"Juist vandaag kreeg ik eindelijk de lang gewenschte aanstelling. Ik

kom bij de 4de batterij te staan en zal het genoegen hebben front

te mogen maken en met mijne oogen de voorbij rijdende officieren en

generaals te volgen. Ja, zelfs vandaag, toen ik ging wandelen in mijn

pelsjas en met mijn slappen hoed op (voor dien hoed heb ik hier nog

al 10 roebel betaald), wilde ik, zonder aan de deftigheid van dit

kleedingstuk te denken, gewend als ik reeds was om me spoedig in

de grijze schinel te zien, mijn slappen hoed afrukken en op straat

gooien. Als mijne wenschen in vervulling gaan, dan reis ik reeds

den eersten dag van mijn in-dienst-treding naar Starogladowskaja,

en ga dan dadelijk op marsch. Ik kleed me dan in een schaapspels,

en zal met hart en ziel en met behulp van de kanonnen meewerken aan

de uitroeiing van die roofzuchtige, lastige Aziatische bevolking.

"Uit dit schrijven zie je dat ik op 't oogenblik in Tiflis ben. Ik

kwam hier 9 November aan, zoodat ik nog een enkelen keer met de

honden die ik in Starogladowskaja heb gekocht op jacht kon gaan. Het

jagen hier, d.w.z. in de stanitza, is heerlijk. Weiden, moerassen,

waar eene menigte grijze hazen zitten, en eilanden, niet met bosschen,

maar met een soort riet beplant, waar zich veel vossen ophouden. Negen

malen ben ik met mijne twee honden, waarvan de eene goed, de andere

slecht is, op jacht geweest, op 15 werst afstand van de stanitza, en

legde twee vossen en zestig hazen neer. Zoodra ik weer daarginds ben,

ga ik eens op geiten jagen.

"Ik heb ook eenige malen aan eene jacht met de buks op wilde zwijnen

en herten deelgenomen, maar heb niets onder schot gekregen. Deze wijze

van jagen is op zich zelf wel aardig, maar voor dengene die gewend is

met honden te jagen is het niets. 't Gaat er juist mee als met iemand

die altijd Turksche tabak rookt; die houdt niet meer van Schoekoff,

hoewel het altijd nog de vraag is, welke de beste is.

"Ik ken je zwak, n.l. dat je graag wilt weten hoe het hier is,

wie mijn kennissen zijn en hoe ik met hen sta. 't Is overigens

iets, dat mij hier heel weinig bezig houdt, maar ik zal je zooveel

mogelijk tevreden stellen. Er zijn hier niet veel officieren; bij

gevolg ken ik ze allen, hoewel zeer oppervlakkig. Ik sta met allen

op een' goeden voet, een gevolg van de wodka, wijn en zakoeska [71],

die Nikolaas en ik altijd voor de bezoekers gereed houden. Aan deze

zelfde omstandigheid dankte ik ook mijne opname onder de officieren in

Stari-Joert. Hoewel er heel geschikte lui onder de officieren zijn,

wil ik, daar ik buitendien belangrijke bezigheden heb, niet intiem

met hen worden. De onderbevelhebber Alexejeff, de commandant van de

batterij waarbij ik sta, is een goed, maar ijdel mensch. Laatst had

ik hem noodig, en ik moet bekennen, dat ik toen op die eigenschap

gespekuleerd heb en hem een beetje honing om den mond heb gesmeerd. Ik

deed het echter ongaarne, dat verzeker ik je. Wanneer ge met ijdele

menschen omgaat, dan wordt ge het zelf ook.

"Hier in Tiflis heb ik drie kennissen; meer tot nu toe nog niet, ten

eerste omdat ik het niet wensch en ten tweede omdat de gelegenheid

tot verdere kennismaking zich niet heeft voorgedaan. De eerste

is Bagration, een Petersburger, de tweede vorst Barjatjinski,

onder wiens commando ik de strooptochten heb meegemaakt. Ik heb

daarna met Ilija Tolstoi, dien ik hier ook ontmoette, een' dag bij

hem doorgebracht. Van deze vriendschap beleef ik niet veel plezier,

want je zult wel begrijpen, in welk eene verhouding een Junker tot een

generaal kan staan. De derde is een gedegradeerde apothekersbediende,

een vermakelijk type. Ik veronderstel dat vorst Barjatjinski nooit had

gedacht op één lijn met een hulp-apotheker te worden geplaatst en dat

is hier toch het geval. Nikolaas is hier zeer gezien, zoowel bij zijne

meerderen als bij zijne officieren-collega's; iedereen heeft achting

voor hem en houdt van hem, en daarbij geniet hij de reputatie van

een dapper officier te zijn. Ik houd meer van hem dan van mij zelf,

ben gelukkig in zijne nabijheid en verveel mij zonder hem.

"Als je wilt pronken met berichten uit den Kaukasus, dan kun je

vertellen, dat Chadzji-Moerat, de eerste persoon na Schamil, zich

aan de Russen heeft overgegeven. Hij was de dapperste van allen, maar

heeft nu eene laagheid begaan. Verder kun je nog met trots vertellen,

dat vandaag de bekende, dappere, verstandige generaal Sljeppoff is

gestorven; of hij er verdriet van heeft, dat zou ik je niet kunnen

zeggen."

Den 6en Januari schreef Tolstoi, steeds nog uit Tiflis, zijne tante

een' brief, waaruit de groote aanhankelijkheid en liefde sprak die

hij haar toedroeg.

"Uw' brief van den 24en November heb ik zoo juist ontvangen en als

naar gewoonte zal ik dien per omgaande beantwoorden. De vorige maal

vertelde ik u, dat uwe woorden mij hadden doen weenen en ik schreef

die zwakheid aan mijne ziekte toe. Ik vergiste mij. Al uwe brieven

hebben sedert eenigen tijd diezelfde uitwerking op mij. Gij weet

het wel, mijne tranen zaten altijd hoog. Eerst schaamde ik mij voor

deze zwakheid, maar de tranen die ik stort, denkend aan u en aan uwe

liefde voor ons, laat ik vloeien zonder de minste valsche schaamte. Uw

brief is zoo vol droevige gedachten, dat hij mij ook treurig heeft

gestemd. Gij hebt mij steeds goeden raad gegeven, waarnaar ik helaas

maar zelden heb geluisterd. Ik zou mijn heele leven willen handelen

volgens uwe aanwijzingen. Mag ik u nu den indruk, dien uw brief op

mij gemaakt heeft, en de gedachten, die tijdens de lezing bij mij

oprezen, mededeelen?

"Vergeef mij, ter wille van de groote liefde die ik u toedraag, indien

ik te openhartig met u spreek. Gij zegt, dat het nu uwe beurt is ons

te verlaten, om weder vereenigd te worden met hen, die gij zoo zeer

hebt liefgehad. Gij zegt, dat uw leven zoo troosteloos eenzaam is,

dat gij God hebt gesmeekt er een einde aan te maken. Vergeef mij,

lieve tante, maar ik geloof dat gij met zoo te spreken God en ook hen,

die u zoo hartelijk liefhebben, beleedigt. Gij vraagt God om den dood,

dus om het grootste ongeluk dat mij kan treffen. Dit zijn geen ijdele

klanken, maar God is mijn getuige, dat de dood van u of van Nikolaas,

de beide wezens die ik meer liefheb dan mij zelf, voor mij de grootste

ramp zou zijn, die mij kon overkomen. Wat zou mij overblijven, zoo

God uw' wensch vervulde! Voor wie zou ik trachten mij te verbeteren,

mij goede eigenschappen te verwerven en mijn best doen eene goede

reputatie te verkrijgen? Wanneer ik plannen maak voor mijn toekomstig

geluk, dan doe ik dat steeds met de gedachte, dat gij daarvan ook zult

genieten. Wanneer ik eene goede daad verricht, dan ben ik tevreden

over mij zelf, omdat ik weet, dat gij over mij tevreden zoudt zijn, en

handel ik niet goed, dan is mijn grootste vrees u verdriet te doen. Uwe

liefde is alles voor mij en gij vraagt God ons te willen scheiden! Ik

kan het gevoel niet beschrijven dat ik u toedraag, geen woorden kunnen

het uitdrukken; ik vrees dat gij zult denken dat ik overdrijf, en

toch ween ik heete tranen terwijl ik u dit schrijf. De gedachte aan

die vreeselijke scheiding heeft mij geleerd welk eene vriendin ik in

u bezit en hoeveel ik van u houd. Maar ik ben immers niet de eenige

die u zoo genegen is, en gij, gij vraagt God te mogen sterven! Gij

zegt dat gij zoo eenzaam zijt door onze scheiding! Maar als gij in

mijne liefde gelooft, zal dat een tegenwicht zijn voor uw verdriet.

"Wat mij betreft, ik zal nooit eenzaam zijn, zoolang ik mij bewust

ben van uwe warme genegenheid voor mij.

"Terwijl ik deze woorden schrijf weet ik dat het geen goede

gewaarwording is, die ze mij in de pen geeft: ik gevoel mij gestreeld

door uw verdriet." [72]

In denzelfden brief vertelt Tolstoi nog eene belangrijke gebeurtenis,

belangwekkend ook uit een psychologisch oogpunt.

"Vandaag is mij iets gebeurd, dat mij in God zou doen gelooven,

zoo ik niet reeds sedert geruimen tijd een vast geloof bezat.

"Van den zomer, in Stari-Joert, deden de officieren niet anders dan

spelen en dan nog tamelijk grof. In het kamp is men gedwongen elkaar

dikwijls te ontmoeten en heel vaak ben ik bij het spel tegenwoordig

geweest. Ondanks hun aandringen ben ik een maand lang standvastig

gebleven, maar eens, bij wijze van grap, heb ik eene kleinigheid

gewaagd. Ik verloor, zette opnieuw in, en verloor opnieuw; het geluk

was tegen mij. De hartstocht voor het spel leefde weer bij mij op en

in twee dagen verloor ik niet alleen al mijn geld, maar ook dat van

Nikolaas (hij gaf mij ongeveer 250 roebel); bovendien nog 500 roebel,

waarvoor ik een' wissel geteekend heb die in Januari betaald moet

worden. Ik moet u nog vertellen dat dicht bij ons kamp een huisje

staat, dat bewoond wordt door Tschetschenzen. Een van hen, Sado,

kwam in het kamp en nam deel aan 't spel, maar daar hij schrijven

noch rekenen kon--reden waarom ik nooit met Sado wilde spelen--waren

er schurken die hem bedrogen. Ik heb hem aangeraden zich daar niet

meer aan bloot te stellen, terwijl ik hem aanbood per procuratie

voor hem eene kans te wagen. Hij was me heel dankbaar en heeft mij

eene beurs gegeven; daar bij zijn' stam de gewoonte bestaat elkaar

wederzijds iets te schenken, heb ik hem voor 8 roebel een prul van

een geweer gekocht. Nu moet gij nog weten dat om 'koenjak', dat wil

zeggen vrienden, te worden men elkaar niet alleen geschenken moet geven

maar ook het middagmaal bij elkaar moet gebruiken. Daarna wordt men,

volgens een oud gebruik van dat volk (dat bijna geheel is verdwenen),

vrienden op leven en dood, hetgeen wil zeggen, dat als ik hem vraag

om zijn vrouw, zijn geld, zijn wapens of het kostbaarste wat hij op

de wereld bezit, hij mij dat moet afstaan, terwijl ik hem natuurlijk

evenmin iets mag weigeren. Sado heeft mij gevraagd eens bij hem te

willen komen en ik ben er heen gegaan. Na mij op hunne wijze onthaald

te hebben, stelde hij mij voor, het mooiste uit te zoeken wat hij

in zijn huis had: zijne wapens, zijn paard ... in één woord wat ik

verlangde. Ik wilde het minst kostbare nemen en koos een paardentoom

met zilveren beslag, maar hij zeide dat ik hem beleedigde en drong

mij een sabel op, die minstens 100 roebel waard is.

"Zijn vader is een rijk man, maar heeft zijn geld begraven en geeft

geen cent aan zijn' zoon, die daarom, als hij geld wil hebben, van

den vijand een paard of eene koe gaat stelen. Hij zet soms twintig

maal zijn leven op het spel om iets te stelen, dat nog geen tien

roebel waard is. Hij steelt niet uit hebzucht maar om den naam. De

grootste dief is bij hen zeer in aanzien, en ontvangt den eerenaam

'malodjetz.' [73] Soms is Sado in 't bezit van 1000 roebel, dan weer

heeft hij geen cent. Eens gaf ik hem, na hem bezocht te hebben, het

zilveren horloge van Nikolaas, en nu zijn we de grootste vrienden van

de wereld. Meermalen heeft hij mij zijne toewijding getoond, door

zich voor mij aan verschillende gevaren bloot te stellen, hetgeen

voor hem echter niet veel te beteekenen heeft, daar hij eraan gewend

is en het als een genoegen beschouwt.

"Toen ik uit Stari-Joert vertrokken was, kwam hij iederen dag bij

Nikolaas, zeggende niet te weten wat hij zonder mij moest beginnen,

daar hij zich doodelijk verveelde. Ik had Nikolaas geschreven, dat

mijn paard ziek was geworden, en hem tevens gevraagd in Stari-Joert

een ander voor mij te koopen. Sado kwam het te weten en wist niet

beter te doen dan dadelijk naar mij toe te komen om mij zijn paard

te brengen, dat ik tegen wil en dank moest aannemen.

"Na de domheid, die ik in Stari-Joert beging, heb ik geen kaart meer

aangeraakt en hing ik voortdurend den zedemeester uit tegenover Sado,

die ook een hartstochtelijk speler is, en hoewel hij er niets van kent,

steeds geluk heeft. Gisteren avond heb ik mij met mijne geldelijke

omstandigheden en mijne schulden bezig gehouden. Ik dacht er over na,

hoe ik het aan moest leggen ze te betalen, en kwam tot het besluit

dat, zoo ik niet te veel geld uitgeef, al mijne schulden mij niet

in verlegenheid zullen brengen en langzamerhand, in twee of drie

jaar, kunnen worden afgedaan; maar de som, die ik deze maand moet

betalen, bracht mij tot wanhoop. Het was me onmogelijk te betalen

en zij veroorzaakte mij meer zorgen dan vroeger de vierduizend, die

ik Ogoreff schuldig was. Toen ik mijn avondgebed deed smeekte ik God

dringend mij uit deze netelige positie te redden. 'Hoe zal ik die zaak

tot een goed eind brengen?' dacht ik bij 't naar bed gaan. 'Er kan

niets gebeuren dat mij in staat stelt die schuld af te doen.' Ik stelde

mij reeds alle onaangenaamheden voor, die ik zou moeten verduren: dat

men den wissel zou presenteeren, dat men mij van regeeringswege ter

verantwoording zou roepen, waarom ik niet betaalde enz. enz. 'Heer,

help mij,' bad ik, en sliep in.

"Den volgenden morgen kreeg ik een' brief van Nikolaas (de uwe was

er bij ingesloten) waarin hij mij schreef:

"'Zoo juist is Sado bij mij geweest. Hij heeft de wissels die jij hebt

onderteekend terug gewonnen en bracht ze mij. Hij was zoo overgelukkig

en vroeg zóó dikwijls: 'wat denk je, zal je broeder blij zijn?' dat

ik hem daarom lief heb gekregen. Die jonge man heeft een oprechte

genegenheid voor je opgevat!'

"Is het geen wonder dat mijn gebed reeds den volgenden morgen verhoord

werd; d.w.z., is er iets dat meer verwondering kan baren dan Gods

goedheid tegenover een wezen dat het zoo weinig verdient als ik? En is

het geen sprekend bewijs voor Sado's hartelijke toegenegenheid? Hij

weet dat ik een' broer heb die heel veel van paarden houdt; toen

ik hem beloofde, hem mee naar Rusland te nemen, zei hij, dat hij

het beste paard zou stelen dat er in de bergen te vinden was om het

Sergius mee te brengen, al moest het hem honderdmaal het leven kosten.

"Wilt gij zoo goed zijn, als het niet te duur is, in Toela een'

revolver en eene muziekdoos te laten koopen en mij die te zenden?

"Dat zijn dingen, die Sado heel veel genoegen zullen verschaffen." [74]

Het bovenstaande is belangrijk voor ons, omdat het ons in de

gelegenheid stelt Tolstoi's geestelijke ontwikkeling op den voet

te volgen, van zijn naief vertrouwen op een' God, die zich met zijn

kaartspel, met zijn dagelijksche bezigheden bemoeit, tot aan zijne

tegenwoordige, geheel vrije opvatting van het geloof.

Eindelijk keerde Tolstoi, na zijne dienstzaken te hebben geregeld,

naar Starogladowskaja terug. Onderweg schreef hij van uit de stanitza

Mozdok een langen brief aan zijne tante, als altijd vol betuigingen

van zijne groote liefde voor haar en tevens met droomen en plannen

voor toekomstig, eenvoudig huiselijk geluk.

"Ik zal trachten u de gedachten mede te deelen die bij mij opkwamen,

want zij betreffen ook u. Ik ben inwendig veel veranderd; dat

gebeurde mij reeds dikwijls, en zal, naar ik vermoed, wel het lot

van iedereen zijn. Hoe langer men leeft des te meer verandert men;

gij die ondervinding hebt opgedaan, kunt mij zeggen of dit waar

is. Ik denk dat onze gebreken en onze deugden--de grondslag van ons

karakter--steeds gelijk blijven, maar onze blik op het leven en het

geluk verandert met de jaren. Een jaar geleden zocht ik het geluk

in vermaak, in beweging; tegenwoordig integendeel komt de moreele,

zoowel als de physieke, rust mij het meest gewenscht voor. Maar die

rust stel ik mij voor zonder verveling, gevuld met de stille genoegens

van liefde en vriendschap; dat schijnt mij het toppunt van geluk. Men

geniet echter eerst van deze rust nadat men zich vermoeid heeft,

en van de liefde als men haar heeft moeten ontberen. Sedert eenigen

tijd ben ik van beide beroofd en daarom verlang ik er zoo naar. Ik

moet ze nog langer ontberen; voor hoe lang, dat weet God! Ik zou niet

kunnen zeggen waarom, maar ik weet dat het moet. De godsdienst en

de ondervinding, die ik in mijn leven (hoe kort ook) heb opgedaan,

hebben mij geleerd dat het leven eene beproeving is. Voor mij is het

meer: het is bovendien de boetedoening voor mijne tekortkomingen.

"Ik geloof, dat het schijnbaar zoo lichtvaardig opgekomen denkbeeld

om naar den Kaukasus te gaan, mij door God is ingegeven. Het is Gods

hand die mij leidt, waarvoor ik oneindig dankbaar ben. Ik voel, dat ik

hier beter ben geworden (wat niet veel wil zeggen, want ik ben heel

slecht geweest), en ik ben er vast van overtuigd dat alles wat mij

kan overkomen slechts tot mijn bestwil zal zijn, omdat God het zoo

heeft beschikt. Hoewel het misschien eene vermetele gedachte is, ben

ik er toch stellig van overtuigd. Daarom draag ik de vermoeienissen

en de physieke ontberingen waarvan ik spreek (het zijn eigenlijk

geen physieke ontberingen; een jonge gezonde man van 23 jaren kent

die niet) zonder ze te voelen, eerder met een soort genot, denkende

aan het geluk, dat mij wacht.

"Dat geluk stel ik mij op de volgende wijze voor.

"Ik bevind mij na een onbepaald aantal jaren--ik ben dan niet jong

meer, maar ook nog niet oud--te Jasnaja Paljana. Mijne zaken zijn in

orde, ik heb geen zorgen en behoef mij niet te kwellen. Gij woont ook

te Jasnaja Paljana. Gij zijt een beetje ouder geworden, maar ziet er

nog goed uit en gevoelt u ook wel. Wij leiden een leven zooals vroeger,

ik werk 's morgens, en den geheelen dag zijn wij bij elkaar. Dan gaan

wij dineeren. 's Avonds lees ik u iets voor, dat u niet verveelt; dan

praten we, ik vertel u van mijn leven in den Kaukasus, gij spreekt van

uwe herinneringen, van mijn' vader en mijne moeder; gij doet mij de

'griezelige verhalen' waarnaar wij vroeger met verschrikte oogen en

open monden luisterden. Wij herdenken de personen, die ons dierbaar

waren en die niet meer zijn; gij weent, mijne tranen vermengen zich

met de uwe, maar bitter zijn zij niet. Wij spreken over de broers, die

ons nu en dan komen bezoeken, en over onze lieve Maria, die met hare

kinderen ieder jaar eenige maanden op Jasnaja, dat haar zoo dierbaar

is, komt doorbrengen. Wij zullen geen kennissen hebben en niemand

zal ons met beuzelpraat vervelen. Het is een schoone droom, maar

het is nog niet eens alles wat ik waag te droomen. Ik ben getrouwd,

ik heb eene zachte, goede, liefderijke vrouw; haar liefde voor u

is even groot als de mijne. Wij hebben kinderen die u grootmoeder

noemen. Gij bewoont boven in het groote huis grootmoeders vroegere

kamers. Het huis is nog juist zoo als in den tijd van papa, en wij

zullen hetzelfde leven leiden; alleen de rollen zijn verwisseld. Gij

krijgt de rol van grootmoeder, maar gij vervult haar nog beter;

ik die van papa, hoewel ik vrees haar nooit waardig te zullen zijn;

mijne vrouw die van mama, de kinderen de onze. Maria krijgt de rol

van de twee tantes, behalve de rampen die haar troffen, en zelfs

Gascha speelt voor Praskowija Ilinischna.--Maar er ontbreekt ons

één persoon, die de rol op zich kan nemen die gij vroeger in onze

familie gespeeld hebt; nooit zullen we iemand vinden zóó goed, zóó

beminnelijk als gij. Gij hebt geen opvolgster. Dan zullen er nog nieuwe

acteurs van tijd tot tijd ten tooneele verschijnen: de drie broers,

vooral Nikolaas, een oude vrijer, kaalhoofdig, niet meer in dienst,

en altijd even goed en edel. Ik stel mij voor hoe hij zal zijn als

hij oud is, hoe hij de kinderen sprookjes zal vertellen, hoe zij op

zijne knieën zullen klimmen, hoe hij met hen zal spelen, hoe mijne

vrouw haar best zal doen om zijn lievelingsgerecht klaar te maken, hoe

wij herinneringen zullen ophalen aan lang vervlogen dagen, hoe gij op

uwe gewone plaats zult zitten en met genoegen naar ons zult luisteren;

hoe gij ons, dan reeds op leeftijd, met onze kindernamen--Ljewotschka,

Nikoljenka--zult aanspreken, en hoe gij ons zult berispen, mij omdat

ik met mijne vingers eet en hem omdat zijne handen niet schoon zijn.

"Wanneer ik keizer van Rusland was, of als men mij Peru zou willen

schenken, in één woord indien er eene toovergodin kwam, die mij

toestond een' wensch te doen, dan zou ik niets anders vragen, dan dezen

droom werkelijkheid te laten worden. Ik weet het wel dat gij er niet

van houdt den tijd vooruit te loopen, maar wat steekt er voor kwaad

in? En het schenkt mij zoo'n groot genoegen. Ik vrees dat ik egoïstisch

ben geweest en uw deel van 't geluk te klein heb gemaakt. Ook dat de

smart zoo diepe sporen in uw hart heeft achtergelaten, dat gij niet

meer ten volle van de toekomst kunt genieten.

"Zeg, lieve tante, zoudt gij niet gelukkig zijn? Het kan alles

nog eens werkelijkheid worden en de hoop is zoo zoet. Mijne tranen

beginnen weer te vloeien. Waarom toch is dit steeds zoo als ik aan

u denk? Het zijn tranen van geluk die in mijn oogen dringen omdat

ik u mag liefhebben. Al trof het grootste ongeluk mij ook, volkomen

ongelukkig zou ik niet zijn, zoolang gij nog in leven zijt. Herinnert

gij u het afscheid nog bij de kleine kapel van Uwerskaja, toen wij

naar Kazan verhuisden? Toen, als door een ingeving, op het laatste

oogenblik, begreep ik wat gij voor ons geweest waart, en hoewel ik

nog een kind was, hebben mijne tranen en een paar gestamelde woorden

u kenbaar gemaakt wat er in mij omging. Ik heb steeds van u gehouden,

maar het gevoel dat mij bij de kleine kapel doordrong en mij ook nu

beheerscht is geheel iets anders, het is sterker en hooger.

"Nu moet ik u iets bekennen waarvoor ik mij diep schaam, maar ik moet

het u vertellen om mijn geweten te ontlasten. Vroeger, bij 't lezen

van uwe brieven, dacht ik dat gij overdreeft in uwe uitingen van

genegenheid voor mij, maar nu, terwijl ik ze herlees, begrijp ik uwe

onbegrensde liefde en uwe verheven ziel. Ik ben er van overtuigd dat

iedereen behalve gij, die de laatste twee brieven zou lezen, ook mij

van overdrijving zou beschuldigen. Van u vrees ik dat oordeel niet; gij

kent mij te goed en weet dat mijne gevoeligheid misschien mijn eenige

goede hoedanigheid is. Aan haar dank ik de schoonste oogenblikken van

mijn leven. Maar in ieder geval is dit de laatste brief, waarin ik

mij veroorloof mij zoo overdreven uit te drukken,--overdreven voor

onverschilligen, maar niet voor u.

"Sedert mijne reis en mijn verblijf in Tiflis is er geene verandering

in mijne leefwijze gekomen. Ik tracht zoo weinig mogelijk kennissen

te krijgen en word niet intiem met degenen die ik heb. Men heeft zich

reeds aan mijne manieren gewend; niemand maakt het mij meer lastig

en ik ben zeker dat men mij een' zonderling en een' trotschaard noemt.

"Het is echter geen trots, het is geheel van zelf gekomen. Door mijne

opvoeding, mijn voelen en denken verschil ik zooveel van de anderen,

dat ik onmogelijk met genoegen in hun gezelschap kan zijn. Nikolaas

verstaat de kunst, ondanks het groote onderscheid dat er tusschen hem

en die heeren bestaat, zich met hen te amuseeren en zich bovendien nog

bemind te maken. Het is waar dat mijne wijze van leven niet geschikt is

om plezier te maken, maar daar denk ik ook sinds lang niet meer aan. Ik

begin nu smaak te krijgen in het lezen van geschiedkundige werken;

dit was steeds een punt van verschil tusschen u en mij, maar nu ben ik

het geheel met u eens. Mijn letterkundige arbeid gaat ook een gangetje,

maar voorloopig denk ik er nog niet aan iets te laten drukken.

"Ik heb een geschrift, dat ik lang geleden ben begonnen, reeds

driemaal omgewerkt en ik zal het, om het naar mijn' zin te krijgen,

nog eens voor de vierde maal veranderen.

"Misschien gaat het er mee als met het werk van Penelope; daarom zal

ik er echter geen' tegenzin in krijgen: ik schrijf voor mijn nut en

genoegen en niet uit eerzucht. Hoewel ik er dus ver van af ben mij

te amuseeren, verveel ik mij ook niet. Ten eerste heb ik bezigheid,

maar bovendien smaak ik een genot, veel beter en verhevener dan het

gezelschapsleven mij ooit had kunnen schenken: ik leef in vrede met

mijn geweten, ik begin mij zelf te kennen en goede en edele gevoelens

ontwaken in mij.

"Er was een tijd dat ik trotsch was op mijn verstand, mijne positie

in de wereld en mijn' naam, maar tegenwoordig weet en voel ik, dat,

zoo er iets goeds in mij is en zoo er iets bestaat waarvoor ik de

Voorzienigheid dankbaar moet zijn, het hierin bestaat, dat Zij mij een

goed hart heeft geschonken en mij gevoelig maakte voor de liefde. Aan

haar alleen dank ik de heerlijkste oogenblikken van mijn leven,

die ik hier dikwijls geniet, ondanks alle afwezigheid van vermaak en

gezelschap. Ik ben niet slechts tevreden, ik ben dikwijls gelukkig."

Na in Februari te hebben deelgenomen aan een' veldtocht, waarbij hij in

rang werd verhoogd, keerde Tolstoi in Maart weer naar Starogladowskaja

terug.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 12 / 32 段