"Men moet hem zien, die ietwat belachelijke figuur, met zijn hooge

gestalte, de handen op den rug, de pet naar achteren, een' bril

op den neus en met een toon van spreken als van een kalkoenschen

haan! Het is hem aan te zien, dat de algemeene loop van zaken hem

zoozeer bezig houdt, dat kogels en bommen voor hem niet meer bestaan;

hij stelt zich zoo gewoon aan het gevaar bloot, dat men zou zeggen

dat hij er geen begrip van heeft, en dat men onwillekeurig meer voor

hem bevreesd is, dan voor zichzelf. En hoe helder en juist geeft hij

daarbij zijne bevelen, terwijl hij altijd minzaam is tegen elk! Hij

is een groot man, dat wil zeggen een bekwaam en eerlijk man, zooals

ik dit woord opvat: een man, die zijn geheele leven aan den dienst

van zijn land heeft gewijd--niet uit eerzucht, maar uit plicht!

"Ik zal u een staaltje van hem vertellen, hetwelk verband houdt met de

geschiedenis der bestorming, die ik zoo even begon te vertellen. Op

den namiddag van denzelfden dag heeft men de mijn doen springen en

hebben bijna 600 stukken geschut het fort beschoten, dat men wilde

nemen. Den ganschen nacht is dit bombardement voortgezet; het was een

dier vuurgevechten, een dier emotiën welke men nimmer vergeet. Des

avonds is de vorst opnieuw in de loopgraven gekomen, en heeft zich

hier te midden van het kanongebulder te slapen gelegd, om zelf de

bestorming te leiden, welke dien nacht te 3 uren zou beginnen. Wij

waren er allen; en zooals steeds aan den vooravond van een' slag,

nam elk den schijn aan alsof hij aan den volgenden dag als aan een

gewonen dacht. Toch ben ik er in den grond van mijn hart zeker van,

dat allen bij de gedachte aan de bestorming eene zekere beklemming

voelden, en niet eene lichte, maar eene hevige.

"Zooals je weet, Nikolaas, is de tijd die aan een gevecht voorafgaat

de meest onaangename; hij is de eenige waarin men tijd heeft om vrees

te koesteren; en vrees is een der onaangenaamste gewaarwordingen. Tegen

den morgen nam de vrees af, hoe meer het oogenblik naderde; en toen wij

allen tegen 3 uren op het afsteken van den bundel vuurpijlen wachtten,

dat het sein tot den aanval zou wezen, was ik zóó wel gestemd, alsof

men mij was komen zeggen, dat de bestorming niet zou plaats hebben,

wat mij zeer gespeten zou hebben.... En zie: juist een uur vóór het

oogenblik der bestorming komt een adjudant van den maarschalk met

bevel het beleg van Silistria op te breken!

"Zonder vrees van mij te bedriegen, durf ik zeggen, dat deze

tijding door allen--soldaten, officieren en generaals--als eene

ware Jobstijding werd ontvangen: te meer, omdat men van spionnen

uit Silistria, die ons dikwijls in handen vielen en met wie ik

zelf menigmaal gelegenheid had te spreken, gehoord had, dat na de

verovering van dit fort (waaraan niemand twijfelde), Silistria het

geen 2 of 3 dagen meer zou kunnen houden. Maar zoo er iemand door

deze tijding getroffen moest worden, dan was het zeker de vorst,

die gedurende den geheelen veldtocht alles ten beste beschikt had,

en nu te midden van den strijd den maarschalk zag komen om de zaken

te bederven, en tegenbevel ontving op het oogenblik dat hij eene

bestorming zou beginnen, die hij als de eenige kans beschouwde om

onze tegenspoeden goed te maken. Toch heeft de vorst, zoo vatbaar

voor indrukken, geen oogenblik van slechte luim gehad; integendeel,

hij was verheugd de slachting te kunnen vermijden, waarvan hij alle

verantwoordelijkheid moest dragen; en zoolang de terugtocht duurde,

dien hij zelf geleid heeft, wijl hij met den laatsten soldaat over

de rivier wilde trekken, en die in opmerkelijke orde en juistheid

volbracht werd,--is hij opgeruimder geweest dan ooit te voren. Tot

die goede luim droeg niet weinig bij de uittocht van bijna 9000

Bulgaarsche gezinnen, die wij medenamen, gedachtig aan de wreedheid

der Turken, waaraan ik, trots mijne ongeloovigheid op dit punt, wel

genoodzaakt werd te gaan gelooven. Zoodra wij de verschillende door

ons bezette Bulgaarsche dorpen verlaten hadden, kwamen de Turken er

terug en joegen allen die zij er vonden over de kling, behalve de

vrouwen die nog jong genoeg waren om voor een' harem te dienen. Zoo

was o.a. een dorp, waarheen ik mij uit het kamp begeven had om melk

en vruchten te halen, op deze wijze uitgemoord.

"Niet zoodra had de vorst den Bulgaren doen weten, dat allen die

het wilden met het leger over den Donau konden trekken en Russische

onderdanen worden, of het geheele land kwam in opschudding, en allen

togen met vrouwen, kinderen, paarden en vee naar de brug. Daar het

echter onmogelijk was om allen mee te nemen, was de vorst genoodzaakt

de laatst aangekomenen af te wijzen. En men had eens moeten zien,

hoezeer hem dit hinderde! Hij ontving alle deputatiën, welke deze arme

lieden hem zonden, sprak met ieder, trachtte hun het onmogelijke van

de zaak onder het oog te brengen, en stelde hun voor om zonder wagens

en zonder vee den overtocht te doen. Zelfs nam hij op zich om voor

hun onderhoud te zorgen totdat zij in Rusland waren gekomen, betaalde

uit eigen middelen particuliere vaartuigen om hen te vervoeren--in

één woord: hij deed al zijn best om de menschen goed te doen.

"Ja, beste tante, ik wenschte wel dat uwe profetie bewaarheid

werd. Waar ik het meest naar streef is, adjudant te worden van een man

als hij, dien ik in den grond van mijn hart liefheb en acht. Vaarwel,

beste en goede tante, ik kus u de hand." [78]

Te midden van die hevige en nieuwe gemoedsbewegingen, liet Tolstoi ook

zijn voortdurenden arbeid--den innerlijken arbeid aan zichzelf--niet

rusten. Die arbeid weerspiegelt zich in de gedenkschriften uit zijn

dagboek.

7 Juli. "Bescheidenheid bezit ik niet! Ziedaar mijn groot gebrek. Wat

ben ik eigenlijk? Een van de vier zoons van een gepensionneerd

luitenant-kolonel, die, op 7-jarigen leeftijd ouderloos geworden,

onder voogdijschap van vrouwen en vreemden kwam; die geen wereldsche

en geen wetenschappelijke opleiding ontving, en ten speelbal van

zijne 17 jaren de wereld inging. Iemand zonder groot fortuin, zonder

eenige maatschappelijke positie en, voornamelijk, zonder beginselen;

die al zijne zaken in de war stuurde en de beste jaren zijns levens

doelloos en zonder genot doorbracht; iemand, ten slotte, die zich naar

den Kaukasus verbande, om zijne schulden en vooral zijne gewoonten te

ontloopen; doch na twist te hebben gezocht om zekere betrekkingen,

die tusschen zijn vader en den legercommandant bestaan hadden, op

26-jarigen leeftijd vandaar als vaandrig naar het Donau-leger ging,

met bijna geen andere middelen dan zijn salaris, daar hij het geld,

dat hij bezat, voor het betalen van achterstallige schulden moest

besteden. Iemand zonder protectie, zonder wereldkennis, zonder kennis

van den dienst, zonder practischen aanleg--maar met eene kolossale

eigenliefde! Ja, zoo is mijn maatschappelijke toestand! Laat ons nu

eens zien, hoe mijn persoon is.

"Ik ben leelijk, onhandig, onzindelijk, en zonder maatschappelijke

vormen. Ik ben prikkelbaar, lastig voor anderen, onbescheiden,

onverdraagzaam en schuchter als een kind. Bijna ben ik een droomer. Wat

ik weet, heb ik slordig geleerd, op eigen houtje, in mijn vrijen

tijd, zonder verband, zonder zin en dan nog zoo weinig! Ik ben niet

ingetogen, besluiteloos, onbestendig, dom, ijdel en opvliegend, evenals

alle karakterlooze lieden. Ook heb ik geen moed, leid geen ordelijk

leven en ben zóó traag, dat nietsdoen eene bijna onoverwinnelijke

gewoonte voor mij geworden is.

"Ik heb verstand; maar nog nooit is mijn verstand grondig in iets

beproefd geworden. Praktisch verstand en verstand van wereldsche

dingen of van zaken heb ik niet.

"Ik ben oprecht, dat wil zeggen: ik bemin het goede en heb mij die

zucht tot eene gewoonte gemaakt. En wijk ik daar somtijds van af,

dan ben ik ontevreden over mijzelf en keer er met blijdschap toe

terug. Maar er is iets, waarvan ik meer houd dan het goede--namelijk

de roem. Ik ben zoo eerzuchtig en aan dien hartstocht is zoo weinig

voldaan, dat ik dikwijls vrees in staat te zullen zijn om tusschen

eerzucht en deugd de eerste te kiezen, indien ik eens voor die keus

gesteld werd.

"Ja, ik ben niet bescheiden; vandaar dat ik trotsch op mijzelf,

maar schuchter en verlegen in de wereld ben."

Soms werd hij door een dichterlijken geest bezield en schetste dan

tafereeltjes, waarin ware kunst schuilt.

Wegens dienstzaken toefde hij eens in een klein Roemeensch stadje,

waar hij op een avond in eene wonderlijke gemoedsstemming kwam,

die zich in dezen vorm uitte:

"Na het middagmaal ging ik op de ellebogen over het balkon leunen,

en keek met welgevallen naar mijne lantaarn die zoo kranig onder den

boom brandde. Vandaag waren er eenige donderwolken komen opzetten,

die zich boven de aarde ontlast hadden, terwijl één groote wolk het

geheele zuiderdeel des hemels bleef bedekken. Wat was het toen frisch

en aangenaam in de lucht! Het aardige dochtertje van mijn' hospes lag

ook, evenals ik, op de ellebogen in het venster. Op straat ging een

draaiorgel voorbij; en toen nu de tonen van de lustige, ouderwetsche

wals zich meer en meer verwijderden en eindelijk wegstierven,

zuchtte het meisje uit het diepst van haar hart, richtte zich op en

verliet ijlings het venster. Het was mij zoo droef en toch zoo wel

te moede, dat ik onwillekeurig glimlachte: en nog lang keek ik naar

mijne lantaarn, waarvan het licht soms wegschool achter de takken,

die de wind bewoog, keek naar den boom, de schutting, den hemel--en

dit alles was mij nog liever dan eerst."

De vruchtelooze Donau-campagne, de terugtocht van het leger, het

vervelende stafleven--dit alles bevredigde Tolstoi niet; hij zocht

meer spannenden arbeid, sterkere emotiën, en vroeg om overplaatsing

naar het Krimleger.

Den 20en Juli, na den terugtocht van Silistria, vertrok hij naar de

Krim. Zijn weg liep over de steden Tekoetschi, Berlad, Jassy, Cherson,

Odessa, Sewastopol, waar hij den 7den November 1854 aankwam. Onderweg

werd hij ziek en kwam hij in het hospitaal, hetgeen zulk eene lange

reis verklaarbaar maakt.

Bij aankomst te Sewastopol werd hij ingedeeld bij de 3de lichte

batterij der 14de brigade artillerie.

Hier ontving hij zulk eene menigte nieuwe indrukken, dat hij er niet

zoo spoedig in thuis kon raken; en twee weken later, op 20 November,

schreef hij eindelijk aan zijn' broeder Sergius:

"Beste broeder Sergius!

"God weet hoe schuldig ik jegens u allen ben sedert het oogenblik van

mijn vertrek; en hoe dit gekomen is, weet ik zelf niet; deels door

het onbestendige leven, mijne vervelende positie, de inkwartiering;

deels door den oorlog of andere belemmerende oorzaken, enz. enz. Maar

de voornaamste reden is het leven met zijne verstrooiingen en rijkdom

van indrukken. Ik heb dit jaar zooveel nieuwe dingen geleerd, zooveel

nieuwe ervaringen en zielsindrukken opgedaan, dat ik waarlijk niet

weet wat het eerst te zullen beschrijven; ook zou ik het niet kunnen

zooals ik wel wilde. Aan tante schreef ik over Silistria, maar jou

en Nikolaas zal ik zoo niet schrijven. Wèl wenschte ik u de dingen

zóó te vertellen, dat gij mij begreept, gelijk ik wil. Silistria

heeft nu afgedaan, en Sewastopol komt aan de beurt. Ik denk dat gij

dit wel met dezelfde angstige spanning zult lezen, als ik zelf het

vier dagen geleden heb doorleefd. Hoe zal ik je alles vertellen,

wat ik daar zag, waar ik geweest ben, wat ik deed, wat de Fransche

en Engelsche gewonden en gevangenen zeggen, wat deze menschen geleden

hebben, en welke helden onze vijanden zijn! Ik zal dit alles later in

Jasnaja of in Pirogoff vertellen; en veel zult ge door de pers van mij

te weten komen. Op welke manier, dat zal ik later zeggen; nu zal ik

alleen een begrip geven van den stand van onze zaken te Sewastopol. De

stad is aan één zijde belegerd, nl. aan de zuidzijde, waar wij geen

versterkingen hadden toen de vijand haar naderde. Thans hebben wij

aan dien kant 500 kanonnen van groot kaliber en eenige reeksen aarden

versterkingen, die beslist onneembaar zijn. Ik heb eene week lang

in de vesting doorgebracht en in dien doolhof van batterijen als in

een bosch rondgezworven. De vijand is op één plek in drie weken tijds

160 meter genaderd, en komt niet verder; bij de minste voorwaartsche

beweging wordt hij met eene hagelbui van granaten begroet.

"De geest onzer troepen gaat alle beschrijving te boven. In de dagen

van het oude Griekenland was er zulk een heldenmoed niet. Toen

Korniloff voorbij de troepen reed, zeide hij niet: 'Houdt jelui

goed, jongens!', maar: 'Jongens, weet jelui te sterven, als het

moet?'--En donderend klonk het antwoord: 'Wij zullen sterven,

Excellentie! Hoera!'--En dit was geen effectbejag, want op ieders

gelaat was te zien, dat het geen scherts maar ernst was, en reeds

hebben 22,000 man hunne belofte vervuld!

"Een gewonde soldaat, die bijna stervende was, vertelde mij met

tranen in de oogen, dat zij den 24en Nov. eene Fransche batterij

genomen hadden, maar dat men hun geen versterking had gezonden.--Eene

compagnie zeesoldaten sloeg bijna aan 't muiten, omdat men hen bij

eene batterij wilde aflossen, waar zij 30 dagen onder den bommenregen

hadden gestaan. De soldaten rukten de lonten uit de bommen. Vrouwen

droegen water naar de bastions. Reeds tellen wij vele dooden en

gewonden. Priesters loopen met het kruis op de bastions, en zeggen

te midden van het vuur gebeden op. Bij één brigade, de 24ste, waren

160 gewonden die het front niet wilden verlaten.

"Wonderlijke tijd! Overigens hebben wij het thans, na den 24en,

wat rustiger gekregen, en is het heerlijk in Sewastopol geworden. De

vijand vuurt bijna niet, en allen zijn overtuigd dat hij de stad niet

zal nemen. Werkelijk is dit onmogelijk. Omtrent 's vijands plannen

bestaan hier drie meeningen: òf hij zal eene bestorming doen; òf hij

zal ons bij verrassing trachten te nemen; òf hij zal zich versterken

en overwinteren. Het eerste is minder, maar het tweede het meest

waarschijnlijk. Ik heb geen enkele maal het geluk gehad in gevecht

te komen; maar ik dank God, dat ik deze mannen gezien heb en dezen

schoonen tijd medeleef.

"Het bombardement van den 5en dezer zal het schitterendste en

beroemdste feit zijn, niet alleen in de Russische, maar ook in de

wereldgeschiedenis. Meer dan 1500 kanonnen hebben twee dagen lang de

stad beschoten, zonder een enkele van onze 200 batterijen tot zwijgen

te brengen, laat staan de vesting tot overgave te dwingen. Zoo men

al in Rusland, naar het mij voorkomt, ongunstig over deze campagne

denkt, de nakomelingschap zal haar boven alle andere stellen. Vergeet

niet, dat wij bij gelijke, ja zelfs bij mindere krachten, alleen met

ouderwetsche wapenen en met de slechtste troepen uit het Russische

leger (zooals het 6de corps) strijden tegen een talrijken vijand,

die eene vloot met 3000 vuurmonden bezit, die uitstekend gewapend is

met karabijnen en zijne beste troepen in het vuur heeft. Nu spreek

ik nog niet eens van het betere gehalte zijner generaals.

"Alleen _ons_ leger kan onder zulke omstandigheden pal staan

en overwinnen; want dàt wij overwinnen zullen, daar ben ik van

overtuigd. Men moet die Fransche en Engelsche gevangenen eens zien:

allen jonge mannen, en physiek zoowel als moreel kloek en dapper. De

Kozakken zeggen zelfs, dat het jammer is er op in te hakken. Daar

moet men onze helden eens naast zien staan, vooral zoo'n kleinen,

smerigen, gerimpelden!

"Nu zal ik gaan vertellen op welke wijze je van mij in de pers van

de heldendaden dier _smerige, gerimpelde_ helden lezen zult. Onder

het personeel onzer artillerie dat, zooals ik je, geloof ik,

geschreven heb, uit zeer flinke en knappe lieden bestaat, is het

denkbeeld ontstaan om een tijdschrift over den oorlog uit te geven,

met het doel den goeden geest onder de troepen te bewaren: en wel

een goedkoop (3 roebel) en populair blad, opdat de soldaten het

lezen kunnen. Wij hebben een plan voor dit blad opgesteld en het den

vorst aangeboden. Deze was met het denkbeeld zeer ingenomen, en heeft

het plan met een proefnummer, dat wij tegelijk hadden saamgesteld,

aan het besluit des Keizers onderworpen. De kosten van uitgaaf

zullen Stolipin en ik voorschieten. Ik ben tot redacteur gekozen,

tegelijk met zekeren heer Konstantinoff, die den _Kaukasus_ heeft

uitgegeven en op dit punt een man van ondervinding is. In het blad

zullen beschrijvingen van veldslagen worden opgenomen, maar geen

droge en leugenachtige, zooals in andere bladen. Daden van moed,

levensbeschrijvingen en necrologieën van kloeke mannen, vooral van

minderen, krijgsverhalen, soldaten-liederen, populaire bijdragen over

ingenieurs- en artilleriewetenschap, enz. De zaak staat mij zeer aan:

ten eerste houd ik van zulke bezigheid, en ten tweede hoop ik, dat

het blad nut zal stichten en niet geheel verwerpelijk zal zijn.

"Dit alles is nog maar onderstelling, zoolang wij het antwoord van den

Keizer niet weten; maar ik vrees er voor, dat wil ik bekennen. In

het proefnummer, dat naar Petersburg is gezonden, zijn wij zoo

onvoorzichtig geweest twee artikels te plaatsen--een van mij en het

tweede van Rostoftseff--die niet geheel _orthodox_ zijn. Voor deze

zaak heb ik 1500 roebel noodig, die ik Walerian verzocht heb mij toe te

zenden. Nu ik er jou iets van verklapt heb, kan je het hem overbrengen.

"Ik ben, Goddank, gezond, en heb een vroolijk, aangenaam leven, sedert

ik over de grenzen ben getrokken. In 't algemeen laat mijn verblijf

bij het leger zich in twee perioden verdeelen: eene vervelende vóór

de grens (want ik was toen ziek, arm en alleen), en eene aangename

binnen de grens, want nu ben ik gezond, heb goede vrienden, maar ben

nog arm, wijl het geld hier wegvliegt.

"Ik zal tante niet schrijven, doch wil eens beproeven of zij mij

er toe aanspoort. Wat mij ongerust maakt, is dat ik vier jaar lang

zonder vrouwelijk gezelschap leef; zoodoende kan ik geheel verharden

en ongeschikt worden voor het familieleven, dat mij zoo dierbaar is.

"Vaarwel! God weet, wanneer wij elkander weerzien; tenzij dat jij

en Nikolaas er aan denken mochten eens een verren jachttocht te

ondernemen, en van uit Tamboff een uitstapje naar het hoofdkwartier

te doen."

Ik heb dezen merkwaardigen brief in zijn geheel geciteerd. Er blijkt

uit, hoe jong van hart Tolstoi destijds was, hoe vatbaar om zich te

laten meesleepen, en hoe dit laatste hem voor een deel belette eene

duidelijke voorstelling te krijgen van al wat om hem heen gebeurde. Des

te sterker, daarentegen, kwamen op dien achtergrond de flikkeringen

uit van een klaar bewustzijn en eene profetische bezieling.

Blijkbaar was Tolstoi's gemoed, ondanks de sterke indrukken van buiten,

niet geheel daarvan vervuld. In de eenzaamheid, bij het schrijven van

zijn dagboek, mogelijk achter de blindeering van het 4de bataillon,

bleef hij dezelfde naar idealen zoekende en strevende mensch, die

hij altijd geweest is en nòg is.

Zijne gemoedsstemming in die dagen uitte zich in dezen dichterlijken

vorm:

"Wanneer zal ik toch eindelijk niet langer

Mijn leven zonder doel en hartstocht slijten:

Eene diepe wonde in 't harte gevoelen,

En het middel niet kennen om haar te genezen?

Wie sloeg deze wonde? God slechts weet het!

Maar van mijne geboorte pijnigt mij

Een bitter besef van mijne nietigheid,

Een kwellend verdriet en twijfel."

Den 23sten November vertrok hij naar Simferopol.

Op 6 Januari 1855 schreef hij zijne tante Tatjana een geruststellenden

Franschen brief:

"Ik heb aan de twee bloedige veldslagen, die in de Krim hebben plaats

gehad, geen deel genomen, maar ben terstond na dien van den 24sten

in Sewastopol gekomen en daar eene maand gebleven. Om den winter,

die vooral nu buitengewoon streng is, wordt in het open veld niet

meer gevochten; maar het beleg duurt voort. Hoe de afloop van

dezen veldtocht zal zijn weet God alleen: maar in elk geval moet

de Krim-campagne op de eene of andere wijze binnen 3 of 4 maanden

eindigen. Doch helaas, het einde van de Krim-campagne beteekent niet

het einde van den oorlog, die integendeel nog zeer lang zal duren.

"Naar ik meen, heb ik in mijne brieven aan Sergius en Walerian

gesproken over eene bezigheid, waarop ik het oog had en die mij

zeer toelachte. Nu de zaak beslist is, kan ik het zeggen. Ik was

voornemens een militair tijdschrift op te richten. Dit plan, waaraan

ik met medewerking van vele uitstekende mannen gewerkt heb, werd

door den vorst goedgekeurd en aan Zijne Majesteit ter beoordeeling

gezonden. Maar wijl men in ons land tegen alles intrigeert, zijn er

lieden geweest die de concurrentie van dit blad duchtten; misschien

ook dat het plan niet met de inzichten der regeering strookte--om

kort te gaan: de Keizer heeft geweigerd.

"Ik beken u: deze nederlaag heeft mij oneindig veel verdriet gedaan en

mijne plannen zeer veranderd. Indien God wil dat de Krim-campagne goed

afloopt, en als ik geen plaatsing krijg die mij voldoet; als Rusland

daarenboven niet langer in oorlog is, zal ik het leger verlaten om

naar de militaire academie in Petersburg te gaan. Ik heb dit besluit

om deze redenen genomen:

"1º. Omdat ik de letterkunde niet zou willen laten varen, waarmee ik

mij in dit kampleven onmogelijk kan bezighouden.

"2º. Omdat ik, naar het schijnt, eerzuchtig begin te worden, namelijk

in dien zin, dat ik goed zou willen doen; maar daarvoor moet men meer

dan tweede luitenant zijn.

"3º. Om u allen en al mijne vrienden weer te zien. Nikolaas schrijft

mij, dat Toerghenjeff met Maria heeft kennis gemaakt; dat verheugt

mij. Indien gij hem eens thuis ziet, zeg hem dan, dat, ofschoon ik hem

slechts bij geschrifte ken, ik hem tal van dingen te vertellen heb."

De onmiddellijk daarop volgende periode van zijn leven schetst Tolstoi

zeer mooi in een' brief aan zijn' broeder, geschreven in Mei 1855,

waarin hij een chronologisch overzicht geeft van de feiten uit zijn

krijgsmansleven gedurende den winter van 1854 op 1855.

"Ofschoon je stellig van de onzen gehoord zult hebben, waar ik geweest

ben en wat ik gedaan heb, zal ik je mijne avonturen van Kischineff af

op nieuw vertellen, te meer, omdat het misschien interessant voor je

zal zijn, _hoe_ ik ze vertel; en daar mijn lot altijd op de eene of

andere wijze verandert, zul je dus vernemen, aan welke wisselingen ik

heb blootgestaan. Van Kischineff uit solliciteerde ik op 1 November

naar de Krim, deels om den oorlog te zien, deels om mij aan den staf

van Serzjpoetowski te onttrekken, die mij niet aanstond, maar het

meest uit vaderlandsliefde, die--ik beken het--destijds sterk in mij

gloeide. Ik solliciteerde niet naar eene bepaalde plaats, doch liet

het aan de superieuren over om mijn lot te bepalen.

"In de Krim werd ik geplaatst bij eene batterij in Sewastopol, waar ik

eene maand zeer aangenaam heb doorgebracht in een club van eenvoudige,

goede kameraden, die zich in den oorlog en in het gevaar bijzonder

onderscheidden. In December zond men onze batterij naar Simferopol,

waar ik 1 1/2 maand in het geriefelijke huis van een' landeigenaar

woonde, met jonge dames danste en piano speelde, en met een gezelschap

ambtenaren wilde geiten jaagde op den Tschatir-Dagh.

"In Januari was er opnieuw verwisseling van officieren en werd ik

overgeplaatst bij eene batterij, welke op 10 werst van Sewastopol

aan den Belbek geposteerd was. Daar heb ik kennis gemaakt met de

ellendigste club officieren van de batterij; de commandant was

een goed, maar onbeschaafd man, en de barakken waren koud en zonder

gerief. Geen enkel boek, geen enkel mensch met wien ik praten kon. Hier

ontving ik de 1500 roebel voor het dagblad, dat reeds geweigerd was,

doch verloor 2500 roebel met spelen en bewees daarmee aan de geheele

wereld, dat ik nog steeds een onbeduidende kwajongen was; want al kon

het bovenstaande als verzachtende omstandigheden gelden, zoo was het

toch schandelijk.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 15 / 32 段