"Het _Moskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde_,

dat u, Graaf Leo Tolstoi, onder het getal zijner werkzame leden

heeft opgenomen, heet u met blijdschap welkom als medewerker op

het gebied der zuivere bellettrie. Deze zuiver litteraire richting

verdedigt gij in uwe redevoering, en stelt haar hoog boven alle

andere tijdelijke en toevallige richtingen van letterkundigen

arbeid. Zonderling zou het zijn, indien het Genootschap daarin

niet met u sympathiseerde. Veroorloof mij, intusschen, te zeggen,

dat de billijkheid der meening, welke door u met zooveel talent is

uitgesproken, geenszins de rechten van het tijdelijke en toevallige

op het gebied der taal te niet doet. Datgene wat altijd schoon

en onveranderlijk is, als de grondwetten der ziel zelve, neemt,

en moet ongetwijfeld innemen, de eerste plaats in de gedachten, de

drijfveeren en dus ook in het gesproken woord der menschen. Dit en

alléén dit wordt van geslacht op geslacht, van het eene volk op het

andere overgedragen, als een kostbaar erfdeel dat steeds vermeerdert

en nooit in vergetelheid geraakt.

"Maar aan den anderen kant bestaat er, zooals ik reeds de eer

had te zeggen, in de natuur van den mensch, zoowel als in die

der maatschappij, eene duurzame behoefte aan overtuiging. De

geschiedenis wijst op tal van belangrijke momenten, waarin die

overtuiging bijzondere, onomstootelijke rechten verkrijgt en

niet meerdere juistheid en scherpte in de maatschappelijke taal

doordringt. Het toevallige en het tijdelijke in den historischen

gang van het volksleven krijgt de beteekenis van het algemeene,

het universeel menschelijke, omdat alle geslachten, alle volken de

ziekelijke verzuchtingen en bekentenissen van een of ander geslacht

of volk kunnen begrijpen en dat ook werkelijk doen. De rechten der

bellettrie, die dienares van eeuwige schoonheid, vernietigen niet de

rechten der overtuigende of bewijsvoerende letterkunde, welke steeds de

maatschappelijke onvolmaaktheid vergezelt en soms heilzaam blijkt voor

de maatschappelijke wonden. In de onverstoorde waarheid en harmonie

der ziel ligt een oneindige schoonheid; maar ook in de boete, in het

berouw, dat de waarheid hooghoudt en den mensch of de maatschappij

naar zedelijke volmaaktheid drijft, ligt ware, verhevene schoonheid.

"Sta mij toe hier bij te voegen, dat ik de meening van den, naar het

mij voorkomt, eenzijdigen Duitschen aestheticus niet kan deelen. Wel

is de kunst, de bellettrie, geheel vrij en vindt zij rechtvaardiging

en doel in zich zelve, maar de vrijheid der kunst, als abstract

begrip, staat in geenerlei betrekking tot het innerlijke leven van den

kunstenaar. De kunstenaar is geen theorie, geen gebied van gedachten en

gedachtenarbeid: hij is een mensch, steeds een mensch van zijn tijd,

gewoonlijk de beste vertegenwoordiger er van, die hem met zijn' geest

en met zijne rijpe of ontluikende neigingen doordringt. Wegens zijne

ontvankelijkheid voor indrukken, zonder welke hij geen kunstenaar zou

kunnen zijn, neemt hij--meer dan andere menschen--alle ziekelijke en

ook blijmoedige aandoeningen der maatschappij waarin hij geboren is,

in zich op. Doordien hij zich steeds aan het ware en schoone wijdt,

weerspiegelt hij onwillekeurig door een woord, door den zin eener

gedachte of voorstelling het actueele in zijn mengsel van waarheid,

die eene reine ziel verblijdt, en van leugen, die de harmonische rust

der ziel verstoort.

"Zoo vloeien de twee gebieden, de twee afdeelingen der letterkunde,

waarvan wij spraken, ineen; zoo wordt een schrijver, een dienaar van

de zuivere kunst, somtijds bewijsvoerder, zonder dat hij het zelf weet,

zonder zijn eigen wil en soms ook tegen zijn' wil. Ik neem de vrijheid

u zelf, graaf Tolstoi, als voorbeeld te nemen. Gij volgt getrouw

en standvastig een bewusten en bepaalden weg; maar zijt gij wel zoo

geheel vreemd aan die richting, welke met den naam van overtuigende

of bewijsvoerende letterkunde bestempeld wordt? Hebt gij niet eens

in uw leven in het beeld van een teringachtigen boer, die te midden

van een aantal kameraden, blijkbaar onverschillig voor zijn lijden,

op zijne kachel sterft, de eene of andere maatschappelijke ziekte,

de eene of andere ondeugd aangewezen? Hebt gij, bij het beschrijven

van dien dood, geen leed gehad over die harde gevoelloosheid van

goede, maar niet ontwaakte menschenzielen?... Ja--ook gij waart

en zult onwillekeurig zijn: bewijsvoerder, beschuldiger! Ga met

God op den wonderschoonen weg voort, dien gij u hebt gekozen. Ga

voort met hetzelfde gunstige gevolg, waarmee ge tot heden bekroond

zijt geworden,--of met nog glansrijker, want uwe gave is niet van

voorbijgaanden aard, en niet spoedig uitgeput. Maar geloof vrij, dat

in de letterkunde het eeuwige en artistieke steeds het tijdelijke en

vergankelijke in zich opneemt, het vervormt en veredelt, en dat alle

verschillende loten der menschelijke taal zonder ophouden samengroeien

tot een enkel harmonisch geheel."

Chomjakoff's voorspelling werd verwezenlijkt. Zonder nog te spreken van

de beschuldigende elementen in alle geschriften der eerste periode,

kwam Tolstoi 20 jaren later met zijne _Biecht_ en daarna met de

aanwijzing van het kwade der tegenwoordige maatschappij voor den

dag. En aan deze taak heeft hij zijne machtige kunstenaarsgaven gewijd.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

TOLSTOI'S TWEEDE BUITENLANDSCHE REIS.

In Februari van het jaar 1860 wendde Fet zich schriftelijk tot

Tolstoi om hem raad te vragen in zake den aankoop van een stuk grond

en om inlichtingen den landbouw betreffende. Tolstoi antwoordde

hem uitvoerig, juichte zijn plan zeer toe, beloofde hem te zullen

helpen en wees hem verschillende stukken grond aan. In dezen voor

ons onbelangrijken zakenbrief, maakt hij tevens eenige opmerkingen

over een paar werken van Toerghenjeff en Ostrowski.

"Ik heb _Aan den Vooravond_ gelezen. Ziehier mijn oordeel. Verhalen

schrijven is over 't algemeen nutteloos, maar vooral als het geschiedt

door menschen, die pessimistisch zijn en niet goed weten wat zij

in 't leven willen. Overigens is _Aan den Vooravond_ veel beter

dan _Het adellijk Nest_. In het eerste zijn de met den geest van

tegenspraak bezielde personen, de vader, de kunstenaar, uitstekend

geteekend. De overige personen zijn geen typen, zelfs hun denken en

hunne omstandigheden zijn niet typisch, hoogstens dood-alledaagsch. Dat

is overigens altijd eene fout van Toerghenjeff. Het meisje is van 't

begin af aan slecht geteekend: 'Ach, hoe bemin ik je.... Zij had lange

wimpers....' Het heeft mij altijd verwonderd, dat Toerghenjeff met

zijn groot verstand en dichterlijk gevoel zich niet van banaliteiten,

die er soms zelfs zijn bijgesleept, kan onthouden. Het meest treft

men die banaliteit aan bij zijne oppositie-menschen; hierin herinnert

hij aan Gogol. Hij neemt geen aandeel in het lot van deze lieden,

maar teekent hen als misgeboorten, waarvoor hij geen medelijden voelt

en die hij bovendien nog beschimpt. Dat is te veel in tegenspraak met

den toon en de gedachten, die Toerghenjeff overigens kenmerken. Dat

was goed bij de ouderwetsche litteratuur en bij Gogol, waar ik nog

bij moet voegen dat, indien men zijne onbeduidende personen niet kan

beklagen, men hen moet uitschelden om een onzinnige reden, b.v. omdat

het vandaag niet warm is, of uitlachen omdat zij buikpijn hebben;

maar niet zooals de zwaarmoedige Toerghenjeff het doet. Men mag in

't algemeen niet zulke verhalen schrijven, zelfs niet als men zeker

is van succes.

"_Onweder_ van Ostrowski is volgens mijne meening een treurig werk,

maar zal succes hebben. Ostrowski noch Toerghenjeff hebben schuld

aan hun succes, maar de tijd waarin zij leven. Er zal nu geen mensch

meer opstaan die in dat opzicht Boelgarin zal evenaren, maar daarom

zal niemand de liefhebbers van het antieke, waartoe ook ik behoor,

verhinderen om met ernst gedichten en verhalen te lezen en ze ernstig

te bespreken. Toch hebben wij tegenwoordig iets anders noodig. Ons

behoeft men niet meer te onderwijzen maar wij moeten Marfoetka en

Taraska [114], iets, al is het maar weinig, meedeelen van hetgeen

wij weten. En nu, leef wel!"

Leo Tolstoi heeft inderdaad beslist, dat de mensch, die gezegend is

met verstand en zich verrijkt heeft met wetenschap, in de eerste plaats

verplicht is diegenen ervan te doen genieten, die dat ontberen. Daarom

ook wijdt hij zijne vrije uren aan de volksschool.

Op die wijze verliep de winter van 1859-'60. Ook las Tolstoi veel

ernstige boeken, die hem op de volgende gedachten brachten.

7 Februari. "Ik las over de degeneratie van het menschelijk verstand

en van den hoogsten graad zijner ontwikkeling. Geheel machinaal gingen

mijne gedachten naar het gebed.--Bidden.--Tot wien? Wat is het voor

een God, dien men zich zoo duidelijk kan voorstellen, dat men hem

kan vragen zich met ons in verbinding te stellen. Als ik mij God zoo

voorstel, dan verliest Hij voor mij al het verhevene.

"De God, dien men iets kan vragen, dien men kan dienen, is eene

uiting van zwakheid van het verstand. Daarom is Hij God omdat ik mij

Zijn wezen niet kan voorstellen. Neen, Hij is geen wezen; Hij is wet

en kracht.

"Moge deze bladzijde een monument blijven voor mijn vertrouwen in de

kracht van 't verstand."

Vervolgens las hij: _Vertellingen_ van Auerbach, _Reineke Fuchs_

van Goethe. Ongeveer in dien tijd schreef hij:

"Het is een vreemde godsdienst, die godsdienst van mij en van

onzen tijd, het is de godsdienst van den vooruitgang. Men heeft

eens den mensch gezegd, dat vooruitgang goed is. Zij is slechts eene

afwezigheid van geloof, gepaard aan den drang naar een bewust werken,

dat minder zwaar wordt door het geloof. De mensch heeft een drijfkracht

noodig. Zoo is het."

Deze gedachte kwam, zooals wij later zullen zien, tot hare volle

ontwikkeling in zijne paedagogische werken en ook in de zelfontleding

van zijn _Biecht_.

De vrienden volgden met belangstelling Tolstoi's litteraire loopbaan

en hadden een vriendelijke toegevendheid voor zijne "dwaasheden en

zonderlingheden", zooals zij het noemden, terwijl zij grootendeels

zijne diepgaande, innige gedachten niet begrepen.

Zoo schreef o.a. Botkin 6 Maart 1860 aan Fet:

"Uit een' brief van Toerghenjeff zag ik met genoegen, dat Tolstoi zich

weer met zijn' roman uit den Kaukasus bezig houdt. Hoeveel dwaasheden

hij ook doet, ik zal toch steeds zeggen, dat hij iemand is met groot

talent, en iedere dwaasheid van hem heeft voor mij meer waarde,

dan de verstandigste daden van vele anderen."

In een' brief van Toerghenjeff aan Fet lezen wij:

"En Leo Tolstoi gaat voort met zijne eigenaardigheden; dat is hem

zeker aangeboren. Wanneer zal hij eens ophouden in de lucht te zweven

en vasten bodem onder zijne voeten voelen."

In den winter van 1860 bracht het echtpaar Fet een bezoek op Jasnaja

Paljana, dat zij moesten passeeren als zij van hun landgoed naar de

stad gingen.

Van dit bezoek geeft Fet ons de volgende korte aanteekening:

"Natuurlijk ontzegden wij ons het genoegen niet een paar dagen op

Jasnaja te blijven, waar wij tot onze groote vreugde ook Nikolaas

Tolstoi, een' hoogst sympathieken, verstandigen man, aantroffen. Wat

hebben wij niet een plannen gesmeed in die paar dagen, dat ik met

hem samen was! Niemand van ons dacht er aan, dat geen van die plannen

verwezenlijkt zou kunnen worden."

Verder vertelt Fet van een bezoek, dat Nikolaas hem bracht:

"In 't begin van Mei kwam Nikolaas Tolstoi ons eens opzoeken. Zijne

zuster had hem aangeraden met de broers in 't buitenland genezing

te gaan zoeken voor zijn hardnekkigen hoest. Hij zelf nam niet de

minste notitie van zijne zwakke gezondheid, maar zijne magerheid,

zijne bleeke gelaatskleur en vooral de driftbuien, teringlijders

zoo eigen, wezen, ondanks zijne opgeruimdheid en zijn prettigen,

vroolijken lach, op de aanwezigheid van die ziekte. Ik weet nog hoe

boos hij zijne hand terug trok, toen de koetsier die wilde grijpen

om haar te kussen. Den man zelf deed hij geen verwijten, maar toen

wij naar de paarden gingen kijken, zeide hij tegen Borisoff en mij:

'Hoe komt die ezel er bij mij plotseling de hand te willen kussen;

dat is nog nooit gebeurd.'"

Wij achten het niet overbodig, hier de karakterschets te laten volgen,

die Fet van dezen broeder heeft gegeven.

"Graaf Nikolaas Tolstoi kwam bijna iederen avond bij ons en bracht dan

eene prettige gezelligheid mee, die zich niet met een paar woorden

laat beschrijven. Hij droeg toen nog altijd zijn uniform. Men

behoefde zijne magere handen, zijne groote verstandige oogen en

zijne ingevallen wangen maar aan te zien om te weten, dat deze goede,

geestige man eens het slachtoffer zou worden van de onverbiddelijke

tering. Het is jammer, dat deze buitengewone persoonlijkheid, die door

al zijne kennissen werd verafgood, in den Kaukasus de in het leger zeer

verspreide gewoonte had aangenomen van veel te drinken. Men zegt het

althans, maar ik, die in den korten tijd dat ik hem kende, dikwijls

met hem op jacht ging, waar hij natuurlijk veel meer gelegenheid had

tot drinken dan op een familieavondje, kan verklaren nooit een spoor

van dronkenschap bij hem te hebben waargenomen.

"Hij zat altijd in een' leuningstoel, dien wij bij de tafel hadden

geschoven, en dronk een paar kopjes thee met een weinig cognac. Men

moest hem, bescheiden als hij was, meestal aan het praten brengen,

maar was hij eenmaal begonnen, dan bracht hij in het gesprek al dien

fijnen humor, waarover hij zoo rijkelijk kon beschikken. Hij hield

heel veel van zijn jongsten broer Leo, maar kon toch niet nalaten

diens aristokratische manieren te bespotten. Schijn kon hij steeds van

waarheid onderscheiden en met dezelfde ironie ontleedde hij de hoogste

zoowel als de laagste Kaukasische kringen. Ook oompje Jepischka,

de bekende jager en oud-geloovige (in _de Kozakken_ voorkomende

onder den naam van Jeroschka), werd door hem gezien en begrepen,

zooals alleen een kunstenaar dat kan."

Nikolaas Nikolajewitsch schreef weinig. _Herinneringen van een Jager_

is het eenige verhaal dat tot ons is gekomen. Het werd indertijd

opgenomen in den _Sawremjennik_.

Garschin geeft in zijne _Herinneringen aan Toerghenjeff_ diens meening

over Nikolaas Tolstoi:

"De lijdzaamheid, die Leo Tolstoi in theorie ontwikkelde, vinden wij

geheel terug in het wezen van zijn' broer Nikolaas.

"Zijne woning was zoo bescheiden mogelijk, bijna een hutje, ergens

in een afgelegen wijk van Moskou, en alles wat hij bezat deelde hij

met de armen. Hij was een bijzonder aardig prater en verteller, maar

schrijven was hem eene bijna physieke onmogelijkheid. Het opstellen van

een' brief kostte hem evenveel moeite als den eenvoudigsten werkman,

wiens ruwe, verwerkte vingers de pen niet kunnen vasthouden."

Tot groote, maar korte vreugde van al zijne vrienden besloot Nikolaas

Tolstoi eindelijk naar het buitenland te gaan.

Toerghenjeff, die bijzonder veel van hem hield en die zich zeer

ongerust maakte over zijne gezondheid, schreef naar aanleiding daarvan

uit Soden aan Fet:

"Hetgeen gij mij van Nikolaas' gezondheid schreeft, heeft mij zeer

getroffen. Kan het waar zijn dat die brave, lieve man zou moeten

sterven. Waarom heeft hij niet eerder zijne traagheid overwonnen om

in 't buitenland genezing te zoeken? Hij ging toch ook wel naar den

Kaukasus in een reiswagen en de duivel mag weten in welke voertuigen

nog meer. Kwam hij maar naar Soden! Hier ontmoet ge bij iederen stap

borstlijders. Ik spreek met u op een afstand van duizenden wersten,

alsof mijne woorden zouden kunnen helpen.... Als Nikolaas nog niet

vertrokken is, dan zal hij het nooit doen... En zoo slaat ons allen

het noodlot."

In het postscriptum schrijft hij nog eens:

"Zoo Nikolaas nog niet vertrokken is, pak hem dan in zijn kraag en

sleep hem over de grenzen. De lucht is hier zoo zacht als gij het in

Rusland nergens vindt."

Tolstoi maakte zich natuurlijk ook zeer ongerust over de ziekte

van zijn' broer. De volgende brief aan Fet, in dien tijd geschreven,

spreekt van die bezorgdheid en ook vinden wij daar eenige raadgevingen

op landhuishoudkundig gebied:

"...Wanneer ik geheel geloof had kunnen schenken aan uw' brief zou ik

er niet trotsch op geweest zijn, maar had hij mij verdriet gedaan. Gij

zijt een schrijver en blijft een schrijver. Gave God, dat wij allen

konden schrijven zooals gij! Maar dat gij een stuk grond wilt koopen

en daar wilt gaan werken als een mier, dat is eene prachtige gedachte,

die gij ook ten uitvoer moet brengen en dan beter dan ik. Gij moet

het doen omdat gij een goed mensch zijt, met een helderen blik op

het leven. Overigens ben ik op het oogenblik niet de persoon om u op

een' meesterachtigen toon mijne goedkeuring te schenken. Ik leef in

tweestrijd met mijzelf. Mijne werkzaamheden op mijn landgoed drukken

mij en ik ben niet met hart en ziel bij het 'Joefanstwo.' [115] Verder

nemen huiselijke zorgen, de ziekte van Nikolaas, van wien ik sedert

hij in het buitenland vertoeft niets gehoord heb, en het vertrek van

mijne zuster mij geheel in beslag. Mijn ongetrouwd leven, het gemis van

eene vrouw en de vrees dat het te laat is om dat te herstellen hinderen

mij ook. Het gaat tegenwoordig in 't algemeen niet goed naar mijn zin.

"Daar mijne zuster hulp noodig heeft en ook omdat ik naar

Nikolaas verlang zal ik morgen werk maken van een' buitenlandschen

pas. Misschien reis ik met haar mee. Ik doe het zeker als ik geene of

slechte berichten van hem krijg. Wat zou ik je nog graag eens willen

zien vóor ik vertrek! Ik had je nog zooveel te vragen en te vertellen,

maar--dat is nu niet mogelijk. Wanneer deze brief vroeg genoeg aankomt

zult gij er uit zien dat wij Donderdag, uiterlijk Vrijdag op reis

gaan. En nu over uwe plannen. De prijs, dien men u genoemd heeft, is

niet te hoog en als de plaats u aanstaat, dan moest gij den grond maar

koopen. Maar waarom zoo veel? Ik weet uit eigen ondervinding dat, zoo

gij er voordeel van wilt trekken, gij niet meer dan 60 desjatin moet

hebben, d.w.z. vier stukken land ieder van 10 à 15 desjatin. [116]

Sla dezen raad niet in den wind. Het zijn geen losse praatjes, waar

ik mee aankom, ik heb zelf leergeld betaald. Wie het u anders gaat

vertellen, die liegt of hij weet het niet. Ook nu reeds zult gij al

uwe krachten moeten inspannen, maar uwe moeite zal beloond worden. Het

is de aangenaamste bezigheid die er bestaat, d.w.z. wanneer het land

niet te groot is, want in dat geval moet gij werken als een postpaard

en bereikt niets. Ik heb geen woorden genoeg om mijne spijt uit te

drukken, dat ik niet eerder heb geschreven. Gij waart dan zeker nog

bij ons gekomen. En nu vaarwel! Doe mijne hartelijk groeten aan Maria

Petrowna en aan Borisoff."

De litteraire werkkracht van Tolstoi, en ook van Fet, begon in dezen

tijd te verslappen. Tolstoi gaf zich over aan innerlijke beschouwingen

en er ontstond een stilstand in zijn werk. Maar nu schreef Droezjinin

elk der beide vrienden een' overtuigenden brief om den lust tot

schrijven weer bij hen op te wekken. Belangrijk vooral is die aan

Tolstoi:

"Ik haast mij u te antwoorden op uw schrijven en ook, zooals gij

waarschijnlijk wel zult raden, op hetgeen gij mij meedeelt over

uwen litterairen arbeid. Bij iederen schrijver komen oogenblikken

van twijfel en ontevredenheid, maar hoe sterk, hoe gewettigd die

ook mogen zijn, niemand nog heeft daarom het schrijven voor goed

opgegeven. Bij alles wat gij doet, het zij goed of kwaad, hebt gij

steeds eene groote vasthoudendheid getoond; daarom moet gij meer dan

iemand anders nadenken voordat gij het werk neerlegt.

"Bedenk toch, na poëzie en na hersenarbeid is alle andere bezigheid

niets. _Qui a bu veut boire._ U op dertigjarigen leeftijd van uwen

litterairen arbeid terug te willen trekken staat gelijk met het

verlies van de helft der belangstelling die gij voor 't leven gevoelt.

"Maar--dat is nog niet alles. Op ons allen rust de verantwoordelijkheid

voor goede litteratuur te zorgen, iets waaraan het Russische

publiek zoo zeer behoefte heeft. De Engelschman en de Amerikaan

kunnen terecht lachen omdat in Rusland eene vertelling van honderd

bladzijden (waarmee een landeigenaar, met een goed van 2000 zielen,

zich maanden heeft bezig gehouden), door het publiek verslonden wordt

en een' geheelen dag het onderwerp van gesprek vormt. Wat men in het

buitenland dilettantisme noemt, wordt bij ons reeds als iets bijzonders

beschouwd. Bij ons is het zoo. Eene vertelling wordt gelezen om zich er

mee te amuseeren. Deze laagste soort van kunstuiting kan twee bronnen

hebben: òf zij is geschreven door iemand die ons niets te vertellen

heeft, òf zij is de stem van den eenigen vooruitstrevenden man in

het Tsarenrijk. Wij b.v. kennen de zwakke zijde van Toerghenjeff,

maar met dat al ligt er nog eene zee tusschen zijne niets beduidende

vertellingen en de beste romans van Eugénie Toer met haar half

talent. Het Russische publiek, dat zich door een eigenaardig gevoel

laat leiden, kiest zich vier of vijf schrijvers als leidslieden en

wenscht verder niets te weten. Gij zijt door uw talent, door uwe

schitterende geestesgaven en door een' samenloop van omstandigheden

een gunsteling van het publiek geworden. U aan den arbeid onttrekken

moogt gij dus niet; integendeel, gij moet werken met al de kracht die

in u is. En nu is er nog iets: gij zijt lid van den zooveel mogelijk

eerlijken, invloedrijken, onafhankelijken kring, die reeds sedert

tien jaren (ondanks de fouten die misschien haar leden aankleven)

het vaandel hoog houdt van liberalisme en vooruitgang, en onder den

druk der vervolging den smaad draagt, zonder ooit eene laagheid te

hebben begaan. De kring is, ondanks de geringe tegemoetkoming, de

weinige beschaving van het publiek en het neerzien op de litteratuur in

't algemeen, een moreele kracht geworden. 't Is waar, hij heeft ook

middelmatige, onbeduidende leden, maar in verbinding met de anderen

presteeren die toch ook iets en zijn zij niet geheel nutteloos. In

dien kring nu zijt gij, hoewel gij nog slechts kort lid zijt, één

dergenen die zich eene stem hebben verworven, hetgeen b.v. Ostrowski

met zijn groot talent, en die moreel even hoog staat als gij, niet is

gelukt. Eene verklaring hiervoor te zoeken zou ons te ver voeren en ook

niets aan de zaak afdoen. Indien gij u nu uit dien kring terugtrekt,

een leven van nietsdoen gaat lijden, dan zult gij u ten eerste vervelen

en ten tweede geene rol meer spelen op het wereldtooneel.

"En nu breek ik af omdat mijn papier vol is. Wanneer mijne gedachte

tot u spreekt, dan zult gij haar zelf uitwerken en ontwikkelen."

Tot Fet wendde hij zich met denzelfden vriendelijken raad.

"Waarde en hooggeachte Afanasie Afanasjewitsch!

"Uwe mededeeling dat gij niets meer schrijven wilt of laten drukken

beantwoord ik op dezelfde wijze als ik het Tolstoi gedaan heb. Indien

gij niets goeds te schrijven hebt, blijf dan bij uw voornemen, doch

zoo gij den drang tot schrijven voelt, zal een ander u daartoe niet

behoeven aan te zetten.

"Het is niet mogelijk, al heeft men duizend eeden gezworen, goede

gedichten of goede boeken voor zich te houden, en daarom moest gij het

ook maar niet probeeren. De beide laatste jaren was het u en Tolstoi

onmogelijk iets te scheppen, en gij hebt beiden goed gedaan een' tijd

lang te rusten. Zoodra echter uw geest zal ontwaken, zult gij, zoowel

als Tolstoi, u weer willen uiten. Doe daarom geen gelofte, vooral

niet omdat niemand er u naar vraagt. Het eenige, dat ik niet goed vind

in uw besluit, is dat gij en Tolstoi, zoo ik mij niet vergis, u boos

hebt gemaakt, hetzij op het publiek hetzij op de litteratuur. Wanneer

iedere schrijver beleedigd zou zijn door eene zekere koelheid of door

een schimpartikel, dan zou niemand meer schrijven behalve misschien

Toerghenjeff, die nu eenmaal de kunst verstaat een allemansvriend te

zijn. Wanneer men in de letterkundige wereld met slijk gooit, dan

is dat volgens mijne meening ongeveer hetzelfde, als dat het paard

dat gij berijdt iets onbehoorlijks doet, terwijl uw hoofd vervuld is

van poëtische gedachten. Hier kan ik nog bijvoegen, dat men mij heeft

uitgescholden zooveel als ik maar kon verlangen, en het heeft mij nog

niet eens mijn' eetlust bedorven. Integendeel, ik vond het een groot

genoegen mij schrap te zetten, en ik zal natuurlijk steeds doorgaan met

schrijven, totdat ik gezegd heb wat ik vind dat gezegd moet worden."

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 23 / 32 段