"'Voorwaarts, looppas!' beval ik, en zelf stormde ik reeds weg. Op

vijftig schreden afstand lag een dood paard en daaronder mijn neef

Paul. Vreeselijk kermend smeekte hij wanhopig hem van het doode dier te

bevrijden. Ik sprong van het paard, wierp een' Kozak de teugels toe,

en met bovenmenschelijke kracht trok ik met één greep het doode dier

op zij en bevrijdde den armen lijder, die daar vreeselijk verminkt

neerlag.

"Zijne wonden waren hem met een' sabel toegebracht. Hij had drie

sneden over zijn hoofd, zijn schouder was geheel gekerfd en vaneen

gereten. Ik liet de geheele kolonne aanrukken, begon zelf reeds het

eerste verband te leggen en gaf bevel eene draagbaar gereed te maken.

"Dit alles had zich in een paar minuten afgespeeld en wij

hadden nauwelijks den tijd gehad onze gewonden te verbinden,

toen ook reeds een kleine afdeeling kavallerie uit Groznaja, kwam

aanrennen. De opperbevelhebber, in de meening dat de troep in de

beste orde opmarcheerde en dat de Tschetschentzen zich reeds hadden

teruggetrokken, vond het niet noodig hen te vervolgen en zond de

naderende kolonne slechts een paar ruiters te gemoet. Met vereende

krachten werd eene draagbaar gemaakt, met soldatenjassen bedekt, de

gewonden werden zoo voorzichtig mogelijk erop gelegd en verder ging het

weer naar Groznaja, dat wij reeds tot op korten afstand waren genaderd.

"De ruiters brachten de goede tijding mee dat graaf Tolstoi en de

Tartaar Sado aan de vervolging waren ontkomen en ongedeerd de vesting

hadden bereikt.

"Het vijftal, dat ter nauwernood aan den dood was ontsnapt, wilde vóór

de kolonne te Groznaja zijn en was daarom vooruitgereden, iets dat,

ondanks streng verbod, in den Kaukasus maar al te dikwijls voorkwam.

"Onze vijf jongelui nu besloten, toen zij een honderd schreden

vooruit waren, zich, met het oog op de veiligheid, in twee groepen

te verdeden. Graaf Tolstoi en Sado zouden bovenlangs gaan, de drie

anderen den lagen weg houden.

"Nauwelijks boven gekomen zagen zij plotseling uit een bosch de

Tschetschentzen recht op zich aanstormen. Tolstoi schreeuwde zijne

kameraden nog toe, dat de vijand er aankwam, en daar zij zelfs geen

tijd meer hadden terug te keeren, vlogen zij zoo snel hun paarden

loopen wilden den weg op naar de vesting. De anderen, die beneden

waren gebleven, geloofden het eerst niet en verloren daardoor eenige

kostbare minuten. Toen de Tschetschentzen (waarvan er zich zeven

hadden afgescheiden om Tolstoi en Sado te vervolgen) verschenen, wierp

baron Rozen snel als de gedachte zijn paard om en stormde terug naar

de kolonne, die hij ook ongedeerd bereikte. Schtscherbatscheff rende

hem achterna, maar zijn paard was niet zoo vlug, de vijand haalde hem

in, verwondde hem en sloeg hem van het paard, maar toch gelukte het

hem nog te voet de kolonne te bereiken. Het slechtst van allen was

Paul er aan toe. Hij wilde instinctief vooruit naar Groznaja, maar

bedacht zich dat zijn jong paard hem er niet zou brengen. Hij keerde

dus terug, stootte op den vijand en trachtte nog (hij verloor geheel

zijne zelfbeheersching, zooals hij zelf bekende) zich met getrokken

sabel een weg te banen, dwars door den vijand heen. Maar een van de

bergbewoners, een uitstekend schutter, liet hem tot op eenige passen

naderen, en mikte toen op zijn paard, dat dadelijk dood neerviel en

boven op zijn berijder kwam te liggen. De Tschetschentz trok Paul

de sabel met zilveren gevest uit de hand en wilde hem ook de scheede

afrukken toen hij moest vluchten voor de nadering der troepen, maar

niet voordat hij Paul een' sabelhouw had gegeven. Dit voorbeeld volgden

nog zes anderen, en zoo vonden wij hem, bloedend uit zeven wonden,

onder het doode paard."

In de _Herinneringen_ van S. A. Bjers lezen wij van deze gebeurtenis

het volgende:

"De goedgezinde Tschetschentz Sado en Tolstoi waren groote

vrienden. Sado had een jong paard gekocht, dat hij, na het eenigen

tijd te hebben bereden, Tolstoi eens liet probeeren, terwijl hij zelf

diens telganger, die niet zoo goed kon galoppeeren, besteeg. Dit was

juist gebeurd toen de Tschetschentzen hen overvielen. Tolstoi, die de

kans had op het vlugge paard te ontsnappen, liet zijn vriend niet in

den steek. Sado ging, als alle bergbewoners, nooit uit zonder buks,

maar die was nu helaas niet geladen. Toch richtte hij haar op de

vervolgers, in de hoop hun vrees aan te jagen. Dezen, van hun' kant,

schoten ook niet omdat zij hen levend gevangen wilden nemen, om zich

op Sado, een' afvallige, te kunnen wreken. Deze omstandigheid redde

hun het leven. In de nabijheid van Groznaja kreeg een schildwacht

hen in 't oog, en op diens alarm kwam er hulp opdagen, waardoor de

vijand gedwongen werd de vervolging te staken."

Deze gebeurtenis heeft de stof geleverd voor Tolstoi's vertelling

_De Kaukasische Gevangene_.

Ondanks het woeste krijgsmansleven en het feit dat er nog oogenblikken

kwamen waarin Tolstoi zich geheel aan genot en spel overgaf, ging

zijne geestesontwikkeling met reuzenschreden vooruit.

Korten tijd na de bovenbeschreven episode schreef hij de volgende

gedachten neer:

"Wees oprecht, zelfs al moet gij scherp zijn, maar vrees niet

kinderlijk openhartig waar dit niet vereischt wordt."

"Onthoud u van wijn en vrouwen."

"Het genot duurt zoo kort--het berouw zoo lang."

"Doe het werk dat gij verricht nooit ten halve. Tracht u bij iedere

sterke aandoening te beheerschen en zoo gij u iets hebt voorgenomen,

breng het ten uitvoer, zelfs als het niet goed is."

Tolstoi reisde in Juni van 't jaar '53 weer naar Pjatigorsk, bleef daar

tot October en kwam weer in Starogladowskaja terug. Klaarblijkelijk

begon de dienst hem danig te vervelen en ongeduldig verlangde hij naar

eene verandering in zijn leven. Onder den indruk daarvan schreef hij

uit Pjatigorsk aan zijn' broer:

"Ik heb je, geloof ik, reeds geschreven dat ik mijn ontslag heb

aangevraagd. Of ik het krijg en wanneer, vooral met het oog op den

oorlog met Turkije, mag de hemel weten. Ik maak er mij erg ongerust

over, want ik vrees--in den dienst is alles mogelijk--dat ik weer

naar Starogladowskaja zal moeten gaan, en ik had mij reeds geheel

aan de gedachte gewend, spoedig naar ons dorp terug te keeren."

Dezelfde stemming spreekt uit een' brief geschreven te Starogladowskaja

in December 1853:

"Ik bid je, maak zoo spoedig mogelijk werk van mijne papieren. 't Is

noodzakelijk. God alleen weet wanneer ik terug zal keeren! 't Is nu

bijna een jaar dat ik niets liever zou wenschen dan de sabel in de

scheede te steken, maar ik kan het niet. Nu ik evenwel toch gedwongen

ben aan den oorlog deel te nemen, wil ik nog liever naar Turkije gaan

dan hier blijven, hetgeen ik dan ook vorst Sergius Dmitrijewitsch

gevraagd heb. Hij heeft het zijn' broeder reeds geschreven, maar of

er iets van komt weet hij niet.

"In ieder geval hoop ik, dat er tegen Nieuwjaar verandering in

mijn leven zal komen, want ik moet bekennen dat het mij ontzettend

begint te vervelen. Domme officieren, domme gesprekken en anders

niets. Als ik nog maar één mensch had met wien ik vertrouwelijk kon

spreken. Toerghenjeff had gelijk toen hij beweerde, dat het niet goed

is eenzaam te zijn; men voelt dat men achteruit gaat.

"Hoewel Nikolaas, de hemel mag weten waarom, de goede honden heeft

meegenomen (Jepischka en ik schelden hem er in gedachten dikwijls

om uit) ga ik iederen dag, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat,

met een' anderen hond op de jacht. En dat is mijn eenige genoegen,

of liever, geen genoegen maar een verdoovingsmiddel. Je draaft heen

en weer, je krijgt honger, je wordt moe en de dag is voorbij. Als er

gelegenheid toe is, of als gij zelf naar Moskou gaat, koop mij dan

_David Copperfield_ van Dickens in het Engelsch en stuur het mij met

mijn Engelsch woordenboek dat in mijn boekenkast staat."

In dezen tijd schreef Tolstoi _Jongensjaren_, dat hij ook weer naar

den _Sawremjennik_ stuurde, maar met een ontevreden gevoel van te

haastig te hebben gewerkt. Ook hield hij zich onledig met het lezen

van eene biografie van Schiller.

Teruggekeerd van een kort reisje naar Chasaf-Joert schreef hij in

zijn dagboek:

"Alle gebeden die ik vroeger tot God richtte heb ik vervangen door het

eene 'Onze Vader.' Alles wat ik Hem wil vragen wordt het waardigst

uitgedrukt door de woorden: 'Heer, Uw wil geschiede, zooals in den

hemel alzoo ook op aarde.'"

In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vonden we nog eene gebeurtenis

uit zijn leven in den Kaukasus beschreven, n.l. hoe het kwam dat het

kruis van St. George hem ontging.

"Tolstoi was, zooals de lezer weet, reeds eenige malen in 't gevecht

geweest en hij hoopte vurig nog eens het kruis van St. George te

ontvangen. Zijn commandant was zeer met hem ingenomen; er bestond dus

wel kans dat die droom verwezenlijkt zou worden. Nadat er eens weer

een gevecht had plaats gevonden, werden er eenige kruisen gestuurd,

die den volgenden dag zouden worden uitgereikt. Nu gebeurde het dat

Tolstoi den avond van te voren dienst moest doen op het eiland waar

de kanonnen stonden. Ongelukkig voor hem liet hij zich tot een partij

schaak overhalen, en zooals hij zich door alles liet meesleepen ging

het ook nu: hij bleef tot midden in den nacht bij het spel en ging

niet op wacht. De dienstdoende officier, die hem niet op zijn post

vond, onderhield hem streng over zijn verzuim en stuurde hem in arrest.

"Den volgenden dag werden, terwijl de muziek speelde, de kruisen

uitgereikt. Tolstoi wist, dat hij er ook een zou hebben gekregen,

en daar zat hij nu in arrest en kwam bijna tot vertwijfeling."

Nog eenmaal heeft hij eene kans gehad het kruis te verkrijgen, doch

dit liep, hoewel meer eervol, ook op niets uit.

De overste Alexejeff wendde zich even vóor de uitreiking der kruisen

met de volgende woorden tot Tolstoi: "Gij weet, dat het kruis van

St. George voornamelijk aan oude soldaten wordt uitgereikt, die dan

tevens recht krijgen op een levenslang pensioen, dat evenveel bedraagt

als hun salaris. Ook wordt het kruis uitgereikt aan jonge mannen,

die door hun chefs geprotegeerd worden. Hoe meer dit laatste geval

zich voordoet, des te meer wordt het onthouden aan oude soldaten,

die het verdienden te ontvangen. Zoo gij het verlangt, zal ik u het

kruis geven, maar zoo gij er afstand van doet, dan is hier een oude,

waardige soldaat, die het verdiend heeft en voor wien het tevens een

middel van bestaan is." Natuurlijk wenschte Tolstoi, hoewel hij er

zeer naar verlangd had, het kruis nu niet meer te ontvangen, en eene

andere gelegenheid om het te verdienen deed zich niet meer voor.

Nu laten wij nog eenige bladzijden uit de _Herinneringen_ van den

officier Janzjoel volgen, die in 1871 in Starogladowskaja gedetacheerd

was, waar hij nog versche sporen vond van Tolstoi's verblijf aldaar.

"In 1871 werd ik als officier naar Starogladowskaja gezonden en kwam

bij dezelfde batterij te staan, waar ook graaf Leo Tolstoi gediend

had. In de twee jaren, die ik daar gewoond heb, had ik de gelegenheid

het plaatsje goed te leeren kennen, de typische vriendelijke huisjes,

de moedige Kozakken, het kommandantshuis met de hooge, oude populieren,

alles door Tolstoi beschreven in zijne vertelling _De Kozakken_. In

mijn' tijd was de herinnering aan Leo Nikolajewitsch, zooals hij

daar genoemd werd, nog levendig gebleven. Men wees mij o.a. de nu

oude Mariana, de heldin van zijn verhaal, en eenige oude Kozakken,

die Tolstoi persoonlijk gekend hadden en met wie hij dikwijls op de

faisanten- en wilde-zwijnenjacht was geweest. Een van deze jagers

ging in 1880 te paard naar Jasnaja Paljana, om hem nog eens weer te

zien. Ook trof ik er nog een zekeren kapitein Troloff (sinds dien

overleden) die Tolstoi heel goed gekend had en zich nog de boeiende

wijze van vertellen herinnerde, waarmee hij iedereen meesleepte."

Janzjoel geeft ook nog eene karakteristieke beschrijving van Tolstoi's

bataillons-commandant. Nikita Petrowitsch Alexejeff, de batterij

commandant van graaf Leo Tolstoi, werd om zijne goedhartigheid door

iedereen geacht en bemind. Hij bezat maar één oor (het andere had een

paard hem afgebeten), had aan de universiteit gestudeerd en was zeer

godsdienstig, zoodat hij uren lang geknield in de kerk kon liggen

met zijn hoofd ter aarde gebogen.

Hij kon het nooit rustig aanzien dat de officieren wodka dronken

en vooral niet als het jongelui waren. Volgens de gebruiken van den

goeden ouden tijd aten zij iederen dag bij hun' commandant aan tafel

en dan deed Leo Tolstoi dikwijls, echt kwajongensachtig, alsof hij

wodka dronk. Nikita Petrowitsch raadde hem dan telkens ernstig aan

dat wodka drinken te laten en liever, zooals hij, bonbons te eten.

De beschrijving van Tolstoi's leven in den Kaukasus zou niet volledig

zijn, wanneer wij nog niet even herinnerden aan twee goede kameraden

van hem, de honden Boelka en Milton, die hij beschreven heeft in

_Boekjes om te lezen_, een verhaal dat ieder Russisch schoolkind kent.

Eindelijk, na lang wachten, kreeg Tolstoi zijne aanstelling tot

officier. Den 18en Januari 1854 deed hij het officiersexamen, hetgeen

in die dagen maar bloot een vorm was, en maakte hij zich voor zijn

vertrek gereed.

Reeds den 19en Januari bereikte hij de Russische grens en kwam, na een

reis van ongeveer twee weken, te Jasnaja Paljana aan. Onderweg werd

hij door een heftigen sneeuwstorm overvallen, die hem waarschijnlijk

tot stof heeft gediend voor een zijner vertellingen.

Den korten tijd dien hij in Rusland bleef bracht hij door bij zijne

broers, zijne tante en zijn' vriend Pjerfiljeff.

Zijne overplaatsing in het leger dat naar den Donau werd gezonden

wachtte hem reeds; spoedig moest hij dus weer vertrekken en zoo vinden

wij hem den 14 Maart 1854 te Boecharest.

Als gepast slot van dit hoofdstuk laten wij nog Tolstoi's tegenwoordige

meening volgen over zijn leven in den Kaukasus. Met groot genoegen

denkt hij steeds aan dien tijd terug en noemt dien, ondanks de

vele afdwalingen van zijn toen nog vaag gevoeld ideaal, een der

beste tijdperken van zijn leven. Zijn latere diensttijd heeft hem,

naar hij meent, vooral wat zijne letterkundige werkzaamheid betreft,

naar omlaag getrokken.

Eerst nadat hij in zijn dorp was teruggekeerd en toen hij al zijne

krachten inspande om verbetering te brengen in het onderwijs aan

het dorpskind, kon zijn geest zich weer verheffen en voelde hij zich

als herboren.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE DONAU EN SEWASTOPOL.

Voordat ik met het verhaal van dit tijdvak begin, acht ik het noodig

eenige woorden over den loop der politieke gebeurtenissen te zeggen,

in verband waarmede ook de veranderingen in het leven van Leo Tolstoi

plaats vonden.

De laatste jaren Van Keizer Nikolaas' regeering zijn gekomen. De

machtsinspanning heeft haar hoogsten trap bereikt, en de druk van

het volk en de hoogere klassen der maatschappij heeft reeds een

krachtig protest tegen een en ander verwekt. Zooals altijd, stort de

overheid, die instinctmatig het haar dreigende gevaar gevoelt, zich

in buitenlandsche avonturen, terwijl zij de opgehoopte volkskracht

ontlaadt in de bloedige slachting van eene gehoorzame kudde soldaten,

wier eenige opvoeding hierin bestaat, dat zij de steun van het gezag

kunnen en willen zijn in de moeilijke uren van zijn misdadig leven. Ook

het volk en de hoogere klassen storten zich in zulke slachtingen,

evenals een mensch die verdriet heeft in elken walgelijken roes

stilling zoekt voor zijne kwelling.

Zoo verklaart dan Rusland, door de tyrannie van Nikolaas I ondermijnd

en zedelijk bedorven, op 4 November 1853 Turkije den oorlog. Den

eersten tijd zijn de Russische troepen voorspoedig; zij overschrijden

de Turksche grenzen, bezetten Moldavië, en de Zwarte-Zee-vloot,

onder bevel van den vermaarden Nachimoff, vernietigt de Turksche

scheepsmacht bij Sinope.

Dan mengen de Europeesche machten--Engeland en Frankrijk--zich in dien

krijg, waarmede tegelijk de bekende Krim-oorlog een' aanvang neemt,

die met de heldhaftige verdediging van Sewastopol, zonder voorbeeld

in de geschiedenis, besloten wordt. En zooals steeds in dergelijke

gevallen, houdt het gemoedsleven in de harten der betere menschen,

zoowel bij het volk als bij de hoogere standen, gelijken tred met de

luidruchtige openbaringen van het leven daarbuiten; openbaart zich

in het vormen van nieuwe idealen, en uit zich onvermijdelijk--zij

het ook zwak--in liberale maatschappijke hervormingen. Die beide

verschijnselen: de ontlading der volkskracht in heldendaden, en het

zich verheffen van den volksgeest in de onthulling van nieuwe idealen,

hebben ook op Tolstoi's letterkundigen arbeid uit dien tijd hun'

stempel gedrukt.

En daar deze twee belangwekkende verschijnselen onmiddellijk met

elkander in tweestrijd kwamen, nam die arbeid den vorm aan eener

hooge tragische poëzie, waardoor zijne Sewastopol'sche verhalen

zich kenmerken.

Toen Tolstoi, naar wij boven hebben meegedeeld, zijne bloedverwanten

bezocht had, ging hij het eerst naar het Donau-leger.

Na aankomst te Boecharest schreef hij zijne tante Tatjana een'

brief in den vorm van een dagboek, in drie gedeelten, met eene korte

beschrijving der reis en den eersten indruk bij de aankomst.

13 Maart. "Van Koersk heb ik bijna 2000 wersten afgelegd in plaats

van 1000, zooals ik dacht, en ben over Poltawa, Balta, Kischineff,

en niet over Kieff gegaan, hetgeen een omweg zou geweest zijn. Tot

aan het gouvernement Cherson had ik eene uitmuntende slede; maar

daar was ik genoodzaakt haar achter te laten, en 1000 werst in een'

wagen af te leggen, langs een afschuwelijken weg tot aan de grens en

van de grens tot Boecharest. Die weg is onmogelijk te beschrijven; men

moet er van genoten hebben, om te begrijpen hoe pleizierig het is 1000

werst af te leggen in een wagen, kleiner en slechter dan die, waarin

men bij ons den mest vervoert. Ik verstond geen woord Moldavisch,

vond niemand die Russisch verstond, en betaalde daarenboven voor

acht paarden in plaats van voor twee. Ofschoon mijne reis slechts 9

dagen geduurd heeft, heb ik meer dan 200 roebels uitgegeven, en ben

ik bijna ziek van vermoeienis aangekomen."

17 Maart. "Vorst Gortschakoff was niet hier. Gisteren kwam hij en ben

ik bij hem geweest. Hij heeft mij beter ontvangen dan ik dacht--alsof

ik een bloedverwant was. Hij heeft mij omhelsd, mij uitgenoodigd om

dagelijks bij hem te komen eten, en wil mij bij zich houden; maar

dit is nog niet uitgemaakt.

"Vergeef mij, beste tante, dat ik u zoo weinig schrijf; ik ben

nog niet geheel op mijn verhaal. De groote en fraaie stad, al die

voorstellingen, de Italiaansche opera, de Fransche schouwburg, de

twee jonge Gortschakoff's, die zeer flinke jongelieden zijn,--dat

alles maakt, dat ik geen twee uren thuis ben gebleven en niet aan

mijne bezigheden gedacht heb."

22 Maart. "Gisteren heb ik gehoord, dat ik niet bij den vorst blijf,

maar naar Oltenitza ga, om mij bij mijne batterij te voegen."

Eenigen tijd later schreef hij opnieuw, in eene andere stemming:

"Terwijl men denkt, dat ik aan alle gevaren van den oorlog blootgesteld

ben, heb ik nog geen Turksch kruit geroken, en zit ik rustig te

Boecharest, doe wandelingen, maak muziek en eet porties ijs. Werkelijk

ben ik al dien tijd te Boecharest gebleven (behalve twee weken, die

ik te Oltenitza heb doorgebracht, waar ik bij eene batterij geplaatst

was, en één week, die ik aan strooptochten door Moldavië, Walachije

en Bessarabië besteed heb, op last van generaal Sersjpoetowski, aan

wien ik tegenwoordig voor speciale diensten ben toegevoegd), en om

u de gulle waarheid te zeggen, staat deze eenigszins losse, geheel

werkelooze en zeer kostbare leefwijze mij bijster tegen. Eerst was

het de dienst, die mij hier terughield; maar nu ben ik er bijna drie

weken geweest ten gevolge van eene koorts, die ik op reis heb opgedaan,

doch waarvan ik, Gode zij dank, voor het oogenblik voldoende hersteld

ben om binnen 2 of 3 dagen naar mijn' generaal te gaan, die in het

kamp bij Silistria is. Van mijn' generaal gesproken: deze ziet er uit

als een zeer dapper man, en schijnt, hoewel wij elkander zeer weinig

kennen, mij wel genegen te zijn. Ook is het aangenaam, dat zijn staf

meerendeels uit zeer gedistingeerde jongelieden bestaat. De twee zoons

van prins Sergius, die ik hier ontmoet heb, zijn flinke jongens; vooral

de jongste, die, al heeft hij het kruit niet uitgevonden, een zeer edel

karakter en een uitmuntend hart bezit. Ik mag hem zeer graag lijden."

Vervolgens citeeren wij een' brief, die, ofschoon uit Sewastopol

geschreven, betrekking heeft op de gebeurtenissen aan den Donau. Zooals

de lezer zien zal, is deze brief door Tolstoi eerst aan zijne tante

Tatjana gericht, en dan aan zijn' broeder Nikolaas. Naar onze meening

moest deze brief eene bladzijde vormen in de geschiedenis van Rusland.

"Ik zal u dan over het verledene spreken, over mijne herinneringen

uit Silistria. Ik heb er zooveel belangwekkende, dichterlijke en

treffende dingen gezien, dat de tijd, dien ik er heb doorgebracht,

nooit uit mijn geheugen zal gaan. Ons kamp was aan gene zijde van

den Donau, namelijk aan den rechter oever opgeslagen, op een zeer

hoog terrein te midden van prachtige tuinen, toebehoorende aan

Moestafa Pasha, den gouverneur van Silistria. Het uitzicht van die

plek was niet alleen prachtig, maar voor ons allen van het hoogste

gewicht. Zonder te spreken van den Donau, zijne eilanden en oevers,

die gedeeltelijk door ons, gedeeltelijk door de Turken bezet waren,

zag men de stad, de vesting en de kleine forten van Silistria als een

schilderij voor zich liggen. Men hoorde het kanon- en geweervuur, dat

dag noch nacht ophield; en met een' verrekijker kon men de Turksche

soldaten onderscheiden. Ofschoon het een zonderling genoegen is

menschen elkander te zien dooden, begaf ik mij toch elken ochtend

en avond naar mijn post en bleef daar uren kijken. En ik was niet

de eenige die dat deed. Het schouwspel was werkelijk mooi, vooral

des nachts. Gedurende den nacht gingen mijne soldaten gewoonlijk

aan de loopgraven werken, en wierpen de Turken zich op hen, om dit

te beletten. Dan moest men dat geweervuur eens zien en hooren! Den

eersten nacht, dien ik in het kamp doorbracht, heeft dat vreeselijke

rumoer mij wakker gemaakt en verschrikt; ik meende dat men ten aanval

ging, en zette mijn paard in vollen galop; maar zij, die reeds eenigen

tijd in het kamp hadden vertoefd, zeiden mij, dat ik mij kalm moest

houden: dat dit kanon- en geweervuur een gewoon verschijnsel was,

hetwelk men schertsenderwijze 'Allah' noemde. Toen ging ik weer

liggen; maar wijl ik toch niet kon slapen, vermaakte ik mij door,

met een horloge in de hand, de kanonschoten te tellen, die ik hoorde;

en zoo heb ik er 110 in den tijd van eene minuut geteld. Toch zag dit

alles er van nabij niet zoo schrikwekkend uit, als het wel lijkt. Des

nachts, wanneer men toch niets ziet, was het eenvoudig de quaestie

wie het meeste kruit zou verspillen; en met die duizenden kanonnen

doodde men hoogstens een dertigtal manschappen aan weerszijden.

"Gij zult mij wel toestaan, beste tante, dat ik in dezen brief

het woord richt tot Nikolaas; want nu ik eenmaal begonnen ben met

bijzonderheden uit den oorlog te vertellen, wenschte ik wel voort te

gaan en aan een' man te schrijven, die mij begrijpt en u opheldering

kan geven over hetgeen u onduidelijk toeschijnt.

"Dat was dus een gewoon dagelijksch schouwspel voor ons, en waarin ook

ik mijn deel had, als men mij niet met orders naar de loopgraven zond;

maar wij hadden ook buitengewone tooneelen, zooals bijv. den avond vóór

de bestorming, toen men onder een der vijandelijke bastions eene mijn

met 240 poed kruit heeft laten springen. [77] Op den morgen van dien

dag was de vorst met zijn geheele staf (daar de generaal, bij wien

ik was, er ook toe behoort, ben ik er óók geweest) in de loopgraven

geweest, om de noodige schikkingen te treffen voor de bestorming van

den volgenden dag. Het plan der bestorming (dat te uitvoerig is om het

u hier te vertellen) was zóó goed gemaakt, alles was zóó wel voorzien,

dat niemand aan den uitslag twijfelde. Wat dit betreft, moet ik u nog

zeggen, dat ik bewondering voor den vorst begon te gevoelen. Trouwens,

men moet eens onder officieren en soldaten over hem hooren spreken;

niet alleen heb ik nooit kwaad van hem hooren zeggen, maar in 't

algemeen aanbidt men hem. Dien morgen heb ik hem voor het eerst in

't vuur gezien.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 14 / 32 段