voortreffelijk mensch, bij de batterij; ik begon meer op mijn
verhaal te komen, toen onze batterij op 1 April, te midden van
het bombardement, naar Sewastopol vertrok, waar ik geheel op dreef
kwam. Het is waar, dat ik hier in ernstig gevaar verkeerde--want om
de 4 dagen had ik achtmaal wachtdienst bij de batterij van het 4de
bastion--maar het was hier tot 15 Mei prachtig lenteweder. Overvloed
van menschen en indrukken, alle gemakken des levens en een gezellig
clubje kameraden _comme il faut_--dat alles was oorzaak, dat die
anderhalve maand een mijner aangenaamste herinneringen zal blijven.
"Den 15den Mei viel het Gortschakoff of den commandant der artillerie
in, mij met de vorming en het commando over eene berg-compagnie aan
den Belbek te belasten, welke op 20 werst van Sewastopol gelegen
is. Tot nu toe ben ik in vele opzichten daarover zeer tevreden
geweest. Ziehier de algemeene beschrijving; in een volgenden brief
zal ik meer bijzonderheden over het tegenwoordige schrijven."
Wij kunnen aan deze korte beschrijving toevoegen, dat de schertsende
toon van den brief niet in overeenstemming is met de ideeën en
gevoelens, welke Tolstoi destijds vervulden.
In zijn dagboek, dato 5 Maart 1855, staat de volgende profetie over
zichzelf geschreven:
"Een gesprek over de Godheid en het geloof heeft mij op een
groot, machtig denkbeeld gebracht, en ik voel mij in staat aan de
verwezenlijking daarvan mijn leven te wijden. Dit denkbeeld is de
grondlegging van een nieuwen godsdienst, in overeenstemming met de
ontwikkeling van het menschdom: den godsdienst van Christus, maar
gezuiverd van dogma en mysticisme: een praktischen godsdienst, die geen
gelukzaligheid belooft in de toekomst, maar gelukzaligheid geeft op
aarde. Ik zie wel in, dat dit denkbeeld alleen ten uitvoer kan worden
gebracht door geslachten, die bewust aan dit doel arbeiden. Het eene
geslacht zal het aan het volgende vermaken, en den een of anderen tijd
zal fantasie of gezond verstand het ten uitvoer brengen. _Bewust_
handelen in samenwerking met lieden van godsdienst--ziedaar de
grondslag van de gedachte, die mij, hoop ik, zal blijven medesleepen."
Het is wel duidelijk, dat een man, die 50 jaar geleden deze regelen
neerschreef en sedert met zulk eene kracht en volharding den grond
is blijven leggen om dit denkbeeld te verwezenlijken,--dat zulk een
man niet bij de artillerie thuis behoort.
Hij had daarvan een vaag besef, en in zijne gedenkschriften duikt
van tijd tot tijd het bewustzijn op, dat hij niet geschapen is voor
de militaire loopbaan, maar voor de letterkunde.
Hij heeft dan ook al dien tijd zijn letterkundigen arbeid niet
laten varen.
Reeds op weg van Roemenië naar Sewastopol voltooide hij: _Het
houthakken_. Later, in Sewastopol, begon hij aan _Jongelingsjaren_
en schreef hij de _Verhalen van Sewastopol_.
Van 11 tot 14 April was hij op het 4de bastion. Het besef van gevaar
voerde zijne ziel omhoog, en hij wendde zich tot God met dit gebed:
"God, ik dank U voor Uwe voortdurende bescherming. Hoe juist leidt Gij
mij naar het goede. En welk een nietig schepsel zou ik zijn, indien
Gij mij verliet. Verlaat mij niet, o God; geef mij Uw' zegen op mijn'
weg, en bevredig mijne nietige wenschen niet, opdat ik bereike het
eeuwige en grootsche, onbekende, maar mij toch bewuste levensdoel."
Den 4den Augustus 1855 nam Tolstoi, schoon indirect, deel aan den
slag bij de Tschernaja. Hij haastte zich zijne bloedverwanten gerust
te stellen, en in een' brief aan zijn' broeder van 7 Augustus 1855
schreef hij, onder andere:
"Ik schrijf je eenige regels, om je omtrent mij gerust te stellen
naar aanleiding van den slag van den 4den, waarin ik ongedeerd ben
gebleven; ik heb trouwens niets gedaan, omdat mijn berggeschut niet
behoefde te vuren."
Zooals blijkt uit eene briefwisseling tusschen Tolstoi en Njekrassoff
volgde de graaf tegelijk den loop der Russische letterkunde, en
steunde hij ijverig de redactie van den _Sawremjennik_, waarvoor
hij te Sewastopol een clubje medewerkers had gevonden. Hij schrijft
Njekrassoff het volgende:
"Waarde heer Nikolaas Alexejewitsch!
"Gij zult mijne belofte voor een stuk: _Sewastopol in December_
en een artikel van Stolipin wel reeds ontvangen hebben. Hier zijn
zij. Ondanks de overhaaste, slordige spelling van dit manuscript, moet
gij uw best doen het te corrigeeren, zal het zonder doorhalingen van
de censuur, welke de schrijver met alle macht heeft pogen te vermijden,
gedrukt worden. Gij zult het wel met mij eens zijn, hoop ik, dat zulke
verhandelingen over krijgszaken in ons land, helaas, maar zelden of
nooit gedrukt worden. Misschien wordt met denzelfden koerier eene
bijdrage van Sacken verzonden, waarvan ik niets zeg, en die gij,
hoop ik, ook zult drukken. De verbeteringen in Stolipin's artikel
zijn door Chroeljeff met zwarten inkt en met de linkerhand gedaan,
omdat zijne rechter gewond is. Stolipin verzoekt die in noten onder
of naast den tekst te plaatsen. Wees zoo goed om zoowel mijn als
Stolipin's artikel, indien het kan, in de Juni-aflevering te zetten.
"Nu hebben wij ons allen aaneengesloten, en begint de letterkundige
vereeniging van het mislukte tijdschrift zich te organiseeren. Zooals
ik u schreef, zult gij maandelijks 2, 3 of 4 bijdragen van actueelen
inhoud over den oorlog van mij ontvangen. De twee beste medewerkers,
Bakoenin en Rostoftseff, zijn nog niet met hunne opstellen gereed.
"Wees zoo goed mij te antwoorden en in 't algemeen uwe brieven mee
te geven aan dezen koerier, adjudant van Gortschakoff, of aan de
volgenden, die voortdurend tusschen u en hier heen en weer rennen."
Den 15en Juni ontving hij te Bachtschisarai een' brief van Panajeff en
de aflevering van den _Sawremjennik_, waarin het verhaal _Sewastopol
in December_ gedrukt stond. Uit den brief vernam hij, dat Keizer
Alexander II zijn verhaal gelezen had.
Blijkbaar had dit verhaal grooten indruk op den Keizer gemaakt,
daar hij last gaf het in 't Fransch te vertalen. In Juni voltooide
Tolstoi _Het houthakken_, dat hij naar den _Sawremjennik_ stuurde,
en in Juli een nieuw verhaal, _Sewastopol in Mei_, dat eveneens naar
de redactie werd gezonden.
Met dit verhaal had het volgende plaats, zooals Panajeff in zijn'
brief aan Tolstoi dezen mededeelt.
"In mijn' brief aan u, welke u door tusschenkomst van Stolipin gewerd,
schreef ik u, dat uwe bijdrage met onbeteekenende veranderingen door
de Censuur was doorgelaten, en verzocht ik u mij niet kwalijk te
nemen, dat aan het slot eenige woorden moesten worden toegevoegd,
ter verzachting van de uitdrukking.... Het opstel _Een nacht in
Sewastopol_ [79] was reeds in 3000 exemplaren geheel gedrukt, toen de
Censuur het eensklaps van de drukkerij opvroeg en de uitgaaf van het
nummer tegenhield. Dientengevolge verscheen de Augustus-aflevering
in Petersburg eerst op 16 Augustus. Tijdens mijne afwezigheid uit
Petersburg (ik was voor eenige dagen op reis naar Moskou) bood zij
het toen ter lezing aan den president van het censuur-comité, den u
uit Kazan bekenden Poeschkin. Indien gij Poeschkin kent, kunt gij u
gedeeltelijk voorstellen, wat toen volgde. Hij werd woedend, viel de
Censuur aan en toen mij, dat ik zulke opstellen aan de Censuur aanbood,
en maakte het eigenhandig over. Inmiddels keerde ik naar Petersburg
terug, zag die verandering en schrok. Ik had de verhandeling in 't
geheel niet willen drukken, maar Poeschkin legde mij de zaak uit,
zeggende dat ik _verplicht_ was haar te drukken zooals zij was
overgemaakt. Er was niets aan te doen, en uwe verminkte bijdrage
verschijnt nu in de September-aflevering, doch zonder de letters
L. N. T., die ik er later niet meer onder zag. Toch was het opstel
zóó goed, dat ik het, zelfs na de totale omwerking door de Censuur,
aan Miljoekoff, Krasnokoetski en anderen ter lezing heb gegeven. Het
bevalt iedereen, en Miljoekoff schreef mij, dat het jammer zou zijn
indien ik den lezers dit opstel onthield en het (zelfs in dezen vorm)
niet liet drukken.
"Wijt het in elk geval niet aan mij, dat uwe verhandeling in dezen
vorm gedrukt is. Ik werd genoodzaakt het te doen. Indien God wil
dat wij elkander eens ontmoeten (wat ik zeer wensch), zal ik u deze
geschiedenis nader verklaren. Nu slechts een paar woorden over
den indruk, dien uw verhaal _(Een nacht in Sewastopol)_ in zijn
oorspronkelijken vorm op ons te weeg brengt, en in 't algemeen op
ieder, dien ik het voorlees.... Van censuur is hier geen sprake.
"Ieder vindt dit verhaal krachtiger dan het eerste, zoowel in toon
en diepte van onderzoek der gemoedsbewegingen en aandoeningen bij
menschen, die steeds den dood voor oogen hebben,--als in de juistheid,
waarmee de typen van officieren zijn weergegeven, hun omgang met de
aristokraten en hunne verhouding onderling; in één woord: alles is
voortreffelijk en meesterlijk geschetst. Maar het geheel is zóózeer
met bitterheid vervuld, alles is zóó scherp en giftig, wreed en
troosteloos, dat de indruk op heden, nu de plaats der handeling
van het verhaal bijna een heiligdom is, pijnlijk is voor menschen,
die er ver van af zijn; het verhaal zou zelfs een zeer onaangenamen
indruk kunnen maken.
"_Het houthakken_, met een opdracht aan Toerghenjeff, verschijnt
ook in September. Tusschen twee haakjes: Toerghenjeff verzoekt mij
dringend u zeer voor de herinnering aan en de attentie jegens hem te
bedanken.... Ook in dit verhaal, dat drie censuren ondergaan heeft:
1º. in den Kaukasus (censor de staatssecretaris Boetkoff), 2º. de
militaire (generaal-majoor Stephen), en 3º. onze burgerlijke (mijne
censuur en die van Poeschkin)--zijn helaas de typen van officieren
en meer andere dingen geschrapt."
In September schreef Njekrassoff aan Tolstoi:
"St.-Petersburg.
"Waarde heer Tolstoi!
"Half Augustus kwam ik te Petersburg, onder voor den _Sawremjennik_
zeer ongunstige omstandigheden. De ergerlijke wijze, waarop uwe
bijdrage verminkt is geworden, [80] heeft mijn bloed in opstand
gebracht. Tot heden kan ik er niet zonder ergernis en woede aan
denken. Toch is uw werk niet geheel verloren, en zal het steeds
getuigen van eene kracht, die hare vatbaarheid voor zulke diepe en
nuchtere waarheid heeft behouden, onder omstandigheden waarin menigeen
haar zou verliezen. Ik zal niet zeggen hoe hoog ik deze verhandeling
stel, en wat de algemeene richting is van uw talent, maar alleen
waarin dit nieuw en krachtig is. En juist dit is het, wat de Russische
samenleving tegenwoordig behoeft: waarheid, de waarheid, waarvan sedert
Gogol's dood zoo weinig in de Russische literatuur is overgebleven.
"Deze waarheid in den vorm, waarin gij haar in onze letterkunde
inleidt, is bij ons iets geheel nieuws. Ik ken tegenwoordig geen
auteur, die zooveel liefde en warme sympathie afdwingt als degeen aan
wien ik schrijf. Alleen vrees ik, dat de tijd en de afschuwelijke
werkelijkheid, de doove en stomme omgeving met u hetzelfde zullen
doen, als met de meesten onzer: dat zij uwe energie zullen dooden,
die geen schrijver kan missen, althans geen schrijver zooals Rusland
thans behoeft.
"Gij zijt jong; er zullen eenige veranderingen komen, die--willen
wij hopen--goed zullen eindigen; en mogelijk ligt eene schitterende
loopbaan vóór u. Uw begin is van dien aard, dat gij de voorzichtigste
lieden noopt zich in hunne verwachtingen zeer ver te laten meesleepen.
"Doch ik dwaal van het doel van mijn schrijven af. Ik zal u niet
troosten met de verzekering, dat velen ook de gedrukte fragmenten
uwer verhandeling uitstekend vinden; voor lieden, die haar in den
tegenwoordigen vorm kennen, is zij niet meer dan eene verzameling
woorden zonder zin en innerlijke beteekenis. Maar, er is niets aan
te doen. Ik zeg alleen, dat het opstel niet gedrukt zou zijn, indien
dit niet noodzakelijk was geweest. Uw naam staat er echter niet onder.
"_Het houthakken_ liep vlot van stapel, ofschoon ook hieruit eenige
kostbare regels zijn weggevallen. Mijne meening over dit onderwerp is
deze: wat vorm betreft, doet het denken aan Toerghenjeff, doch daarmee
houdt ook de vergelijking op; al het overige behoort u, en zou door
niemand geschreven kunnen zijn, behalve door u. In deze schets staan
eene menigte wonderlijk juiste opmerkingen, en het geheel is nieuw,
interessant en waar. Versmaad dergelijke schetsen niet; van den
soldaat heeft onze literatuur tot heden niet anders dan platheden
gezegd. Ge zijt eerst aan het begin, en onverschillig in welken vorm
gij datgene bekend maakt, wat ge van dit onderwerp weet,--alles zal
ten hoogste interessant en nuttig zijn.
"Panajeff heeft mij uw' brief ter hand gesteld, waarin gij ons de
spoedige toezending van _Jongelingsjaren_ belooft. Wees zoo goed het
te zenden. Afgescheiden van het tijdschrift, stel ik persoonlijk
belang in de voortzetting van uw' eersten arbeid. Wij zullen
voor _Jongelingsjaren_ eene plaats reserveeren in de 10de of 11de
aflevering, naar gelang van den tijd dat het ontvangen wordt.
"Het geld zal u dezer dagen gezonden worden. Des winters woon ik te
Petersburg, en het zal mij aangenaam zijn, zoo u mij bij gelegenheid
eenige regelen wilt schrijven.
"Ontvang de verzekering van mijne oprechte hoogachting.
"N. Njekrassoff."
Zooals van zelf spreekt, bracht Tolstoi zijn' tijd niet in hoofdzaak
met letterkundige bezigheden door. Hij leidde het gewone leven van
een' officier en was, volgens getuigenis zijner tijdgenooten en
wapenbroeders, een goed kameraad.
In de gedenkschriften van Nazarjeff komt een verhaal voor van een
van Tolstoi's vroegere makkers, die met zichtbaar welgevallen aan
hem en aan den tijd terugdenkt, dien zij bij dezelfde batterij
hadden doorgebracht. Hij had zich zelfs in een der helden uit de
Sewastopol'sche verhalen herkend.
"Zoo bezielde Tolstoi," verhaalt de grijsaard met een vergenoegden
glimlach, "in de moeilijke tijden van het krijgsmansleven allen en
ieder door zijne vertellingen en in haast saamgestelde verzen. Hij was
in den vollen zin des woords de ziel der batterij. Zoolang Tolstoi bij
ons was, vloog de tijd voorbij en was er geen einde aan de algemeene
vroolijkheid; doch nauwelijks was de graaf weg en naar Simferopol
gegaan, of allen lieten het hoofd hangen. Zoo verliepen er een dag of
twee, drie.... Eindelijk kwam hij terug.... precies als de verloren
zoon: droefgeestig, vermagerd, misnoegd op zichzelf.... Hij nam mij
terzijde, en begon kort daarna te biechten. Alles vertelde hij:
zijn dolle uitgaan, zijn spelen, waar hij zijne dagen en nachten
had doorgebracht, en--men zal het nauwelijks gelooven--daarbij had
hij berouw en pijnigde hij zich als een werkelijk zondaar. Het was
zelfs treurig hem aan te zien--zoo gebroken was hij. Was hij dezelfde
man van vroeger? In één woord: het was zonderling en voor mij totaal
onbegrijpelijk. Aan den anderen kant was hij een zeldzaam kameraad, een
zeer oprechte ziel; en het zou mij onmogelijk zijn hem te vergeten."
Tolstoi's gedrag als een dapper officier, en zijne relatiën met
de hoogere kringen hadden hem eene voorspoedige militaire loopbaan
kunnen verzekeren. Daartoe werkte ook mede het in druk verschijnen van
zijne _Sewastopol'sche schetsen_, welke de aandacht trokken van Keizer
Nikolaas en Keizerin Alexandra Fedorowna. Men zegt, dat laatstgenoemde
schreide, toen zij het eerste verhaal las. Maar diezelfde letterkundige
gave heeft ook dien voorspoed belemmerd; want de _Sewastopol'sche
liederen_ waren een hinderpaal voor eene schitterende carrière.
Een dergenen, die aan de samenstelling van deze liederen hadden
deelgenomen, deelt, als persoonlijke getuige, het volgende mede.
Gedurende den Krim-oorlog vereenigden zich dikwijls, ja bijna alle
avonden, de leden van den staf der artillerie en eenige andere
officieren bij het hoofd van dien staf, Krizjanowski.
Gewoonlijk ging luitenant-kolonel Baljoezek voor de piano zitten;
de andere stonden er in een kring omheen, en men improviseerde
liederen. Elk droeg zijn woord en gedachte bij; ook graaf Tolstoi,
maar niet altijd. Daarom kan gezegd worden, dat deze improvisatiën
een algemeen karakter droegen, hetwelk de stemming der militaire
clubs weergaf.
Als men aan de omstandigheden denkt, waaronder deze liedjes gemaakt
werden: al die verschrikkingen van den dood, het kermen der gewonden,
die stroomen bloed, de branden en moorden, waarvan de dampkring te
Sewastopol als bezwangerd was--dan moet men zich over die geestkracht
verwonderen, welke ruimte liet voor gemoedelijke grappen over
supérieuren, onder het voortdurende gevaar van dood of verwonding!
Intusschen verwierf Tolstoi in den kring der Petersburger
letterkundigen meer en meer bekendheid. Een' zijner scherpste critici,
Toerghenjeff, had hij overwonnen. De lezers zullen zich uit een
vorig hoofdstuk mevrouw Golowatschewa Panajewa herinneren, en hoe
Toerghenjeff Panajeff om zijne geestdrift wat voor den gek hield.
In het jaar 1854 schrijft hij o.a. uit Spasskoje aan E. Ja. Kolbasin,
een der medewerkers van den _Sawremjennik_:
"Zeer verheugd ben ik over het succes van _Jongensjaren_. God geve,
dat Tolstoi in leven blijve, want, naar ik hoop, zal hij ons allen
nog verbazen; hij is een genie van den eersten rang. Ik heb hier
met zijne zuster kennis gemaakt, eene zeer lieve, sympathieke vrouw,
die ook met een' graaf Tolstoi gehuwd is." [81]
Reeds bij het verschijnen der Sewastopol'sche verhalen geraakte
Toerghenjeff in verrukking, en in een' brief aan Panajeff uit hij
die op de volgende wijze:
"Tolstoi's bijdrage over Sewastopol is een wonder! Bij het lezen er
van werd ik tot schreiens toe bewogen, en riep ik: hoera! Ik ben zeer
geneigd hem mijn nieuw verhaal op te dragen. De aankondiging over den
_Sawremjennik_ heb ik in de _Moskousche Courant_ gelezen. De hemel
geve, dat gij uwe beloften kunt houden, namelijk, dat de bijdragen
worden toegelaten, dat Tolstoi niet gedood worde, enz. Dit zal voor u
eene heele steun zijn. Tolstoi's opstellen hebben hier een algemeenen
bijval verworven....
"Spasskoje, 10 Juni 1855."
In 't algemeen stond Tolstoi reeds na het verschijnen der
Sewastopol'sche verhalen op de hoogte der schrijvers van den eersten
rang. Eene belangwekkende uitspraak van Pissemski over deze verhalen
wordt door A. F. Koni in de levensbeschrijving van I. F. Gorboenoff
aangehaald:
"Omstreeks dien tijd," zegt hij "sprak Pissemski, die toen dat
belangrijke werk _Duizend zielen_ had geschreven, met Gorboenoff
over _een in zijn opkomst zijnden grooten Russischen schrijver_,
naar aanleiding der _Sewastopol'-sche verhalen_, waarvan hij juist
eenige fragmenten had hooren voordragen. _Dit officiertje zal ons
allen verdringen, zooals men eene pen wegwerpt...._"
Na de overgave van Sewastopol werd Tolstoi als koerier naar Petersburg
gezonden.
Vóór zijn vertrek uit Sewastopol moest Tolstoi zijne literaire
krachten wijden aan de samenstelling van een rapport over den laatsten
veldslag. In zijne bijdrage _Eenige woorden naar aanleiding van Oorlog
en Vrede_, maakte de schrijver van dit rapport aldus melding:
"Na het verlies van Sewastopol zond de artillerie-commandant
Krizjanowski mij de rapporten der artillerie-officieren van alle
bastions, en verzocht mij uit al die meer dan 20 rapporten, er
één samen te stellen. Het spijt mij, dat ik die rapporten niet
overgeschreven heb. Zij waren het beste voorbeeld van die naïeve,
onvermijdelijke krijgsleugens, waaruit zulke beschrijvingen worden
saamgesteld. Ik veronderstel, dat vele mijner kameraden, die toen
deze rapporten hebben opgemaakt, bij het lezen van deze regelen zullen
lachen bij de herinnering, dat zij op last van superieuren over dingen
schreven, welke zij niet weten konden."
Zoolang Tolstoi in krijgsdienst was, leidde zijn liefde voor de
rechtvaardigheid menigmaal tot botsingen met zijne superieuren en
wapenbroeders.
Volgens de toenmalige gewoonte mochten de sectie-commandanten,
en daaronder ook de batterij-commandant, bij het ontvangen van de
rijksgelden voor het onderhoud der batterij al wat zij bespaarden voor
zich behouden. Dit vormde voor de meeste commandanten vrij aardige
inkomsten, maar leidde natuurlijk tot vele misbruiken.
Als Tolstoi bij het opmaken der rekeningen een overschot in geld
ontdekte, boekte hij dit op de ontvangst, d.w.z. hij weigerde
het. Natuurlijk wekte deze handelwijze het misnoegen der andere
commandanten. Generaal Krizjanowski liet hem roepen en gaf hem daarover
eene berisping.
Dit laatste bericht ons N. A. Kriloff, die in 1856 bij de batterij
was overgeplaatst, welke Tolstoi kort te voren verlaten had, in zijn
_Gedenkschriften:_
"Bij de brigade had hij de herinnering achtergelaten van een goed
ruiter, een opgeruimd man en van een athleet. Zoo ging hij b.v. op den
grond liggen, liet een' man van ruim 80 kilo op zijn handen staan,
strekte deze uit, en hief den man omhoog. Op den stok was niemand
tegen hem opgewassen. Ook heeft hij vele anecdoten achtergelaten, die
hij meesterlijk vertelde.... Men heeft den graaf er van beschuldigd,
dat hij den officieren voorpredikte om, als een officierspaard niet
had opgegeten wat er volgens de lijst voor uitgetrokken was, zelfs
dan de overgeschoten fourage-gelden weer in de kas te storten."
In Petersburg wachtte Tolstoi een geheel ander leven, waaraan hij
zich dan ook met al de jeugdige veerkracht die hem eigen was, wijdde.
NEGENDE HOOFDSTUK.
ST.-PETERSBURG.
Als koerier naar Petersburg gezonden, werd Tolstoi bij eene
veldbatterij geplaatst, onder bevel van generaal Konstantinoff,
en keerde niet weer naar het leger terug.
Bij zijne aankomst te Petersburg op 21 November 1855 bezocht hij
onmiddellijk den letterkundigen kring van den _Sawremjennik_ en werd
hier met open armen ontvangen.
Tolstoi doet ons een verhaal van dien tijd in zijne _Biecht_ dat
aldus luidt:
"Destijds begon ik te schrijven uit ijdelheid, eigenbelang en
trots. In mijne geschriften deed ik hetzelfde, als in het leven. Om
naam en geld te krijgen, ter wille waarvan ik schreef, moest ik het
goede bemantelen en het kwade bekend maken; en dat hèb ik gedaan. Hoe
dikwijls heb ik op listige wijze, in den vorm van onverschilligheid
en zelfs van lichte spotzucht, in mijne geschriften die neigingen
tot het goede verborgen, welke den zin mijns levens vormden. En dit
heb ik bereikt: men heeft mij geprezen.
"Op den leeftijd van 27 jaren kwam ik, na afloop van den oorlog,
te Petersburg met schrijvers tezamen. Men ontving mij als een der
hunnen en vleide mij."
Natuurlijk werd Tolstoi, 20 jaren na het schrijven van deze regelen,
door andere gevoelens bestormd; maar de kiemen van het scepticisme,
van dit wreede, onmeedoogende zelfonderzoek hebben zich reeds _toen_
geopenbaard en zijne collega's verbaasd.
De _Sawremjennik_ was een tijdschrift, opgericht door A. N. Poeschkin
en Pletnjeff. Het eerste nummer er van verscheen in 1836; na
Poeschkin's dood zette Pletnjeff, van 1838 tot 1846, de uitgaaf
voort; maar hierna zweeg het blad geheel. In 1847 werd het recht
van uitgaaf verkregen door I. I. Panajeff en N. A. Njekrassoff, die,
in vereeniging met den bekenden criticus Belinski, weldra de beste
litteraire krachten tot medewerking aan het blad wisten te bewegen;
en tot het jaar 1866, toen het op last der autoriteiten geschorst
werd, is het blad het vooruitstrevende hoofdorgaan geweest op het
gebied van fraaie letteren en kritiek.
Bij Tolstoi's komst te Petersburg bestond de meer intieme kring
van den _Sawremjennik_ uit letterkundigen, die in de twee in dit
werk voorkomende groepen worden voorgesteld, te weten: Panajeff,
Njekrassoff, Toerghenjeff, Tolstoi, Droezjinin, Ostrowski,
Gontscharoff, Grigorowitsch en Sollogoeb. Van hen die niet in deze
groepen figureeren, kunnen genoemd worden: W. P. Botkin, Fet en
anderen.
De hoofdmedewerkers van den _Sawremjennik_ waren, wat de deelneming
aan het tijdschrift en de verdeeling van het honorarium betrof, door
zekere _artél_-verplichtingen [82] gebonden. Dikwijls bezwaarden
die verplichtingen de deelnemers en waren dan oorzaak van allerlei
onaangename conflicten in den letterkundigen kring. Uitgevers en
redacteuren van andere tijdschriften vroegen vermaarde schrijvers
om letterkundige bijdragen, waardoor de administratie van den
_Sawremjennik_ zich gekrenkt voelde, en wederkeerig. De Duitsche
schrijver Löwenfeld deelt van een dezer conflicten het volgende mede: