"Ik vond het heel prettig op het land met tante Tatjana. maar een
onbestemde dorst naar wetenschap maakte zich weer van mij meester. Het
was in 1848; ik was nog in 't geheel niet besloten wat ik zou doen. In
St.-Petersburg stonden twee wegen voor mij open, n.l. bij 't leger gaan
en den Hongaarschen veldtocht mee maken, of mijne studiën voltooien
om naderhand ambtenaar te worden. De drang naar wetenschap was
echter sterker dan mijne eerzucht en zoo nam ik de studie dan weer
op. Ik deed zelfs twee examens, in de rechten, maar toen vervlogen
al mijne voornemens weer. De lente kwam, en met haar de lokstem van
het landleven, die mij naar ons landgoed terugriep." [54]
Tolstoi's leven te St.-Petersburg kunnen wij het best beoordeelen uit
de brieven aan zijn' broer Sergius, waarvan wij hier de belangrijkste
laten volgen.
13 Februari 1848 schreef hij:
"Ik schrijf je dezen brief uit St. Petersburg, waar ik van plan ben
eeuwig te blijven. Ik ben voornemens hier mijn examen te doen en dan
ambtenaar te worden; als ik niet slaag (en alles kan gebeuren), dan zal
ik eene lagere betrekking aannemen. Ik ken heel veel ambtenaren tweede
klasse, die niet slechter zijn dan gij, die tot de eerste behoort. Het
leven te St.-Petersburg heeft een grooten en goeden invloed op mij;
ik raak hier gewend aan den arbeid en zonder dat ik het zelf heb
gewild, is mijne dagverdeeling veranderd. Men kan hier niet niets doen,
iedereen heeft zijne bezigheden. Allen werken, men vindt hier niemand
die een leven van ledigheid leidt, en alleen kunt ge dat ook niet.
"Ik weet wel, dat je het toch niet gelooft, dat ik veranderd ben, en
dat je zegt: 'dat is nu al wel de twintigste maal, dat jij van plan
verandert, van jou komt nooit wat terecht, jij bent een praatjesmaker';
maar neen, ik ben nu heel anders veranderd dan vroeger. Toen zei ik:
'kom, laat ik eens veranderen'. Maar nu zie ik, dat ik veranderd ben
en ik zeg: 'ik _ben_ veranderd'.
"'t Voornaamste is, dat ik nu ten volle overtuigd ben, dat theorie
en filosofie niets zijn voor het leven; men moet positief leven,
d.w.z. een praktisch mensch zijn. Het is eene groote stap, en eene
verandering zooals er bij mij nog niet heeft plaats gegrepen.
"Wanneer men jong is en wil leven, dan is St.-Petersburg de eenige
plaats. Hoeveel richtingen kan men niet uit, en iedereen kan hier
bevredigd worden; alles kan zich hier ontwikkelen en gemakkelijk,
zonder eenige moeite. Wat het leven aangaat, dat is voor een ongetrouwd
man niet duur; zelfs goedkooper dan in Moskou, behalve de woning. Groet
al de onzen van mij en zeg hun, dat ik misschien, misschien ook niet,
van den zomer bij hen kom; ik ben van plan dan vrij te nemen en de
omstreken van Petersburg eens te gaan bekijken, en ook Helsingfors
en Reval.
"Schrijf mij toch eens, in 's hemelsnaam; ik zou graag willen weten,
hoe gij en de anderen dit nieuws opnemen, en vraag hun mij ook eens
te schrijven. Ik durf het zelf niet te doen, omdat ik zoo lang niets
van mij heb laten hooren en ik nu vrees, dat ze boos op mij zijn. Ik
voel me vooral bezwaard tegenover tante Tatjana; vraag haar voor mij
om vergiffenis."
Maar och, deze heilige voornemens zouden niet verwezenlijkt worden. Het
moet Tolstoi vreemd hebben aangedaan neer te schrijven dat zijn
broeder hem een praatjesmaker noemde, hetgeen hij bovendien zelf moest
toegeven, zooals blijkt uit den brief van 1 Mei 1848 aan zijn' broeder:
"Sergius, het is mij alsof ik je hoor zeggen, dat ik een praatjesmaker
ben, en dan spreek je de waarheid. Ziehier wat ik tot stand heb
gebracht. Ik reisde zonder eenige aanleiding naar Petersburg
en deed daar niets anders dan leven, geld uitgeven en schulden
maken. Dom! Onbeschrijflijk dom! Je kunt niet begrijpen hoe het mij
kwelt. Vooral de _schulden_, die ik moet betalen en _liefst zoo spoedig
mogelijk_, want doe ik het niet, dan verlies ik met het geld ook nog
mijne goede reputatie. Tegen den eersten betaaldag heb ik 3500 roebel
noodig: 1200 voor den voogdijraad, 1600 om mijne schulden te betalen
en 700 voor levensonderhoud. Ik vrees, dat gij ach en wee zult roepen,
maar wat moet ik doen? Iedereen kan een domheid begaan. Nu moet ik
voor mijne vrijheid en mijne filosofie boeten. Wees barmhartig en
help mij uit mijne valsche en ellendige positie; ik zit zonder een
kopjéke en vol schulden.
"Je weet waarschijnlijk, dat ons heele leger op marsch gaat en dat
een gedeelte (twee corpsen) al over de grenzen is, men zegt reeds
_in_ Weenen.
"Eerst wilde ik mijn examen doen; ik heb er reeds twee afgelegd;
maar nu ben ik van plan veranderd en ik zal als Junker [55] dienst
nemen bij de garde-cavallerie. Het valt mij moeilijk je dit alles te
schrijven, omdat ik weet, dat je van mij houdt en mijne domheid en
mijne onstandvastigheid je verdriet doen. Onder 't schrijven van dezen
brief stond ik eenige malen op en werd rood van schaamte. Jij zult het
zelfde doen onder 't lezen, maar wat is er aan te doen! Het gebeurde
kan men niet ongedaan maken en de toekomst zal van mij afhangen. God
geve dat ik nog eens een ordentelijk mensch zal worden; ik zal er
mijn best voor doen; het meest verwacht ik van den dienst, hij zal
me aan een praktisch leven gewennen en ik moet, of ik wil of niet,
dienen tot ik officier ben. Als het geluk wil dat het garde-regiment
mee optrekt, dan kan de bevordering sneller gaan, en behoeft het
geen twee jaren te duren. Het vertrek zal dan zijn einde Mei. Op
't oogenblik kan ik niets doen, ten eerste omdat ik geen geld heb,
dat ik op 't oogenblik best kan gebruiken (zelfs veel), en ten tweede
ontbreken mij eenige papieren, die te Jasnaja zijn; geef even order,
ze mij te sturen en liefst zoo spoedig mogelijk. Wees niet boos op
mij, bid ik je,--ik voel zelf maar al te goed, hoe weinig ik waard
ben,--en doe zoo spoedig mogelijk wat ik je gevraagd heb.
"Vaarwel. Laat tante dezen brief niet lezen, ik wil haar geen
verdriet doen."
Ook deze plannen werden spoedig weer opgegeven. In een van de volgende
brieven aan zijn' broer schrijft Tolstoi:
"In mijn laatsten brief schreef ik je veel domheden, waarvan wel
de voornaamste is, dat ik van plan was dienst te nemen bij het
garde-regiment. Ik heb dat plan laten varen, behalve voor het geval
ik niet voor mijn examen mocht slagen, of de oorlog ernstig wordt."
Waarschijnlijk vond hij den oorlog niet ernstig genoeg, want onder
dienst ging hij niet.
Met het voorjaar keerde hij weer naar Jasnaja Paljana terug, vergezeld
van een zekeren Rudolf, een aan den drank verslaafden, talentvollen
Duitschen musicus, met wien hij bij zijn vrienden Pjerfiljeff kennis
had gemaakt. Hartstochtelijk wierp hij zich nu op de muziek.
Tot aan zijn vertrek naar den Kaukasus in 1851 verdeelde Tolstoi zijn
tijd tusschen Moskou en Jasnaja Paljana.
Dit is het tijdperk van ascetisme, gevolgd door eene avontuurlijke
periode van jacht, spel en uitgaan.
In deze drie jaren heeft hij alles doorgemaakt wat een krachtige,
begaafde, hartstochtelijke jonge man doorleven kan.
Tolstoi hield in deze jaren zijn dagboek niet bij. Hij had er geen
tijd voor. In de laatste helft van 1850 komt hij weer tot inkeer,
en vol berouw en zelfverwijt neemt hij zich voor zijne herinneringen
neer te schrijven van deze drie doelloos doorgebrachte jaren van zijn
leven. Daar hij den lust in zich voelde opkomen om een geregeld leven
te gaan leiden, schreef hij zichzelf eene dagverdeeling voor: zijn
landgoed besturen, baden, dagboek, muziek, eten, uitrusten, lezen,
baden, landgoed besturen.
Het spreekt van zelf dat deze regels ook weer niet werden nageleefd
en uit zijn dagboek blijkt, dat hij niet over zich zelf tevreden was.
Deze strijd om zich zelf te overwinnen duurde maanden lang;
herhaaldelijk maakten de booze hartstochten zich weder meester van hem.
Zooals de verdrinkende naar een' stroohalm grijpt, zoo zocht hij
steun bij verschillende gevoelens, die hem van den ondergang konden
redden. Daar is b.v. zijne eigenliefde. "De menschen, die volgens
mijne meening moreel lager staan dan ik, doen slechte dingen nog
beter dan ik," schreef hij eens in zijn dagboek. Hierdoor begonnen
die slechte dingen hem tegen te staan en hij deed ze niet meer.
Ook het rustige landleven hielp hem dikwijls zijne hartstochten
te overwinnen.
't Is opmerkelijk, dat de edele trekken van Tolstoi's karakter zelfs
uitkwamen bij zulke lage dingen als b.v. het kaartspel. Dit was
waarschijnlijk één van zijn heftigste hartstochten, doch hij hield
zich stipt aan den regel: "alleen met rijke menschen te spelen",
opdat het verlies den speler geene materieele schade zou doen lijden.
Tolstoi verloor dikwijls de heerschappij over zich zelf, wat hem tot
vertwijfeling bracht, maar telkens vatte hij weer moed en zoo lezen
wij in zijn dagboek:
"Ik leef, misschien met eene kleine uitzondering, geheel als het
vee. Bijna al mijn bezigheden heb ik laten varen en mijn geestelijk
peil daalt."
Hij heeft er zelfs over gedacht, omdat hij in geldverlegenheid zat,
zich met eene handelsonderneming, n.l. met een poststation te Toela,
in te laten. Tot zijn geluk is er niets van gekomen, hetgeen hem
veel onaangenaams heeft bespaard, wat onvermijdelijk zou geweest
zijn bij zijne ongeschiktheid voor die bezigheid. Eens schreef hij,
onder den indruk van zijn mislukt leven, in zijn dagboek:
"De oorzaken van mijne mislukking zijn: 1 besluiteloosheid,
d.w.z. gebrek aan energie, 2 zelfbedrog, 3 overijling, 4 valsche
schaamte, 5 slechte neigingen, 6 verwardheid, 7 zucht tot navolging,
8 onstandvastigheid, 9 onnadenkendheid."
Den winter van '50/51 bracht Tolstoi grootendeels te Moskou door, van
waar hij zijne tante Tatjana dikwijls schreef over de bijzonderheden
van zijn leven, de inrichting van zijne kamer, in één woord, over de
uiterlijkheden van zijn bestaan.
"Mijne woning bestaat uit vier kamers: eene eetkamer, waar reeds een
piano staat die ik heb gehuurd; een salon, gemeubileerd met een paar
divans, notenhouten tafel en stoelen, met rood laken bekleed, en verder
vier groote spiegels; een werkkamer, waar mijn schrijfbureau staat,
een divan (die mij de dagen in 't geheugen roept, toen wij over dit
meubelstuk disputeerden); eene slaapkamer, groot genoeg om tevens
voor kleedkamer te dienen, en dan nog een kleine anti-chambre.
"Ik dineer thuis met 'kool en brij,' [56] waarmee ik uitstekend
tevreden ben. Wanneer ik nu nog onze confituren en naliwka [57] had,
dan zou ik mij kunnen verbeelden thuis te zijn.
"Ik heb eene slede gekocht voor 40 roebel, een zoogenaamden konschewni,
die op 't oogenblik zeer en vogue is; Sergius zal wel weten wat het
is. Met het tuig, dat ik ook gekocht heb, ziet alles er zeer elegant
uit." [58]
Uit den volgenden brief blijkt, dat zijne tante zeer bezorgd is
over zijne vrienden en tracht hem van slecht gezelschap verwijderd
te houden.
"Waarom zijt ge toch zoo bevooroordeeld tegenover Isljenjeff? Is
het om mij tegen hem in te nemen? Dat is overbodig, want hij is niet
in Moskou.
"Al het slechte, dat gij van het spel zegt, is volkomen waar. Ik
denk er dikwijls aan en ik geloof dat ik het zal nalaten. Ik zeg
'ik geloof,' maar hoop spoedig zeker te kunnen zeggen dat ik het niet
meer doe.
"Uw oordeel over de samenleving is zeer juist, evenals alles wat gij
in uwe brieven zegt; primo, omdat gij schrijft als Mme de Sévigné,
secundo, omdat ik, zooals altijd, niet kan disputeeren. Gij zegt ook
veel goeds van mij. Ik ben overtuigd, dat die loftuitingen evenveel
goed als kwaad doen. Goed, omdat ik mijn best zal doen die goede
hoedanigheden te behouden, die gij in mij prijst, en kwaad omdat
het mijne eigenliefde bevordert. Ik ben echter zeker, dat uw lof mij
slechts beter zal maken--natuurlijk voor zoover ik hem verdien--omdat
hij in de pen wordt gegeven door eene oprechte vriendschap. Gedurende
mijn verblijf in Moskou meen ik dien reeds te hebben verdiend; ik
ben over mijzelf tevreden."
Tolstoi keerde terug naar Jasnaja Paljana, om daarna in 1851 weer naar
Moskou te reizen. In zijn dagboek schrijft hij, dat het doel van die
reis drieledig was: het spel, een huwelijk en een sollicitatie naar
eene betrekking. Alles mislukte. Hij speelde niet, omdat hij er een'
tegenzin in kreeg. Van het huwelijk kwam niets, omdat de drie factoren,
die hij daarvoor noodig achtte, liefde, praktisch overleg of toeval,
ontbraken. De betrekking kreeg hij niet omdat hij niet in 't bezit
was van eenige noodige papieren.
Tijdens dit oponthoud in Moskou schreef hij zijne tante den volgenden
brief:
"De auteur van een boek, dat ik onlangs las, beweert daarin,
dat de nadering van de lente van invloed is op het moreel der
menschen. Tegelijk met de natuur is het ons of wij opnieuw geboren
worden. Men betreurt het verleden, den slecht gebruikten tijd,
men heeft berouw over zijne zwakheid en de toekomst doemt helder
op. Men wordt beter, moreel beter. Wat mij betreft is dat volkomen
waar. Sedert ik een onafhankelijk bestaan begon te leiden, vond de
lente mij altijd in de beste conditie. Zoo bleef ik dan langer of
korter tijd; dan kwam de winter, die altijd een steen des aanstoots
voor mij is geweest. Wanneer ik de verschillende winters herdenk,
dan is de laatste zeker wel de aangenaamste en de verstandigste, dien
ik beleefd heb. Ik heb me geamuseerd, kwam in gezelschap, heb aardige
herinneringen behouden en met dat al mijne financiën niet in wanorde,
weliswaar ook niet in orde gebracht."
De volgende brief, naar aanleiding van de terugkomst van zijn' broer
Nikolaas uit den Kaukasus, luidt:
"De aankomst van Nikolaas was eene aangename verrassing voor mij,
omdat ik reeds bijna de hoop had opgegeven hem nog bij mij te zien. Ik
was zoo blij hem te zien, dat ik mijne plichten, of liever gezegd,
mijne gewoonten er bijna om had verwaarloosd.
"Nu ben ik weer alleen, en alleen in den waren zin van 't woord; ik ga
nergens heen en ontvang niemand. Ik maak plannen voor de lente en den
zomer; keurt gij ze goed? Einde Mei kom ik naar Jasnaja, blijf daar
een maand of wat, zal mijn best doen Nikolaas daar zoo lang mogelijk
vast te houden, en dan eene reis met hem maken door den Kaukasus." [59]
Plotseling, te midden van zijne stormachtige wereldsche
genietingen, als spel, wellust, enz., kwam het tijdperk van boete
en godsdienstzin. IJverig vervulde hij zijne kerkelijke plichten,
hield de vasten en maakte zelfs preeken, die natuurlijk ongelezen
bleven. In dezen tijd begon de kunstenaar-auteur zich te openbaren.
Reeds in 1850 dacht hij er over een werk over zijn "vie de Bohême"
te schrijven. Eene andere gedachte was bij hem wakker geroepen door
het lezen van Sterne's _Sentimental Journey_, n.l. iets dergelijks
te schrijven.
Eens zat hij voor het venster en keek naar alles wat op straat voorbij
ging: "daar loopt een wachter, wat zou hij voor iemand zijn, en wat
voor een leven zou hij leiden? Daar gaat een wagen, wie zou er in
zitten, waar zou hij heenrijden, waar denkt hij aan? Wie zouden er
in dat huis wonen en hoe zou hun innerlijk leven zijn?...
"Wat zou het interessant zijn, dit alles neer te schrijven en welk
een belangwekkend boek zou het niet worden!"
Tolstoi's plotselinge afreis naar den Kaukasus maakte wederom een einde
aan deze aan afwisseling rijke, gevaarlijke periode van zijn leven.
DERDE DEEL.
KRIJGSDIENST.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
KAUKASUS.
Tolstoi's mislukte pogingen op landhuishoudkundig gebied, de
onmogelijkheid om in de gewenschte verhouding tot zijne lijfeigenen te
komen, zijn hartstochtelijk, gevaarlijk, in alle opzichten verwilderd
leven, brachten hem eindelijk tot het besef, dat het zoo niet blijven
kon. Zijn leven was zóó verward, hij zelf was zóó gezonken, dat
hij alles wel aan wilde grijpen om het te veranderen. Zijn zwager,
toen nog de verloofde van zijne zuster, moest vóór zijn huwelijk nog
eenige zaken in Siberië regelen. Hij had afscheid genomen en was reeds
onderweg, toen plotseling Tolstoi bij hem in den reiswagen sprong,
en wij gelooven dat het alleen aan de omstandigheid dat hij muts en
pels vergeten had te danken is, dat hij niet met zijn' zwager meeging.
Eindelijk gebeurde er iets, dat hem in de gelegenheid stelde een ander
leven te beginnen. Zijn oudste broer Nikolaas, die als officier in
't leger diende, was met verlof uit den Kaukasus overgekomen. Tolstoi
nam het besluit, en volvoerde dat ook, om met hem terug te keeren.
Den 20en April 1851 vertrokken zij van Jasjana Paljana naar Moskou,
waar zij eenige weken vertoefden, en vanwaar hij den volgenden brief
schreef:
"Ik heb op de promenade van Sakolnik gewandeld, maar het was zulk
een afschuwelijk weer, dat ik tot mijne spijt niet ééne dame uit
onzen kring heb gezien. Gij beweert altijd, dat ik iemand ben die van
proefnemingen houdt. Nu, ik heb me onder 't plebs begeven, waar de
Zigeuners hunne tenten opslaan. Gij kunt u levendig voorstellen welk
een' strijd ik daar moest strijden, maar ik ben overwinnaar gebleven,
d.w.z. ik heb de vroolijke afstammelingen van de doorluchtige Pharao's
niets dan mijn' zegen achtergelaten. Nikolaas vindt, dat ik een zeer
aangename reisgenoot ben; alleen ergert hij zich dat ik, zooals hij
zich uitdrukt, twaalf maal per dag mijn linnen verwissel. Ik vind
hem ook aangenaam op reis, alleen niet zindelijk genoeg. Ik weet niet
wie van ons beiden gelijk heeft." [60]
Van Moskou gingen zij naar Kazan, waar zij Joeschkoff, den man van
hunne tante Pelageja, en ook nog eene vriendin van deze laatste, de
origineele, verstandige Zagoskina, de directrice van het Kazansche
vrouwen-instituut, opzochten.
Bij deze Zagoskina kwamen zeer veel jongelui _comme il faut_
aan huis, o.a. de procureur Ogolin, met wien Tolstoi eene bijna
vriendschappelijke betrekking aanknoopte. Samen gingen zij Joeschkoff
op zijn landgoed een bezoek brengen, waarbij zich het volgende
vermakelijke incident voordeed:
"Gij kunt u nauwelijks," zoo vertelt Tolstoi, "de verbazing voorstellen
van mijn' oom, toen hij Ogolin, den altijd keurigen, correcten,
in uniform met kruis en lint gekleeden Ogolin onder de volgende
omstandigheden bij zich zag. Wij waren voorgereden, en terwijl
de knecht ons aandiende stelde ik Ogolin voor eens te probeeren,
wie het vlugst in een der tegenover het huis staande berkeboomen kon
klimmen. Het duurde lang voordat mijn oom, die daar juist op aan kwam,
van zijne verbazing was bekomen."
Volgens Tolstoi's eigen woorden was in dien tijd zijn oordeel over
menschen en dingen nog zeer oppervlakkig en lichtzinnig, hetgeen zijn
broer Nikolaas hem zoo nu en dan liet voelen. Zoo kwamen zij eens op
eene wandeling een rijtuig tegen waarin een heer zat, die met zijne
beide ongehandschoende handen op zijn stok leunde.
"Wat een poen," zei Tolstoi.
"Waarom?" vroeg Nikolaas.
"Hij heeft niet eens handschoenen aan!"
"En denk je dat hij daarom een poen is?", antwoordde
Nikolaas met zijn fijn, nauwelijks zichtbaar glimlachje.
Nikolaas dacht en handelde geheel anders dan andere menschen, en deed
eenvoudig wat hij goed oordeelde. Zoo kwam hij op het denkbeeld niet de
gewone reisroute te volgen, maar te paard tot Saratoff te gaan, vandaar
per schuit langs de Wolga naar Astrakan, en dan met de postkoets naar
de plaats hunner bestemming. Zoo geschiedde het. In Saratoff namen
zij eene schuit, laadden daar den reiswagen op, en met behulp van een'
loods en twee roeiers zakten zij, soms zeilende, soms drijvende, dan
weer roeiende, den stroom af. Na eene reis van een paar weken bereikten
zij Astrakan, vanwaar Tolstoi zijne tante den volgenden brief stuurde:
"Wij zijn nu in Astrakan en hebben nog wel een 400 K.M. voor
den boeg. In Kazan heb ik het zoo prettig mogelijk gehad. Tot aan
Saratoff was de reis onaangenaam, maar als vergoeding kregen wij het
poëtische boottochtje tot Astrakan, bekoorlijk door de afwisseling en
de eigenaardige manier van reizen. Gisteren heb ik Maria een langen
brief over mijn verblijf te Kazan geschreven. Om niet in herhalingen
te vervallen, vertel ik er u niets van. Tot nu toe bevalt de reis
me heel goed. Ik heb veel in mijn hoofd om over na te denken en de
afwisseling op zich zelf is mij reeds aangenaam. In Moskou heb ik me
geabonneerd, zoodat ik overvloed van lectuur heb. Ik lees veel, zelfs
in den reiswagen. Verder draagt het gezelschap van Nikolaas, zooals
ge wel kunt denken, veel tot mijn genoegen bij. Met mijne gedachten
ben ik steeds bij u allen, en soms maak ik me er een verwijt van, het
leven, dat uwe liefde mij zoo aangenaam maakte, te hebben verlaten;
gelukkig is het maar tijdelijk en het weerzien zal des te prettiger
zijn. Zoo ik meer tijd had gehad zou ik Sergius ook hebben geschreven;
daar wacht ik nu liever mee, tot ik ter plaatse en meer op mijn gemak
ben. Groet hem van mij en zeg hem, dat het mij zeer spijt dat er in
den laatsten tijd eene verkoeling tusschen ons is ontstaan, waarvan
alleen ik de schuld draag." [61]
Om den lezer een duidelijk begrip te geven van Tolstoi's leven in,
en van zijne vertellingen over den Kaukasus, laten wij hier met een
paar woorden volgen, wat onder den Kaukasus moet worden verstaan.
Het Russische rijk had zich inwendig versterkt, om in staat te zijn
de Tartaarsche bevolking te beoorlogen. De Russen begonnen met de
Tartaren naar het Zuid-Oosten terug te dringen en stootten, na het
Kazansche en Astrakansche rijk te hebben overwonnen, op de wilde
bergbewoners van het noordelijke deel van den Kaukasus. In het begin
der 19de eeuw werd ter hunner bestrijding op den linkeroever van de
Tjerek en op den rechter van de Koeban eene geheele linie kozakken
gestationeerd. Het meer zuidelijk gelegen Groezintische rijk, dat tot
nu toe onafhankelijk was geweest, onder een eigen vorst, Gherakli II,
werd door de Russen overwonnen. Om politieke redenen was het gewenscht
de bergbewoners, zich ophoudende tusschen Groezië en Rusland, aan
het Russisch gezag te onderwerpen, waardoor een strijd ontbrandde,
die meer dan 50 jaren duurde. De Russen, gelegerd op de oevers van
de Tjerek en de Koeban, schoven langzaam op naar de bergen, maar
grootendeels beperkte de strijd zich tot plotselinge overrompelingen
van de woonplaatsen der bergbewoners. Het vee werd meegenomen, de
weiden vertrapt, zooveel mogelijk gevangenen werden gemaakt en dan
trokken de Russen weer terug naar hun stanitza [62]. De bergbewoners
van hun' kant lieten zich ook niet onbetuigd: zij vervolgden den
vijand en brachten hem groote verliezen toe. Zij verborgen zich achter
wallen, in bosschen en spelonken van 't gebergte, kwamen dan op het
onverwachtst te voorschijn en drongen zelfs door in de stanitza, waar
zij een groote slachting aanrichtten en veel gevangenen maakten,
mannen zoowel als vrouwen. Er kwamen oogenblikken dat de strijd
verflauwde, om daarna echter weer des te verwoeder los te breken onder
den invloed van eenige fanatieke leiders, die de bergbewoners, onder
voorwendsel dat zij een heiligen strijd tegen ongeloovigen streden,
steeds opnieuw tot den oorlog aanvuurden. De allergrootste verliezen
werden den Russen toegebracht door de Tschetschenskische bevolking,
die zich ophield in de boschrijke vlakten gelegen aan de zijrivieren
van de Tjerek en in de woeste bergen van Itschkerië.
De aanvallen van den kant der Russen waren heftiger of zwakker,
naarmate hunne aanvoerders meer of minder krachtige persoonlijkheden
waren.
In 1856 namen de zaken een anderen keer, door het optreden van den
stadhouder van den Kaukasus, vorst Barjatjinski, die zeer veel invloed
had op Keizer Alexander II. Hij verzamelde een leger van 200.000 man
(meer dan daar ooit te zamen was geweest) en liet een groot gedeelte
er van optrekken tegen Tschetschna, Itschkerië en Daghestan, streken
die in handen waren van den bekenden Schamil. Deze Schamil, die door
de bergbewoners om zijn moed, geestkracht en vastberadenheid als een
god werd aangebeden, moest het onderspit delven voor de voor niets
terugwijkende overmacht van het Russische leger onder Jewdokimoff. In
het jaar 1857 viel Schamils residentie, en in 1859 moest hij zelf
zich met zijne nieuwe vesting Daghestanskaja aan vorst Barjatjinski
overgeven.
In 1850 werd bovengenoemde vorst opperbevelhebber van den linkervleugel
van het Kaukasische leger.