die avonden vol zoete herinneringen voor mij zijn gebleven. Aan die
avonden ben ik mijne beste gedachten, mijne beste gemoedsbewegingen
verschuldigd. In een leuningstoel gezeten las ik, dacht, luisterde
soms naar de gesprekken mijner tante met Natalie Petrowna of met het
altijd goede en vriendelijke kamermeisje Loenetschka, wisselde eenige
woorden met haar, en ging dan weer zitten lezen en denken. Die trouwe
leuningstoel staat nu nog bij mij, maar is niet meer dezelfde; ook
de sofa is veranderd waarop de goede oude Natalie Petrowna sliep,
die bij mijne tante inwoonde, niet voor hulp, maar omdat zij geen
onderkomen had. Tusschen de vensters, onder den spiegel stond de
schrijftafel mijner tante, met potjes en schaaltjes die gevuld waren
met zoetigheden, als honigkoeken en dadels, waarop zij mij van tijd
tot tijd trakteerde. Bij het venster stonden twee leuningstoelen,
en rechts van de deur een geborduurde ruststoel, waarop zij gaarne
had dat ik des avonds ging zitten.
"De groote bekoring van dit leven school in de afwezigheid van alle
stoffelijke zorg, in de goede, duurzame verstandhouding tusschen alle
personen van het gezin, welke door niets werd gestoord, en in het
kalme, onbewuste voorbijgaan van den tijd. Toen had ik kunnen zeggen:
'Wer darauf sitzt, der ist glücklich, und der glückliche bin ich.'
"En werkelijk, ik was naar waarheid gelukkig als ik in dien stoel
zat. Na een slecht leven in Toela, met kaartspel, zigeuners, jagen,
dwaze pronkzucht en dergelijke, keerde ik huiswaarts en ging naar
mijne tante. Volgens oud gebruik kusten wij elkaar de hand--ik hare
fraaie, welgevormde, zij mijne onbehouwen, grove hand--en heetten
elkander (ook weer volgens oud gebruik) in 't Fransch welkom. Daarna
schertste ik eenige oogenblikken met Natalie Petrowna, en ging in den
gemakkelijken stoel zitten. Mijne tante wist alles wat ik gedaan had,
had er verdriet van, doch met de haar eigen minzaamheid en liefde
verweet zij het mij nooit.
"Ik ging op mijn stoel zitten lezen, denken, en luisterde naar hare
gesprekken met Natalie Petrowna. Nu eens herdachten zij den ouden
tijd of speelden een partijtje _patience_, dan weer wezen zij elkaar
op voorteekenen of schertsten over het een en ander, en dan lachten
de beide oudjes (vooral tante) met een grappig, kinderlijk lachje,
dat ik dadelijk onder het lezen hoorde. Ik begon te vertellen dat de
vrouw van een mijner kennissen haren man ontrouw was geworden, en zeide
dat die man blij moest zijn van haar verlost te wezen. Daarop trok
tante, die juist met Natalie er over sprak, dat een dief aan de kaars
'gasten' beteekende, plotseling de wenkbrauwen samen en zeide, dat
hare overtuiging steeds geweest was, dat de man zoo iets niet mag laten
blijken, daar hij dan zijne vrouw geheel in het ongeluk stort. Hierna
vertelde zij mij een treurig geval onder het dienstpersoneel, dat
Loenetschka haar had meegedeeld. Na afloop daarvan las zij een'
brief voor van mijne zuster Maria, die zij evenveel, zoo niet meer,
liefhad als mij en sprak over het leed dat haar man, een eigen neef
van tante, Maria had aangedaan: welk feit zij niet veroordeelde of
gispte, doch betreurde. Eindelijk ging ik weer lezen, terwijl tante,
in herinneringen verdiept, hare snuisterijen doorsnuffelde.
"Hare voornaamste eigenschap, die onwillekeurig op mij is overgegaan,
was hare verwonderlijke, algemeene goedheid jegens allen zonder
onderscheid. Trots alle moeite kan ik mij uit mijn geheele leven geen
geval herinneren, dat zij boos werd, een hard woord zeide of iemand
veroordeelde, hekelde of berispte. Zij sprak goed over mijne andere
tante, die haar bitter gegriefd had door ons van haar weg te nemen,
en veroordeelde ook den man mijner zuster niet, die zich zeer slecht
tegen Maria had gedragen. Zij was grootgebracht in het begrip dat er
heeren en dienaren zijn, maar gebruikte hare heerschappij alleen om
de menschen te dienen. Nooit heeft zij mij rechtstreeks mijn slecht
leven verweten, ofschoon zij er verdriet van heeft gehad. Mijn broeder
Sergius, dien zij ook hartelijk liefhad, heeft zij er evenmin een
verwijt van gemaakt dat hij omgang hield met een Zigeunermeisje. De
eenige zweem van boosheid op hem was, dat zij, als Sergius er in lang
niet geweest was, zeide: 'Waar blijft onze Sergius toch?' terwijl
zij hem anders meer vriendelijk 'Serjoscha' noemde. Nooit leerde
zij met woorden hoe men leven moest, en zij hield ook niet van
zedepreeken. Haar geheele zedelijke arbeid was de verbetering van
haar eigen innerlijk; het uiterlijke gaf slechts daden te zien, of
liever--want daden waren er niet--een geheel leven van rustige kalmte,
zachtmoedigheid en stille, onopgemerkte liefde voor anderen.
"Innerlijk verrichtte zij een werk van liefde, en daarom was zij steeds
rustig en kalm. Deze beide eigenschappen van liefde en bedaardheid
werkten onmerkbaar aanstekelijk op anderen, en gaven aan den omgang
met haar eene eigenaardige bekoring.
"De omstandigheid dat ik geen enkel geval ken, waarin zij iemand
beleedigd heeft, is oorzaak dat ik ook niemand ken, die haar niet
mocht lijden. Nooit sprak zij over zich zelve, nooit over godsdienst:
hoe men gelooven moest, wat haar eigen geloof was en hoe zij bad. Zij
geloofde in waarheid aan alles, maar verwierp alléén het dogma der
eeuwige kwellingen, 'want,' zeide zij: '_Dieu, qui est la bonté-même,
ne peut pas vouloir nos souffrances_."
"Behalve bij Te Deum's en zielmissen heb ik nooit gezien hoe zij
bad. Alleen kon ik uit de ongewone minzaamheid, waarmee zij mij
somtijds toesprak, als ik haar 's avonds laat nog iets moest zeggen,
nadat ik reeds goeden nacht gewenscht had, opmaken, dat ik de goede
ziel bij het bidden gestoord had.
"'Kom binnen, kom binnen,' placht zij dan te zeggen. 'Juist heb ik
tegen Natalie Pretowna gezegd, dat Nikolaas nog wel bij ons zou komen.'
"Dikwijls noemde tante mij bij mijn' vadersnaam en dat deed mij
aangenaam aan, wijl het bewees dat de voorstelling, die zij zich van
mijn' vader en mij gemaakt had, één was wat hare liefde voor beiden
betrof. Op dit late uur was tante reeds in nachtoilet. Zij had een
doek om hare schouders geslagen en hare kleine voetjes staken in
pantoffels. In een dergelijk négligé vertoonde zich ook Natalie
Petrowna.
"'Ga zitten, ga zitten,' zei tante dan, als zij zag dat ik nog
geen lust had te gaan slapen, of dat de eenzaamheid mij drukte. De
herinnering aan die ongedwongen, late avondbezoeken is mij nog
steeds lief.
"Dan gebeurde het, dat Natalie Petrowna of ik iets grappigs zeiden,
zoodat tante begon te lachen, waarmede Natalie Petrowna dadelijk
instemde. En de beide oudjes lachten nog lang, soms zonder dat
zij wisten waarom. Zij lachten als kinderen, omdat zij iedereen
liefhadden en het hun goed was. Het was niet slechts die goedhartige
liefde jegens mij, die mij verblijdde, maar ook die sfeer van liefde
jegens allen, voor de aanwezigen en de afwezigen, voor de levenden
en de afgestorvenen, en zelfs voor de dieren.
"Komt de tijd dat ik een overzicht van mijn leven moet geven, dan
zal ik meer van haar vertellen. Nu zal ik alleen van de stemming
onder het volk--de boeren van Jasnaja Paljana--jegens haar spreken,
die zich bij gelegenheid van hare begrafenis uitte. Toen wij tante
door het dorp droegen, was er geen enkele van de 60 boerenwoningen,
waar de bewoners niet naar buiten kwamen met het verzoek den stoet een
oogenblik stil te doen staan en om de gebeden voor de afgestorvenen
voor haar te bidden.--'Zij was eene brave barina [107], die niemand
kwaad gedaan heeft,' zeiden allen. En daarom had men haar hartelijk
lief. Lao Tsz' heeft gezegd, dat de waarde der dingen ligt in hetgeen
zij _niet_ bezitten. Dit was ook op haar leven van toepassing, waarvan
de waarde voornamelijk bestond in de afwezigheid van al wat slecht
is. Inderdaad, in het leven van tante Tatjana Alexandrowna lag niets
slechts. Dit laat zich zoo gemakkelijk zeggen, maar zoo moeielijk
verwezenlijken! Ik heb ook maar één mensch gekend die zóó was!
"Kalm is zij gestorven. Allengs sluimerde zij in en stierf, volgens
haar wensch, niet in de kamer waar zij gehuisd had, om daar geen
treurige herinneringen voor ons achter te laten.
"Zij is heengegaan, bijna zonder iemand herkend te hebben. Mij heeft
zij tot op het laatste oogenblik gekend, met een lachje op de lippen,
dat haar gelaat deed stralen. Soms bewoog zij de lippen en poogde
den naam Nikolaas uit te spreken, mij kort voor haar dood geheel
vereenzelvigende met hem dien zij haar leven lang had liefgehad.
"En die goede vrouw heb ik nog dat kleine genoegen geweigerd,
dat haar de dadels en de chocolade verschaften, welke zij vroeg,
minder voor zich zelve, dan om mij te trakteeren; ook heb ik haar
de gelegenheid ontnomen nog wat geld te geven aan elk, die er haar
om vroeg. Ik kan daar niet aan denken zonder een kwellend verwijt
van mijn geweten. Lieve, beste tante, vergeef mij! Hadde ik in
mijne jeugd maar het goede gekend, en op mijn ouden dag het goede
kunnen doen,--ik bedoel niet het goede, dat ik mij in mijne jeugd
heb onthouden, maar het goede dat ik anderen onthield,--dan had ik
hun die reeds ten grave zijn gedaald het kwade niet gedaan!" [108]
Ofschoon Tolstoi den zomer van het jaar 1858 niet geheel te Jasnaja
Paljana doorbracht, maar voor eene poos naar Moskou ging, stelde hij
meer en meer belang in het leven der boeren en deed hij pogingen om
hun nader te komen.
Fet haalt in zijne _Herinneringen_ een verhaal aan van Leo's broeder,
dat op dien tijd betrekking heeft en met den fijnen humor, Nikolaas
eigen, geschreven is.
"Toen wij naar Leo Tolstoi vroegen, vertelde de graaf met zichtbaar
welgevallen het volgende van zijn geliefden broeder:
"'Leo,' zoo sprak hij, 'tracht zich met ijver aan de landelijke
leefwijze en bezigheden te gewennen, waarmee hij, evenals wij allen,
tot heden maar oppervlakkig bekend was. Ik weet echter niet, wat er
van die pogingen terecht moet komen. Leo wil alles tegelijk doen,
zonder iets van zijn ander werk te laten varen, zelfs de gymnastiek
niet. Voor het venster van zijne studeerkamer heeft hij een rekstok
laten maken. Natuurlijk heeft hij gelijk, dat hij zich losmaakt van
de vooroordeelen, waartegen hij zoo te velde trekt. De gymnastiek
zit zijn werkzaamheden niet in den weg, maar de dorpsschout ziet de
zaak toch eenigszins anders in.--"Men komt," zegt hij, "bij den barin
om een order te vernemen, maar de barin heeft zijn eene knie om den
rekstok geslagen, hangt, in een rood buis, met het hoofd omlaag en
zwaait heen en weer; zijne haren hangen neder en zwieren mee, zijn
gezicht is bloedrood. Ik geef het iemand te doen om onder die kunsten
orders van hem aan te hooren, en hem in 't gezicht te zien!"'
"Leo heeft er schik in, als hij ziet hoe de arbeider Joefan met
buitenwaarts gebogen armen aan het ploegen is. Joefan is voor hem
het type van een krachtigen boerenarbeider, in den geest van Mikoela
Seljaninowitsch. Dan slaat hij zelf de handen aan den ploeg, buigt
de armen ook buitenwaarts en doet Joefan na." [109]
Nadat Tolstoi zich in den zomer met zijn landgoed had bezig gehouden,
zien wij dat hij zich ook met maatschappelijke zaken inliet.
Tegen den herfst van het jaar 1858 had in Toela eene bijeenkomst plaats
van den adel uit het geheele gouvernement, met het doel afgevaardigden
te kiezen in het Comité van het Gouvernement Toela tot verbetering van
het bestaan der boeren. Op deze vergadering deden 105 edelen, op grond
van het verkiezingsreglement voor den adel, hetwelk hun toestaat hunne
meening over de plaatselijke nooden en behoeften van hun gouvernement
voor te dragen, den Maarschalk van Toela het volgende voorstel, ten
einde het aan het oordeel van het Gouvernements-Comité te onderwerpen:
"Zoowel ter verbetering van het bestaan der boeren, als tot waarborg
van den eigendom der grondbezitters en tot zekerheid van beide
partijen, achten wij, ondergeteekenden, het noodig den boeren niet
anders de vrijheid te geven, dan onder toewijzing van eene zekere
hoeveelheid land in erfelijk bezit. Voorts, dat de grondbezitters voor
het door hen afgestane land volledige en eerlijke schadeloosstelling
in geld ontvangen, volgens nader te bepalen financiëelen maatstaf,
die geenerlei gedwongen betrekkingen tusschen de boeren en de
grondbezitters na zich sleept,--welke betrekkingen de adel noodig acht
af te breken." (Volgen de handteekeningen der 105 Toela'sche edelen,
waaronder ook voorkomt die van graaf Leo Tolstoi, grondbezitter in
het district Krapifka.) [110]
In December 1858 had Tolstoi op jacht een avontuur, dat hem bijna
het leven gekost had. Ziehier wat Fet daarvan verhaalt. [111]
"Gromeka schreef den 15den December 1858:
"'Overeenkomstig uw verzoek, haast ik mij u mee te deelen, waarde
Afanasius Afanasijewitsch, dat ik dezer dagen, van omstreeks 18 tot
20 dezer, op de berenjacht ga. Zeg aan Tolstoi, dat ik eene berin
met twee éénjarige jongen heb gekocht en of, zoo hij lust heeft aan
onze jacht deel te nemen, hij zoo goed wil zijn, tegen 18 of 19 dezer
rechtstreeks bij mij in Wolotschok te komen. Hij behoeft volstrekt
geen plichtplegingen te maken; ik zal hem met open armen ontvangen,
en er zal eene kamer voor hem in orde worden gebracht. Indien hij
niet komt, verzoek ik u mij tegen dien tijd bericht te willen zenden.
"'Ik vermoed dat de jacht den 19den zal plaats hebben. Het zal dan
het best en zelfs noodig zijn den 18den hier te wezen.
"'Wil Tolstoi de jacht tot den 21sten uitstellen, meld mij dit dan;
maar langer kunnen wij niet wachten.'"
Om aan deze woorden nog meer kracht bij te zetten, kwam de bekende
berendrijver Ostaschkoff Tolstoi bezoeken. Zijne verschijning onder
de jagers kan het best vergeleken worden bij het dompelen van een
gloeiend ijzer in water. Allen werden opgewonden en luidruchtig. Daar
elken jager op de berenjacht de raad gegeven was twee geweren mee te
nemen, had Tolstoi mij mijn Duitsch tweeloops-geweer gevraagd, dat
voor hagel bestemd was. Op den afgesproken dag begaven onze jagers
(Leo zelf, benevens zijn broeder Nikolaas) zich naar het station van
den Nikolajeff-spoorweg. Ter wille van de nauwkeurigheid zal ik hier
woordelijk weergeven wat ik van Tolstoi zelf, en van de vrienden die
hem op de jacht vergezelden, vernomen heb.
"Toen de jagers, elk met twee geladen geweren gewapend, langs de open
woudvlakte geposteerd waren, die door holle wegen als een schaakbord
in vakken verdeeld was, werd hun de raad gegeven, de hooge sneeuw,
die hen omringde, in een wijden kring vast te stampen, om zoodoende
de meest mogelijke vrijheid van beweging te verkrijgen. Maar Leo,
die bijna tot zijn middel in de sneeuw stond, achtte dien maatregel
overbodig, omdat het doel toch was den beer te schieten en niet met
hem te worstelen. Met dit oogmerk bepaalde de graaf zich er toe zijn
geladen geweer tegen den stam van een boom te zetten, om, zoodra hij
hieruit twee schoten gelost zou hebben, het weg te werpen en dan mijn
Duitsch tweeloops te grijpen.
"De reusachtige, door Ostaschkoff uit haar hol opgejaagde berin liet
niet lang op zich wachten, en draafde, langs een der holle wegen die
de woudvlakte kruisten, naar de ruimte waar de jagers stonden. Het
toeval wilde dat deze holle weg uitkwam op dien, welke het dichtst
gelegen was rechts van de plek waar Tolstoi op post stond, zoodat
de graaf de nadering der berin niet kon opmerken. Mogelijk had het
dier den jager, op wien het toesnelde, al vooraf geroken, althans het
stormde eensklaps uit den tegenover liggenden hollen weg, verscheen
onverwacht op de vlakte, op zeer korten afstand van Tolstoi, en draafde
regelrecht op hem aan. Kalm legde de graaf aan, trok af, doch raakte
het dier waarschijnlijk niet, want nog vóór de rook was weggetrokken,
zag hij eene reusachtige, donkere massa voor zich, waarop hij bijna
_à bout portant_ losbrandde. De kogel vloog het dier in den bek en
bleef tusschen de tanden steken.
"Doordien de graaf verzuimd had de omringende sneeuw vast te treden,
kon hij zich niet zijwaarts wenden en evenmin mijn geweer grijpen,
daar hij plotseling een hevigen stoot tegen de borst kreeg, die hem
ruggelings in de mulle sneeuw deed tuimelen. In volle vaart stormde
de berin over hem heen. 'Nu ben ik verloren,' dacht de graaf. 'Ik
heb misgeschoten en kan niet voor de derde maal vuur geven.' Maar op
hetzelfde oogenblik zag hij eene donkere massa boven zijn hoofd. Het
was de berin, die na haren sprong onmiddellijk rechtsomkeert had
gemaakt, en den schedel van den jager, dien zij door een stoot omver
had geworpen, trachtte stuk te bijten. Daar Tolstoi weerloos op zijn
rug in de diepe sneeuw lag, kon hij slechts passieven weerstand
bieden. Het eenige wat hij dan ook deed, was het hoofd zoo diep
mogelijk tusschen de schouders te trekken en zijne harige muts voor den
muil van het dier te houden. Dank zij deze instinktmatige handeling,
beet het dier tweemaal mis en gaf hem slechts een geduchten knauw,
doordien het met de boventanden zijne wang onder het linkeroog
openscheurde, en met de ondertanden de geheele linkerhelft van de
schedelhuid aftrok.
"Op dit hachelijke oogenblik snelde Ostaschkoff, die met eene korte
ijzeren staaf in de hand voortdurend in de nabijheid was gebleven, met
opgeheven armen en onder het gewone geroep van: 'Scheer je weg! Scheer
je weg!' op de berin toe. Nauwelijks had het dier dien uitroep gehoord,
of het pakte in allerijl zijne biezen, om, zooals men denken kan,
den volgenden dag toch gegrepen en afgemaakt te worden.
"Toen men Tolstoi op de been geholpen en zijn half ontveld en hevig
bloedend gezicht behoorlijk verbonden had, waren zijne eerste woorden:
'Wat zal Fet daar wel van zeggen!'
"Ook nu nog ben ik trotsch op deze woorden." [112]
Toen Tolstoi van dit ongeval eenigszins hersteld was, haastte hij
zich zijne tante het voorgevallene mee te deelen.
"In de eerste plaats groet ik u hartelijk; ten tweede haast ik mij u
zelf van mijn ongeval in kennis te stellen, uit vrees dat u het anders
met de noodige bijvoegingen uit den mond van anderen zult hooren.
"Nikolaas en ik zijn op de berenjacht geweest. Den 20sten heb ik een'
beer gedood; den 22sten zijn wij nogmaals op weg gegaan en is mij een'
buitengewoon ongeval overkomen. Onverwacht wierp eene berin zich op
mij; op zes pas afstands brandde ik mijn geweer los, doch ik miste bij
het eerste schot. Bij het tweede trof ik haar doodelijk in den muil;
niettemin sprong het dier op mij toe, gaf mij een' stoot, zoodat ik
neertuimelde, en, terwijl de anderen toesnelden, beet het mij tweemaal:
eens op het voorhoofd, de tweede maal onder het oog. Gelukkig heeft dit
alles slechts 10 of 15 seconden geduurd. De berin ging op de vlucht,
en ik werd op de been geholpen, met eene kleine wond, die mij niet
mismaakt en zelfs geen pijn veroorzaakt. Noch het schedelbeen, noch
het oog zijn beschadigd, zoodat ik er met een klein litteeken op het
voorhoofd ben afgekomen. Ik ben op het oogenblik te Moskou en voel
mij volmaakt gezond. Ik schrijf u de zuivere waarheid, zonder iets
te verbergen, opdat u zich niet ongerust zult maken. Nu is alles
voorbij en rest mij nog God te danken, die mij op zoo buitengewone
wijze gered heeft." [113]
Dit avontuur diende Tolstoi als thema voor zijn verhaal: _Een jacht
die nog erger is dan gevangenschap_, dat in de _Leesboekjes_ werd
opgenomen. In dit verhaal staan tal van merkwaardige bijzonderheden,
die door Fet zijn weggelaten; maar wijl het in dien vorm zeer moeielijk
is het zakelijke gedeelte der vertelling te onderscheiden van wat
er door de fantasie is bijgevoegd, hebben wij aan de _Herinneringen_
van Tolstoi's vriend en aan zijn eigen brief aan tante Tatjana, die
meer aan ons doel beantwoordden, de voorkeur gegeven boven het door
hem geschreven verhaal.
De eerste maanden van het jaar 1859 bracht Tolstoi in Moskou door; maar
in April ging hij naar Petersburg, waar hij tien dagen in gezelschap
van zijne vriendin A. A. Tolstaja doorbracht. Van deze reis zijn hem
de aangenaamste herinneringen bijgebleven.
Op het einde van April ging hij weer naar Jasnaja Paljana, waar hij
den geheelen zomer bleef.
Gedurende dien zomer bezocht Tolstoi Toerghenjeff op zijne villa
Spasskoje.
Hoewel beide mannen elkander steeds met wederzijdsche achting
behandelden, was de verhouding toch nog steeds koel.
Niettemin had dit bezoek een gunstig en aangenaam verloop. Op 9
October van hetzelfde jaar liet Toerghenjeff in een brief aan Fet
zich aldus uit:
"Onze dames zenden u hare beste groeten. Van Tolstoi heb ik een
aangenaam bezoek gehad, en vriendschappelijk zijn wij gescheiden. Mij
dunkt dat er tusschen ons geen misverstand kan bestaan, daar wij
elkander duidelijk begrijpen en inzien, dat een intiem samengaan voor
ons onmogelijk is. Wij zijn van te verschillende klei gemaakt."
In Augustus reisde Tolstoi andermaal naar Moskou, waar hij den herfst
doorbracht.
Het jaar 1860 ging hij in onrustige stemming tegemoet.
Het beheer van het goed, de druk van het eenzelvige leven, allerlei
twijfel en pessimistische gevoelens bestormden zijn gemoed.
Niettemin vond hij in den winter van 1859 op 1860 uitspanning en
opbeuring in zijne scholen. In _Biecht_ schrijft hij over dien tijd
het volgende.
"Na mijn' terugkeer uit het buitenland vestigde ik mij op het land en
kwam op het denkbeeld mij met de boerenscholen bezig te houden. Deze
taak was bijzonder naar mijn' zin, wijl er niet dat leugenachtige
in lag opgesloten, dat mij duidelijk was geworden en reeds bij
het letterkundig onderwijs mijne aandacht had getrokken. Ook hier
werkte ik in naam van den _vooruitgang_, maar nam tegenover dezen
reeds het standpunt van den kritikus in. Ik zeide tot mijzelf, dat de
_vooruitgang_ in enkele gevallen verkeerde resultaten had opgeleverd,
en dat men zich eigenlijk tot de allereenvoudigste lieden, tot de
boerenkinderen moet wenden en het geheel aan hunne vrije keus overlaten
den weg van vooruitgang te kiezen, dien zij wenschen. In werkelijkheid
draaide ik steeds om dezelfde onoplosbare quaestie heen, hierin
bestaande, dat ik niet wist wat ik onderwees. In de hoogere sferen
van letterkundigen arbeid had ik begrepen, dat men niet onderwijzen
kan, zoo men niet weet wat men onderwijst, omdat ik gezien had, dat
allen verschillend onderwijzen en bij hunne onderlinge twisten hunne
onwetendheid voor zich zelven verbergen. Hier, in het geval van de
boerenkinderen, dacht ik dat deze moeilijkheid te vermijden zou zijn,
door aan de kinderen over te laten te leeren wat zij wilden. Nu vind
ik het komisch, als ik er aan denk welke kunstgrepen ik gebruikt heb
om mijn wensch--het onderwijzen--te vervullen, ofschoon ik in den
grond van mijn hart overtuigd was, dat ik niet kon onderwijzen wat
noodig was, daar ik niet wist wat ik daaronder moest verstaan."
Dit bestendige gevoel van ontevredenheid over zich zelf, dit zoeken
naar de reden van het bestaan, was steeds de werkende kracht, welke
hem onweerstaanbaar voortdreef op den weg van zedelijken vooruitgang.
In Februari 1859 werd Tolstoi gekozen als lid van het _Moskousche
Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde_.
Den 4den Februari 1859 had, onder praesidium van A. S. Chomjakoff,
eene vergadering van dit genootschap plaats, waarop van de nieuw
gekozen leden ook graaf Tolstoi tegenwoordig was, die, volgens
de gebruiken van dit Genootschap, eene intreêrede hield, waarin
hij, zooals in het protocol van het Genootschap gezegd wordt, "de
quaestie besprak van de voorkeur van het bellettristisch element in
de letterkunde boven al hare andere richtingen." Tot ons leedwezen
hebben wij deze redevoering niet onder de oogen kunnen krijgen. In
de verslagen van het genootschap luidt het, dat aanvankelijk besloten
was deze redevoering in de werken van het genootschap af te drukken;
doch later besloot men, aangezien de uitgaaf van deze werken niet
plaats vond, de redevoering aan den schrijver terug te zenden, bij
wien zij vermoedelijk onder oude papieren verloren is geraakt.
Wij kunnen ons eenige voorstelling van die redevoering maken, zoo
wij de loffelijke toespraak lezen, waarmede A. S. Chomjakoff haar
beantwoordde en die wij hier in haar geheel laten volgen.