mij te bereiken, want ik ontving hem eerst gisteren. Ik heb goed
nagedacht over hetgeen gij mij hebt geschreven--en het komt mij voor,
dat ge ongelijk hadt. Ik kan namelijk niet geheel oprecht tegen u zijn,
omdat ik niet geheel vrijmoedig kan wezen. Naar ik geloof, hebben wij
onbeholpen en te onpas kennis gemaakt, en als wij elkander weerzien,
zal de zaak veel lichter en vlotter gaan.... Ik gevoel, dat ik u als
mensch mag lijden (als schrijver, daarover spreek ik niet); maar veel
heeft mij in u teleurgesteld, en ten slotte vind ik het beter mij wat
van u te verwijderen. Bij onze samenkomst zullen wij weer trachten
hand aan hand te gaan: misschien lukt het beter; hoe vreemd het ook
moge klinken, op een' afstand verlangt mijn hart naar u, als naar
een' broeder, en voel ik zelfs genegenheid voor u. In één woord:
ik mag u lijden, dat staat vast; misschien zal hieruit mettertijd
nog alle goeds voortkomen.
"Ik heb van uwe ziekte gehoord, en dit heeft mij bedroefd; nu moest gij
alle herinneringen daaraan uit uw hoofd zetten. Gij zijt zwaarmoedig
en denkt aan tering; maar geloof mij, die hebt ge niet.
"Het spijt mij zeer van uwe zuster. Wie zou gezond moeten zijn, als
zij het niet is? Daarmee wil ik zeggen dat, indien iemand verdient
gezond te wezen, het uwe zuster is; en in stede daarvan, staat zij
zooveel pijnen uit. Het zou gelukkig zijn, indien de kuur te Moskou
haar hielp! Waarom schrijft ge uw' broeder niet om thuis te komen? Wat
heeft hij er aan om in den Kaukasus te zitten? Wil hij soms een groot
krijgsman worden? Mijn oom berichtte mij, dat gij reeds allen naar
Moskou waart gegaan; en daarom stuur ik ook dezen brief naar Moskou,
aan het adres van Botkin....
"De Fransche oppervlakkigheid staat mij al evenzeer tegen als u; en
nooit is Parijs mij zoo prozaïsch voorgekomen. Ik heb het op andere
tijden gezien, en durf zeggen dat het mij toen beter beviel. Wat
mij hier houdt, is eene oude, onverbreekbare band met eene Fransche
familie, en mijn dochtertje waaraan ik zeer gehecht ben; zij is een
lief en schrander meisje. Ware dit niet het geval, dan zou ik reeds
lang naar Njekrassoff in Rome gegaan zijn. Ik heb twee brieven van
hem uit Rome ontvangen. Hij verveelt zich daar eenigszins, en dat is
begrijpelijk. In Rome is alles grootsch, maar het omringt hem slechts:
hij leeft er niet in, en zich lang te vergenoegen met de enkele
oogenblikken van begrijpen en bewonderen is onmogelijk. Overigens
gevoelt hij er meer verlichting dan te Petersburg, en zijne gezondheid
is beterende. Fet is daar op het oogenblik bij hem; hij heeft
eenige gracieuze verzen geschreven en uitvoerige reisherinneringen,
waarin veel kinderlijks, maar ook veel verstandige en degelijke taal
staat. En welk eene treffend naïeve oprechtheid in het schetsen van
zijne indrukken! Hij is, zooals ge hem terecht noemt, een best mensch!
"Ge hebt het eerste deel van _Jongelingsjaren_ voltooid. Mooi
zoo! Hoe jammer, dat ik het niet hooren kan. Zoo ge niet van den
rechten weg afdwaalt (en ik geloof, dat er geen reden bestaat om dit
te onderstellen) zult ge het zeer ver brengen. Ik wensch u gezondheid,
energie--en vrijheid, vrijheid van geest.
"Wat mijn' _Faust_ betreft, ik denk niet dat die u zeer bevallen
zal. Mijn werk kon u bevallen--en mogelijk heeft het eenigen invloed
op u gehad--slechts zoolang tot gij zelfstandig waart geworden. Nu
zult ge er niets uit leeren, alleen verschil in manieren, en gebreken
en verzuimen zien. Aan u de taak om den mensch, zijn hart, en de
werkelijk groote schrijvers te leeren kennen. Ik ben een schrijver
van den overgangstijd, en deug slechts voor menschen die zich in een
overgangs-toestand bevinden. Nu, vaarwel en houd je goed! Schrijf
mij eens. Mijn adres is tegenwoordig Rue de Rivoli no. 206.
"Ik dank uwe zuster voor de paar toegevoegde woorden. Groet haar en
haar echtgenoot. Dank Warenka, dat zij mij niet vergeet.
"Gaarne zou ik u iets van de auteurs hier vertellen, maar dan op een
anderen keer. Ik druk u stevig de hand.
"Ik zal dezen brief niet frankeeren, doe gij ook zoo." [92]
Den 8sten December 1856 schreef hij aan Tolstoi:
"Waarde Tolstoi!
"Gisterenavond voerde mijn goede genius mij langs het postkantoor, en
kwam het in 't voorbijgaan bij mij op te vragen, of er soms een brief
_poste restante_ voor mij was,--ofschoon, volgens mijne berekening, al
mijne vrienden reeds lang mijn adres te Parijs moeten kennen. Zoo vond
ik uw' brief, waarin ge mij over mijn' _Faust_ spreekt. Ge zult licht
begrijpen, hoe aangenaam het mij was dit te lezen. Uwe sympathie heeft
mij oprecht en innig verheugd. Maar bovendien lag er in uw brief iets
zachts en openhartigs, een zweem van vriendschappelijke kalmte. Nu is
het mijn plicht u de hand te reiken over den afgrond heen, die sedert
lang tot eene nauw merkbare kloof is geworden; doch daar zelfs dát
woord te veel zegt moeten wij er maar niet meer over spreken.
"Ik vrees u over eene omstandigheid te spreken, die terloops door u
is aangeroerd. Zulke delicate zaken kunnen door woorden verwelken,
zoolang zij niet rijp zijn; maar zijn zij rijp, dan laten zij zich
niet met een' hamer verbrijzelen. God geve, dat alles gelukkig en
naar behooren geschikt wordt; het kan u dan dat vaste geestelijke
arbeidsveld verschaffen, waaraan ge behoefte hadt toen ik u leerde
kennen. Ik zie nu, dat gij het zeer met Droezjinin eens zijt, en
onder zijn' invloed staat. Dat is goed; maar zorg dan, dat ge niet te
veel van hem aanneemt. Toen ik op uwen leeftijd was, hadden alleen
enthousiaste naturen invloed op mij; doch gij zijt een ander mensch
dan ik, en mogelijk is er nu een andere tijd aangebroken.
"Met ongeduld verbeid ik de toezending van de _Leesbibliotheek_,
en ik wil gaarne de verhandeling van Belinski lezen, hoewel zij mij
vermoedelijk weinig genot zal verschaffen. Dat de _Sawremjennik_ in
slechte handen is, valt niet te betwijfelen. In den beginne schreef
Panajeff mij meermalen, verzekerde mij dat hij niet 'lichtvaardig'
zou handelen, en onderstreepte zelfs dit woord; maar nu is hij stil
geworden en zwijgt als een kind dat voor de tafel zit en zijn broekje
heeft bevuild. Ik heb Njekrassoff te Rome uitvoerig over alles
geschreven en het kan zeer wel gebeuren dat dit hem noopt vroeger
terug te keeren dan hij vermoed had. Schrijf mij eens, in welk nommer
van den _Sawremjennik_ uw verhaal _Jongelingsjaren_ voorkomt, en meld
mij bij gelegenheid uw definitieven indruk betreffende _King Lear_,
dat gij waarschijnlijk gelezen zult hebben, al was het maar ter wille
van Droezjinin." [93]
Wij hebben geen zekere aanwijzingen, welke meening Tolstoi had over
Droezjinin's vertaling van _King Lear_, maar in een' brief, dien wij
hieronder citeeren, van Botkin aan Droezjinin, kan men zien, dat de
vertaling Tolstoi beviel:
"Welk succes uw _Koning Lear_ ook moge hebben," schrijft Botkin,
"voor mij is de vertaling ongetwijfeld geslaagd. Maar hoezeer is
mijne blijdschap toegenomen, nu deze innerlijke overtuiging door
de werkelijkheid bevestigd wordt. Denk aan Tolstoi's bekenden
afkeer van Shakespeare, waartegen Toerghenjeff zoo te velde is
getrokken! Wel moet ik eerlijk erkennen, overtuigd te zijn geweest,
dat die antipathie bij de eerste de beste gelegenheid zou verdwijnen;
maar het doet mij genoegen, dat uwe uitstekende vertaling zelf die
gelegenheid verschaft."
Het komt ons intusschen voor, dat Botkin's blijdschap te overijld was,
daar Tolstoi nog lang zijn' afkeer van Shakespeare behouden heeft. Maar
over dit feit zullen wij in een der volgende hoofdstukken spreken.
In December schreef Toerghenjeff uit Parijs aan Droezjinin onder
andere:
"Men zegt, dat gij en Tolstoi zeer harmoniëert, en dat hij zeer
vriendelijk en openhartig is geworden. Als die jonge wijn eens uitgist,
zal er een vocht uit ontstaan, den goden waardig. Hoe staat het toch
met zijn _Jongelingsjaren_, dat u ter beoordeeling is gezonden?" [94]
Het handschrift was werkelijk aan Droezjinin gezonden. Hij las het
geheel door en antwoordde met den volgenden interessanten brief:
"Over _Jongelingsjaren_ dient men een twintigtal bladzijden te
schrijven. Ik heb het met ergernis, met uitroepen en verwenschingen
gelezen--niet wegens de letterkundige waarde er van, maar om het
handschrift. Die vermenging van twee handen, eene bekende en eene
onbekende, leidden mijne aandacht af en beletten de geregelde
lectuur. Het was of twee stemmen in mijn oor schreeuwden en mij
opzettelijk afleidden, waardoor, naar ik weet, de indruk niet geheel
tot zijn recht kwam. Toch zal ik u zoo goed mogelijk mijn oordeel
zeggen. Uwe taak is ontzettend geweest, en ge hebt die zeer goed
volbracht. Niet een van de hedendaagsche schrijvers had dat bruisende
en onzinnige tijdperk der jeugd zoo breed kunnen opvatten en schetsen,
als gij. Aan ontwikkelde personen verschaft _Jongelingsjaren_ een groot
genot; en zoo iemand u zegt, dat dit werk slechter is dan _Kinderjaren_
en _Jongensjaren_, kunt ge hem in 't gezicht spuwen. Er ligt een schat
van poëzie in uw werk; al de eerste hoofdstukken zijn voortreffelijk;
alleen is de inleiding droog, tot aan de beschrijving van de lente
en het wegnemen van de ramen. Verder zijn uitstekend: de aankomst
buiten, voorafgegaan door de beschrijving der familie Nechljoedoff,
de verklaring van den vader vóór het sluiten van het huwelijk, en
de hoofdstukken: _Nieuwe Kameraden_ en _Ik ben gezakt_. Uit vele
bladzijden komt de poëzie van het oude Moskou u tegemoet, waarop nog
door niemand behoorlijk acht is geslagen. De koetsier van baron Z. is
bewonderenswaardig (ik spreek altijd van het standpunt van lieden,
die het onderwerp begrijpen). Eenige hoofdstukken zijn droog en
lang, bij voorbeeld alle onderhandelingen met Dmitri Nechljoedoff,
de beschrijving van zijne verhouding tot Warenka, en dat waarin over
het begrip huiselijkheid gesproken wordt. Ook is te lang het feestje
bij Jar en het voorafgaande bezoek van den graaf met Iljenka. De
rekrutentijd van Semjonoff is niet geschikt voor de censuur.
"Voor de bespiegelende gedeelten behoeft gij niet bang te zijn:
zij zijn alle verstandig en origineel. Gij bezit neiging tot eene
buitengewone fijnheid van onderzoek, die tot een groot gebrek kan
aangroeien. Soms drijft uwe zucht naar onderzoek tot het bezigen van
uitdrukkingen of vergelijkingen, die in het dagelijksch leven vreemd
en onverstaanbaar klinken. Die neiging moet gij bedwingen, doch haar
om niets ter wereld geheel verstikken. Al uw werk in dit genre moet
boven uwe analyse staan. Elk uwer gebreken heeft zijn deel van kracht
en schoonheid; bijna elke uwer aantrekkelijke eigenschappen sluit de
kiemen van gebreken in zich.
"Geheel hetzelfde kan men van uw' stijl zeggen. Gij zijt zeer
ongeletterd; nu eens is uwe ongeschooldheid die van een nieuwen leider
en van een forschen dichter, die de taal steeds naar zijne versmaat
omwerkt, dan weer die van een' officier, die ergens achter eene
blindeering aan een' makker schrijft. Met zekerheid kan men zeggen,
dat alle bladzijden die gij met liefde geschreven hebt, uitstekend
zijn; maar nauwelijks koelt ge af, of uw stijl wordt verward, en
helsche zinswendingen komen te voorschijn. Daarom ware het noodig,
dat stukken die zonder vuur geschreven zijn, werden nagezien en
verbeterd. Hier en daar heb ik getracht ze te verbeteren of wilde ze
eenvoudig schrappen, maar dit werk kunt en moet gij zelf doen. De
hoofdzaak is echter, dat ge lange zinnen vermijdt. Splits ze in
tweeën en in drieën, en wees niet zuinig met de punten.... Handel
met zinsdeelen zonder plichtplegingen, en schrap de woorden _dat,
die_ en _dit_ bij tientallen. Stuit ge op moeielijkheden, neem dan
den zin en stel u voor, dat ge dien in vloeiende conversatie-taal
aan iemand wilt vertellen.
"Het is tijd om te eindigen; en toch zou ik u nog zeer veel moeten
zeggen. Aan een groot aantal onontwikkelde lezers zal _Jongelingsjaren_
veel minder bevallen dan _Kinderjaren_ en _Jongensjaren_. Voor deze
beide geschriften pleiten hun geringe omvang en eenige episoden in den
trant van het verhaal _Karl Iwanowitsch_. De oppervlakkigste mensch
bewaart nog eenige herinneringen uit zijne kinderjaren, en verheugt
zich als men hem de poëzie er van verklaart; maar de periode der jeugd
(die woelige, onzinnige jongelingstijd, zoo rijk aan teleurstellingen
en vernederingen, die gij ons onthult) verbergt zich gewoonlijk in
de ziel, verduistert en wordt vergeten.
"Uw werk kan door een zeer langen arbeid, met twee of drie
onderhoudende episoden, enz. voor een groot aantal lezers begrijpelijk
worden gemaakt; maar bijna niemand is in staat het volkomen naar den
smaak van het groote publiek te maken.
"Opzet en wezen zullen uw werk _Jongelingsjaren_ tot een gastronomisch
brokje maken alleen voor zulke personen, die denken en gevoel hebben
voor poëzie.
"Meld mij of ik het manuscript aan u moet zenden of aan Panajeff ter
hand stellen. Gij hebt er geen grooten stap mee gedaan in de eene of
andere richting, maar getoond wat er in u zit en wat er nog van u te
verwachten is."
Reeds het feit, dat Droezjinin zóó aan Tolstoi kon schrijven, bewijst
dat er werkelijk intieme betrekkingen tusschen hen bestaan hebben,
en dat Droezjinin grooten invloed op Tolstoi heeft gehad.
Tolstoi's verblijf te Petersburg van November tot Mei werd, wegens
familie-omstandigheden, door eene kortstondige reis naar Orel
afgebroken.
Den 2den Februari kreeg hij bericht, dat zijn broeder Dmitri was
overleden. Deze persoon wordt door Tolstoi duidelijk omschreven in
zijne herinneringen, die door ons in het hoofdstuk _Jongelingsjaren_
zijn medegedeeld. Hier halen wij slechts het tweede gedeelte dezer
herinneringen aan, welke betrekking hebben op zijn volgend leven,
zijne ziekte en dood.
"Toen wij tot eene deeling kwamen, gaf men mij, volgens gebruik,
het landgoed Jasnaja Paljana, waarop wij woonden. Sergius kreeg
Pirogoff, omdat hij een liefhebber van paarden was en Pirogoff eene
stoeterij bezat; hij had dit ook gewenscht. Dmitri en Nikolaas gaf
men de twee overige bezittingen: laatstgenoemden Nikolskoje, den
eersten het landgoed Schtscherbatschefka, in Koersk gelegen en ons
door Perowska vermaakt.
"Ik bezit thans een memorandum van Dmitri, waaruit blijkt hoe
hij over de lijfeigenschap dacht. Het begrip, dat zoo iets niet
geoorloofd was en men hen moest vrijlaten, bestond, bij ons omstreeks
'40 in het geheel niet. Het bezit van lijfeigenen door erfenis was
eene onvermijdelijke conditie, en al wat men doen kon om de slechte
gevolgen er van te voorkomen was, dat men niet alleen zorgde voor den
stoffelijken, maar ook voor den zedelijken toestand der boeren. En
in dien zin was ook het memorandum van Dmitri zeer ernstig, naïef en
oprecht geschreven.
"Nog geen twintig jaren oud (na afloop van zijn studie) nam hij,
in de meening dat dit zoo behoorde, de verplichting op zich om het
zedelijke leven van honderden boerengezinnen te leiden; en dit deed
hij door bedreiging met en de werkelijke toepassing van straffen,
omdat dit bij Gogol, in een brief aan een grondbezitter, geschreven
stond. Naar ik mij herinner, had Dmitri deze brieven gelezen, doordien
een gevangenis-priester hem er op gewezen had. Zoo begon mijn broeder
dan zijne plichten als grondbezitter te vervullen; doch behalve die
van den landeigenaar tegenover zijne lijfeigenen, bestond in die dagen
nog een andere plicht, waarvan de niet-nakoming ondenkbaar scheen:
dat was de krijgs- of civiele staatsdienst.
"Toen Dmitri zijne studie geëindigd had, besloot hij in civielen dienst
te gaan. Om nu te weten, welken dienst hij zou kiezen, kocht hij een
adresboek, keek alle takken van den civielen dienst na, kwam tot de
slotsom dat de rechtspleging van het meeste gewicht was--en koos de
laatste. Hij vertrok naar Petersburg en ging bij den staats-secretaris
der 2de Afdeeling op audiëntie.
"Ik stel mij de verbazing van Tanjejeff voor, toen hij onder de
sollicitanten verschijnen zag een langen, eenigszins gebochelden
en slordig gekleeden man (Dmitri kleedde zich altijd zoo, om zijne
figuur te verbergen), met rustige, heldere oogen, die, op zijne vraag
wat hij wilde, ten antwoord gaf, dat hij een Russisch edelman was,
die de studie achter den rug had, en, het vaderland nuttig willende
zijn, de wetgeving tot zijn arbeidsveld gekozen had.
"'Uw naam?'
"'Graaf Tolstoi.'
"'Heeft u nooit gediend?'
"'Ik heb pas mijne studie achter den rug, en wensch alleen nuttig
te zijn.'
"'Welke betrekking wil u hebben?'
"'Dat is mij onverschillig, mits het er eene is waar ik nuttig
kan zijn.'
"Zijn ernst en oprechtheid troffen Tanjejeff zoozeer, dat hij Dmitri
naar de 2de Afdeeling bracht en ter beschikking van den ambtenaar
stelde.
"Mogelijk heeft de verhouding der ambtenaren tot hem, en vooral hunne
wijze van werken Dmitri niet aangestaan; zooveel is zeker: hij is
niet in de 2de Afdeeling gebleven. Te Petersburg had mijn broeder
geen enkelen bekende, behalve den rechtsgeleerde D. A. Obolenski, die
gedurende ons verblijf te Kazan daar advocaat was. Dezen Obolenski
ging Dmitri op zijne buitenplaats bezoeken. De rechtsgeleerde heeft
mij dat half lachend verhaald.
"Obolenski was een man met aristocratische manieren, voorkomend doch
eerzuchtig. Hij vertelde mij, dat op zekeren dag, toen hij gasten had
(waarschijnlijk uit den hoogen kring waarin Obolenski zich steeds
bewoog), Dmitri met eene muts op en een Nankin'schen paletot aan door
den tuin naar hem toe kwam. 'Eerst kende ik hem niet; maar toen ik wist
wie hij was, poogde ik hem op zijn gemak te zetten, stelde hem aan de
gasten voor en verzocht hem zijn jas uit te trekken. Het bleek echter,
dat hij geen andere jas daaronder droeg. Dat vond hij overbodig. Hij
ging zitten en wendde zich, zonder zich aan de tegenwoordigheid der
gasten te storen, tot Obolenski met dezelfde vraag, als tot Tanjejeff:
"Waar kan ik het best dienen, om nuttig te zijn?"'
"Obolenski, met zijne eigen inzichten van den dienst, die voor
hem slechts het middel was om zijne eerzucht te bevredigen, had
waarschijnlijk nooit zulk eene vraag te beantwoorden gehad. Doch met
den hem eigen tact, gevoegd bij eene oprechte goedhartigheid, noemde
hij verschillende postjes op en bood zijne diensten aan. Blijkbaar
is Dmitri noch over Obolenski, noch over Tanjejeff voldaan geweest;
althans hij verliet Petersburg, zonder hier gediend te hebben. Hij
keerde naar zijn landgoed terug, schijnt in Soedzj een adellijk ambt
aanvaard, en zich met oeconomische, vooral boeren-aangelegenheden te
hebben beziggehouden.
"Nadat mijn broeder en ik de universiteit verlaten hadden, heb ik hem
uit 't oog verloren. Maar ik weet, dat hij hetzelfde strenge, ingetogen
leven geleid heeft tot zijn 26ste jaar: niet hield van rooken, van
wijn en vooral niet van vrouwen, hetgeen in die dagen eene groote
zeldzaamheid was. Ook weet ik, dat hij samenkomsten had met monnikken
en pelgrims, en veel omgang hield met een zeer origineelen man, die
bij mijn' voogd Woijekoff woonde en wiens afkomst niemand kende. Men
noemde hem 'Vader Lukas.' Hij liep in een korten priesterrok, was zeer
mismaakt (klein van gestalte, scheef en monsterachtig leelijk), maar
zeer zindelijk en buitengewoon sterk. Als hij iemand de hand drukte,
was het of hij die met eene nijptang greep; en altijd sprak hij op
een gewichtigen en raadselachtigen toon. Hij woonde bij de molen
van Woijekoff, waar hij een huisje gebouwd en een bijzonder fraaien
bloemtuin aangelegd had. Met dezen Vader Lukas ging mijn broeder
om. Naar ik gehoord heb, had hij nog kennis aan een grijsaard van
den zeer ouden stempel: een spaarzamen grondbezitter en een buurman
van Samoiloff.
"Ik geloof, dat ik reeds in den Kaukasus was, toen er in Dmitri een
buitengewone omkeer plaats had. Plotseling begon hij te drinken,
te rooken, geld te verspillen en de vrouwen na te loopen. Hoe
dat zoo gebeurd is, weet ik niet, want destijds heb ik hem niet
gezien. Alleen weet ik, dat zijn verleider was een naar het uiterlijk
zeer aantrekkelijk, maar zedelijk diep gezonken man, de jongste zoon
van Isljeneff. Over hem zal ik later schrijven, zoo ik gelegenheid
heb. Ook onder deze omstandigheden was mijn broeder dezelfde
ernstige, godsdienstige man, die hij in alles geweest is. Maria,
de geprostitueerde vrouw, die hij het eerst leerde kennen, kocht
hij vrij en nam haar bij zich in huis. Overigens heeft dit leven
echter niet lang geduurd. Ik geloof, dat niet zoozeer het slechte,
ongezonde bestaan, dat hij eenige maanden lang te Moskou gevoerd
heeft, als wel de innerlijke strijd, de verwijten van zijn geweten
dit krachtige organisme zoo spoedig hebben verwoest.
"Hij kreeg de tering, ging naar buiten, liet zich in verschillende
steden behandelen, en kwam ziek te liggen in Orel, waar ik hem
het laatst gezien heb, na het beleg van Sewastopol. Zijn aanblik
was vreeselijk: de reusachtige handen waren krampachtig om de
beide ellebogen geslagen, het aangezicht was geheel verteerd;
alleen de oogen waren nog even schoon en ernstig, maar blikten nu
uitvorschend. Hij hoestte en spuwde zonder ophouden, en wilde niet
sterven--wilde niet gelooven, dat hij zou sterven. De pokdalige,
door hem losgekochte Maria stond met een doek om het hoofd bij hem en
paste hem op. Op zijn verlangen werd er een wonderdoend heiligenbeeld
bij hem gebracht. Ik herinner mij de uitdrukking van zijn gelaat,
toen hij tot dit beeld bad.
"In dien tijd was mijn gedrag afschuwelijk, monsterachtig. Uit
Petersburg, waar ik een wereldsch leven leidde, ijdel en roemzuchtig,
kwam ik bij mijn zieken broeder in Orel. Ik had medelijden met hem,
maar niet diep. In Orel maakte ik rechtsomkeert, ging heen... en
eenige dagen later stierf hij.
"Inderdaad schandelijk! Wat ik bij zijn' dood het meest betreurd heb,
was, dat deze mij verhinderde de tooneeluitvoeringen aan het Hof
bij te wonen, die toen georganiseerd werden en waar ik bij genoodigd
was...." [95]
Den eersten Maart werd de vrede gesloten, en deze gebeurtenis maakte
het voor Tolstoi gemakkelijker om verlof te krijgen.
Van zijne letterkundige geschriften voltooide hij dien winter _De
Sneeuwstorm_, _De twee Huzaren_, _Eene ontmoeting in het Detachement_
en _Een morgen van een' landheer_. Tolstoi moest zijne werken over
drie tijdschriften verdeelen; zoo zijn de eerste twee verhalen nog
in den _Sawremjennik_ gedrukt, het derde in _De Leesbibliotheek_,
en het vierde in de _Nationale Gedenkschriften_.
In dien tijd schreef Tolstoi onder andere aan zijne tante Tatjana:
"Ik heb mijn verhaal _De twee Huzaren_ voltooid, maar ben nog niet
aan een nieuw begonnen. Nu Toerghenjeff vertrokken is, gevoel ik dat
ik hem zeer mocht lijden, niettegenstaande dat wij altijd aan het
twisten waren. Zoodoende verveel ik mij verschrikkelijk...."
Uit dezen brief blijkt, dat Tolstoi's gezindheid jegens Toerghenjeff
aan gestadige veranderingen onderhevig was.
Het Petersburgsche leven schijnt Tolstoi niet voldaan te
hebben. Spoedig na zijne aankomst begon hij stappen te doen voor zijn
ontslag uit den dienst en aanstalten te maken tot eene buitenlandsche
reis.
In een' brief aan zijn' broeder Sergius van 25 Maart 1856 schrijft hij,
onder andere:
"Ik ga voor 8 maanden het land uit; als men mij ontslag geeft,
ga ik heen. Ik heb er Nikolaas over geschreven en hem verzocht
om mee te gaan. Indien wij met ons drieën konden gaan, zou dat
uitstekend wezen. Als elk 1000 roeb. meeneemt, zouden wij een mooi
reisje kunnen doen.--Schrijf mij eens, hoe is je mijn _Sneeuwstorm_
bevallen? In allen ernst, ik ben er niet over tevreden. Nu zou
ik nog wel meer willen schrijven, maar stellig nooit meer in dit
verwenschte Petersburg. Hetzij men mij al dan niet verlof geeft om
naar het buitenland te gaan, heb ik toch plan om in April ontslag te
vragen en buiten te gaan wonen."
Den 12den Mei, toen hij zich nog te Petersburg bevond, schreef hij
in zijn dagboek: