"Tusschen Toerghenjeff en Katkoff was een twist ontstaan, waarin

ook Tolstoi gemengd werd--zij het dan voor een deel door eigen

schuld. Toerghenjeff was eerst de vlijtige medewerker van Katkoff

geweest, en voor laatstgenoemde was het natuurlijk onaangenaam zulk

een uitstekenden schrijver te verliezen. Hij droeg zijn broeder op de

beide jonge auteurs dagelijks te bezoeken, en hun om bijdragen voor

zijn tijdschrift te vragen. Toerghenjeff, die eindelooze aanvragen

moede, beloofde op zekeren dag iets voor Katkoff te zullen meegeven,

doch kon deze belofte niet nakomen. Katkoff ontstak in hevige woede

en begon Toerghenjeff openlijk te beleedigen, zich beklagende, dat

Toerghenjeff eenmaal beloofd had aan zijn blad te zullen medewerken,

en bijgevolg niet het recht had om zijne pennevruchten uitsluitend

aan den _Sawremjennik_ te geven. Aan den anderen kant had hij, als

lid van de artél _Sawremjennik_, niet het recht te beloven, dat hij

voor Katkoff's tijdschrift zou werken. Zijn zachte, toegevende aard

had hem ditmaal een slechten dienst bewezen.

"Tolstoi nam het voor zijn' vriend op. Hij schreef Katkoff een langen

brief om Toerghenjeff te rechtvaardigen.--'De zachtmoedigheid van

Toerghenjeff, zijne minzaamheid,' schreef Tolstoi, 'hadden hem

bewogen aan twee kanten beloften te doen.' Hij verzocht Katkoff

dezen verweerbrief openbaar te maken. Katkoff stemde toe, maar onder

voorwaarde dat ook zijn antwoord zou worden gepubliceerd, en zond

Tolstoi het ontwerp van zijn' brief. De inhoud van dit antwoord was

echter van dien aard, dat Tolstoi er de voorkeur aan gaf zich aan de

inmenging te onttrekken." [83]

De artél van den _Sawremjennik_ hield niet lang stand en ging in eene

gewone tijdschrift-organisatie over.

Tolstoi heeft Belinski niet bij den _Sawremjennik_ ontmoet. Naar men

weet, was Belinski in 1848 gestorven, na zich voor de instandhouding

van het tijdschrift veel moeite te hebben gegeven. Zijn enthousiasme

had dit stervende blad met nieuw leven bezield en het bestaan er van

voor langen tijd verzekerd. Op Tolstoi is echter een rechtstreeksche

invloed van Belinski niet merkbaar geweest.

Eenerzijds lag de oorzaak hierin, dat zij menschen waren van

verschillende tijdperken. Belinski was in den waren zin des woords

een man uit den tijd van '40; en Tolstoi, die eerst in de jaren

na '50 de letterkundige loopbaan betrad, vond slechts volgers van

Belinski, die de aantrekkingskracht van hun' voorganger misten. Aan

den anderen kant was de sfeer, waarin Tolstoi was groot gebracht, niet

gunstig voor zijne aanraking met de letterkundige _onadellijken_,

gelijk zij zich zelven noemden. Hij hield zich bij den kring van

personen die hem meer in opvoeding nabij kwamen, en zelfs onder

dezen was hij altijd afgescheiden, onafhankelijk,--iemand die wel

de meeste tegenstanders influënceerde, doch weinig vatbaar was voor

invloed van buiten. Men kan ook eene veel diepere, eene principiëele

oorzaak aanwijzen. Ofschoon zich in de jaren na '50 bij Tolstoi nog

geen bepaalde wereldbeschouwing gevormd had, heeft de richting van

den _Sawremjennik_ hem toch nooit aangetrokken. Eindelijk hebben,

volgens Tolstoi's eigen bekentenis, genieën op het gebied der fraaie

letteren altijd meer invloed op zijn letterkundigen arbeid gehad,

dan genieën op het gebied der journalistiek.

Op wijsgeerig gebied ondervond hij in zijne jeugd den meesten invloed

van de zijde van Rousseau.

In een gesprek over de Fransche literatuur met den Parijschen

hoogleeraar Boyer, die hem in de lente van het jaar 1901 een bezoek

bracht, drukte Tolstoi zich over zijne beide leermeesters, Rousseau

en Stendhal, uit als volgt:

"Tegenover Rousseau is men onbillijk geweest; de grootheid van

zijne idee is niet erkend, en op alle mogelijke wijzen heeft men

hem belasterd. Ik heb den geheelen Rousseau gelezen: alle 20 deelen,

waaronder het _Woordenboek der Muziek_. Hij heeft mij in verrukking

gebracht--meer nog, ik heb hem vergood. Toen ik 15 jaar oud was, droeg

ik in stede van een kruis op de borst, een medaillon om den hals met

zijn portret. Vele bladzijden uit zijne werken staan zóó diep in mijne

ziel gegrift, dat het mij toeschijnt of ik ze zelf geschreven heb.

"Wat Stendhal betreft," ging Tolstoi voort, "van hem zal ik alleen

spreken, als van den schrijver van _La Chartreuse de Parme_ en

_Rouge et Noir_. Dit zijn twee groote, onnavolgbare voortbrengselen

der fraaie letteren. Aan Stendhal ben ik meer verschuldigd, dan aan

iemand anders. Hij heeft mij den oorlog leeren begrijpen. Lees eens in

_La Chartreuse de Parme_ het verhaal van den slag bij Waterloo! Wie

heeft, vóór hem, den oorlog zóó beschreven: namelijk zoo, als hij in

werkelijkheid is? Denk aan Fabricius, die over het slagveld rijdt, en

er _niets_ van begrijpt! Later heeft mijn broeder, die vóór mij in den

Kaukasus gediend heeft, mij de juistheid van Stendhal's beschrijvingen

bevestigd. Hij hield veel van den oorlog, maar behoorde niet tot hen,

die gelooven aan de brug van Arcola. 'Dit alles is fraaiigheid,'

zeide hij mij, 'maar in den oorlog bestaat geen fraaiigheid'. Spoedig

daarna viel het mij in de Krim gemakkelijk dit alles met eigen oogen

te zien. Doch ik herhaal u: al wat ik van den oorlog weet, heb ik te

voren reeds van Stendhal geleerd." [84]

Laat ons nog de titels van de letterkundige producten noemen, welke

in de reeds gedeeltelijk door ons opgenomen lijst voorkomen en op

het nu omschreven tijdvak betrekking hebben.

In het tijdvak van zijn 20ste tot zijn 25ste levensjaar hebben de

volgende geschriften den grootsten invloed op Tolstoi gehad:

Titels der geschriften. Graad van invloed.

Goethe, _Hermann und Dorothea_ Zeer groot.

V. Hugo, _Notre-Dame de Paris_ Zeer groot.

Tjoetscheff, _Gedichten_ Groot.

Koltzoff, _Gedichten_ Groot.

Fet, _Gedichten_ Groot.

Plato (Vertaling van Cousin). _Phaedo_ en

_Symposion_ Zeer groot.

_De Odyssea_ en _de Ilias_, in 't Russisch

gelezen Zeer groot.

Hierdoor krijgen wij een min of meer volledig beeld van Tolstoi's

letterkundige opvoeding.

In den kring der Petersburgsche letterkundigen bracht Tolstoi zijne

krachtige, aesthetische, aantrekkelijke natuur en zijn onbuigzaam,

vaak twistziek karakter mede, en verwekte een' storm in dat kalme,

bezadigde gezelschap.

Ziehier hoe Fet in zijne _Herinneringen_ Tolstoi's verschijnen in

Petersburg vertelt:

"Toerghenjefif stond zeer vroeg op en dronk (op zijn Petersburgsch)

zeer vroeg thee. In den korten tijd dat ik in de hoofdstad was, kwam

ik dagelijks tegen 10 uren bij hem, om in onzen vrijen tijd wat te

praten. Toen Zachar, Toerghenjeff's huisknecht, den tweeden dag de

deur der voorkamer voor mij opende, zag ik in een' hoek eene korte

sabel met het Sint-Anna-lint.

"'Wat is dat voor eene sabel?' vroeg ik, tegelijk naar de deur van

het salon gaande.

"'Wees zoo goed en kom hierheen,' fluisterde Zachar, terwijl hij

links naar de gang wees. 'Die korte sabel is van graaf Tolstoi, die

heden nacht in het salon is blijven slapen. Iwan Serghejewitsch zit

op het oogenblik in zijn kabinet thee te drinken.'

"In het uur dat ik bij Toerghenjeff doorbracht, spraken wij

fluisterend, uit vrees den graaf wakker te maken, die achter de

deur sliep.

"'Dat gaat maar steeds zoo door,' zeide Toerghenjeff glimlachend. 'Van

zijne batterij uit Sewastopol teruggekeerd, is hij bij mij afgestapt

en geheel uit den band gesprongen. Drinkgelagen, uitgaan, den geheelen

nacht kaarten, en dan tot twee uur des namiddags slapen. Eerst trachtte

ik hem daarvan terug te houden, maar nu heb ik het opgegeven.'

"Gedurende dit bezoek maakte ik ook met Tolstoi kennis, maar deze

kennismaking was geheel vormelijk, daar ik tot dien tijd nog geen

enkelen regel van hem gelezen en zelfs zijn' naam als letterkundige

nooit gehoord had, ofschoon Toerghenjeff over zijne verhalen uit

_Kinderjaren_ gesproken had. Maar van het eerste oogenblik af bespeurde

ik bij den jongen Tolstoi een onwillekeurig verzet tegen al wat op het

gebied der meeningen algemeen gebruikelijk is. In dien korten tijd zag

ik hem slechts een enkelen avond bij Njekrassoff, in onzen kring van

celibataire letterkundigen, en was ik hier getuige van een voorval,

waarbij Toerghenjeff, kokend en buiten adem door zijn dispuut, over

de schijnbaar ingetogen, maar des te bijtender uitdrukkingen van

Tolstoi haast wanhopig werd.

"'Ik kan niet erkennen,' zeide Tolstoi, 'dat ge overtuigd zijt van

hetgeen ge daar zegt. Als ik met een dolk of sabel aan de deur ga

staan en zeg: "Zoolang ik leef, komt hier niemand binnen!", dan is

dat mijne overtuiging. Maar gij tracht het wezen uwer ideeën tegenover

elkaar te verbergen, en noemt dat "overtuiging".'

"'Waarom komt ge dan bij ons?' sprak Toerghenjeff, ademloos en met

eene stem, die in een fijnen, valschen diskant overging (bij heftige

twisten was dit steeds het geval). 'Hier is uw vaandel niet. Ga naar

prinses B-i-b-i.'

"'Waarom mij hier te vragen, waar ik heen zal gaan! Ook de onnutte

gesprekken over mijn komen hier en daar zullen niet in overtuiging

veranderen!'

"Nu ik deze geenszins op zichzelf staande botsing tusschen Tolstoi en

Toerghenjeff, waarvan ik destijds getuige was, in herinnering breng,

kan ik niet nalaten te zeggen, dat, ofschoon ik begreep dat er hier

van politieke overtuiging sprake was, deze quaestie mij zoo weinig

interesseerde, dat ik niet trachtte dieper in den aard er van door

te dringen. Ik ga verder. Op gezag van allen, die ik in onzen kring

gehoord heb, vermoed ik dat Tolstoi gelijk had, en dat, indien personen

die zich door de tegenwoordige orde van zaken bezwaard gevoelen,

genoodzaakt werden hun ideaal uit te spreken, zij in de grootste

verlegenheid zouden verkeeren hoe hunne wenschen te formuleeren.

"Wie onzer kende destijds niet dien vroolijken metgezel, dien makker

in allerlei guitenstreken en meester in het vertellen van grappige

anecdoten: Dmitri Wasiljewitsch Grigorowitsch, zoo geroemd om zijne

verhalen en romans? Ziehier wat onder anderen deze Grigorowitsch

mij gezegd heeft van de botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff,

ten huize van Njekrassoff.

"'Waarde vriend', sprak hij, stikkend en met tranen in de oogen

van het lachen, terwijl hij over mijn schouder keek, 'gij kunt

u niet voorstellen, welke scènes hier al geweest zijn. Ach, mijn

hemel! Toerghenjeff krijscht, knijpt met de hand zijn keel toe en

fluistert met de oogen eener stervende gazelle: "Ik kan niet meer! Ik

heb bronchitis!" Vervolgens gaat hij met reusachtige stappen de drie

kamers op en neer loopen--"Bronchitis!" bromt Tolstoi onmiddellijk

daarop "bronchitis is eene denkbeeldige ziekte. Bronchitis stamt

af van brons, en brons is een metaal!"--Natuurlijk verkeert de

gastheer Njekrassoff in angst: hij vreest zoowel Toerghenjeff als

Tolstoi te moeten missen, in wien hij een kapitalen steun voor den

_Sawremjennik_ heeft ontdekt. Hij moet laveeren. Wij zijn allen in

opgewonden stemming en weten niet wat te zeggen. Tolstoi ligt met een

opgezet gelaat op een marokijnlederen sofa in de middelste kamer,

terwijl Toerghenjefif, met de panden van zijn korte jas op zijde

geslagen en de handen in de zakken, voortdurend de drie kamers op

en neer loopt. Om onheilen te voorkomen, ga ik naar de sofa en zeg:

"Beste vriend Tolstoi, wind u niet op! Ge weet niet hoezeer hij u

waardeert en hoe hij u lijden mag!"'

"'Ik kan niet dulden,' zegt Tolstoi met trillende neusvleugels, 'dat

hij mij ergert! Zie eens, hoe hij daar opzettelijk voor mij heen en

weer loopt en met zijne democratische heupen draait.'" [85]

De zoo even genoemde Grigorowitsch verhaalt in zijne _Letterkundige

Herinneringen_ van eene dergelijke episode uit den tijd van Tolstoi's

eerste kennismaking met de Petersburgsche letterkundigen.

"Bij mijn' terugkeer uit Marjinski, te Petersburg ontmoette ik graaf

Leo Tolstoi; mijne kennismaking met hem was echter reeds te Moskou

bij de Soeschkoff's begonnen, toen hij de militaire tenue droeg. Hij

woonde te Petersburg in de Officiers-straat, op de onderste étage van

een niet groot huis, juist tegenover de kamer van den letterkundige

M. L. Michaïloff. Hij scheen dezen niet te kennen.

"Van den eersten dag af had Petersburg niet alleen niets aantrekkelijks

voor hem, maar het geheele leven aldaar werkte merkbaar ontstemmend

op hem.

"Toen ik op den dag van mijn bezoek van hem vernam, dat hij dien middag

bij de redactie van den _Sawremjennik_ te eten was gevraagd, en dat hij

daar niemand van nabij kende, niettegenstaande hij reeds bijdragen aan

het blad geleverd had, besloot ik met hem mee te gaan. Onderweg achtte

ik het noodig hem te waarschuwen, dat hij daar enkele quaestiën niet

moest aanroeren en zich vooral onthouden van aanvallen op George Sand,

van wie hij (Tolstoi) zeer afkeerig was, terwijl destijds vele leden

der redactie integendeel met haar dweepten. Het middagmaal verliep in

goede orde; Tolstoi was tamelijk stil, doch op het eind hield hij zich

niet in. Toen hij een nieuwen roman van George Sand hoorde prijzen,

verklaarde hij beslist haar te haten, er bijvoegende dat de heldinnen

harer romans, zoo die in werkelijkheid bestonden, op den schandwagen

gebonden, en te pronk door de straten van Petersburg geleid moesten

worden. Reeds in die dagen vormde zich bij hem die eigenaardige meening

omtrent de de vrouwen en de vrouwen-quaestie, welke zich later op

zoo klare wijze in den roman _Anna Karjenina_ heeft uitgesproken.

"De scène bij de redactie heeft mogelijk zijne verbittering opgewekt

tegen al wat Petersburgsch was,--maar nog het meest zijne zucht tot

tegenspraak. Welke meening de persoon, tot wien hij sprak, ook uitte,

en hoe gezagvoller die persoon hem toescheen, des te heftiger prikkelde

hem dit om het tegenovergestelde te zeggen en over woorden te gaan

strijden. Zag men hoe hij luisterde, hoe doordringend hij den ander

uit de grijze, diep verborgen oogen aankeek, en hoe spottend zich

zijne lippen krulden, dan had men kunnen denken dat hij reeds vooraf,

zoo niet een rechtstreeksch antwoord, dan toch eene meening overdacht,

die door hare onverwachtheid moest overbluffen, en dadelijk uit het

veld slaan.

"Zoo kwam Tolstoi mij in zijne jongelingsjaren voor. In disputen ging

hij soms tot uitersten over. Eens bevond ik mij in eene aangrenzende

kamer, toen er tusschen hem en Toerghenjeff een twist ontstond. Daar ik

hoorde schreeuwen, ging ik naar de twistenden toe. Toerghenjeff stapte

van den eenen hoek naar den anderen, en vertoonde alle teekenen van de

hevigste opwinding; hij maakte van de open deur gebruik en verdween

onmiddellijk. Tolstoi lag op de sofa; maar ook zijne opwinding was

zoo groot, dat het niet weinig moeite kostte hem te kalmeeren en

naar huis te brengen. Het onderwerp van den twist is mij tot heden

onbekend gebleven." [86]

Tolstoi's geest van tegenspraak blijkt nog uit het volgende voorval,

dat in de herinneringen van G. P. Danilewski verhaald wordt.

"Ik heb met Tolstoi kennis gemaakt tegen het jaar 1860, in het

gezin van een bekenden beeldhouwer. De schrijver der Sewastopol'sche

verhalen was toen juist in Petersburg gekomen, en was een jong, flink

gebouwd artillerie-officier. Zijn zeer gelijkend portret uit dien

tijd komt voor in de bekende photographische groep van Lewitski,

waar hij tegelijk met Toerghenjeff, Gontscharoff, Grigorowitsch,

Ostrowski en Droezjinin wordt voorgesteld. Naar ik mij herinner,

kwam graaf Tolstoi toen juist het salon der gastvrouw binnen op het

oogenblik, dat een nieuw werk van Herzen [87] werd voorgelezen. Hij

ging stil achter den stoel van den lezer staan, wachtte tot deze

geëindigd had, en viel toen eerst zacht en ingetogen, maar vervolgens

zoo heftig en driest over Herzen uit, en over de algemeene geestdrift

die zijne werken destijds verwekten, sprak met zulk eene oprechtheid

en betoogkracht, dat ik in het vervolg geen werk van Herzen in dit

gezin meer heb aangetroffen." [88]

Wij weten, dat Tolstoi in lateren tijd omtrent Herzen van meening

veranderd is, en zullen te gelegener tijd daarvan spreken.

E. Garschin verhaalt in zijne _Herinneringen aan Toerghenjeff_

de volgende belangwekkende meening van dezen auteur over Tolstoi,

die ons reeds vroegtijdig het element van oneenigheid doet zien,

dat hunne verstandhouding bijna tot een noodlottig einde voerde.

"Bij Tolstoi," verhaalde Toerghenjeff, "openbaarde zich al vroeg de

trek, die later ten grondslag lag aan zijne geheele vrij duistere

levensbeschouwing, welke in de eerste plaats hemzelven heeft

gekweld. Hij geloofde nooit aan de oprechtheid der menschen. Elke

gemoedsbeweging scheen hem valsch, en hij had de gewoonte iemand met

zijne doordringenden blik als 't ware te doorboren, wanneer het hem

toescheen dat die persoon huichelde of onoprecht was. Toerghenjeff

zeide mij, dat hij nooit in zijn leven iets pijnlijkers gevoeld had

dan dien uitvorschenden blik, die, gevoegd bij twee of drie woorden

die een giftige opmerking inhielden, wel geschikt was om ieder mensch

met geringe zelfbeheersching tot razernij te brengen. Als voorwerp

van zijne onderzoekingen koos graaf Tolstoi onder anderen (en bijna

uitsluitend) zijn' vriend Toerghenjeff. De bekende zelfbeheersching

van dezen schrijver en zijne gelijkmoedigheid in dat levenstijdperk,

toen zijn letterkundige arbeid op schitterende wijze ontbloeide,

schonken Tolstoi geen rust; en het scheen wel of deze zich ten doel

stelde den kalmen, goedhartigen man, die met overtuiging zijn werk

ten uitvoer bracht, buiten zichzelven te brengen van drift. Maar

tevens was het ongelukkig, dat Tolstoi dit volstrekt niet geloofde,

en dat in zijn oog menschen die wij als goed beschouwen, het goede

huichelen of die eigenschap voorwenden: dat zij overtuiging veinzen

in het belang van quaestiën, waarin zij betrokken zijn.

"Toerghenjeff begreep duidelijk op welk standpunt Tolstoi zich

tegenover hem plaatste, doch wilde zijn karakter tot elken prijs

handhaven en zijne zelfbeheersching bewaren. Hij begon Tolstoi te

ontwijken, vertrok opzettelijk naar Moskou en vervolgens naar zijn

buitenverblijf; maar Tolstoi volgde hem op den voet, _evenals eene

verliefde vrouw_, gelijk Toerghenjeff zich uitdrukte, toen hij deze

geheele geschiedenis verhaalde." [89]

Uit al deze aanwijzingen over de wederzijdsche verhouding der

twee schrijvers kunnen wij zien, dat eene werkelijke geestelijke

verwantschap tusschen hen onmogelijk was. Maar de vloed van den

bevrijdingsstroom voerde beiden in dezelfde richting, en volgens hun

werk beschouwden zij zich als kameraden. Daarenboven werden zij door de

omstandigheid dat zij tot de hoogere, gepriviligeerde klasse behoorden,

door hunne opvoeding en het overwicht hunner talenten te midden van

hun' schrijverskring onwillekeurig en voor den uiterlijken vorm tot

elkander gebracht. Maar, zooals de lezers uit het volgende verhaal

zullen zien, niet zoodra poogden zij deze kameraadschappelijke grens

te overschrijden, of er ontstond eene botsing, die hunne carrière

somtijds in gevaar bracht. De waarheid eischt hier te vermelden, dat

zij tegen elkander en tegenover derden rond voor hunne uiteenloopende

karakters uitkwamen en--wat nog loffelijker is--dat zij zich veel

zedelijk geweld aandeden om, zij het geen vriendschappelijke, dan

toch goede betrekkingen te onderhouden, die op wederzijdsche achting

berustten. En in dit opzicht kunnen zij een leerzaam voorbeeld geven

aan latere geslachten.

Ziehier nog een verhaal van Golowatschewa Panajewa, die getuige was

van de eerste kennismaking van Toerghenjeff met Tolstoi, welk verhaal

de zooeven uitgesproken meening bevestigt:

"Ik moet eenige schreden in mijn verhaal teruggaan en spreken over

graaf Tolstoi's verschijning in den kring van den _Sawremjennik_. Hij

was toen nog officier en de eenige medewerker van genoemd blad,

die de uniform droeg. Zijn letterkundig talent was zoozeer aan

't licht gekomen, dat alle corypheeën der letterkunde hem als hun

gelijke moesten erkennen. De graaf behoorde overigens niet tot de

beschroomde lieden, maar was zich de macht van zijn talent bewust, en

gedroeg zich dus, gelijk mij toen bleek, zelfs met zekere vrijmoedige

ongedwongenheid.

"Wanneer de letterkundigen bij ons vergaderd waren, mengde ik mij

nooit in hunne gesprekken, maar luisterde zwijgend toe en sloeg

allen gade. Vooral interesseerde het mij Toerghenjeff en Tolstoi te

volgen, als dezen elkander ontmoetten, disputeerden of wederzijdsche

opmerkingen maakten, daar beide mannen zeer schrander en gevat waren.

"Tolstoi's meening over Toerghenjeff heb ik nooit gehoord, en in 't

algemeen sprak hij over geen enkelen letterkundige zijne meening uit,

vooral niet wanneer ik er bij was. Daarentegen had Toerghenjeff er

behoefte aan over elk zijne opmerkingen te zeggen.

"Niet zoodra had Toerghenjeff met Tolstoi kennis gemaakt, of hij

zeide van hem:

"'Geen enkel woord, geen enkele beweging is natuurlijk bij hem. Hij

poseert zich altijd voor ons; en ik kan maar niet verklaren, hoe

een schrander man, als hij, zoo dom trotsch kan zijn op een mager

graafschap.'

"'Ik heb dit bij Tolstoi niet opgemerkt,' zeide Panajeff.

"'Nu, dan merk je niet veel op,' antwoordde Toerghenjeff,

"Eenigen tijd later vond Toerghenjeff dat Tolstoi zich eenigszins op

zijn Don Juan'schap liet voorstaan. Tolstoi had namelijk op zekeren dag

eenige interessante voorvallen uit zijn krijgsmansleven verhaald. Toen

Toerghenjeff die gehoord had, zeide hij:

"'Al kookt men een Russischen officier drie dagen in de wasch, toch

kookt men er den jonkers-overmoed niet uit, en met welk vernis van

beschaving zulk personage ook gepolitoerd wordt, toch schemert zijne

brutaliteit er doorheen.'

"En Toerghenjeff begon elken volzin van Tolstoi, den toon zijner

stem, de uitdrukking van zijn gezicht te critiseeren, en eindigde

met de woorden:

"'Geloof mij, dit alles is brutaliteit, en spruit slechts voort uit

den wensch om eene onderscheiding te krijgen.'

"'Wil ik je eens wat zeggen, Toerghenjeff,' merkte Panajeff op. 'Indien

ik je niet zoo goed kende, zou ik bij het hooren van al je uitvallen

over Tolstoi denken, dat je hem benijdt.'

"'Waarom zou ik hem kunnen benijden? Zeg eens, waarom?' riep

Toerghenjeff uit.

"'Inderdaad, eigenlijk om niets, want jouw talent evenaart het

zijne... maar toch kan men denken...'

"Toerghenjeff begon te lachen en sprak met zeker medelijden in

zijn stem:

"'Panajeff, je bent een goed opmerker bij het kaartspel, doch ik

raad je geen opmerkingen te willen maken over dingen, die buiten dat

gebied staan.'

"Panajeff voelde zich gekrenkt.

"'Ik heb je die opmerking gemaakt in je eigen belang,' zeide hij en

ging heen.

"Toerghenjeff's opgewondenheid duurde voort, en wrevelig zeide hij:

"'Alleen in het brein van iemand als Panajeff kan het ongerijmde

denkbeeld opkomen, dat ik Tolstoi kan benijden. Misschien om zijn

graafschap?'

"Al dien tijd had Njekrassoff weinig gezegd, omdat eene keelziekte

hem geheel terneer drukte. Alleen merkte hij tegen Toerghenjeff op:

"'Denk eens goed na over hetgeen je Panajeff hebt believen te

zeggen. Eigenlijk zou men jou van zulk eene ongerijmdheid kunnen

beschuldigen.'" [90]

Als eerlijk, waarheidlievend man, heeft Toerghenjeff zijn' eerbied

voor Tolstoi's talent meermalen in 't openbaar betuigd, en in een

gesprek met een Franschen uitgever bezigde hij zelfs de uitdrukking

van Johannes den Dooper, die tot Christus zeide: "Ik ben niet waardig

Uwe schoenriemen te binden." Niettemin is hunne verhouding nooit

hartelijk of intiem geweest.

Alleen toen hij, op zijn sterfbed liggend, [91] in zijn laatsten

brief graaf Tolstoi met aandoening en warmte verzocht om tot den

letterkundigen arbeid terug te keeren, gaf hij hem een naam, die nog

geen enkel Russisch schrijver hem had toegevoegd: den naam van _een

groot Russisch schrijver_. En die beroemde naam zal voortleven tot

in het verre nageslacht!

Om den lezer een denkbeeld te geven van de verstandhouding, die

tusschen Tolstoi en Toerghenjeff in de eerste dagen hunner kennismaking

bestaan heeft, zullen wij in ons verhaal wat vooruit moeten loopen en

enkele brieven citeeren, welke Toerghenjeff in dat jaar aan Tolstoi

geschreven heeft.

"Aan N. L. Tolstoi. Parijs, 16 November 1856.

"Amice Tolstoi!

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 17 / 32 段