vertrokken ben met het doel om eene vrij groote reis te ondernemen
door het noorden van Zwitserland, langs den Rijn, en verder door
Holland naar Engeland. Van daar denk ik op nieuw naar Frankrijk en
Parijs te gaan, om dan in de maand Augustus eenigen tijd in Rome
en Napels door te brengen. Indien ik tegen zeereizen bestand ben,
hetgeen blijken zal wanneer ik van den Haag naar Londen ga, denk ik
over de Middellandsche Zee, Konstantinopel, de Zwarte Zee en Odessa
terug te keeren. Maar dit zijn slechts plannen, die ik wegens mijne
wispelturigheid, welke u mij terecht verwijt, beste tante, misschien
niet zal verwezenlijken. Ik ben te Lucern aangekomen. Dit is eene
stad in het noorden van Zwitserland, niet ver van den Rijn; ik heb
mijne reis wat vertraagd, om eenige dagen in dit bekoorlijke stadje
door te brengen. Ik ben weer geheel alleen, en wil u wel bekennen,
dat de eenzaamheid mij zeer dikwijls bezwaart; want bij de kennissen,
die men in hôtels en onder weg in den trein maakt, moet men zijne
toevlucht niet gaan zoeken. Deze afzondering heeft echter ook de
goede zijde, dat zij mij tot den arbeid drijft. Ik werk een weinig,
maar het gaat slecht, zooals des zomers meest het geval is..." [101]
Gedurende Tolstoi's verblijf te Lucern viel er iets voor, dat door
hem in de _Gedenkschriften van prins Nechljoedoff_ verteld wordt. Dit
verhaal staat met het jaartal '57 gemerkt, en moet dus op deze reis
betrekking hebben.
In deze episode wisselt, naar men weet, de schoone beschrijving
der Zwitsersche natuur af met eene uiting van misnoegen over het
bederven van de natuur-harmonie ten believe van rijke toeristen,
meerendeels Engelschen.
De tegenstelling tusschen de doodsche _convenance_ aan de table d'hôte
en de wilde, maar boeiende, levendige schoonheid van het meer treft
den schrijver. En dit gevoel wordt sterker, als hij een' straatzanger
hoort, die zijn lied met de gitaar begeleidt. Dit lied trok als met
een' tooverslag mijne geheele aandacht, en stemde mijne ziel in een'
toon van onuitsprekelijke harmonie.
Alle verwarde, onwillekeurige indrukken des levens kregen plotseling
voor mij beteekenis en bekoring. In mijn gemoed ontlook als 't ware
eene frissche, welriekende bloem, en de mij tot op dit oogenblik
neerdrukkende vermoeienis, verstrooidheid en onverschilligheid werden
als weggevaagd en maakten plaats voor een' drang naar liefde, voor eene
hoopvolle stemming en voor eene niet te verklaren levensvreugde. En het
was mij of eene innerlijke stem mij zeide: "Wat kan men nog wenschen,
wat nog verlangen? Hier is zij, de schoonheid, de poëzie, die u aan
alle kanten omringt. Dat wij haar inademen met ruime, volle teugen,
haar genieten met al onze krachten! Wat behoeven wij nog meer? Al
die zaligheid is ons!..."
En andermaal omfloersen de doodsche, vormelijke Engelschen die
wondervolle bloem der poëzie met een zwarten sluier....
De zanger had zijn lied geëindigd, nam zijn hoed in de hand en hield
dien voor de vensters van het rijke hôtel, waarvan het balkon met
een drom van elegant gekleede toehoorders gevuld was. Doch niemand
gaf hem iets....
Door de steenen gevoelloosheid van deze lieden getroffen, snelt Tolstoi
naar den muzikant en noodigt hem uit in het hôtel eene flesch wijn
te komen drinken. Zijne tartende houding gaf aanstoot, maar dat wil
hij juist; hij wil de zelfgenoegzaamheid der rijken kwetsen, wil zijn
misnoegen over hunne gevoelloosheid laten blijken. Men liet het voorval
bijna onopgemerkt voorbijgaan, maar in den schrijver blijft een gevoel
van bitterheid over het onrecht dier menschen en hunne onvatbaarheid
om het hoogere geluk te begrijpen, even eenvoudig als menschelijk,
en het harmonisch verband daarvan met de natuur. In die stemming
spreekt hij de toeschouwers met de volgende overredende woorden toe:
"Gij, kinderen van een vrij, humaan volk, gij Christenen--gij
_menschen_! waarom hebt gij het weldadige genot, dat u een ongelukkig
smeekend man verschafte, met koelheid en spot beantwoord? Maar
neen... in uw vaderland zijn toevluchtshuizen voor armen. Er moesten
ook geen armen zijn, er moest geen gevoel van medelijden zijn,
waarop de armoede steunt! Doch deze man heeft zich moeite gegeven
om u genoegen te doen, heeft u gebeden hem iets van uw' overvloed
te geven voor zijn werk, waarvan gij genoten hebt. En van uwe
hooge praalvertrekken zaagt gij hem aan met een kouden glimlach,
als ware hij een curiositeit; en onder u honderden gelukkigen en
rijken was niet één persoon te vinden, die hem iets toewierp voor
zijne moeite! Beschaamd is hij toen heengegaan, gevolgd door de domme
menigte, die niet _u_ maar _hem_ uitjouwde, omdat _gij_ hardvochtig,
koud en gewetenloos zijt. Men heeft _hem_ gehoond, omdat _gij_ hem
het genot hebt ontstolen, dat hij u verschafte!
"_Den 7den_ Juli 1857 zong te Lucern voor het hôtel Schweizerhof,
waarin de rijkste lieden logeeren, een reizend liedjeszanger een
half uur lang liederen, en speelde daarbij op de gitaar. Omtrent
tweehonderd personen hoorden hem aan. De zanger smeekte allen tot
driemaal toe hem iets te geven. Maar geen van deze lieden gaf hem
iets en velen lachten hem uit.
"Dit is geen verzinsel, doch een beslist feit, dat elk die wil bij de
tegenwoordige gasten van het _Schweizerhof_ kan onderzoeken, terwijl
men uit de dagbladen kan te weten komen wie de vreemdelingen waren,
die er den 7den Juli logeerden.
"Ziedaar eene gebeurtenis, welke de geschiedschrijvers van onzen tijd
met vlammende, onuitwischbare letteren moesten opteekenen!"
En aan zijne borst ontsnapt een kreet van verbazing over het
onbegrijpelijke in dien heelen chaotischen samenhang van feiten,
voortvloeiende uit de menschelijke verhoudingen met hunne oppervlakkige
gevoelens, gesteld tegenover de machtige natuur met hare harmonische
grootheid. In pathetischen, dichterlijken vorm drukt de schrijver
zijne gemoedsstemming uit en eindigt het verhaal aldus:
"Een ongelukkig, deerniswaardig schepsel is de mensch met zijne
behoefte aan nauwkeurige definities, en dobberend op die steeds
bewogen, grenzenlooze zee van goed en kwaad, van feiten, beschouwingen
en tegenstrijdigheden. Sinds eeuwen kwellen en spannen de menschen
zich in, om het goede aan den eenen, het kwade aan den anderen
kant te schuiven. Eeuwen zullen voorbijgaan, doch waar en wat het
onpartijdige verstand ook legge in de weegschaal van het goede en
kwade, de balans zal niet doorslaan en aan elken kant evenveel goed
als kwaad bevatten. Dat de mensch toch eens leere niet zoo spoedig en
beslist te oordeelen en te denken; mocht hij eens leeren geen antwoord
te geven op vragen, welke hem alleen gegeven zijn om altijd vragen te
blijven! Begreep hij maar, dat elke gedachte tegelijk valsch en juist
is. Valsch is zij om hare eenzijdigheid en doordien de mensch in de
onmogelijkheid is om de geheele waarheid te begrijpen; en juist, omdat
elke gedachte uiting geeft aan ééne zijde van het menschelijk streven.
"Dien steeds bewogen, grenzenloozen, eeuwig wisselenden chaos van
goed en kwaad heeft de mensch in afdeelingen gesplitst; hij heeft
denkbeeldige lijnen over die zee getrokken en wacht of ook de zee
zich zal verdeelen. Alsof er van een ander standpunt, op een ander
vlak, geen millioenen andere verdeelingen te maken zijn! 't Is waar:
het zijn de eeuwen welke die nieuwe verdeelingen maken; maar ook de
eeuwen zijn bij millioenen voorbij gegaan, en andere zullen volgen!
"Beschaving is iets goeds, barbaarschheid iets kwaads; vrijheid
iets goeds, slavernij iets kwaads. Zulke denkbeeldige kennis
dooft in de menschelijke natuur hare instinctmatige, heiligste en
allereerste behoefte aan het goede. Wie zal mij zeggen wat vrijheid
of dwingelandij, wat beschaving of barbaarschheid is? Waar zijn de
grenzen van het een en van het ander? In wiens ziel is een maatstaf
voor goed en kwaad, nauwkeurig genoeg voor het meten van samengestelde,
ontastbare feiten? Wiens verstand is groot genoeg om alle feiten uit
het verleden te begrijpen en te wegen? Waarom zie ik van het eene
meer dan van het ander, indien het standpunt, waarop ik sta, niet de
oorzaak is? En wie is in staat, zij het slechts voor een oogenblik,
zijn' geest zóó geheel van 't leven los te maken, dat hij onafhankelijk
op dat leven neerziet....?
"Wij hebben één, slechts één onfeilbaren gids en leidsman, een Geest,
alomtegenwoordig, Die ons allen tezamen en elk in 't bijzonder
doordringt, Die in ieder een streven wekt om te doen wat noodig
is! Dezelfde Geest, Die een' boom doet groeien in de zon, eene
bloem zaden doet geven in den herfst, noopt ons menschen nader tot
elkaar te komen, zonder dat wij er van bewust zijn. En die eenige
onfeilbare Heilige Geest spreekt luider dan onze woelige kreten van
ontwikkeling en beschaving! Wie is meer _mensch_ of meer _barbaar_:
de _lord_, die bij het zien van de versleten kleeren van den zanger
verontwaardigd van zijne tafel wegloopt, den arme voor zijne moeite
niet het millioenste deel van zijn vermogen geeft, en dan, verzadigd,
in een licht, geriefelijk vertrek kalm gaat zitten nadenken over de
gebeurtenissen in China, waarbij hij de aldaar gepleegde moorden
rechtvaardig vindt? Of de _nederige zanger_, die, op gevaar van
gevangenisstraf, met een franc op zak, twintig jaar lang en zonder
iemand te schaden over bergen en door dalen trekt, de menschen
met zijn gezang en snarenspel opvroolijkend.... en thans, gehoond,
bespot, ja bijna weggejaagd, vermoeid, beschaamd en hongerig, zich
mogelijk ergens op een hoop vuil stroo te slapen heeft gelegd....? Neen
(zeide ik onwillekeurig tot mijzelf), men heeft ongelijk dien zanger
te beklagen en de welvaart van den lord te benijden. Wie zal het
innerlijke geluk durven schatten, dat in de ziel van elk dezer menschen
verborgen ligt? De zanger zit misschien nu ergens op een bemodderde
stoep, aanschouwt den hemel met zijn blinkend maan- en sterrenlicht,
en zingt blijmoedig in den stillen, geurenden nacht: in _zijne_ ziel
is geen verwijt, geen boosheid of berouw! Maar wie zal weten wat nu
omgaat in de ziel van al die rijken achter gindsche hooge muren? Wie
zal weten, of die allen even zoete, zorgelooze levensvreugde en
vrede met de wereld hebben, als er huist in 't hart van dien armen,
nederigen, gehoonden zanger....?
"O, hoe oneindig groot is de goedheid en wijsheid van Hem,
Die al die tegenstrijdigheden in 't aanschijn riep en liet
voortbestaan! Tegenstrijdigheden? Zoo komen zij ons, nietigen wormen,
voor, die driest en misdadig in Zijne wetten en besluiten pogen door
te dringen. Vol liefde ziet Hij van Zijne stralende, onbereikbare
hoogten op ons neder en verbergt Zich in de eindelooze harmonie,
waarin wij met al onze tegenstrijdigheden ons rusteloos bewegen. In
uwen trots, o sterveling, denkt gij u aan de algemeene wetten te
onttrekken! Neen,... ook gij, met uw nietswaardigen, laffen onwil tegen
de armen--ook gij hebt aan den harmonischen eisch van het eeuwige en
oneindige beantwoord...."
Van Lucern vervolgde Tolstoi zijne reis, eerst langs den Rijn naar
Schaffhausen, Baden en Stuttgart, en vervolgens naar Berlijn.
Den 8sten Augustus was hij reeds in Stettin, en van daar kwam hij
per stoomschip op 30 Juli/11 Augustus te St.-Petersburg.
In Petersburg vertoefde hij eene week, bezocht het gezelschap van
den _Sawremjennik_, vertoefde bij Njekrassoff en las dezen onder
andere zijn verhaal _Lucern_ voor, dat in de September-aflevering,
jaargang 1857, van den _Sawremjennik_ gedrukt werd. Den 6den Augustus
vertrok hij naar Moskou en daarna reisde hij bijna zonder ophouden
door naar Toela.
Na zijne aankomst in Jasnaja Paljana verdiepte hij zich weer geheel
in het beheer zijner goederen.
In zijn dagboek uit dien tijd vinden wij, onder andere, de volgende
aanteekeningen:
"Ziehier hoe ik mijne werkzaamheden heb ingedeeld: de hoofdzaak is
letterkundige arbeid, dan familieplichten, vervolgens het bestuur
mijner goederen, dat ik echter zooveel mogelijk in handen van
den starosta moet laten; ik wil het werk verlichten, het landgoed
verbeteren, de uitgaven tot 2000 roebel bezuinigen, en de rest voor
de boeren gebruiken. Mijn groot struikelblok is de ijdelheid van het
liberalisme. En zoo leef ik,--doe dagelijks eene goede daad--en dat
is genoeg!"
Korten tijd later schreef hij:
"Zelfverloochening bestaat niet hierin, dat men zich onthoudt wat men
begeert, maar dat men ijvert, zijn verstand en zijn vernuft gebruikt
om zich zelf te geven."
De maand Augustus wijdde hij aan lectuur; hij las twee merkwaardige
boeken: _De Ilias_ en _Het Nieuwe Testament_. Beide maakten een diepen
indruk op hem:
"Ik heb de verrukkelijke _Ilias_ tot het einde toe gelezen...",
zoo drukte hij zich uit; en de schoonheid dezer twee boeken doet hem
bejammeren, dat er tusschen beide geen verband is.
"Hoe kon Homerus niet weten, dat het goede zetelt in de liefde,"
roept hij uit, terwijl hij in gedachten beide boeken vergelijkt. "Er
is geen betere uitlegging dan de Openbaring."
Half October verhuisden Tolstoi, zijn oudste broeder Nikolaas en
zijne zuster Maria naar Moskou. Uit zijn dagboek zien wij, dat hij
daar reeds den 17den October was. Den 22sten vertrok hij voor eenige
dagen naar Petersburg.
Tolstoi's verhaal _Lucern_ (uit de _Gedenkschriften van
prins Nechljoedoff_), dat, zooals wij boven zeiden, in de
September-aflevering van den _Sawremjennik_ opgenomen is, werd door
de kritiek niet begrepen en bleef bijna onopgemerkt.
Het zwijgen der kritici levert een rechtstreeksch en klaar bewijs
van hunne eenzijdigheid, bekrompenheid en kortzichtigheid. Volgens
eene opmerking van Zelinski, die een' bundel kritische verhandelingen
over Tolstoi heeft uitgegeven, vond hij, ondanks alle moeite, in de
periode 1857-1861 geen afzonderlijke kritische verhandelingen of
recensiën over Tolstoi's geschriften, niettegenstaande in de jaren
vóór en in dit tijdperk werken als: _Jongelingsjaren_, _Lucern_,
_Albert_, _De drie Dooden_, _Familiegeluk_ in druk verschenen.
Deze onverschilligheid der kritici was Tolstoi niet ontgaan; en na
zijne reis naar Petersburg, in October 1857, schreef hij in zijn
dagboek:
"Petersburg heeft mij eerst gekrenkt en daarna gerechtvaardigd. Mijne
reputatie was gevallen of bijna dood, en innerlijk heeft mij dit zeer
bedroefd; maar nu ben ik gerust en weet ik, dat ik iets te zeggen
heb en het vermogen bezit om met kracht te spreken. Zeg voortaan maar
wat gij wilt, publiek! Ik zal toch volgens mijn geweten werken, alle
krachten inspannen, en dan.... dan mogen zij op het altaar spuwen!"
Op 30 October keerde Tolstoi naar Moskou terug. Gedurende zijn verblijf
daar bezocht hij dikwijls Fet, die in zijne _Herinneringen_ daarvan
het volgende verhaalt.
"Op zekeren avond, onder de thee, kwam Tolstoi onverwacht bij
ons en deelde mede, dat zijne familie, namelijk hij, zijn oudste
broeder Nikolaas en zijne zuster, gravin Maria Nikolajewna,
tezamen gemeubileerde kamers gehuurd hadden bij Warghin in de
Pjatnitzkaja-straat. Weldra kwamen wij met elkander in kennis.
"Ik herinner mij niet, onder welke omstandigheden de gebroeders
Tolstoi, Leo en Nikolaas, met S. S. Gromeka hebben kennis gemaakt;
waarschijnlijk is het bij ons in huis gebeurd. Zeer spoedig waren
alle drie met elkander op goeden voet, daar zij hartstochtelijke
jagers bleken te zijn." [102]
Tolstoi's leven te Moskou heeft zich in die jaren (omstreeks '50)
door niets bijzonders gekenmerkt. Zijne physieke natuur was toen in
hare volle kracht en activiteit, en drong hem tot gymnastische spelen
en wereldsche genoegens.
Fet verhaalt dat er nu en dan 's avonds duetten bij hem werden
georganiseerd, waarbij gravin Maria Tolstoi, eene pianiste en
liefhebster van muziek, tegenwoordig was--somtijds vergezeld door
hare twee broeders Leo en Nikolaas, of alleen door Nikolaas, die dan
de afwezigheid van onzen schrijver verontschuldigde met te zeggen:
"Leo is weer met rok en witte das naar een bal gegaan."
In het volgende uittreksel uit de _Herinneringen_ van Fet wordt van
eene dergelijke tijdpasseering gewag gemaakt:
"I. P. Borisoff, een niet alledaagsch man, die Tolstoi reeds in den
Kaukasus gezien had, kwam reeds bij de eerste ontmoeting met hem, te
mijnen huize, onder den onwederstaanbaren invloed van zijn genie. Maar
in die dagen viel Tolstoi's pronkzucht sterk in het oog, en toen nu
Borisoff hem op zekeren dag in een nieuwe pelsjas met kraag van grijs
berenbont, met glimmenden hoed, die op één oor stond en waaronder de
blonde krullende haren golfden, en met een model-rotting in de hand
uit wandelen zag gaan, maakte hij een versje op hem:
"Hij leunt op zijn stokje,
En pronkt met zijn glimmenden hoed."
"Destijds waren onder de aristocratische jeugd gymnastische
oefeningen in de mode, waaronder vooral het springen over een houten
paard. Gebeurde het dat men Tolstoi te twee ure in den namiddag wilde
spreken, dan was men genoodzaakt naar den tuin der gymnastiekschool
op de Balschaja Dmitroffska te gaan. Daar zag men hem, in tricot
gekleed, met opgewektheid alle krachten inspannen om over het
paard te springen, zonder den lederen, met haar opgevulden kegel
aan te raken, die op den rug was geplaatst. Het verwondert ons niet
dat de bewegelijke, energieke natuur van den 29-jarigen schrijver
zulke inspannende oefeningen noodig had; maar vrij zonderling was het
bejaarde mannen met kale hoofden en dikke buiken met de jongelieden te
zien meedoen. Een jonge, doch gehuwde man, die in een rose tricot-pak
zijn beurt afwachtte, kwam bij elken aanloop met de borst tegen het
kruis van het paard terecht, en ging dan bedaard ter zijde, om voor
den volgenden plaats te maken." [103]
In het begin van Januari 1858 kwam gravin Alexandra Andrejewna Tolstoi,
eene vriendin uit Tolstoi's jeugd, Moskou bezoeken. Tolstoi bracht
haar met den Nikolajeff-spoorweg naar Klin en reisde van hier naar
prinses Wolkonskaja, van wie wij reeds in het hoofdstuk over Tolstoi's
voorouders van moederszijde melding hebben gemaakt. Deze prinses was
eene nicht van Tolstoi's moeder, had uit plichtsgevoel bij haar op
Jasnaja Paljana gewoond, en kon onzen schrijver veel belangrijks over
zijn vader en moeder vertellen.
Tolstoi heeft de aangenaamste herinneringen aan dit bezoek bewaard,
en in den tijd dien hij bij haar doorbracht zijn verhaal _De drie
Dooden_ geschreven.
Blijkbaar begon het denkbeeld van den dood hem ernstig te verontrusten,
en gelijk steeds het geval was, lag de mogelijke oplossing van dit
nieuwe probleem voor hem in de harmonie van het verstand met de
natuur. Deze zienswijze afvallen beteekende onuitsprekelijk lijden;
haar volgen, daarentegen, altijddurend heil, waarmede ook de angel
des doods zou verdwijnen.
In Februari keerde hij naar Jasnaja Paljana terug. Daarop ging
hij opnieuw naar Moskou en vandaar in Maart voor twee weken naar
Petersburg. In April was hij in Jasnaja terug, waar hij den geheelen
zomer doorbracht. In deze periode besteedde Tolstoi ook veel tijd aan
muziek, en richtte hij zelfs, met medewerking van Botkin, Perfiljeff,
Mortje en anderen in Moskou, een muziekgezelschap op. Mevrouw
Kirjejeffskaja stelde haar salon beschikbaar voor de concerten. Uit
dit gezelschap heeft zich het Moskousche Conservatorium gevormd. In
ditzelfde jaar kwam onze schrijver te Moskou in nauwe aanraking met
het gezin van den reeds bejaarden S. T. Aksakoff.
De lente oefende op Tolstoi eene prikkelende werking uit. Deze
opwelling van energie wordt door hem in een' brief aan zijne tante,
gravin A. A. Tolstoi, in dat jaar 1858 geschreven, goed weergegeven:
"Grootmoedertje! [104] Lente...
"Heerlijk is het leven hier op aarde voor goede menschen; zelfs voor
iemand als ik is het hier goed te zijn. In de natuur, in de lucht,
in alles ligt hoop, toekomst, eene verrukkelijke, bekoorlijke
toekomst.... Soms dwaalt men, als men denkt dat alleen de natuur
eene gelukkige herleving wacht; die vreugde wacht ook ons. In zulk
een toestand ben ik thans, en met de mij eigene zelfzucht haast ik
mij u over dingen te schrijven, die alleen voor mij van belang zijn.
"De invloed der lente op mij is van dien aard, dat ik in mijne
overmaat van illusiën mij soms verbeeld eene plant te zijn, die, nu
met andere ontloken, bestemd is om rustig en tevreden op de wereld
te blijven groeien. Onder deze indrukken en in dit jaargetijde heeft
eene verandering, eene loutering, eene omkeering in mij plaats,
zooals iemand die deze gewaarwording niet heeft ondervonden, zich
niet kan voorstellen. De oude mensch is verdwenen. Alle wereldsche
verlangens, alle traagheid, alle zelfzucht, alle ondeugden, alle
onzinnige, onklare begrippen, alle medelijden, ja zelfs het berouw,
zijn verdwenen, en hebben plaats gemaakt voor eene ongewone bloem,
die hare bladeren ontplooit en tegelijk met de lente groeit...."
Het slot van dezen langen, interessanten brief, dien wij hier
gedeeltelijk aanhalen, luidt:
"Vaarwel, beste tante, wees niet boos op mij om de dwaasheden die
ik u geschreven heb, en antwoord mij met een verstandig woordje,
dat gekruid is met goedheid, met Christelijke goedheid. Ik had er u
al lang opmerkzaam op willen maken, dat het voor u gemakkelijker is
in het Fransch te schrijven, terwijl ik de gedachten eener vrouw in
het Fransch beter begrijp." [105]
In de lente van dat zelfde jaar kwamen Fet en zijne vrouw, op hunne
doorreis van Moskou naar hun landgoed, Tolstoi in Jasnaja Paljana
bezoeken.
In zijne _Herinneringen_ geeft Fet een verhaal van dit bezoek,
en schetst tegelijkertijd op interessante wijze Tolstoi's tante en
opvoedster, Tatjana Alexandrowna Jergalskaja.
"Nadat wij eene warme en ruime matten kibitka hadden gekocht, waarvoor
een paar flinke postpaarden werden gespannen, gingen wij met een
kamermeisje (waaraan Tolstoi den verdichten naam Maria gegeven heeft)
[106] naar Mtzensk. Van een' spoorweg was destijds nog geen sprake,
maar van de langs den weg geplaatste telegraafpalen zei het volk,
dat men daarover een draad zou spannen en er den wil uit Petersburg
langs zou zenden.
"Voor dien tijd waren wij al zóó eigen met graaf Tolstoi geworden,
dat ik het als een groot verzuim zou hebben beschouwd niet een dagje
bij hem op Jasnaja Paljana te gaan uitrusten. Daar werden mijne
vrouw en ik voorgesteld aan eene charmante oude dame, Tolstoi's tante
Tatjana Alexandrowna Jergalskaja, die ons met die goede, ouderwetsche
vriendelijkheid ontving, welke het verblijf in een vreemd huis zoo
aangenaam en aantrekkelijk maakt. Tatjana Alexandrowna verdiepte zich
niet in herinneringen aan lang vervlogen tijden, maar leefde geheel
met hare tegenwoordige omgeving mee.
"Zij vertelde dat eenige dagen te voren Sergius Tolstoi uit Pirogoff
bij hen geweest was, dat Nikolaas nog altijd met 'Marietje' in Moskou
vertoefde, maar dat Leo's vriend D... er onlangs geweest was, en
over de zenuwziekte van zijne vrouw geklaagd had.... In moeilijke
quaestiën wendde tante zich altijd tot haar neef Leo, en legde zij
zich ten slotte bij zijne meening neder. Op zekeren herfstdag reden
beiden eens naar Toela, toen tante, die aandachtig uit het raampje
van het rijtuig had gekeken, plotseling de vraag deed:
"'_Mon cher Léon_, zeg mij eens, hoe schrijft men brieven met de
telegraaf?'
"'Toen heb ik,' verhaalde Tolstoi, 'mijne tante zoo eenvoudig mogelijk
de werking van een telegraaftoestel uitgelegd,' na afloop waarvan
zij had uitgeroepen: '_Oui, oui, je comprends, mon cher_.'
"Ruim een half uur had tante hare oogen langs den draad laten dwalen,
toen zij eindelijk verwonderd zeide:
"'_Mon cher Léon_, hoe zit dat nu? Een half uur lang heb ik geen
enkelen brief langs de telegraaf zien vliegen.'
"'Somtijds,' zoo verhaalde Tolstoi ons, 'zit ik hier met tante eene
maand lang, zonder bloedverwanten of kennissen te zien, totdat zij
opeens, bij het opscheppen van de soep bij voorbeeld, met een opgewekt
gezicht uitroept:
"'_Mais savez-vous, mon cher Léon, on dit...._'"
Wij zullen hier het tweede gedeelte van Tolstoi's herinneringen
aanhalen, welke op die merkwaardige vrouw, Tatjana Alexandrowna, die
zulk een grooten invloed op onzen schrijver heeft gehad, betrekking
hebben.