. 't Is Gods wil! Ik schrijf Sergius nu niet;

hij is waarschijnlijk op de jacht en gij alleen weet waar hij zich

bevindt. Wees dus zoo goed het hem mede te deelen of hem dezen brief

te sturen."

Den dag na de begrafenis schreef hij zijn' broeder Sergius:

"Je hebt zeker het bericht van Nikolaas' dood ontvangen. Het spijt

mij voor je dat je niet hier waart. Hoe zwaar de slag ook is, het

doet mij toch goed dat het in mijne tegenwoordigheid gebeurd is,

en dat het sterfgeval mij heeft getroffen zooals het mij treffen

moest. Niet zooals met Dmitri, wiens doodsbericht mij bereikte toen

ik in 't geheel niet om hem dacht. Het waren onze jeugdherinneringen

zoowel als onze bloedverwantschap die ons verbonden. Nu hebben wij een

vriend verloren, dien wij meer liefhadden en achtten dan iemand op de

wereld. Het is mij eene vreeselijke gedachte, dat ik de laatste tijden

het egoïstische verlangen had: hoe eerder het afloopt hoe beter. Om

mij maar geen last te veroorzaken, deed hij, ijverig en sterk van

karakter als hij was, nog alles zelf. Den dag vóor zijn dood kleedde

en wiesch hij zich nog zonder hulp, en toen ik 's morgens bij hem kwam

zat hij reeds geheel gekleed in een' leuningstoel. Eerst negen uren

vóor zijn' dood kon hij niet meer tegen de ziekte strijden, en vroeg

hij mij hem bij het uitkleeden te helpen. Vroeger had ik mijne hulp

niet aangeboden, omdat hij er niet van hield geholpen te worden. Nu

voegde hij zich. Den geheelen dag was hij zacht gestemd, klaagde niet

en prees iedereen. Tot mij zeide hij: 'dank je, mijn vriend.' Jij

kunt begrijpen wat dat woord mij zegt. Ik vertelde hem, dat ik hem 's

morgens had hooren hoesten, maar dat ik niet naar hem toe was gegaan,

om hem niet te hinderen. 'Integendeel, het zou mij getroost hebben.'

"Wat heeft hij geleden; maar geuit heeft hij het voor het eerst een

paar dagen vóor zijn' dood. 'Vreeselijk, die slapelooze nachten! Tegen

den morgen stik ik bijna van het hoesten. En zoo nog eenige nachten

te moeten lijden!' Nooit heeft hij gezegd dat hij den dood voelde

naderen; hij heeft het echter slechts niet uitgesproken. Op zijn'

sterfdag bestelde hij nog een' nieuwen chambercloak, maar toen ik

hem vertelde dat, indien hij niet beter was, Maria en ik niet naar

Zwitserland zouden gaan, antwoordde hij: 'denk je dan werkelijk dat

ik beter wordt?' De toon waarop dit gezegd werd, deed mij begrijpen,

dat hij zijn' toestand begreep, maar het voor ons niet wilde weten. 's

Morgens wist ik wat ons wachtte, en ik bleef steeds bij hem. Hij

stierf, ten minste schijnbaar, heel kalm. De ademhaling werd langzamer

en langzamer en hield eindelijk geheel op. Den volgenden morgen ben ik

nog eens naar hem toe gegaan. Ik was bang dat hij veranderd zou zijn

en er nog vreeselijker zou uitzien dan tijdens zijne ziekte. Je kunt

je echter niet voorstellen hoe mooi hij daar lag, met die blijmoedige,

vredige uitdrukking op zijn gelaat.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 24 / 32 段