die zich steeds tusschen hem en de verwezenlijking van zijn ideaal
plaatsten: het spel, de wellust en de eerzucht waren zijne grootste
vijanden. In zijn dagboek schreef hij:
1. "De hartstocht voor het spel is een baatzuchtige hartstocht, die
langzaam tot een gewoonte aangroeit. Hiertegen kan men strijden.
2. "De wellust is eene physieke, eene lichamelijke behoefte, die
door de verbeelding wordt opgezweept en sterker wordt wanneer men
haar wil beheerschen. Het is zeer moeilijk hem te bestrijden. Het
beste middel is arbeid en inspanning.
3. "De eerzucht is een hartstocht, die minder schadelijk is voor
een ander dan voor ons zelf."
Verder lezen wij de volgende bespiegeling:
"Sedert eenigen tijd kwelt mij het berouw over het verloren gaan van de
beste jaren van mijn leven. En van dat oogenblik af aan heb ik gevoeld,
iets goeds tot stand te kunnen brengen. Het zou belangwekkend zijn,
de geschiedenis van mijne moreele ontwikkeling neer te schrijven,
maar niet alleen ontbreken mij daarvoor de woorden, zelfs mijne
gedachten reiken niet zoo ver.
"De grootsche gedachte kent geen perken, maar voor iederen schrijver
komt een grens, die hij niet kan overschrijden. Er is iets in mij, dat
mij zegt, dat ik voor iets anders ben geboren dan de groote menigte."
Deze woorden zijn de eerste vage aanwijzingen dat Tolstoi zich van zijn
kunnen bewust werd. Ik moet hier opmerken dat zij zijn neergeschreven
vóór de voltooiing van zijn _Kinderjaren_, dus voordat hij wist dat
zijn werk zoo goed geslaagd was. In dien tijd openbaarde zich in hem
de geheimzinnige kracht, die hem verhief tot een der verheven dragers
van het zedelijke ideaal der menschheid.
In Mei kreeg hij verlof en reisde hij naar de bronnen van Pjatigorsk
om genezing te zoeken voor de rheumatiek die hem voortdurend
plaagde. Vandaar schreef hij een' brief aan zijne tante, waarin hij
zijn innigste zieleleven bloot legde en waaruit ons tevens blijkt,
dat hij onophoudelijk werkte aan zijne innerlijke volmaking.
In een' brief aan zijn broer Sergius geeft hij eene karakteristieke
schets van het leven te Pjatigorsk.
"Wat zal ik je van mijn leven vertellen? Ik heb reeds drie brieven
geschreven en in iederen brief hetzelfde. Ik zou je wel graag
mijn innerlijk leven beschrijven maar dat is even moeilijk als een
vreemdeling aan het verstand te brengen hoe Toela er uitziet, iets
dat wij helaas maar al te goed weten. Pjatigorsk heeft iets van Toela,
maar is toch weer anders, het is in den Kaukasus. Het familieleven en
de publieke plaatsen spelen hier de hoofdrol. De conversatie bestaat
hier uit de zoogenaamde landeigenaren (een naam die men hier allen
nieuwelingen geeft), die met verachting op de beschaving der anderen
neerzien, en uit de heeren officieren, die het uitgaan hier als de
hoogste zaligheid beschouwen. Een van hen, hij staat bij onze batterij,
kwam mij laatst bezoeken. Je hadt zijne verrukking en opgewondenheid
eens moeten zien, toen wij naar de stad reden. Van te voren had hij al
veel verteld van 't genot dat ons te wachten stond: het flaneeren over
den boulevard waar een muziekkorps speelde, en dan het gaan naar den
confiseur, waar iedereen kwam en waar men verbazend gemakkelijk kennis
aanknoopte, zelfs met families. Schouwburg, gezellige samenkomsten,
ieder jaar trouwpartijen, duels... in één woord op en top 't Parijsche
leven. Nauwelijks waren we dan ook aangekomen of mijn officier ging,
gekleed in nauwsluitenden pantalon, met épauletten op zijn schouders
en rinkelende sporen aan zijn laarzen, onder de tonen der muziek
wandelen op den boulevard. Vervolgens ging het naar den confiseur,
den schouwburg enz. Maar voor zoover mij bekend is, bestond na eene
geheele maand zijn kring van kennissen niet uit huwbare dochters van
rijke landeigenaren of uit talrijke familie's, die hare deuren voor
hem openzetten, maar werd hij slechts in één huis ontvangen, en dan
nog in een huis waar twee families in één kamer wonen en waar thee
met klontjes wordt gedronken. Bovendien gaf deze officier in één maand
twintig roebel uit voor port en bonbons en kocht hij zich een bronzen
spiegel voor tafelversiering. Nu loopt hij in eene oude overjas,
zonder épauletten, drinkt staalwater zooveel hij maar kan, alsof hij
werkelijk de kuur meemaakt, en verwondert zich dat hij, hoewel hij
toch iederen dag ging wandelen op den boulevard, den confiseur bezocht
en geen geld spaarde voor rijtuigen, handschoenen, enz., maar niet in
kennis is gekomen met de pic-nics en bals arrangeerende aristokratie.
"Bijna alle officieren die hier heen komen ondergaan hetzelfde lot;
zij doen alsof zij waarlijk voor de bronnen hier zijn, loopen moeilijk,
dragen verbanden, drinken veel en vertellen wonderlijke geschiedenissen
van de Tscherkessen. Teruggekeerd in het regiment zullen ze vertellen,
dat zij in de beste gezelschappen toegang hadden, en ieder seizoen
komen de menschen van alle kanten om zich hier te vermaken."
Zooals blijkt uit een' brief aan zijne tante schreef Tolstoi
zijne vertelling _Kinderjaren_ gedeeltelijk te Pjatigorsk. Zijn
gemoedstoestand bleef steeds dezelfde en altijd nog had hij een zwaren
strijd met zich zelf te voeren.
Den 29en Juni schreef hij in zijn dagboek de volgende gedachten
neer die ons eene wereldbeschouwing doen kennen, waarmede zijne
tegenwoordige ideeën nog geheel overeenstemmen.
"De stem van het geweten is onze beste en vertrouwbaarste gids, maar
hoe kunnen wij haar van de andere stemmen onderscheiden? De stem der
eerzucht laat zich even luid hooren.
"De mensch, die slechts zijn eigen geluk zoekt, is slecht; degene die
zich richt naar de meening van anderen is zwak; hij die het geluk
van anderen beoogt is deugdzaam; maar die zijn geluk zoekt in God
is groot."
Ook deze gedachte vinden wij terug in al zijne werken van den
lateren tijd:
"Hoog staat de gerechtigheid, waarnaar iedereen moet streven; hooger
het streven naar de volmaking, al het lagere is zonde."
Tolstoi beëindigde den 2en Juni zijn werk _Kinderjaren_ en zond het
aan den _Sawremjennik_. [75] Hij schreef onder de initialen L. N. T. en
de redactie wist langen tijd niet wie zich daarachter verschool.
In Pjatigorsk was Tolstoi eenigen tijd te zamen met zijne zuster Maria,
die ook genezing voor hare rheumatiek kwam zoeken. Volgens haar deed
hij in die dagen veel aan spiritisme en den tafeldans, soms zelfs op
den boulevard, waarheen hij dan een tafeltje uit een café liet brengen.
Tolstoi vertrok den 5en Augustus uit Pjatigorsk en keerde naar de
stanitza terug.
Onderweg schreef hij die belangwekkende gedachte neer die nu nog den
grondslag van zijne wereldbeschouwing vormt:
"De toekomst houdt ons meer bezig dan de werkelijkheid. Deze neiging
is goed wanneer wij aan ons leven hiernamaals denken. Wijsheid is
het in het heden te leven en zijn' plicht te doen."
Den 7en Augustus, terug in Starogladowskaja, schreef hij, meegesleept
door het patriarchale, eenvoudige leven der Kozakken, dat hem lief
en tot eene gewoonte was geworden, in zijn dagboek:
"De eenvoud is de deugd, die ik mij wensch eigen te maken boven
alle andere."
Eindelijk, den 28en Augustus, kwam het lang verwachte antwoord van
de redactie van den _Sawremjennik_.
"Met dezen brief was ik kinderlijk blij," schreef Tolstoi in zijn
dagboek.
Hier volgt de inhoud van Njekrasoffs schrijven:
"Geachte Heer!
"Ik heb uw handschrift _Kinderjaren_ ontvangen. Het is zóó belangrijk
dat ik het zal laten drukken. Daar ik niet weet, hoe het vervolg zal
zijn, kan ik nog niet beslist mijne meening zeggen, maar ik geloof,
dat de schrijver talent heeft. In ieder geval verleenen de eenvoud
en het natuurlijke der schildering aan het boek eene waarde, die men
het niet kan ontnemen.
"Als in het tweede gedeelte (hetgeen zich wel laat aanzien) een
weinig meer leven en beweging komt, dan belooft het een goede roman
te worden. Ik verzoek u mij het vervolg te zenden. Uw roman zoowel
als uw talent interesseeren mij. Nog zou ik u den raad willen geven
niet onder initialen te schrijven, maar het werk onder uw' eigen naam
te laten verschijnen, ten minste zoo gij niet een toevallige gast in
de literatuur zijt. Ik verwacht hierop antwoord.
"Aanvaard de betuiging van mijne oprechte hoogachting.
"N. Njekrasoff."
Op dezen brief volgde een tweede, d.d. 5 September 1852.
"Geachte Heer!
"Ik schreef u reeds over uw boek, maar nu reken ik het mijn plicht
er nog eens op terug te komen. Ik liet het plaatsen in No. IX van
den _Sawremjennik_ en bij oplettende lezing van de drukproef bevond
ik dat het veel beter was dan ik aanvankelijk bij de lezing van het
handschrift had gedacht. Ik kan nu beslist zeggen, dat de schrijver
talent heeft. De zekerheid daarvan is, geloof ik, voor u, als
beginneling, op 't oogenblik van het grootste gewicht. Hedenavond
verschijnt uw werk te Petersburg; ik zal u een nommer van den
_Sawremjennik_ sturen, maar waarschijnlijk eerst over een week of
drie. Wij hebben er iets, heel weinig, uit laten vervallen en niets
bijgevoegd. Spoedig zal ik u nader berichten, maar vandaag heb ik
geen tijd. In afwachting van uw antwoord verzoek ik u, indien gij
het vervolg gereed hebt, het mij te zenden.
"N. Njekrasoff.
"Hoewel ik den naam van den auteur vermoed, vraag ik u dringend mij
dien te willen noemen. Volgens voorschrift van de censuur moet ik
dien weten."
Dezen brief kritiseert Tolstoi op de volgende wijze in zijn dagboek:
"3 September. Ik ontving een brief van Njekrasoff. Lof--maar geen
geld."
Geld nu had hij dringend noodig en hij had verwacht het voor zijn
eerste werk te krijgen. Waarschijnlijk correspondeerde hij er met
Njekrasoff over, want hij kreeg een derden brief van den volgenden
inhoud:
"St.-P. 30 Oct. 1852.
"Geachte Heer!
"Ik moet u om verontschuldiging vragen, dat ik u zoolang op antwoord
heb laten wachten, maar ik heb het zeer druk. Om de volgende reden heb
ik in mijn vorig schrijven over het honorarium gezwegen: het is bij
de voornaamste uitgevers gebruik de eerste proeve van een jong talent
niet te honoreeren, daar het tijdschrift hem de gelegenheid geeft het
publiek met zijn werk te laten kennismaken. Daaraan hebben allen, die
hun eersten literairen arbeid in den _Sawremjennik_ geplaatst zagen,
zich moeten onderwerpen, b.v. Gontscharoff, Droezjinin, Awdjejew, en
anderen. Panajeff en ik hebben ons in onzen tijd daar ook in moeten
schikken. Voor het vervolg bied ik u eene betaling aan, zoo hoog als
slechts de beste van onze bellettristen (en dan nog zeer weinige)
genieten, d.w.z. vijftig roebel voor iedere gedrukte bladzijde.
"Ik heb met schrijven gewacht, omdat ik niet alleen op mijn eigen
indruk wilde afgaan, maar eerst het oordeel van 't publiek wilde
vernemen; dit nu luidt zoo gunstig mogelijk en het verheugt mij zeer
dat ik mij niet vergist heb; gaarne dus doe ik u bovengenoemd voorstel.
"Laat mij dus daarop uw antwoord weten; in ieder geval zullen wij
het er wel over eens worden. Daar uw werk succes heeft gehad, zal
het ons zeer aangenaam zijn zoo spoedig mogelijk weer iets van uwe
hand te plaatsen. Wees zoo goed te zenden wat gij klaar hebt. Ik had
u het 9de nummer van den _Sawremjennik_ willen sturen, maar het was
helaas uitverkocht; zoo gij het wenscht kan ik u een exemplaar van
den misdruk sturen.
"Nogmaals verzoek ik u dringend een roman of eene vertelling te
sturen. In afwachting van uw antwoord verblijf ik
"Uw Dw. Dr., N. Njekrasoff.
"P.S. Wij zijn verplicht den naam te kennen van den schrijver, wiens
werken wij drukken; wil ons dien dus even melden. Desverlangd zal
niemand behalve de redactie hem weten."
Op zijne gewone bescheiden wijze brengt Tolstoi zijne tante Tatjana
op de hoogte van bovenvermelde gebeurtenissen.
"Van de baden teruggekeerd heb ik, dank zij de manoeuvres, eene vrij
vervelende maand doorgebracht. Marcheeren en schieten met kanonnen is
niet zeer aangenaam, vooral omdat het mijne leefwijze geheel in de war
bracht. Gelukkig heeft het niet lang geduurd en gaat alles weer zijn
gewonen gang; ik jaag dus, schrijf, lees, en praat met Nikolaas. De
jacht met het geweer begint nu meer in mijn' smaak te vallen, en daar
ik vrij goed schiet, besteed ik er iederen dag eenige uren aan. In
Rusland kan men zich geen denkbeeld maken van 't vele en goede wild,
dat men hier vindt. Op 100 pas afstand ziet men soms faisanten en
in den tijd van een half uurtje schiet ik er wel eens drie. Behalve
het genoegen dat het mij verschaft is de beweging ook heel goed voor
mijne gezondheid, die ondanks de bronnen te wenschen overlaat. Ik ben
niet bepaald ziek, maar heb heel veel last van kou vatten. Nu is het
keelpijn, dan weer tandpijn die eeuwig aanhoudt, of rheumatiek, in één
woord, twee dagen van de week moet ik zeker mijn kamer houden. Nu moet
gij niet denken, dat ik iets voor u verberg; mijn gestel is, zooals
het altijd geweest is, sterk maar gevoelig. Het volgende jaar denk
ik weer naar de baden te trekken. Al ben ik niet geheel genezen, goed
heeft het mij toch gedaan. Alle onaangenaams heeft toch ook zijn goede
zijde. Wanneer ik ongesteld ben, dan werk ik des te geregelder aan een
nieuwen roman, waarmee ik reeds ben begonnen. De eerste, dien ik naar
Petersburg heb gestuurd, is onder den naam _Kinderjaren_ opgenomen
in het Septembernummer van den _Sawremjennik_ (1852). Ik heb het
onderteekend met de letters A. N. T. en niemand behalve Nikolaas weet
wie de schrijver is. En ik zou ook niet willen dat men het wist." [76]
Tolstoi's zuster, Maria Nikolajewna, vertelde mij van den indruk dien
zijn werk op de familie en kennissen heeft gemaakt. De familie woonde
op een landgoed dicht bij het buiten van Toerghenjeff, die dikwijls
bij hen kwam. Eens bracht hij het bewuste nommer van den _Sawremjennik_
mee, sprak vol lof over het werk en den onbekenden schrijver en begon
het voor te lezen. Vol verbazing luisterde Maria Nikolajewna naar het
verhaal van de gebeurtenissen, die in haar eigen familie hadden plaats
gegrepen. Zij kon maar niet begrijpen wie de intieme bijzonderheden
uit hun leven zoo nauwkeurig kon weten. Het kwam geen seconde bij
haar op, dat hun Ljewotschka (Leo) de schrijver kon zijn; wel had zij
eenig vermoeden op Nikolaas, die in zijne jeugd een weinig aanleg voor
literairen arbeid had vertoond en een uitstekend sprookjesverteller
was. Klaarblijkelijk had tante Tatjana het haar toevertrouwde geheim
goed weten te bewaren en werd het eerst door Tolstoi zelf na zijne
terugkomst uit den Kaukasus geopenbaard.
Te oordeelen naar den brief van Njekrasoff, was het verschijnen
van Tolstoi's eerste pennevrucht eene gebeurtenis in de Russische
letterkundige wereld.
Golowatschewa Panajewa beschrijft in hare _Herinneringen_ den indruk,
dien het boek op het publiek en op de toenmalige schrijvers maakte.
"Het publiek was eenstemmig in zijn lof voor den nieuwen auteur en
interesseerde zich er sterk voor, wie het toch wel zou zijn. In den
letterkundigen kring betoonde men zich onverschillig, behalve Panajeff,
die zóó in verrukking kwam over _Kinderjaren_, dat hij een' van zijne
vrienden er iederen avond een paar bladzijden uit voorlas. Toerghenjeff
plaagde hem daarmee en beweerde, dat de kennissen Panajeff op het
Prospekt uit den weg gingen, uit angst dat hij hun daar zelfs eene
voordracht zou houden uit het nieuwe boek, dat hij van buiten had
geleerd."
Het duurde eenigen tijd voordat de kritiek zich met Tolstoi ging
bemoeien.
Eerst in 1854, toen zijn tweede werk: _Jongensjaren_ verscheen,
gaf Zjeljinski in de _Atjetschestwjennija Zapiski_ eene nauwkeurige
beoordeeling van de beide werken.
Hier volgt het korte maar waardeerende artikel:
"_Kinderjaren_, als eene aaneenschakeling van vrije dichterlijke
voorstellingen, gaf den schrijver gelegenheid het heele landleven
van zijn dichterlijk standpunt te beschouwen.
"Hij koos uit dat leven alles wat indruk maakt op de kinderlijke
verbeeldingskracht en op het kinderlijke verstand. Het talent nu
van den schrijver is zóó groot, dat hij dit leven weet te schilderen
zooals een knaap het ziet. Alles wat hem omringt, d.w.z. voor zoover
het indruk maakt op een kind, komt in het boek voor, en daardoor
staan alle hoofdstukken op zichzelf, verbonden door één draad die
door 't geheele werk loopt, n.l. door de wereldbeschouwing van den
knaap. Het groote talent van den schrijver blijkt ook nog uit het
volgende. Het moet zeer moeilijk zijn om, schrijvende onder den invloed
van kinderlijke indrukken, ook aan de niet kinderlijke gedachte een
plaatsje in te ruimen, en dat is den auteur zoo volkomen gelukt, dat
men na lezing van het boek alle personen voor zich ziet: den vader,
de moeder, de njanja, den gouverneur, in één woord de geheele familie,
en dan nog in het meest poëtische licht."
Naarmate de kring der lezers van den _Sawremjennik_ grooter werd,
groeide ook de belangstelling die het publiek den talentvollen,
nog steeds onbekenden auteur betoonde. Dostajewski b.v. bevond zich
in Siberië, toen de nommers, waarin Tolstoi's vertellingen waren
opgenomen, hem bereikten. Zij maakten zulk een diepen indruk op hem,
dat hij een' zijner kennissen verzocht, hem toch vooral den naam te
schrijven van dien geheimzinnigen L. N. T.
Maar die geheimzinnige L. N. T. wenschte zich nog niet bekend te
maken en stond als iemand die er niets mee te maken had tegenover
zijn succes.
Zelfs tegen zijn' broer Nikolaas en een' vriend heeft Tolstoi langen
tijd gezwegen.
"Mijn broer Leo," zoo schrijft gravin Sophie Tolstoi in hare
aanteekeningen, "vertelde mij eens dat hij in den Kaukasus een nummer
van de _Atjetschestwjennija Zapiski_ ontving, waarin den onbekenden
auteur van _Kinderjaren_ groote lof werd toegezwaaid. 'Ik lag,'
vertelde hij, 'op de houten bank in mijne hut; Nikolaas en Ogolin
waren bij mij toen het blad kwam. Ik begon te lezen en werd bijna
dronken van vreugde, terwijl de tranen van verrukking mij in de oogen
kwamen, en dacht: "niemand, zelfs niet zij die daar bij mij zijn,
weet dat ik het ben die zoo wordt geprezen."'"
In October van dat zelfde jaar, hij bevond zich toen te
Starogladowskaja, rijpte bij Tolstoi het plan een nieuwen roman,
_De Russische Landeigenaar_, te gaan schrijven, waarvan de inhoud
ongeveer op het volgende neer zou komen. De held van het verhaal
zoekt eerst de verwezenlijking van zijn ideaal in het leven op het
land. Als hij het daar niet vindt, zoekt hij het in het familieleven,
om dan plotseling tot de overtuiging te komen, dat men, om gelukkig
te zijn, steeds het geluk van anderen voor oogen moet hebben. Deze
roman heeft helaas nooit het licht gezien, maar de gedachte vinden
wij in veel van zijne latere werken terug.
Tolstoi was, ondanks zijne aanzienlijke geboorte, niet gelukkig in
zijn militaire loopbaan. Hij begon naar het einde te verlangen en
wachtte slechts op zijne bevordering tot officier om zijn ontslag te
nemen. Die bevordering kwam maar niet. Toen hij in dienst ging had
hij gehoopt in anderhalf jaar officier te kunnen zijn, en daar kreeg
hij in October, na bijna een jaar gediend te hebben, een schrijven
waarin hem werd meegedeeld, dat hij om officier te worden nog drie
jaren zou moeten wachten. De oorzaak, dat hij niet bevorderd werd,
lag hierin, dat zijne papieren niet in orde waren.
In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vinden we daaromtrent het
volgende vermeld.
"De bevordering van Leo Tolstoi tot officier en zijn geheele
diensttijd kenmerkten zich door groote moeilijkheden en ging met
vele teleurstellingen gepaard. Vóór zijn vertrek naar den Kaukasus
woonde hij met zijne tante Tatjana op Jasnaja Paljana. Hij was heel
veel samen met zijn' broer Sergius, die zich in dien tijd sterk
aangetrokken voelde tot de Zigeuners, hun leven en hun' zang. Zij
kwamen zelfs naar Jasnaja Paljana, zongen hunne liederen en benevelden
het verstand der beide broeders. Toen Leo Tolstoi inzag, dat hij onder
dezen invloed de domste dingen zou gaan doen, nam hij, zonder iemand
te raadplegen en zonder zich om de noodige papieren te bekommeren,
plotseling het besluit naar den Kaukasus te gaan."
Deze zorgeloosheid, of liever de minachting die hij had voor alles wat
papieren heette, heeft hem heel wat onaangename oogenblikken bezorgd.
Steeds wachtende op zijne bevordering schreef hij ten slotte een'
brief aan zijne tante Pelageja, die met de hulp van een hooggeplaatst
ambtenaar zijne benoeming bewerkstelligde.
Den 24en December van het zelfde jaar voltooide Tolstoi zijne
vertelling _De Overrompeling_, die hij weer naar den _Sawremjennik_
stuurde.
In het jaar 1853 nam de batterij waarbij Tolstoi was ingedeeld deel
aan den veldtocht tegen Schamil. Bovendien kwam hij den 18en Februari
van dat zelfde jaar nog in het vuur, waarbij hij aan een groot gevaar
ontsnapte. Bij het richten van een kanon ontplofte eene vijandelijke
granaat in zijne onmiddellijke nabijheid, vernielde het affuit,
maar liet Tolstoi gelukkig geheel ongedeerd.
Den eersten April keerde hij met zijn regiment weer naar
Starogladowskaja terug.
Reeds bij zijne eerste schrede op het gebied der literaire werkzaamheid
kwam Tolstoi in botsing met den halsstarrig standhoudenden, niet te
verwrikken hinderpaal, die nu reeds twee eeuwen de vrije ontwikkeling
van de Russische gedachte en van de Russische kunst tegenhoudt,
met de zich zoo noemende censuur.
In een' brief aan zijn' broer Sergius schrijft hij hierover:
"Ik heb haast, neem het dus niet kwalijk zoo de brief kort en verward
wordt. _Kinderjaren_ is geheel bedorven en _De Overrompeling_ is ook
mishandeld door de censuur. Al hetgeen er goed in was is geschrapt
of verminkt.
"Ik heb mijn ontslag ingediend en hoop na eenigen tijd, d.w.z. na
ongeveer anderhalve maand, als een vrij man naar Pjatigorsk en vandaar
naar Rusland te reizen."
Dit ontslag nemen ging echter niet zoo gemakkelijk. In hetzelfde
jaar 1853 was Tolstoi nog eens aan een groot gevaar blootgesteld en
ontsnapte hij zelfs ternauwernood aan de gevangenschap.
Paltoratzki vertelt van die gebeurtenissen:
"Den 13en Juni 1853 bracht ik een convooi naar Groznaja. Wij waren
reeds eenigen tijd op weg, toen ik plotseling op eene hoogte een' troep
van ongeveer vijfentwintig vijandelijke Tschetschentzen ontdekte, die
als een wervelwind van een heuvel naar beneden renden. Ik haastte mij
naar het hoofd van de kolonne, een salvo van vijandelijke geweerschoten
liet zich reeds hooren en ook mijne manschappen hadden reeds den
vinger aan den trekker.
"'Halt, schiet niet, de onzen zijn er bij!' riep ik plotseling uit al
mijn kracht, en gelukkig kon ik het vuren nog voorkomen. Nauwelijks
had ik den tijd gehad een gedeelte van den troep bevel te geven
er in stormpas op in te gaan, toen ik de Tschetschentzen reeds
weer in de steppen zag verdwijnen, waarop wij hun een paar schoten
nazonden. Op dat oogenblik kwam baron Rozen, wit als een doode, in
razende vaart op ons toe rijden, direct gevolgd door een paard zonder
berijder. Aan het zadel zagen we dat het een' artillerie-officier
toebehoorde. Even daarna verscheen van achter de struiken langs
den weg Schtscherbatschjeff, de eigenaar van het paard. Hij was een
bijzonder knappe, sterke jonge man, die eerst sedert een paar maanden
de krijgsschool had verlaten. Langzaam maar met vaste schreden kwam
hij naar ons toe, rechtop, zonder geluid te geven, zoodat wij eerst
geen vermoeden hadden hoe zwaar gewond de arme jongen was. Het bloed
stroomde letterlijk uit zijne wonden.
"Bij de kolonne bevond zich geen dokter, zoodat de barbiers voorloopig
hulp moesten verleenen en een van hen legde handig en vlug het
eerste verband. Onderwijl had baron Rozen zich een weinig hersteld
en vertelde, dat hij met nog vier anderen vooruit was gereden. Toen
zij werden overvallen waren graaf Tolstoi, Paul Paltoratzki (een neef
van den schrijver) en de tartaar Sado doorgerend, waarschijnlijk in
de hoop Groznaja te bereiken, terwijl hij en Schtscherbatschjeff hun
paarden hadden gewend en spoorslags waren teruggereden.
"'Uwe Hoogheid,' onderbrak hier een soldaat, die boven op een hooiwagen
lag, het verhaal, 'daarginder op den weg ligt nog iemand en ik geloof
dat hij zich beweegt.'