"Een krachtig middel om tot het ware geluk te geraken in 't leven,

bestaat hierin, dat men, gelijk eene spin, naar alle kanten een net

om zich heen spant,--doch een net van liefde, waarin men vasthoudt

allen, die er in geraken: èn ouderen van dagen èn jongeren, èn vriend

èn vijand."

Wij hebben reden te gelooven, dat de omstandigheden bij den

_Sawremjennik_, zoo op stoffelijk als letterkundig gebied, de

hoofdmedewerkers van het tijdschrift weinig hebben bevredigd. De

oorzaak daarvan moet voornamelijk worden gezocht in het individueele

verschil van overtuiging, inzichten, gewoonten en opvoeding, die

steeds belemmerend zijn voor eene algemeene zaak, door intelligente

personen op touw gezet. In elken intellectueelen kring ontstaat zeer

spoedig eene verdeeling in groepen; die verhouding, eerst geduld,

verandert weldra in onverschilligheid; daarna ontstaat mededinging,

die ten slotte overslaat tot openbare vijandschap. Zoo ging het ook

met den _Sawremjennik_.

Reeds in het jaar 1856 rees bij enkele medewerkers het denkbeeld

van eene scheiding en het oprichten van een nieuw tijdschrift. Dit

blijkt uit een brief van Droezjinin aan Tolstoi, waarin hij onder

andere schrijft:

"Gretig maak ik van deze toenemende energie gebruik en haast mij

u over eene zaak te spreken, waarover wij het bij onze laatste

samenkomst gehad hebben en die op het oogenblik vele onzer collega's

te Petersburg bezighoudt. De behoefte aan een zuiver letterkundig

tijdschrift met kritiek, dat aan alle polemiek en schandalen van

den tegenwoordigen tijd krachtig het hoofd biedt, wordt in sterke

mate gevoeld. Reeds hebben Gontscharoff, Jermin, Annenkoff, Maikoff,

Michailoff, Awdjejeff en vele anderen dit denkbeeld met grooten bijval

begroet. Indien gij, Ostrowski, Toerghenjeff en mogelijk ook onze

beschroomde Grigorowitsch (ofschoon deze ook wel gemist kan worden)

zich bij deze club aansluiten, kan met zekerheid gezegd worden, dat het

heele gebied der fraaie letteren eindelijk in één tijdschrift vereenigd

is. Van welken aard dit orgaan zal zijn: een nieuw tijdschrift of eene

leesbibliotheek, die door het genootschap in pacht zal worden genomen,

verzoek ik u eens te overwegen en dan uw voorstel mee te deelen. Hier

is de meerderheid geneigd tot eene pacht, en de uitgever bereid tot

een matigen prijs. Van mijn' kant spreek ik vóór noch tegen deze zaak,

maar stel mij geheel ten dienste van een zuiver letterkundig blad,

op welke grondslagen het ook mocht worden opgericht.

"Voor het geleerde of wetenschappelijke gedeelte kunnen als ijverige

medewerkers of eenvoudig als leden genoemd worden de professoren:

Gorloff, Oestrjaloff, Blagoweschtschenski, Berezin, Zernin en

de tegenwoordige medewerkers (ik noem slechts de begaafdsten):

Lawroff, Lchowski, Kenjewitsch, Wodowozoff en Doemnin. Toerghenjeff

zal, ofschoon men als medewerker niet vast op hem rekenen kan, een

voortreffelijk man zijn om zijn' ijver, zijne veelzijdige kennis en in

't algemeen om zijne plaats in de letterkunde. Doch voor 't oogenblik

geen bijzonderheden; de hoofdzaak is, dat er algemeene instemming

zij en de fundamenteele punten worden vastgesteld.

"Naar de belangstelling te oordeelen, die gij voor elke zaak aan den

dag legt, reken ik er op van u te vernemen, hoe gij over dit plan

denkt. Onder andere, doe ik u het volgende verzoek: daar ik toch

bij mijne tegenwoordige bezigheden blijf, en de oprichting van een

nieuw tijdschrift nog lang kan duren, vraag ik u inmiddels verlof

om u onder het getal medewerkers van _De Leesbibliotheek_ te mogen

opnemen. Beschik niet over uwe bijdragen, zonder dat gij tegen den

herfst er ook eene voor mij hebt overgelaten--naar uwe eigen keuze

en op de voorwaarden die gij goedvindt. Ik zal er u echter niet om

lastig vallen, daar ik weet dat gij, ook zonder mijn verzoek, alles

voor mij doen zult wat van uw' wil afhankelijk is.

"Schrijf mij eenige woorden over al deze dingen en in 't algemeen over

uw tegenwoordig leven, uwe plannen en over de gezondheid van Maria

Nikolajewna, aan wie gij mijne beleefde en hartelijke groete moet

overbrengen. Meld mij ook uw adres. Over het nieuwe tijdschrift moeten

wij noodzakelijk correspondeeren; anders vrees ik dat de krachten,

waarvan wij nu juist voor een nieuwe uitgaaf genoeg hebben, opnieuw

versnipperd zullen worden. Het is onverschillig op welken grondslag

de onderneming wordt ontworpen, zoo wij er maar allen in betrokken

zijn. Tracht dus, nu gij Toerghenjeff dezen zomer dikwijls zien zult,

invloed op hem te krijgen en dezen vriendelijken, maar wankelmoedigen

man voor dit algemeene doel te winnen. Te oordeelen naar al wat hij

mij honderdmaal gezegd heeft, moet de gedachte aan zulk een blad

hem wel eens bezighouden; maar op zijne woorden valt zoo weinig

staat te maken! Laat hij eens bedenken, tot welk ellendig peil onze

tijdschriften door versnippering van krachten gedaald zijn; alleen

de _Russische Bode_ heeft zich goed gehouden, maar hij viel bij de

afscheiding van het _Athenaeum_, dat op zijne beurt verflauwd is.

"Over Petersburg valt niets te zeggen."

Den 17den Mei vertrok Tolstoi naar Moskou.

Op 26 Mei bracht hij een dag door in het gezin van Dr. Behrs,

die gehuwd was met mej. Isljenewa, eene vriendin uit Tolstoi's

kinderjaren, en toen een landgoed te Pokrowski niet ver van Moskou

bewoonde. In Tolstoi's dagboek staat deze korte frase over dit bezoek:

"De kinderen wachtten ons op; welke lieve, vroolijke meisjes!"--Een

van deze meisjes werd zes jaren later zijne vrouw.

Daarna vervolgde hij zijne reis en kwam den 28sten Mei in Jasnaja

Paljana.

Den volgenden dag schreef hij zijn' broeder Sergius een' brief,

waarin hij, onder andere, het volgende zegt:

"In Moskou heb ik 10 dagen bijzonder aangenaam doorgebracht zonder

champagne of zigeuners, maar eenigszins verliefd--waarover ik je

later zal schrijven."

Na zijne aankomst in Jasnaja bracht hij bezoeken bij zijne zuster

Maria Nikolajewna, Toerghenjeff en anderen.

In de twee volgende brieven aan zijn' broeder bespeuren wij, dat

Tolstoi op het einde van den zomer door een ernstige ziekte werd

aangetast. In het begin van September 1856 schrijft hij:

"Eerst heden, Maandagavond te 9 uren, kan ik je een goed antwoord

geven. Mijn toestand was gaandeweg verergerd; twee doctoren zijn er

bij geweest, men heeft nog veertig bloedzuigers gezet; daarop ben

ik dadelijk in slaap gevallen, en toen ik ontwaakte gevoelde ik mij

veel beter. Eerder dan over een dag of vijf, zes, zal ik echter niet

kunnen reizen. Tot weerziens dus. Meld mij s.v.p. wanneer je gaat,

en of er groote verzuimen in je huishoudelijk bestuur aanwezig

zijn. Verlaat de plaats niet voordat ik er ben. Morgen zal ik je

misschien de honden sturen."

In een' brief van 15 September meldt hij:

"Beste broeder Sergius!

"Mijne gezondheid is nog niet verbeterd. Ziek ben ik niet, er is

ook geen ontsteking, maar ik heb een drukkend gevoel op de borst,

steken in de zijde, en tegen den avond heb ik pijn. Misschien zal

het langzamerhand van zelf verdwijnen: toch zal ik niet spoedig naar

Koersk gaan. Zoo het over een week of twee niet beter is, zal ik er in

't geheel niet heen gaan, maar in Moskou komen."

Spoedig keerde hij weer naar Petersburg terug, en schreef vandaar op

10 November 1856:

"Neem mij niet kwalijk, beste broeder Sergius, dat ik zoo weinig

schrijf Ik heb geen tijd gehad. Sedert mijn vertrek heb ik niets dan

tegenspoed ondervonden, en hier heb ik niemand dien ik mag lijden. Men

zegt, dat ik in de _Nationale Gedenkschriften_ om mijne verhalen over

den oorlog ben doorgehaald. Ik heb dat nog niet gelezen, maar--en

dit is hoofdzaak--Konstantinoff heeft mij dadelijk na mijne aankomst

verteld, dat grootvorst Michaël, toen hij vernam dat ik een gedicht zou

maken, er zeer over ontstemd was dat ik pogingen deed om de soldaten te

onderrichten. Dat is afschuwelijk! Ik heb den commandant van den staf

de zaak uitgelegd. Het is nog maar een geluk, dat mijne gezondheid goed

is, en dat Schipoelinski gezegd heeft, dat mijne borst beterende is."

Op 26 November 1856 verliet Tolstoi den krijgsdienst. Het is hier de

plaats om eene goede daad te vermelden, die hij op het einde van zijn'

diensttijd verricht heeft.

De staf-commandant Korenitzki, onder wien Tolstoi gediend had, had na

afloop van den oorlog voor een krijgsraad behooren terecht te staan,

maar dank zij den invloed en de bemoeiingen van graaf Tolstoi bleef

hij daarvan verschoond.

Van het oogenblik dat Tolstoi den dienst vaarwel zegt, breekt een

nieuw levenstijdperk voor hem aan: het letterkundig-maatschappelijke,

waarbij het streven naar persoonlijk geluk zich baan breekt.

Ondanks de scherpe beoordeelingen en de miskenning van den kant

der autoriteiten, was Tolstoi toch een gewenschte gast en een

voortreffelijk lid van het letterkundig gezelschap, den _Sawremjennik_.

Deze omgeving was echter op verre na niet geschikt om Tolstoi te

bevredigen. En dat kon ook niet anders. Men moet de herinneringen

der letterkundigen van dien tijd lezen, bijv. Herzen, Panajeff,

Fet en anderen van de meest verschillende richtingen, om tot zeer

treurige gevolgtrekkingen te komen wat de zedelijke zwakheid dezer

lieden betreft, die zich inbeeldden leiders van het menschdom

te zijn. Denk aan de maaltijden van Njekrassoff, de drinkgelagen

van Herzen, Ketscher en Ogarjeff, den verfijnden smaak van een'

Toerghenjeff! Al die vriendschappelijke samenkomsten waren toen

ondenkbaar zonder champagne, hartstocht, kaartspel en dergelijke. En

ergerlijk waren de luiheid en de nietswaardige belangen dezer lieden,

die al het kwade dier slemppartijen niet zagen, vermengd als zij

waren met het prediken over volksliefde en allerlei denkbeelden van

vooruitgang. Te midden van deze onbeschaamdheid, die mogelijk in een

anderen vorm nog tot heden voortbestaat, heeft nog slechts één enkele

overtuigende en geeselende stem geklonken van een' man, wiens ziel

dit zelfbedrog niet dulden kon. Dat was de stem van Leo Tolstoi!

In zijn werk _Biecht_ hangt hij een levendig tafereel op van de zeden

der letterkundige wereld in dien tijd, dat is omstreeks het jaar

'60. Ziehier zijne woorden:

"Ik heb nog geen overzicht gegeven van de wijze, waarop ik de

levensbeschouwingen der personen met wie ik tezamen kwam tot de mijne

maakte, en hoe zij al mijne vroegere pogingen om beter te worden geheel

deden mislukken. Deze beschouwingen vormden den theoretischen grondslag

voor het zedenbederf van mijn leven, waardoor dit verontschuldigd werd.

"De levensbeschouwingen van die personen--mijne collega's

letterkundigen--bestonden hierin, dat het leven zich in 't algemeen

ontwikkelt, dat wij, de mannen der gedachte, het hoofdaandeel in

die ontwikkeling hebben, en dat onder die mannen der gedachte wij,

bellettristen en dichters, den meesten invloed hebben. Onze roeping is:

de menschen te onderrichten. Maar om de vraag te vermijden: 'wat weet

men en wie moet men onderrichten?', werd in die theorie verklaard,

dat zulke kennis ook niet noodzakelijk is, en dat bellettristen en

dichters _onbewust_ onderrichten. Ik ging door voor een uitstekend

bellettrist en dichter, en daarom was het zeer natuurlijk, dat ik

die theorie tot de mijne maakte. Ik, een bellettrist en dichter,

schreef en onderrichtte--ik wist zelf niet wat. Men gaf er mij geld

voor, ik had uitstekende spijzen, eene positie, vrouwen, gezelschap;

ik had naam. Bijgevolg moest hetgeen ik onderwees wel zeer goed zijn.

"Dat geloof in de beteekenis der poëzie en in de ontwikkeling van het

leven was een werkelijk geloof; en ik was een der priesters er van. Het

bewustzijn priester te zijn was zeer aangenaam en voordeelig. En vrij

lang heb ik in dat geloof geleefd, zonder aan de waarheid er van te

twijfelen. Maar in het tweede, en vooral in het derde jaar van dit

leven begon ik aan de onfeilbaarheid van dat geloof te twijfelen,

en ging ik het onderzoeken. De eerste aanleiding tot twijfel was,

dat ik begon op te merken, dat de priesters het niet allen samen eens

waren. Enkelen zeiden: '_wij_ zijn de beste en nuttigste leermeesters;

_wij_ leeren wat noodig is, en wat anderen leeren is onjuist.'--Anderen

zeiden: 'neen, _wij_ zijn de ware, en gij onderwijst niet juist.'--En

zij disputeerden, twistten, scholden, bedrogen elkander, en misdroegen

zich.

"Daarenboven waren er velen onder ons, die er zich niet om bekommerden

wie gelijk of wie ongelijk had, en eenvoudig door middel van onzen

arbeid hun baatzuchtig doel bereikten. Dat alles bewoog mij aan de

waarheid van ons geloof te gaan twijfelen.

"Meer nog: toen ik eenmaal aan de waarheid van het geloof eens

schrijvers twijfelde, begon ik eens de priesters van dat geloof

met meer aandacht gade te slaan, en overtuigde mij toen, dat bijna

allen--de schrijvers--onzedelijke lieden waren, voor het meerendeel

slecht en met een nietswaardig karakter. Dat zij veel lager stonden

dan de personen, die ik in mijn vroeger ongeregeld krijgsmansleven

had ontmoet, maar dat zij zelfvertrouwen hadden en evenzoo over

zich zelven tevreden waren, als volslagen heilige personen of als

zoodanigen, die niet weten wat heiligheid is. Die lieden walgden mij,

en ik begreep dat dit geloof bedrog was.

"Maar zonderling is het dat, ofschoon ik dit leugenachtige geloof

spoedig begreep en er mij aan onttrok, ik mij niet onttrok aan

de positie, die mij door deze lieden gegeven was: de positie van

bellettrist, van dichter en leeraar. Op naïeve wijze verbeeldde

ik mij, als dichter en bellettrist iedereen te kunnen onderwijzen,

ofschoon ik zelf niet wist wie ik onderwees. En zoo heb ik gehandeld.

"Uit den omgang met die personen ontwikkelde zich bij mij eene nieuwe

ondeugd,--een trots, die overging in de ziekelijke, krankzinnige

overtuiging dat ik geroepen was te onderwijzen, zonder te weten

wat." [96]

Niettemin werd Tolstoi, door zijn verkeer in den kring dier personen,

van hunne belangen doordrongen en is hij een der werkzaamste deelnemers

geweest aan hunne kameraadschappelijke ondernemingen. Zoo is een

der belangrijkste letterkundige instellingen: _Het Genootschap tot

ondersteuning van Letterkundigen en Geleerden_, het zoogenaamde _Fonds

voor Letterkundigen_, veel aan hem verplicht geweest. Gewoonlijk

wordt Droezjinin als de stichter van dit fonds beschouwd, maar in

het dagboek van Tolstoi vinden wij de volgende aanteekening:

"3 Januari 1857.

"Ik heb bij Droezjinin het ontwerp van het fonds opgesteld."

Tolstoi kan dus met het volste recht tot de stichters van dit fonds

gerekend worden.

Ongeveer in dezen tijd moet Tolstoi op meer grondige wijze hebben

kennis gemaakt met de geschriften van Poeschkin, die hem zeer

aantrokken.

Uit zijne verhalen blijkt, dat hij Poeschkin, na diens gedicht _De

Zigeuners_ in de Fransche vertaling van Mérimée gelezen te hebben,

hoog waardeerde. Het lezen van dit gedicht, door den vertaler in

proza weergegeven, openbaarde Tolstoi al de kracht van Poeschkin's

dichterlijk talent.

In zijn dagboek van 4 Januari 1857 vinden wij de volgende aanteekening:

"Ik heb bij Botkin gedineerd, in gezelschap van Panajeff, die mij

Poeschkin heeft voorgelezen. Daarop begaf ik mij naar Botkin's kamer,

schreef een brief aan Toerghenjeff, ging op de sofa zitten en begon

luid te weenen; het waren tranen zonder reden ... dichtertranen,

die mij zalig stemden. Al dien tijd voelde ik mij bepaald gelukkig,

en was ik in een' roes van 'snellen zedelijken vooruitgang'."

Die "snelle zedelijke vooruitgang" was oorzaak, dat Tolstoi zich niet

lang met dit gezelschap en dezen werkkring kon tevreden stellen;

en gretig zocht hij naar een middel om er uit te geraken. En

daar een bewegelijke geest ook in zijne uiterlijke handelingen

steeds onrust laat blijken, zoo legde ook Tolstoi eene rustelooze

werkzaamheid aan den dag, eene energie, waarvan een der uitingen

was zijne buitenlandsche reis, die blijkbaar zonder bepaald doel is

ondernomen. Ziehier wat hij daarvan in zijne _Biecht_ zegt, met de

hem eigen oprechtheid zichzelf en zijne omgeving beoordeelende:

"Zoo heb ik nog zes jaren, tot aan mijn huwelijk, aan dit onverstandige

leven besteed. In dien tijd ging ik buitenslands. Het leven in Europa

en mijne nadere kennismaking met vermaarde en geleerde Europeesche

personen versterkten mij meer en meer in het geloof van volmaking in

't algemeen, waarin ik leefde, omdat ik ook bij hen datzelfde geloof

vond. Dit geloof nam bij mij den gewonen vorm aan, dien het bij de

meeste beschaafde lieden van mijn' tijd bezit, en werd door het woord

_vooruitgang_ uitgedrukt. Het kwam mij toen voor, dat er in dat woord

eene zekere beteekenis lag. Ik begreep toen nog niet dat ik, gekweld,

als ieder levend wezen, door de vraag: 'hoe leef ik het best?',

en daarop antwoordende: 'leef overeenkomstig den vooruitgang',

een antwoord gaf volkomen gelijk aan dat van iemand, die in eene

boot gezeten, ten spel aan wind en golven, op de eenige vraag die

hij zich stellen kan: 'waar moet ik heenvaren?', eenvoudig zegt:

'ik zal wel ergens belanden.'"

Niet voordat deze buitenlandsche reis achter den rug was, zou Tolstoi

de schatting betalen voor zijn zoeken naar persoonlijk huiselijk geluk.

TIENDE HOOFDSTUK.

ROMAN.

In dit hoofdstuk zullen wij een van de gewichtigste perioden uit

Tolstoi's leven behandelen, n.l. de geschiedenis van zijne eerste

ernstige trouwplannen, die, hoewel zij niet tot een huwelijk leidden,

toch een' grooten invloed hebben uitgeoefend op zijn volgend leven.

In den loop van deze gebeurtenissen traden eenige van Tolstoi's

karaktertrekken sterk op den voorgrond: zijne hartstochtelijke,

gevoelige natuur, de groote kracht van zijn verstand, die zijne

hartstochten weet te beteugelen, en dan zijne oprechte, hoogstaande

geest, die zich uit, zoowel in het najagen zijner hooge idealen als

in het gewone dagelijksche leven.

Reeds eenige malen had Tolstoi gemeend eene vrouw lief te hebben, maar

na korten tijd bleek het steeds de ware liefde niet te zijn; zelfs de

oprechte genegenheid, die hij in zijne jeugd Sonitschka Kaloschinaja

had toegedragen, kon op dien naam geen aanspraak maken. De tweede was

eene studentenliefde, die echter hoofdzakelijk in zijne verbeelding

bestond. De Kozatschka in de stanitza was daarop, zooals wij weten,

het voorwerp zijner vereering. Toen weer maakte eene dame uit de

groote wereld zijne bewondering gaande, hoewel het voor haar zelf

waarschijnlijk een geheim is gebleven; Tolstoi toch was in zulke

aangelegenheden altijd zeer schuchter.

Wij herinneren ons, dat Tolstoi zich in een' brief aan zijn' broer,

geschreven in Sewastopol, beklaagde zoo weinig met dames in aanraking

te komen, waardoor hij vreesde zijn' zin voor het familieleven voorgoed

te verliezen.

Nadat hij uit den oorlog was terug gekeerd, begon hij ernstig aan

trouwen te denken. Tijdens zijn oponthoud in Moskou werd zijne aandacht

getrokken door mejuffrouw Valérie, de dochter van een' naburigen

landeigenaar, een lief meisje, en--het begin van den roman liet niet

lang op zich wachten. Zooals reeds boven is gezegd, is het niet tot

een huwelijk gekomen, maar toch is de verhouding van dien aard geweest,

dat familie en kennissen hen reeds als een verloofd paar beschouwden.

De correspondentie, die tusschen de beide jonge menschen gevoerd is,

kan niet openbaar worden gemaakt en hier wordt dus slechts een kort

overzicht van den inhoud hunner brieven gegeven.

Den eersten brief schreef Tolstoi naar Moskou, waar de heldin zijner

droomen logeerde bij hare tante, die een zeer mondain leven leidde. De

familie bestond verder nog uit hare drie nichtjes en eene Fransche

gezelschapsdame, Mlle Vorgani. Gewoonlijk woonden zij 's zomers op

haar landgoed Soedakoff in de nabijheid van Jasnaja Paljana, maar

dit jaar waren zij reeds in Augustus naar Moskou vertrokken om de

kroning van Alexander II bij te wonen, die 26 Augustus 1856 plaats had.

De jonge dame amuseerde zich uitstekend bij de kroningsfeesten

en uitte haar verrukking in een' opgewonden brief, dien zij aan

Tolstoi's tante schreef. De inhoud van dezen brief deed bij Tolstoi

den eersten twijfel ontwaken aan de bestendigheid van hun toekomstig

geluk. Daar hij werkelijk eene ernstige genegenheid voor het meisje

had opgevat en haar reeds als zijne aanstaande vrouw beschouwde,

was het hem een behoefte haar in te wijden in de hooge idealen,

waarvan hij steeds droomde.

Hierop volgde de voor hem grievende teleurstelling dat hij op dit

punt niet door haar begrepen werd en zelfs stootte op een groote

lichtzinnigheid tegenover de meest ernstige levensvragen. Tolstoi

gaf echter den moed niet op, en, rekenende op haar jeugd en hare

voor indrukken vatbare natuur, deed hij zijn uiterste best om haar

een anderen blik zoowel op het tegenwoordige als op het toekomstige

leven te geven. Al zijne brieven ademden dan ook eene groote zorg

voor haar zieleleven en waren gevuld met raadgevingen op allerlei

gebied. Soms sloeg hij, teleurgesteld door haar niet begrijpen,

een bitteren, sarcastischen toon aan, dan weer sprak hij zorgzaam,

zooals een vader spreekt tot zijn kind. Als antwoord op het opgewonden

schrijven over de kroningsfeesten schreef hij haar een brief, waarin

hij al zijne verachting neerlegde voor hare, volgens zijne begrippen,

laag staande amusementen. Hij lachte schamper om haar genoegens,

haar bals, haar cavaliers, en eindigde met een opgeschroefden zin,

alsof hij haar vrienden wilde nadoen. Het antwoord op dezen brief liet

lang op zich wachten. Tolstoi werd onrustig, hij schreef weer, maar

nu op een anderen toon, vroeg om vergiffenis en werd weer in genade

aangenomen. Na de feesten keerde de familie naar Soedakoff terug en

de verhouding tusschen de jongelui werd hoe langer hoe inniger.

Al heel spoedig echter kwam er weer verandering in den toestand. Of

hij reeds voelde dat zijne liefde voor haar niet groot genoeg was of

dat het zijne sceptische neigingen waren die weer den twijfel bij hem

wakker riepen, zeker is het dat hij, zich en haar voor de gevolgen

eener ondoordachte handeling willende behoeden, het besluit nam hunne

liefde op de proef te stellen. Hij vertrok daarom voor onbepaalden

tijd naar St.-Petersburg en schreef zijne aanstaande bruid een' brief,

waaruit bleek, dat bij hem van hartstochtelijk verliefd zijn geen

sprake was. De brief was vol diepgaande gedachten over de beteekenis

van de genegenheid tusschen man en vrouw, den ernst van hun voornemen

en de noodzakelijkheid van deze proefneming.

Natuurlijk viel dit in 't geheel niet in den smaak van het jonge

meisje, maar zij onderwierp zich aan het besluit en de briefwisseling

werd voortgezet.

Toen Tolstoi een korten tijd in St.-Petersburg was, vertelde iemand,

wiens waarheidsliefde hij niet in twijfel kon trekken, hem, dat zijne

uitverkorene zich niet alleen door een' muziekonderwijzer het hof had

laten maken, maar dat zij diens liefde zelfs had beantwoord. Dat was

gebeurd tijdens die ongelukkige feesten. Blijkbaar had zij nu een eind

gemaakt aan de verhouding, maar het feit alleen dat zij zoo lichtzinnig

kon handelen, was een zware slag voor Tolstoi. Onder den indruk

hiervan schreef hij haar een brief vol bittere verwijten, dien hij

echter niet wegstuurde, maar haar wilde laten lezen, zoodra zij weer

bij elkaar zouden zijn. Het blijkt echter dat Tolstoi nog meer feiten

gewaar werd betreffende hare verhouding tot den muziekonderwijzer,

die hem dwongen haar daarover te schrijven. Het stond nu reeds bij

hem vast, dat hij alle banden met haar wilde verbreken, maar om dit

minder smartelijk te doen zijn wilde hij het aan den tijd overlaten.

Een dag echter nadat hij den brief verzonden had, berouwde het hem

reeds weer, en dadelijk daarop schreef hij een anderen, op een meer

verzoenenden toon. Hierop kwam geen antwoord, en waarschijnlijk

denkende: "geen tijding, goede tijding" ging hij maar met schrijven

voort. Evenals vroeger behelsden deze brieven weer meer goede

raadgevingen aan eene leerlinge dan woorden van liefde voor eene

aanstaande bruid. Hij schreef over hunne mogelijke toekomstige

verbintenis, over hun leven, hunne bezigheden, hunne omgeving, hun

kennissenkring en dagverdeeling en met ieder woord trachtte hij hare

belangstelling op te wekken voor de ernstige zijde van het leven.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 19 / 32 段