De aankomst van Leo Tolstoi in den Kaukasus, viel voor in dezen tijd

en daarop hebben ook de verhalen _De Overrompeling_, _De Kozakken_

en andere betrekking.

De beide broers reisden van Astrakan in eene postkoets over Kizljar

naar Starogladowskaja, de plaats hunner bestemming, waar Tolstoi,

die als particulier persoon in den Kaukasus aankwam, bij zijn'

broeder ging inwonen.

De eerste indruk, dien hij van den Kaukasus kreeg, was niet

schitterend. Spoedig na aankomst schreef hij zijne tante:

"Einde Mei ben ik hier in het kamp aangekomen. Ik heb nu van nabij het

leven gezien dat Nikolaas leidt en kennis gemaakt met de officieren van

zijn' kring. Dat leven trekt mij niet erg aan, evenmin als het land,

dat ik me heel mooi had voorgesteld en het absoluut niet is. Daar

de stanitza op een laag terrein ligt, hebben we in 't geheel geen

uitzicht; het logies is slecht en ontbloot van alle comfort.

"Wat de officieren betreft, die zijn, zooals ge u kunt voorstellen,

menschen zonder opvoeding maar dapper, en zij houden over 't algemeen

heel veel van Nikolaas.

"Alexejeff, zijn chef, is een klein, rossig, goedig mannetje met

snor en bakkebaarden en een doordringende stem; hij herinnert even

aan A. S. Wolkoff, maar is niet zoo'n huichelaar. De jonge officier

W.... is een kind, maar een goed kind, die aan Petroescha doet

denken. Dan Bjelkowski, een oude kapitein der Kozakken uit den Oeral,

een eenvoudige man, maar een dapper en braaf soldaat. Ik wil u wel

eerlijk bekennen, dat er in 't begin heel veel was in dit gezelschap

dat mij niet aangenaam aandeed; nu ben ik er echter aan gewend,

maar ik zal toch nooit intiem met die heeren worden.

"Ik heb het middel gevonden--daarvoor behoef ik slechts Nikolaas'

voorbeeld te volgen--om noch te veel op een afstand, noch te familiaar

met hen om te gaan." [63]

In Starogladowskaja bleef Tolstoi niet lang, daar hij zijn' broer

vergezelde, die ter dekking van de gewonden naar Stari-Joert werd

gezonden, waar juist een warm-waterbron was ontdekt. Volgens Tolstoi's

verhalen is Stari-Joert een bijzonder mooi gelegen plaatsje, met

ongeveer 1500 inwoners. Even hooger bevindt zich de staalbron, die,

naar men gelooft, nog meer geneeskracht heeft dan de Pjatigorkische

bronnen. De temperatuur van het water is zóó hoog, dat, toen de hond

van Nikolaas Tolstoi er eens in viel, hij zulke hevige brandwonden

kreeg dat hij er aan stierf.

De bron verdeelt zich in eene menigte kleine beekjes, zóó ondiep

dat men ze gemakkelijk kan afdammen. De inwoners gebruiken ze als

drijfkracht voor hunne molens.

De volgende brief, door Tolstoi aan zijne tante geschreven, zal ons

daar meer van vertellen.

"Nikolaas moest een week na aankomst weer verder, en ik ben met hem

meegegaan. We zijn nu sedert drie weken hier, en wonen in eene tent,

wat mij, daar het weer heel mooi is en ik reeds begin te gewennen, heel

goed bevalt. Men heeft hier prachtige vergezichten van de bron uit.

"'t Is een enorme, steenachtige berg; sommige rotsen liggen, een

soort van grot vormend, los op elkaar, andere weer blijven op groote

hoogte hangen. Zij zijn los gescheurd door den stroom warm water,

die steeds met veel geraas neerstort. Een witte damp, die uit het

warme water opstijgt, omringt voortdurend het hoogere gedeelte van den

berg. Het water is zoo warm dat een ei in drie minuten gekookt is. Een

schilderachtig effect maken drie eigenaardig geconstrueerde molens die,

in 't midden van het ravijn, in den hoofdstroom staan. De vrouwen van

de Tartaren loopen den geheelen dag af en aan om daar hunne kleeren

te wasschen. Verbeeld u, zij wasschen met hunne voeten. Het lijkt

precies een groote mierenhoop. De vrouwen zijn over 't algemeen

mooi en goed gebouwd; hare Oostersche kleeding is armoedig maar

sierlijk. De schilderachtige groepjes van deze vrouwen, gevoegd bij

de wilde schoonheid van de natuur, levert werkelijk een prachtigen

aanblik op. Soms zit ik uren het landschap te bewonderen. Boven op

den berg is het uitzicht nog mooier en weer geheel anders, maar--ik

vrees dat ik u met mijne beschrijvingen ga vervelen.

"Ik vind het heel aangenaam dat ik bij de bronnen ben en profiteer er

van, neem staalbaden en heb nu geen pijn meer in mijne voeten. Steeds

had ik last van rheumatiek en ik geloof dat ik met ons watertochtje nog

meer kou heb gevat. Zelden heb ik me zoo goed gevoeld als tegenwoordig

en ondanks de groote hitte neem ik veel beweging.

"Er zijn hier veel officieren, van 't zelfde soort als die ik u

vroeger heb beschreven. Ik ken ze allen en sta op den zelfden voet

met hen als met de anderen." [64]

Van uit Stari-Joert nam Tolstoi als vrijwilliger deel aan de

strooptochten die tegen de bergbewoners werden ondernomen. Deze tijd

schonk hem oogenblikken van poëtische verrukking; daarvan lezen wij

in zijn dagboek:

Stari-Joert, 11 Juni 1851.

"Gisteren nacht heb ik geen oog dicht gedaan. Nadat ik mijn dagboek had

bijgewerkt, deed ik mijn gebed. Het is mij niet mogelijk het zalige

gevoel te beschrijven dat mij daarbij doortrilde. Ik begon met het

Onze Vader en de andere gebeden, die ik gewoonlijk zeg, doch bleef

daarna nog lang in gepeins verzonken. Indien men het gebed als een

verzoek of eene dankzegging beschouwt, dan bad ik niet. Ik verlangde

iets onzegbaar hoogs en verhevens, maar uiten kon ik het niet, hoewel

het mij zelf heel duidelijk was wat ik wenschte; ik wilde gelijk

worden aan een bovenaardsch wezen en smeekte God mij mijne zonden

te vergeven; neen, dat vroeg ik niet, want ik voelde dat, waar mij

deze zalige oogenblikken geschonken werden, mijne zonden reeds waren

vergeven. Ik bad en tevens voelde ik dat ik niet behoefde te bidden,

dat ik er niet toe in staat was en dat ik het niet kon. Ik dankte

God, maar zwijgend, niet met woorden. Mijn ziel was één gebed, één

dankzegging. Het gevoel van angst was geheel verdwenen. Geen Geloof,

geen Hoop, geen Liefde maakte zich los van dit alles overheerschende

gevoel. Stil,--dit was het gevoel, dat mij gisterenavond beheerschte:

het was de liefde tot God, de liefde die alles wat goed is in zich

heeft, die alles wat slecht is van zich verwijdert. Hoe vreeselijk was

het mij te blikken naar die lage, slechte zijde van het leven, en hoe

onbegrijpelijk dat ik mij ooit door haar liet meesleepen! Hoe innig

bad ik God, mij in zijne hoede te nemen. Ik voelde mij los worden van

de aarde, ik was ... maar neen, het aardsche, het lage herkreeg reeds

weer zijn macht over mij, en nauwelijks was er een uur verloopen of,

bijna zoo duidelijk alsof ik haar hoorde, lokte de stem van het lage,

de stem van de ijdelheid mij; ik wist waar die stem vandaan kwam,

ik wist dat zij mijne zaligheid zou verwoesten, dat ik zou strijden,

maar dat zij zou overwinnen. Ik sliep in en droomde van macht en van

vrouwen; maar ik had geen schuld, ik kon niet anders.

"De eeuwige zaligheid is hier op aarde niet te bereiken. Wij moeten

lijden. Waarom? Ik weet het niet. En hoe durf ik zelfs zeggen:

ik weet het niet. Hoe waagde ik het te denken dat ik de wegen

der Voorzienigheid zou kunnen doorgronden. Zij is de bron van het

verstand, en het verstand wil haar begrijpen.... Het verstand verdwaalt

langs de afgronden van deze wijsheid en het gevoel vreest haar te

beleedigen. Ik dank God voor dat oogenblik van zaligheid, waarin

hij mij mijne grootheid en mijne kleinheid liet aanschouwen. Ik wil

bidden maar ik kan niet. Ik wil begrijpen maar ik kan het niet. Heer,

in Uwe handen beveel ik mijne ziel!

"Waarom heb ik dit alles neergeschreven?

"Hoe laag bij den grond, hoe zinneloos heb ik mijne gedachten

uitgedrukt, en zij waren toch zoo hoog!"

Deze vlagen van religieuse verrukking veranderden dikwijls in angst

en apathie. Den 2den Juni, nog steeds in Stari-Joert, schreef hij in

zijn dagboek:

"Nu denk ik, wanneer ik mij al die droevige oogenblikken uit mijn leven

te binnen breng, die mij als lood terneer drukken ... maar neen, er is

reeds te weinig vreugde in het leven, veel te gemakkelijk te bereiken

stelt de mensch zich het geluk voor, veel te vaak--en waarom?--slaat

ons het noodlot, weerklinkt smartelijk in ons de gevoeligste snaar,

dan dat wij het leven nog lief konden hebben; en daarbij, er ligt iets

zoets, iets verhevens in de onverschilligheid tegenover het leven,

en ik geniet van die gevoelens. Hoe sterk voel ik mij tegenover de

vaste overtuiging, dat ons niets meer wacht dan de dood; en dadelijk

daarna herinner ik mij met blijdschap, dat mijn paard mij wacht, dat

ik naar Tscherkesk zal rijden, de vrouwen zal naloopen, en het maakt

me wanhopig, dat de eene punt van mijn snor hooger reikt dan de andere,

en twee volle uren sta ik voor den spiegel om dit te veranderen."

Tolstoi veranderde verschillende malen van verblijfplaats, omdat

zijn broer Nikolaas, wiens standplaats eigenlijk Starogladowskaja

was, dikwijls naar Stari-Joert werd gezonden en hij hem dan steeds

vergezelde.

Door het feit, dat de schilderachtige beschrijvingen in Tolstoi's

eerste werken alle op Stari-Joert betrekking hebben, heeft dit

plaatsje eene historische vermaardheid verkregen. De prachtige natuur

van het noordelijk gedeelte van den Kaukasus, de bergen, de Tjerek,

de onverschrokkenheid van de Kozakken, hunne primitieve leefwijze,

alles werkte mee om zijn genie, steeds strijdende voor het ideaal der

waarheid, den weg te wijzen. In zijn werk _De Kozakken_ beschrijft

Tolstoi den overweldigenden indruk, dien de grootsche natuur op

hem maakte.

"Het was een klare, heldere morgen. Plotseling zag Oljenin, zooals

hij eerst meende op nauwelijks twintig schreden afstand, de omtrekken

van iets overweldigend groots, smetteloos wit, zich vaag, in grillige

lijnen afteekenend tegen den ver verwijderden hemel. Maar toen hij

begreep dat er een groote afstand was tusschen hem en de bergen en

hij doordrongen werd van hun onuitsprekelijke schoonheid, toen was

het hem alsof hij droomde. Hij stond op om geheel wakker te worden,

en zie--de bergen bleven.

"'Wat, wat is dat?' vroeg hij zijn' begeleider.

"'Natuurlijk bergen,' antwoordde de drijver.

"'Ik heb er ook reeds lang naar gekeken,' zei Wanjoescha. 'Wat zijn

ze mooi! Thuis zouden zij het niet kunnen gelooven.'

"Steeds verder en verder scheen de bergketen, waarvan de toppen door

de morgenzon zacht rose werden getint, bij de snelle nadering van de

troika terug te wijken. Eerst was het bewondering, toen verrukking

die Oljenin aangreep op het gezicht van deze sneeuwbergen. En turende

naar de blanke toppen der bergen, oprijzende uit de steppen, begon

hij te begrijpen, werd hij geheel doordrongen van hunne grootsche

schoonheid. En alles wat hij zag op den weg en alles wat hij dacht

zag hij in het licht van die verheven bergen. Zij verdreven alles uit

zijne herinnering, zijne dwalingen, zijne droomen, zijne schande en

zijn berouw, alles was als weggevaagd. 'Heden begint gij te leven,'

fluisterde eene geheimzinnige stem. En de weg en de kronkelende

Tjerek en het kamp en het volk, alles kreeg een ander aanzien. Naar

den hemel ziende zag hij de bergen. Hij keek naar zich zelf, hij

keek naar Wanjoescha en dacht aan de bergen. Twee Kozakken op vlugge

paardjes reden over den weg, maar de bergen.... Een lichte damp steeg

op naar den hemel, de zon kwam op en begroette de bloemen langs den

oever van de Tjerek, maar de bergen.... Uit het kamp kwam eene vrouw,

zij was jong en schoon, maar de bergen.... De Abreken zwierven door

de steppen, maar hij vreesde hen niet: hij was jong, hij was moedig,

goed gewapend en hij droomde van de bergen."

In Augustus vinden wij Tolstoi weder in Starogladowskaja.

Door de lezing van het boek _De Kozakken_, dat een sterk

autobiografisch karakter draagt, kunnen wij ons een juist denkbeeld

vormen van de wijze waarop Tolstoi zijn tijd in de stanitza

doorbracht. Zijne verhouding tot de Kozakken, zijne bewondering voor de

grootsche natuur, de jacht en zijn zielestrijd, die hem nooit verliet,

dat alles vinden wij in dit werk beschreven.

Een klein fragment laten wij hier volgen.

Oljenin, zittende in het groene bosch, komt op de volgende gedachte:

"Waarom ben ik nu gelukkig en waarvoor heb ik vroeger geleefd? Wat

eischte ik veel voor mij zelf en wat heb ik gewonnen? Niets dan zorg,

niets dan verdriet. En zie, ik heb niets noodig om gelukkig te zijn.

"Plotseling was het alsof er een nieuw licht voor hem opging. Het

geluk, peinsde hij verder, bestaat klaarblijkelijk daarin, om voor

anderen te leven. In iederen mensch bestaat de drang naar geluk,

dat is een natuurlijke wensch. Wanneer hij het op eene egoïstische

wijze gaat zoeken, d.w.z. wanneer hij voor zichzelf rijkdom,

macht of liefde vraagt, dan zal het gebeuren, dat zijne wenschen

onbevredigd blijven, want dat zijn geen natuurlijke maar onwettige

begeerten en het verlangen naar zulk een geluk heeft geen recht van

bestaan. Welke wenschen kunnen verwezenlijkt worden? Welke? De liefde

en de zelfopoffering.

"Deze, naar hij meende, nieuwe ontdekking maakte hem zoo gelukkig,

dat hij plotseling opsprong en rondziende dacht: Voor wien kan ik mij

opofferen, wien kan ik goed doen, wien liefhebben? Ik heb immers niets

noodig voor mij zelf; waarom dus niet voor anderen te leven?" [65]

De stem der liefde vond toen reeds weerklank in de ziel van den

jongeling, die nog nauwelijks zijne intrede in de wereld had

gedaan. Maar ook de uiterlijke omstandigheden kregen macht over

dezen jongen, krachtigen man en sleepten hem mee op de wegen waar

het dierlijk instinct ons voert.

Het spreekt van zelf, dat het leven in de stanitza niet voorbij

ging zonder dat Tolstoi, jong en hartstochtelijk als hij was, een'

roman beleefde. Hij vatte eene groote liefde op voor eene jonge

Kozatschka. [66] De geschiedenis van deze liefde is in het werk _De

Kozakken_ beschreven, maar nog duidelijker beeld kunnen wij er ons van

vormen uit een' brief, dien hij aan een' vriend in Moskou schreef. In

dezen brief zien wij Tolstoi's groote liefde voor de natuur, zijn'

wensch om zich met haar te vereenzelvigen, en zijn verdriet als hij tot

de erkenning komt, dat het niet mogelijk is; dat zijne ontwikkeling

het verhindert; dat hij zich reeds zoover van haar heeft verwijderd,

dat zich een afgrond heeft gevormd, die nooit meer is te dempen.

"O, hoe beklaag ik je! Je hebt geen begrip van zulk een geluk en

wat het leven is! Eerst moet je het leeren kennen in zijne volle

schoonheid. Eerst moest je zien wat ik dagelijks voor mij zie:

de eeuwige, ongerepte sneeuwbergen en de vrouw in haar verheven

schoonheid,--zoo schoon als de eerste vrouw in 't Paradijs moet zijn

geweest,--en dán zal het je duidelijk worden wie van ons te gronde

zal gaan, wie in de waarheid en wie in den leugen leeft, jij of ik! O,

hoe beklaag ik je in je waan!

"Als ik mij zelf terug denk, in plaats van met mijn huisje, mijn

bosch en mijne liefde, in de salons gevuld met vrouwen met opgemaakte

valsche haren, onnatuurlijke spraak, slechte en misvormde gestalten,

leege salonpraatjes die moeten doorgaan voor een gesprek, dan walg ik

van dat alles. Wanneer ik mij die onbeteekenende gezichten voorstel,

die rijke jonge meisjes, rondloopende alsof zij zeggen willen: 'kom

maar bij me, al ben ik ook rijk, gij kunt me krijgen', het hier

hangen en daar leunen, die onbeschaamde koppelarij, die eeuwige

babbelpraatjes, die gekunsteldheid, de etiquette die voorschrijft

wien men een hand moet geven, voor wien men moet buigen, met wien

men een gesprek moet aanknoopen, en ten slotte die allesbeheerschende

verveling, die overgaat van geslacht op geslacht, en dat alles in de

overtuiging dat dát noodzakelijk is!

"Begrijp en geloof. Begrijp wat waarheid en schoonheid is, dan zal

alles wat gij voor geluk houdt, alles wat gij wenscht, voor mij,

zoowel als voor u, vervliegen als kaf voor den wind. Het geluk is:

leven met de natuur, haar zien, haar voelen. 'Hij zal nog eens eene

Kozatschka huwen, en geheel voor de maatschappij verloren gaan,'

hoor ik de menschen reeds medelijdend zeggen.

"En ik, ik heb maar één wensch, geheel te gronde te gaan, zooals gij

dat begrijpt, en eene eenvoudige Kozatschka te huwen, maar ik heb er

geen moed toe, want het geluk zou te groot zijn.

"Drie maanden zijn verloopen sedert ik voor het eerst Mariana zag. Nog

kleefden mij alle vooroordeelen aan, die ik had meegebracht uit den

kring dien ik juist had verlaten. Nooit had ik kunnen denken, dat

ik voor deze vrouw liefde zou gevoelen! Ik bewonderde haar zooals

ik de natuur, de bergen bewonderde, en ik kon niet anders, want haar

schoonheid is aan hen gelijk.

"Later, toen het mij duidelijk werd dat ik haar schoonheid niet

meer kon ontberen, vroeg ik mij af of ik haar lief had, maar ik

antwoordde ontkennend. Wat ik voelde kwam niet voort uit verveling,

noch uit den wensch om te trouwen; het was geen platonische en geen

zinnelijke liefde.

"Ik moest haar zien, haar hooren, haar in mijne nabijheid weten;

ik was niet wat men gelukkig noemt, maar ik was rustig.

"Na een' avond, dien ik in haar gezelschap had doorgebracht, nadat

ik hare aanraking gevoeld had, begreep ik dat tusschen mij en die

vrouw een band werd geweven, waartegen niet viel te strijden.

"Toch heb ik mij verzet. Ik hield mij voor: kunt ge dan eene vrouw

liefhebben, die nooit uw innerlijk leven zal kunnen begrijpen; kunt

ge haar dan liefhebben, alleen om haar schoonheid, eenvoudig als een

vrouwelijk beeld? Maar ik hield reeds van haar, hoewel ik het mij

zelf niet wilde bekennen.

"Na dat feestje, waarop ik voor 't eerst met haar sprak, kwam er

eene verandering in onze verhouding. Vroeger beschouwde ik haar

als een vreemd, verheven voortbrengsel der natuur; nu werd zij een

mensch voor mij. Ik begon haar gezelschap te zoeken, sprak met haar,

bezocht haar vader soms op het werk en bracht geheele avonden in

haren familiekring door.

"En toen ik haar nader trad, bleef zij toch voor mij even rein,

gesloten en verheven. Zij antwoordde mij steeds even rustig, uit de

hoogte en kalm. Soms was zij vriendelijk, maar meestal drukte iedere

blik, iedere beweging onverschilligheid uit, doch niet minachtend,

altijd betooverend. Met een geveinsd lachje, maar met een inwendig

hartstochtelijk verlangen, sprak ik met haar over onverschillige

dingen en trachtte haar iederen dag nader te komen. Zij merkte dat ik

huichelde, maar zag mij steeds eenvoudig en recht in de oogen. Ik kon

het niet langer verdragen. Liegen wilde ik niet voor haar, ik wilde

alles uitspreken wat ik voelde. Wij waren in den tuin. Ik was zeer

opgewonden en verklaarde haar mijne liefde, met woorden waarvoor ik

mij nu nog schaam, want zij stond zooveel hooger dan deze woorden,

waarmee ik haar mijne liefde te kennen gaf. Toen zweeg ik, maar van

dien dag af werd mijne positie onverdraaglijk.

"Ik wilde mij niet voor haar vernederen en op den zelfden voet als

vroeger met haar omgaan, en ik voelde dat ik niet in staat was gewoon

met haar te zijn. Wanhopig vroeg ik mij af wat ik doen moest.

"In mijne droomen zag ik haar als mijne geliefde, als mijne vrouw,

en beide gedachten stootte ik vol afschuw van mij. De gedachte haar

als eene deern te beschouwen was verschrikkelijk, stond gelijk met

een moord, en haar tot eene barinja [67] te maken nog erger.

"Als ik een Kozak kon worden als Loekaschka, paarden stelen, tschichir

[68] drinken, lustig zingen, menschen dooden en 's nachts dronken door

het venster in haar kamer klimmen, zonder te bedenken wie ik ben en wat

ik wil--dan konden wij elkaar begrijpen en dan kon ik gelukkig zijn!"

Maar als Loekaschka worden kon hij niet en dus was dat geluk niet

voor hem weggelegd.

In September schreef hij zijne tante een' brief, waaruit reeds

duidelijk de toekomstige schrijver te herkennen is.

Hier treft ons vooral de doordachte wijze waarop hij zich weet uit te

drukken. Waarschijnlijk bestormden hem toen reeds tal van gedachten

en deed hij zorgvuldig eene keuze voordat hij ze aan het papier

toevertrouwde. Op de volgende wijze drukt hij zijne gevoelens uit:

"Gij hebt mij verschillende malen verteld, dat gij uwe brieven nooit

in klad schrijft. Ik heb uw voorbeeld gevolgd, maar ben er niet wel

bij gevaren, want dikwijls overkomt het mij, dat ik bij overlezing

alles weer verscheur. Dat gebeurt niet uit valsche schaamte, want

eene spelfout, een klad of een verdraaide zin hinderen mij niet,

maar omdat ik het nog niet zoo ver heb gebracht, mijne pen en mijne

gedachten de juiste richting te geven. [69]

"Juist heb ik een' brief verscheurd, omdat ik veel dingen gezegd had,

die ik had willen zwijgen, en omgekeerd. Gij denkt misschien dat ik

me nu anders toon dan ik ben en zult zeggen, dat dit niet goed is

tegenover menschen waarvan wij houden en die wederkeerig veel om ons

geven. Ik moet dat toestemmen, maar stem gij dan ook toe, dat wij wel

alles aan een' persoon die ons onverschillig is, vertellen, maar dat

wij voor iemand, waar we veel van houden, vaak sommige dingen zouden

willen verzwijgen."

In 't bewustzijn van zijne jonge kracht ontwaakte in hem de drang om

die te gebruiken, zoodat hij besloot in gezelschap van zijn' vriend

Jepischka (in _De Kozakken_ beschreven onder den naam Jeroschka)

eene reis te gaan maken. Die reis nu leverde zeer veel gevaren op,

omdat zij ieder oogenblik de kans liepen door de wilde bergbewoners

te worden overvallen.

Goed en wel weer teruggekomen ontmoette hij een familielid, een

zekeren Ilija Tolstoi, die hem vroeg hem te vergezellen. Door dezen

Ilija Tolstoi werd hij voorgesteld aan den opperbevelhebber, vorst

Barjatjinski, met wien hij eenigszins op vertrouwelijken voet kwam en

die hem zijne goedkeuring te kennen gaf over de ferme, flinke wijze

waarop hij aan de gevechten deel nam. Tevens gaf hij hem den raad

een verzoekschrift in te dienen om in het leger te worden opgenomen,

daar hij nog steeds als volontair dienst deed.

De vleiende woorden van den vorst en het aandringen zijner familie

deden Tolstoi besluiten dien raad op te volgen.

De maanden Augustus en September bracht hij door in

Starogladowskaja. In September ging hij met zijn' broer Nikolaas naar

Tiflis. Deze vertrok echter na korten tijd, maar Tolstoi bleef er om

zijn examen te doen en daarna in dienst te treden. Uit Tiflis schreef

hij zijne tante:

"Wij zijn inderdaad den 25en vertrokken en na eene reis van zeven

dagen, gedeeltelijk vervelend, omdat er op de wisselstations steeds

gebrek aan paarden was, gedeeltelijk aangenaam door de schoonheid

van het landschap, kwamen wij den 1en van deze maand op de plaats

onzer bestemming.

"Tiflis is een zeer beschaafde stad, die haar best doet P.... na

te apen en daar vrij goed in slaagt. Men vindt er een uitgelezen,

tamelijk uitgebreiden gezelschapskring, een Russisch tooneelgezelschap

en eene Italiaansche opera, waarvan ik zooveel profiteer als mijne

armzalige middelen mij toelaten. Ik heb mijn' intrek genomen in het

Duitsche kwartier; het is wel is waar eene voorstad, maar heeft voor

mij een dubbel voordeel. Ten eerste is het er mooi; rondom zijn tuinen

en wijnaanplantingen, zoodat men zich kan verbeelden buiten te zijn

('t is nog heerlijk weer; tot nu toe hebben we nog geen sneeuw of ijs

gezien). Ten tweede betaal ik voor twee vrij zindelijke kamers vijf

roebel per maand, terwijl ik voor eene dergelijke woning in de stad

minstens veertig zou moeten geven; bovendien kan ik me gratis in het

Duitsch spreken oefenen. Verder heb ik mijne boeken, mijne bezigheden

en nog vrijen tijd, daar niemand mij komt storen, zoodat ik mij,

alles bij elkaar genomen, niet verveel. Gij herinnert u nog wel,

lieve tante, dat gij mij eens den raad hebt gegeven romans te gaan

schrijven. Nu, ik heb dien opgevolgd en ben nu met een literairen

arbeid begonnen. Ik weet niet of mijn werk ooit het licht zal zien,

maar het houdt mij in ieder geval aangenaam bezig." [70]

Belangwekkend in dezen brief is, dat wij eruit zien hoe eenvoudig zich

dat groote, zich nog onbewuste talent ontwikkelde. In dezen tijd werd

Tolstoi ziek. Het duurde eenige maanden voordat hij geheel hersteld

was. Die gedwongen rust gebruikte hij voor het schrijven van zijn

eerste werk en om zijne aanstelling in het leger te verkrijgen, hetgeen

veel bezwaren opleverde, daar zijne papieren niet geheel in orde waren.

De volgende brief, geschreven 23 December 1851, aan zijn' broer

Sergius, geeft ons nog eenige bijzonderheden uit Tolstoi's leven te

Tiflis en in de stanitza.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 11 / 32 段