zich hooren. Plotseling echter kwamen er eenige brieven na elkaar en
werd de band tusschen hen beiden weer nauwer aangehaald. Hij bracht
haar op de hoogte van zijne litteraire plannen, beschreef haar zijn
leven te St.-Petersburg en ontvouwde haar wederom zijne hooge idealen
ten opzichte van het familieleven.
Doch ook deze opflikkering van hunne liefde doofde weer spoedig uit. In
de volgende brieven begon reeds weer de twijfel te spreken en zij
kregen, ondanks de vriendelijke woorden, iets zeer gedwongens. Het
spreekt van zelf dat het meisje dit al spoedig moest voelen, en
onwillekeurig begon hare genegenheid voor hem ook te verminderen,
zoodat een gevoel van vriendschap de liefde begon te vervangen.
In December reisde Tolstoi naar Moskou en van daar schreef hij zijn
tante een' brief, waarin hij haar om raad vroeg in deze moeilijke
kwestie.
"Gij hebt mij over V. geschreven op den toon waarop gij altijd
over haar spreekt en ik zal u antwoorden zooals ik het ook altijd
doe. Nauwelijks eene week, nadat ik haar voor 't eerst gezien had,
meende ik verliefd op haar te zijn, iets dat heel gemakkelijk gaat
bij mijne groote verbeeldingskracht. Ik zou het heel aangenaam vinden
nu ook nog te kunnen zeggen dat ik haar liefheb, maar sedert ik weer
aan 't werk ben gegaan, weet ik heel zeker, dat het niet zoo is. Het
eenige wat ik voor haar voel is dankbaarheid voor de liefde die zij
mij toedraagt, en van alle meisjes, die ik ooit gekend heb, zou zij,
geloof ik, nog de beste vrouw voor mij zijn. Nu zou ik graag van u
willen hooren of ik mij daarin vergis of niet. Ik wend mij met die
vraag tot u, omdat gij ons beiden kent en omdat gij veel van mij houdt,
en menschen die veel van ons houden vergissen zich niet. 't Is waar,
ik heb mij tijdens onze scheiding niet goed op de proef gesteld. Sedert
ik ben weggegaan ben ik bijna niet met dames in aanraking geweest,
heb ik meer een eenzaam dan een gezellig leven geleid, en desondanks
kwamen er toch oogenblikken, dat ik berouw had, mij ook maar eenigszins
met haar te hebben verbonden. Toch, wanneer ik er vast van overtuigd
was, dat zij een standvastig karakter had en mij altijd zou blijven
liefhebben, niet zooals nu, maar meer dan iemand anders, dan zou ik
er geen oogenblik aan denken niet met haar te trouwen. Ik ben er van
overtuigd dat mijne liefde dan ook grooter zou worden en ik haar tot
eene goede vrouw zou kunnen vormen."
In dezen tijd ging de bewuste jonge dame naar Petersburg om er het
winterseizoen mee te maken, hetgeen reeds lang een hartewensch van
haar was geweest. Tolstoi schreef haar geregeld, maar de toon der
brieven werd reeds weer koeler en koeler.
Die afgemeten toon in de brieven ontging haar natuurlijk niet. Zij
antwoordde hem met zachte verwijten en lieve woordjes, die een tijdlang
hunne uitwerking op hem niet misten. Maar over het begrip van liefde,
dat hij wederzijdsche opvoeding noemde, konden zij het toch niet eens
worden. De briefwisseling verflauwde. Hunne verhouding veranderde
langzamerhand, zij wisselden nog een enkelen brief, maar het eind van
alles was, dat zij hem verbood haar langer te schrijven. Hij echter
stoorde zich niet aan dit verbod en schreef haar een roerenden brief,
waarin hij haar, zonder zich zelf te vernederen, om vergeving vroeg
voor het verdriet dat hij haar had aangedaan. Tevens deelde hij haar
mee dat hij naar 't buitenland ging en gaf haar zijn adres in Parijs,
met het verzoek om de correspondentie niet geheel af te breken.
Een paar dagen vóór zijn vertrek schreef Tolstoi uit Moskou aan zijne
tante Tatjana:
"Lieve Tante!
"Ik heb mijn' pas ontvangen en blijf nu in Moskou om eenige dagen
bij Maria door te brengen. Daarna wilde ik naar Jasnaja Paljana gaan
om mijne zaken te regelen en afscheid van u te nemen, maar ik ben,
vooral op aanraden van Maria, van plan veranderd. Ik denk hier nu
eenige weken te blijven om dan over Warschau regelrecht naar Parijs
te gaan. Gij begrijpt wel, lieve tante, waarom ik nu liever niet naar
Jasnaja, of beter gezegd, niet naar Soedakoff wil gaan. Ik heb mij
tegenover V. niet goed gedragen, maar zoo ik haar nu weer trachtte
te ontmoeten zou ik nog slechter doen. Zij is mij, zooals ik u reeds
eens heb geschreven, vrijwel onverschillig en ik wil ons beiden niet
bedriegen, hetgeen misschien zou gebeuren indien ik haar weer zou zien.
"Gij zult u nog wel herinneren, lieve tante, hoe gij mij hebt
uitgelachen toen ik u vertelde, dat ik naar St.-Petersburg ging om
mij zelf op de proef te stellen; toch dank ik het daaraan alleen dat
ik ons beiden niet ongelukkig heb gemaakt. Geloof toch niet, dat ik
uit onstandvastigheid of uit ontrouw heb gehandeld; er was in die
twee maanden niemand die ik liever had dan haar. Het is mij eenvoudig
duidelijk geworden, dat ik mij vergist heb, dat ik nooit ware liefde
voor haar gevoeld heb en ook nooit voor haar zal voelen. Het eenige
wat mij spijt is, dat ik haar niet goed behandeld heb en dat ik
geen afscheid van u kan nemen. In Juli denk ik in Rusland terug te
komen. Wanneer gij er op gesteld zijt, kom ik toch nog naar Jasnaja
Paljana om u vaarwel te zeggen. In Moskou verwacht ik hierop uw
antwoord." [97]
Tolstoi ging werkelijk op reis en ontving in Parijs een schrijven
van zijn vroegere verloofde. Hij schreef haar ook nog een laatsten
vriendschappelijken brief, waarin hij van hunne liefde sprak als eene
vergissing, die nu achter hen lag. Hij dankte haar nogmaals voor hare
vriendschap en wenschte haar verder alle mogelijke geluk.
Tante Tatjana was niet tevreden met den afloop van dezen roman. Zij
wenschte reeds lang haar' neef getrouwd te zien en hoopte voor hem
op een gelukkig huiselijk leven onder hare beschermende vleugels. Zij
verweet hem zijne onstandvastigheid en zeide zelfs dat hij zich niet
fair tegenover het jonge meisje gedragen had, met haar zoo lang iets
voor te spiegelen, dat nooit verwezenlijkt zou worden.
Daarop antwoordde Tolstoi:
"Lieve Tante!
"Ik zie uit uwen brief, dat wij elkaar niet goed begrijpen. Hoewel
ik toegeef, dat mijne inconsequentie niet goed was en dat de zaak een
anderen loop had kunnen nemen, geloof ik toch als fatsoenlijk man te
hebben gehandeld. Ik heb voortdurend gezegd, dat het gevoel dat ik
haar toedroeg geen liefde was en dat ik mij zelf op de proef wilde
stellen. De uitslag heeft bewezen, dat ik mij vergist had en ik heb
het V. zoo ernstig mogelijk geschreven. Onze verhouding is bovendien
zoo rein geweest, dat de herinnering, zoo zij mocht gaan trouwen, haar
nooit pijnlijk kan zijn. Ik heb haar daarom ook geschreven, dat ik
graag zou willen, dat wij in correspondentie bleven. Ik zie niet in,
waarom een jonge man niet in eene vriendschappelijke verhouding tot
een jong meisje kan staan, zonder juist verliefd op haar te worden
en met haar te trouwen. Vriendschap en belangstelling zal ik steeds
voor haar blijven voelen.
"Mlle Vorgani, die mij zoo'n bespottelijken brief heeft geschreven,
zou beter doen zoo zij zich eens wilde herinneren hoe zij zich
ten opzichte van V. en mij heeft gedragen. Toen ik mijn best deed
haar zoo min mogelijk te bezoeken, drong zij er steeds op aan dat
ik meer zou komen, en deed wat zij kon om ons nader tot elkaar te
brengen. Ik begrijp, dat het haar spijt, dat iets hetgeen zij zoo
zeer gewenscht had mislukt is, maar dat is nog geen reden om een jong
mensch die zijn best heeft gedaan zoo goed mogelijk te handelen, die
zich opofferingen getroost heeft uit angst een ander in het ongeluk
te storten, te schrijven dat hij een ploert is en te zorgen, dat de
geheele wereld hetzelfde gaat gelooven. Ik weet zeker dat heel Toela
ervan overtuigd is, dat ik het grootste monster ben dat er bestaat."
Eenigen tijd daarna hoorde Tolstoi van zijne tante, dat de zuster van
zijne vroegere aanstaande spoedig in het huwelijk zou treden. Naar
aanleiding daarvan schreef hij:
"Wat Valérie betreft, ik heb nooit ware liefde voor haar gevoeld,
maar ik heb mij laten meesleepen door een onwaardig genot, dat ik nog
nooit ondervonden had, nl. liefde in te boezemen. Mijne verwijdering
van haar heeft mij doen begrijpen, dat ik geen verlangen had haar weer
te zien en nog minder om met haar te trouwen. Ik schrikte als ik aan
de plichten dacht, die ik tegenover haar te vervullen had zonder haar
lief te hebben, en daarom ben ik nog eerder weggegaan dan ik gedacht
had. Ik heb verkeerd gehandeld, ik heb God om vergeving gevraagd,
en doe dat ook allen die ik verdriet heb gedaan; maar niemand en
niets kan mij bewegen nog eens weer van voren af aan te beginnen.
"Olga wensch ik heel veel geluk in haar huwelijk, maar ik verzeker u,
lieve tante, dat niets mij zooveel genoegen zou doen als het bericht
van Valérie's huwelijk met een' man dien zij liefheeft en die haar
waardig is. Want, hoewel ik geen spoor van liefde voor haar voel,
vind ik haar toch een aardige, respectabele jonge dame."
En zoo eindigde dus deze korte roman. Tolstoi heeft de episode uit zijn
leven weergegeven in zijn' roman _Familiegeluk_. Vergelijkenderwijze
kunnen we zeggen, dat hetgeen in het werkelijke leven had kunnen
gebeuren, in dat boek tot werkelijkheid is geworden. De doorleefde
roman was het begin, of beter gezegd, de proloog van de geschrevene,
die door Tolstoi's rijke fantasie tot een kunstwerk is geworden.
Toen het gebouw zijner schoone toekomstdroomen ineen was gestort,
wijdde Tolstoi zich met verdubbelden ijver aan zijne letterkundige
en maatschappelijke werkzaamheden.
ELFDE HOOFDSTUK.
EERSTE BUITENLANDSCHE REIS. HET LEVEN TE MOSKOU. BERENJACHT.
Den 29sten Januari uit Moskou vertrokken, ging Tolstoi per
postdiligence naar Warschau, en van Warschau per spoor naar Parijs,
waar hij 21 Februari (nieuwe stijl) aankwam.
Hier werd hij opgewacht door Toerghenjeff, die 23 Januari reeds aan
Droezjinin geschreven had:
"Tolstoi schrijft mij, dat hij aanstalten maakt om hierheen te
komen, en in de lente van hier naar Italië te gaan; zeg hem, dat hij
zich haaste, indien hij mij treffen wil. Overigens zal ik hem zelf
schrijven. Uit zijne brieven zie ik, dat er zeer heilzame veranderingen
in hem hebben plaatsgegrepen, en ik verheug mij daarover 'evenals
eene oude kindermeid.' Ik heb zijn verhaal _Een Morgen van een'
Landheer_ gelezen, dat mij om zijne oprechtheid en bijna volkomen
vrije beschouwingswijze uitstekend bevallen is. Ik zeg 'bijna',
omdat in den vorm waarin hij zich de vraag gesteld heeft (wellicht
zonder dat hij het zelf weet), nog eenig vooroordeel opgesloten
ligt. De voornaamste indruk van dit verhaal (ik spreek niet van den
indruk dien het als letterkundig product maakt) bestaat hierin dat,
zoolang de lijfeigenschap bestaan zal, er geen mogelijkheid is op
wederzijdsche toenadering en verstandhouding, ook al was men op de
onbaatzuchtigste en eerlijkste manier daartoe bereid. En deze indruk
is goed en juist. Maar behalve dezen krijgt men nog een tweeden,
zijdelingschen indruk, namelijk dat het beschaven van den boer,
het verbeteren van zijn bestaan in 't algemeen tot niets leidt. En
deze indruk is onaangenaam. Het meesterschap over de taal in deze
vertelling is echter bijzonder groot." [98]
Kort na zijne ontmoeting met Tolstoi, schrijft Toerghenjeff aan
Polonski:
"Tolstoi is hier. Er heeft eene verandering ten goede en van zeer
groote beteekenis met hem plaats gevonden. Deze man zal het ver
brengen en een diep spoor nalaten."
In een brief aan Kalbasin, gedateerd Parijs 8 Maart, zegt Toerghenjeff:
"Ik zie Tolstoi hier dikwijls, en ontving van Njekrassoff dezer dagen
een brief uit Rome.
"Met Tolstoi zal ik toch op den duur niet samen kunnen gaan; onze
opvattingen loopen te zeer uiteen."1
Ziehier eene uitspraak van Tolstoi uit denzelfden tijd over
Toerghenjeff en diens vriendin, Madame Viardot, welke uitspraak door
Botkin in een' brief van 8 Maart 1857 aan Droezjinin vermeld wordt:
... Tolstoi schrijft over zijn bezoek aan hem het volgende:
"Beiden dwalen, om zoo te zeggen, in het duister rond, zijn verdrietig,
beklagen zich over het leven, voeren niets uit, en schijnen elk
voor zich onder den last hunner wederzijdsche verhouding gebukt te
gaan. Toerghenjeff schrijft dat Njekrassoff plotseling aanstalten
heeft gemaakt om op nieuw naar Rome te gaan. De brief van Tolstoi
beslaat in 't geheel slechts ééne bladzijde, maar is vol moed en
opgewektheid. Duitschland heeft hem zeer veel belang ingeboezemd,
en later wil hij het meer van nabij leeren kennen. Over eene maand
gaat hij naar Rome." [99]
Uit deze geheele correspondentie blijkt, dat de verhouding tusschen
Tolstoi en Toerghenjeff altijd van onzekeren aard is geweest; ondanks
alle pogingen, zijn zij nooit intiem met elkander kunnen worden.
In de maand Maart deden Tolstoi en Toerghenjeff een uitstapje naar
Dijon, waar zij eenige dagen doorbrachten. In dien tijd schreef
Tolstoi zijn verhaal over den muzikus Albert. Daarna keerden beiden
naar Parijs terug, waar Tolstoi, gelijk hij in zijn _Biecht_ verhaalt,
eene doodstraf zag voltrekken, hetgeen een onuitwischbaren indruk
op hem maakte. In zijn dagboek beschrijft hij dien indruk in korte
trekken aldus:
6 Februari 1857. "Ik stond te 7 uren in den morgen op en ging naar
eene executie kijken. Een dikke, blanke, gezonde hals en borst,
een mond die het Evangelie kuste--en toen de dood. Hoe onzinnig! De
indruk was diep. Ik ben geen politikus. Moraal en kunst. Ik weet,
ik heb lief en ik kan.... De guillotine heeft mij langen tijd uit
den slaap gehouden en tot nadenken gebracht."
Ziehier wat hij daarover in _Biecht_ schrijft:
"Gedurende mijn verblijf te Parijs heeft het zien van de doodstraf
mij de onstandvastigheid van mijn bijgeloof aan den _Vooruitgang_
geopenbaard. Toen ik het hoofd van den romp zag scheiden en in een
kist hoorde ploffen, begreep ik--niet met het verstand, doch met
mijn geheele wezen--dat geen enkele gezonde, beredeneerde theorie van
werkelijken _vooruitgang_ zulk eene handeling kon rechtvaardigen. Ook
al hadden alle menschen ter wereld, van de schepping af tot heden,
volgens welke theorie dan ook gevonden, dat zoo iets noodig was, weet
ik toch dat het _niet_ noodig, dat het slecht is, en dat mijn hart,
juister dan de menschen en juister dan de _vooruitgang_, oordeelt
dat het dwaling is."
De reis naar Rome stelde Tolstoi tot den herfst uit; maar in de lente
ging hij uit Parijs rechtstreeks naar Genève, vanwaar hij zijne tante
onder anderen schrijft:
"Ik heb anderhalve maand te Parijs doorgebracht, en wel zoo aangenaam,
dat ik dagelijks tot mij zelven gezegd heb goed gedaan te hebben
door in den vreemde te gaan. In gezelschappen en in de letterkundige
wereld ben ik weinig geweest; ook cafés en publieke bals heb ik niet
dikwijls bezocht; maar desondanks heb ik hier zooveel nieuwe en voor
mij interessante dingen leeren kennen, dat ik elken dag bij het naar
bed gaan tot mij zelven zei: hoe jammer dat de dag zoo schielijk
voorbijgaat; ik heb zelfs geen tijd gehad tot werken, zooals ik van
plan was.
"De arme Toerghenjeff is physiek zeer ziek, en zedelijk nog meer. Zijne
ongelukkige _liaison_ met Madame Viardot en hare dochter houdt hem
terug in een klimaat dat schadelijk voor hem is. Het is treurig om
aan te zien. Ik had nooit gedacht dat hij zóó kon liefhebben."
Uit Génève deed Tolstoi een uitstapje naar Piémont, in gezelschap
van Botkin en Droezjinin, die er ook gekomen waren, en bleef toen
eenigen tijd aan het meer van Genève, te Clarens, vanwaar hij zijne
tante een opgeruimden brief schreef:
"Clarens, 18 Mei 1857.
"Ik heb uw' brief ontvangen, beste tante, die mij, zooals u uit
mijn laatsten brief gebleken zal zijn, in de omstreken van Genève
bereikt heeft--in hetzelfde dorp Clarens, waar de Julie van Rousseau
gewoond heeft.... Ik zal niet trachten u de schoonheid van dit land
te schilderen, vooral nu alles in blad en bloem staat; alleen wil ik
u zeggen, dat het letterlijk onmogelijk is om van dit meer en deze
oevers te scheiden, en dat ik het grootste deel van mijn' tijd met
zien en bewonderen doorbreng, hetzij ik wandel of eenvoudig voor het
venster van mijne kamer zit. Voortdurend wensch ik mij geluk, dat ik
op het denkbeeld kwam Parijs te verlaten en hier de lente te gaan
doorbrengen, hoewel ik daardoor van uw' kant het verwijt verdiend
heb onstandvastig te zijn. Waarlijk, ik ben gelukkig en begin de
voordeelen te gevoelen van met een helm te zijn geboren.
"Er is hier een charmant gezelschap Russen, waartoe de Poeschtschin's,
de Karamzin's en de Meschtscherski's behooren, die mij allen (de hemel
weet waarom!) mogen lijden. Ik gevoel dit; in de maand die ik hier heb
doorgebracht bevalt het mij zoo goed en heb ik het zoo naar mijn zin,
dat ik met leedwezen aan mijn vertrek denk." [100]
Behalve deze vrienden woonde toen in den omtrek van Genève, aan den
oever van het meer, in het plaatsje Beaucage eene vriendin van Tolstoi,
met name Alexandra Andrejewna Tolstoi, hofdame bij de grootvorstin
Maria Nikolajewna, die daar een zoon van graaf Stroganoff ter wereld
had gebracht. Het bezoeken van deze dames verschafte Tolstoi zeer
veel genoegen.
Nadat hij omstreeks twee maanden in Clarens had doorgebracht,
besloot hij zijne reis te voet voort te zetten. Hij had daar met eene
Russische familie kennis gemaakt, waartoe een jongen van omtrent 10
jaar, Sascha, behoorde, dien hij uitnoodigde om mee het gebergte in
te gaan. Aanvankelijk was hun doel om over den Col de Jaman Freiburg
te bereiken; maar toen zij dezen pas waren overgetrokken, veranderden
zij van besluit en sloegen den weg naar Chateau d'Oex in, vanwaar
zij per post-diligence naar Thun reden.
In de onuitgegeven manuscripten van Tolstoi zijn reis-aanteekeningen
van dezen tocht bewaard gebleven. Daaraan ontleenen wij eenige
beschrijvingen van Zwitsersche natuurtafereelen.
Eerst voer Tolstoi per stoomboot van Clarens naar Montreux.
"15/27 Mei 1857.
"Het weder was helder. Het hemelsblauwe Meer van Genève, met zijne
witte en zwarte stippen van zeilen en booten, lag daar blinkend aan
drie zijden voor ons. Rondom Genève en ver weg over het blauwe meer
hing eene trillende, donkere, warme lucht; op den tegenoverliggenden
oever verhieven zich de steile bergen van Savoye met hunne witte
huisjes aan den voet, en eene gespleten rots, die de gedaante had
eener reusachtige witte vrouw in een oud gewaad. Links, juist boven
eene reeks van aangrenzende geel-roode wijngaarden, zag men, in een
donkergroen bosch van oofttuinen, Montreux met zijne bevallige kerk,
die aan de zachte glooiing van den berg hing. Aan den oever lag
Ville Neuve met zijn krans van huizen, die helder in de middagzon
blonken, de geheimzinnige kloof Salais, met de op elkander gestapelde
bergen; het witte, ongastvrije Chillon, vlak boven het water, en het
veelbezongen eilandje, dat droomerig maar toch schilderachtig tegenover
Ville Neuve verrijst. Het meer rimpelde, de zon straalde recht boven
zijne hemelsblauwe oppervlakte, en de over het meer verspreide zeilen
lagen roerloos stil.
"Verwonderlijk! Ik had twee maanden in Clarens doorgebracht, maar
telkens als ik des morgens, of in 't bijzonder bij het vallen van
den avond, na het eten, de blinden van het venster opende, waarover
reeds eene schaduw gleed, en mijn' blik liet glijden over het meer
met de blauwe bergen in 't verschiet, die er zich in spiegelden, dan
verblindde mij die schoonheid en was ik plotseling onder den indruk
harer verbijsterende macht. Eensklaps ontwaakte dan in mij eene zucht
naar liefde, ja, ik gevoelde liefde voor mij zelven, betreurde het
verleden, hoopte op de toekomst en begroette het leven met vreugde,
wenschte lang, zeer lang te leven, en beschouwde het denkbeeld van
den dood als eene kinderachtige, dichterlijke vrees. Somtijds, als
ik, alleen in het belommerde tuintje gezeten, onafgebroken naar die
oevers en dat meer staarde, gevoelde ik zelfs een zekeren physieken
indruk, alsof die machtige schoonheid door het oog zich in mijne
ziel uitstortte."
Het volgende verplaatst ons in de bergen:
"...Boven ons zongen woudvogels, die zich niet boven het meer,
de dennenbosschen en de bewoonde streken laten hooren. Onze tocht
was zoo verrukkelijk, dat het ons speet slechts kort te kunnen
toeven. Plotseling woei ons een ongewoon heerlijke, een echte lentegeur
tegemoet. Sascha snelde het bosch in en plukte kersebloemens af,
doch deze gaven bijna geen geur. Aan weerszijden zag men groene
boomen en struiken zonder bloemen. De zachte, welriekende geur werd
al sterker en sterker. Nadat wij een honderd schreden geloopen hadden,
opende zich het struikgewas aan de rechterhand en vertoonde zich eene
uitgestrekte, glooiende, lichtgroene vlakte, met eenige hier en daar
verspreide huisjes, voor onze oogen.
"Sascha snelde het veld in, plukte met beide handen witte narcissen
en bracht mij een kolossalen ruiker, die een onverdragelijken
geur verspreidde. Maar dit was den knaap nog niet genoeg: met de
vernielzucht, kinderen eigen, draafde hij nogmaals het veld in, en
trok een aantal prachtige, jonge zonnebloemen af, die bijzonder naar
zijn' zin waren...."
In Les Avants bleven zij overnachten. Na de bestijging van een' berg,
schrijft Tolstoi de volgende gedachten neer:
"16/28 Mei 1857.
"Terecht had men mij gezegd dat, hoe hooger men komt in 't gebergte,
hoe gemakkelijker het loopen wordt. Wij hadden reeds een uur geloopen
en voelden geen van tweeën het gewicht onzer rug-zakken, zelfs geen
vermoeienis. Ofschoon wij nog geen zon zagen, wierp zij toch hare
stralen rakelings over eenige rotsen en pijnboomen aan den horizon,
op de hoogten tegenover ons. Omlaag hoorde men het doffe bruisen
der bergstroomen; rondom ons vloeide slechts wat sneeuwwater, en
bij eene kromming van den weg zagen wij op nieuw het meer met Valès
op ontzettende diepte voor ons liggen. Aan den voet der Savooische
bergen was het water geheel blauw, evenals het meer, maar donkerder;
doch verder op, waar het door de zon beschenen werd, had het een
volmaakt lichtroode tint. De besneeuwde bergen werden talrijker;
zij schenen hooger en meer afwisselend in vorm. De zeilen en booten
lieten zich als nauw merkbare stippen op het meer zien. Het was mooi,
zelfs verrassend mooi, maar niet wat ik natuurschoon noem.
"....Ik houd niet van die zoogenaamde grootsche en merkwaardige
gezichten, die voor mij iets kouds hebben. Wat ik liefheb is de
natuur als zij mij aan alle kanten omgeeft en zich daarna ontrolt
in een eindeloos verschiet. Ik heb haar lief als mij aan alle zijden
eene warme lucht omringt, en die lucht al golvend zich uitstrekt in de
onbegrensde verte; als dezelfde sappige grashalmen, die ik druk wanneer
ik er op zit, de onafzienbare weiden met een kleed van groen bedekken;
als dezelfde bladeren, die, door den wind bewogen, hunne schaduw over
mijn aangezicht laten glijden, den donkergroenen omtrek van een ver
afzijnd woud verraden; als dezelfde lucht, die mij doet ademen, het
donkerblauwe gewelf van den oneindigen hemel vormt; als ik niet de
eenige ben die jubelt en zich verblijdt in de natuur; als duizenden
insecten rondom mij gonzen en zwermen, het vee in troepjes dartelt,
en overal in 't rond de vogels zingen....
"Hier stond ik voor eene naakte, koude, ledige, grauwe vlakte, met
geen ander tooisel dan de krippen zoom van het verschiet. Maar dit
alles lag zoo ver, dat ik het ware natuurgenot niet smaakte, dat ik
mij geen deel gevoelde van dit gansche grenzenlooze en overschoone
tafereel. Ik behoorde niet tot dat verschiet...."
Zijne reis voortzettende, kwam Tolstoi in Lucern, vanwaar hij zijne
tante het volgende schrijft:
"Lucern, 6 Juli 1857.