kende, dat allen mij liefhadden, dat ik slechts mijn naam behoefde te
noemen, opdat iedereen zou zijn getroffen, en dat allen mij omringden
en mij ergens dankbaar voor waren.
"Ten derde, de hoop op een groot, eervol geluk; en dat gevoel was
zóó heftig, dat het bijna tot waanzin overging.
"Ten vierde, en dat was wel de sterkste aandoening, de groote afkeer
van mijzelf en diep berouw, maar een berouw dat zich paarde aan
de hoop op geluk en mij niet droevig stemde. Ik genoot zelfs van
den terugblik en trachtte hetgeen achter mij lag nog slechter te
zien dan het geweest was. Hoe donkerder toch de herinnering aan het
verleden, des te reiner en lichter deed zich het heden voor, in des
te schitterender kleuren bloeide de toekomst voor mij op. Die stem
van het berouw en die hartstochtelijke wensch naar volmaking waren
de overheerschende gevoelens in dat tijdperk mijner ontwikkeling en
deden mij mij zelf, de menschen en Gods aarde in een geheel nieuw
licht aanschouwen. Gezegende, vertroostende stem, die zooveel malen in
dien bangen, treurigen tijd, toen mijne ziel werd overwonnen door 's
levens leugen en ontucht, zich plotseling moedig keerde tegen iedere
onwaarheid, waarschuwend tegen het verleden, wijzend op het lichte
heden, mij belovend het schoone, het geluk in de toekomst! Gezegende,
vertroostende stem, kan het zijn dat gij ooit zult verstommen?"
Wij weten, dat die stem, gelukkig voor hem en gelukkig voor ons, nog
nooit heeft gezwegen; nog steeds roept zij ook ons naar het oneindig,
lichtend ideaal.
Deze fantasieën wijzen ons op dat idealistisch naturalisme, dat den
grondslag vormt van het grootste gedeelte zijner werken.
"Hooger en hooger, lichter en lichter stond de maan aan den hemel,
glanzend glinsterde de vijver, helderder en helderder werd het,
zwarter en zwarter de schaduw, waziger en waziger de lucht. Luisterende
en starende voelde ik, dat 'zij', met hare blanke armen en vurige
omhelzingen, nog zoo ver bleef, nog zoo ver van 't geluk, en mijn
liefde tot haar nog zoo ver van de gelukzaligheid; en hoe langer ik
staarde naar de klimmende, glanzende maan, des te hooger en hooger,
reiner en reiner, dichter en dichter bij Hem, bij de bron van alle
schoonheid en geluk, scheen mij de ware schoonheid, en de tranen
van onbewust verlangen en tevens van blijde ontroering welden op in
mijne oogen.
"En ik was geheel alleen, en het scheen dat de geheimzinnig
grootsche natuur de maan geheel in zich opnam, die, ergens hoog
aan den bleek-blauwen hemel staande, met haar licht het gansche
heelal overstroomde; en mij, nietigen worm, reeds bezoedeld door de
kleinste en laagste menschelijke hartstochten, maar doordrongen van
de onmetelijke kracht der liefde,--mij kwam het voor, alsof ik één
werd met de maan en het licht in de natuur."
Het is niet onbelangrijk voor ons, de namen te zien der schrijvers,
die invloed hebben uitgeoefend op Leo Tolstoi in zijne jongelingsjaren:
Namen der werken: Graad van invloed:
_Het Evangelie van Mattheüs, _De Bergrede Buitengewoon groot.
Sterne, _Sentimental Journey_ Zeer groot.
Rousseau, _Confessions_, _Emile_ Buitengewoon groot.
Rousseau, _La nouvelle Héloïse_ Zeer groot.
Poeschkin, _Jewgheniï_, _Anjekin_ Zeer groot.
Schiller, _Die Räuber_ Zeer groot.
Gogol, _Schinel_, _Iw. Iw._ en _Iw. Nik._ Groot.
Gogol, _Njewski Prospekt_, _Wi_, _Doode Zielen_ Zeer groot.
Toerghenjeff, _Aanteekeningen van een Jager_ Zeer groot.
Droezjinin, _Paulina Saks_ Zeer groot.
Grigorowitsch, _Anton Gorjemika_ Zeer groot.
Dickens, _David Copperfield_ Buitengewoon groot.
Ljermontoff, _Helden van onzen tijd_, _Taman_ Zeer groot.
Prescott, _History of the conquest of Mexico_ Groot.
Naast de werken van deze schrijvers oefenden Tolstoi's
levensomstandigheden een grooten invloed op hem uit en wel voornamelijk
het begrip van _comme il faut_.
In zijn _Jongelingsjaren_ wijdt hij daaraan een geheel hoofdstuk. Wij
laten het voornaamste volgen.
"Ik voel mij verplicht," zegt Tolstoi, "een geheel hoofdstuk te wijden
aan dit meest leugenachtige en schadelijke van alle begrippen, mij
bijgebracht door opvoeding en omgeving.
"In den tijd, waarvan ik schrijf, verdeelde ik de menschen bij voorkeur
in lieden, die ik _comme il faut_ of niet _comme il faut_ noemde. Deze
tweede soort onderscheidde ik nog eens in menschen _comme il faut_
op hunne wijze en in plebs. De lieden _comme il faut_ achtte ik en
keurde ik waardig om mee om te gaan; de tweede soort haatte ik, maar
ik deed alsof ik op hen neerzag; de derde soort bestond niet voor mij,
die verachtte ik volkomen. Iemand, dien ik _comme il faut_ noemde,
moest in de eerste plaats het Fransch volkomen machtig zijn en met
zuiver accent spreken. Eene slechte uitspraak wekte dadelijk een
gevoel van tegenzin in mij op. 'Waarom wilt ge spreken zooals wij,
als ge het toch niet kunt?' dacht ik dan, inwendig spottend.
"Een tweede voorwaarde om _comme il faut_ te zijn waren lange, goed
verzorgde, schoone nagels; de derde, goed te kunnen buigen, dansen
en converseeren, en de vierde, dat was de gewichtigste, het ten toon
spreiden van eene groote onverschilligheid voor alle dingen en eene
voortdurende betuiging van geringschattende verveling.
"'t Is vreeselijk wanneer ik bedenk, hoeveel kostbaren tijd ik op
zestienjarigen leeftijd, moeite doende om mij die eigenschappen te
verwerven, verbeuzelde.
"Maar niet die gouden tijd, dien ik verloor om geheel te kunnen voldoen
aan de eischen, die het _comme il faut_ mij stelde en waardoor ik
geen tijd meer overhield voor ernstige studie, ook niet de minachting
waarmee ik neerzag op negen tienden der menschen, evenmin mijne
blindheid voor het schoone dat buiten den kring van het _comme il faut_
stond, dat alles was nog niet het ergste kwaad, waartoe deze opvatting
mij bracht. Veel erger was het, dat ik mij verbeeldde, dat _comme
il faut_ eene positie aanduidde in de maatschappij; dat een mensch
_comme il faut_ zich geen moeite behoefde te geven om ambtenaar,
wagenmaker, soldaat of geleerde te worden, dat hij, zoo hij aan
dien eisch kon voldoen, volkomen aan zijne bestemming beantwoordde,
ja zelfs ver boven het grootste gedeelte van het menschdom stond.
"Op een zekeren tijd van ons leven, na 't begaan van menige
onbezonnenheid, komt toch bijna voor ieder mensch het oogenblik
dat hij zich gedrongen voelt zich te wijden aan een' werkkring in de
maatschappij, maar bij den man _comme il faut_ ziet men dat zelden. Ik
ken en kende heel veel reeds bejaarde, trotsche, zelfbewuste menschen,
die op de vraag (gesteld dat ons die in de wereld hiernamaals gedaan
werd): 'wat zijt gij? en wat deedt gij?', niet anders zouden kunnen
antwoorden dan: 'Je fus un homme très comme il faut.'
"Dat lot wachtte ook mij." [49]
Zooals reeds gezegd is in het gesprek met den Duitscher Löwenfeld,
boezemde de akademische studie Tolstoi heel weinig belang in, maar
voelde hij den lust in zich opkomen tot zelfstandigen arbeid, hiertoe
opgewekt door de vergelijking van de beide werken: _l'Esprit des Lois_
van Montesquieu en de _Instructies_ van Catharina.
Tolstoi's dagboek, dateerende uit dien tijd, staat vol aanteekeningen
en opmerkingen over dien arbeid en daarnaast schreef hij een zee
van gedachten neer, alsof zijn verstand tot nu toe had geslapen en,
plotseling wakker geworden, zich met alles ging bezighouden.
In Maart van het jaar 1847 lag Tolstoi wegens de een of andere ziekte
in de kliniek te Kazan. Zijne gedwongen ledigheid en afzondering
brachten hem tot nadenken en hij stelde zich de vraag, wat de
eigenlijke beteekenis was van het verstand. Onze kring maakt slechts
een deel uit van de wereld. Het verstand moet zich dus toetsen aan
de _geheele_ wereld, moet de algemeene wetten erkennen en dan kan
het onafhankelijk worden van dat onderdeel, van dien kring.
Deze opmerking bewijst ons, dat de 18-jarige jonge man reeds de kiem
bij zich droeg van het latere anarchisme.
Toen Tolstoi in zich dien drang naar wetenschap bemerkte, legde hij
zich, angstig dat hij zich in de theorie zou verliezen, dadelijk de
vraag voor, hoe hij de theorie in dienst kon stellen van de praktijk,
doch was zich tevens bewust dat hij in hoofdzaak moest trachten zich
zelf in overeenstemming te brengen met het zedelijk ideaal.
Zoo schrijft hij o.a. in Maart 1847 in zijn dagboek: "Ik ben veel
veranderd, maar heb dien graad van volmaking nog niet bereikt, dien
ik hoop te verkrijgen. Ik vervul niet wat ik mij heb voorgeschreven
en wat ik ten uitvoer breng, dat doe ik niet goed; ik span mij niet
genoeg in. Daarom schrijf ik mij nu eenige levensregels voor, die mij,
zoo ik ze ga naleven, heel veel kunnen helpen.
I. Voleindig wat gij begint, hoeveel moeite het u ook kost.
II. Wat gij doet, doe dat goed.
III. Zoo gij iets hebt vergeten, haal het dan niet uit de boeken,
maar tracht het zelf uit te vinden.
IV. Laat uw verstand steeds werkzaam zijn zoo veel het kan.
V. Lees en denk steeds hardop.
VI. Durf den menschen, zoo zij u hinderen, te zeggen dat zij
u hinderen; geef eerst een' wenk, en zoo zij het niet begrijpen,
verontschuldig u dan, maar zeg het."
Door de bestudeering der werken van Montesquieu en Catharina kwam
hij tot de gevolgtrekking, dat in het laatste twee hoofdideeën op den
voorgrond treden, d.w.z. de revolutionaire ideeën van het toenmalige
Europa en het despotisme en de eerzucht van haar zelf; de laatste
treedt het meest naar voren. De republikeinsche ideeën heeft zij
ontleend aan Montesquieu. Resumeerende kwam hij tot het resultaat, dat
de _Instructies_ Catharina meer roem dan Rusland nut hebben gebracht.
Nadat hij besloten had de universiteit te verlaten en op het land te
gaan leven, deed hij zich zelf de belofte zich verder te bekwamen
in de Engelsche en Latijnsche taal en in het Romeinsche recht,
waarschijnlijk voelende dat hij het daarin nog niet ver had gebracht.
Hoe meer de tijd van zijn vertrek naderde, des te meer breidden
zijn plannen en fantasieën zich uit en zoo schreef hij ten slotte 17
April 1847 in zijn dagboek: "Er moet eene verandering in mijn leven
komen, maar dat moet niet eene uitwendige maar eene inwendige, eene
zielsverandering zijn", en verder:
"Het geheele leven is een bewust streven naar eene algeheele
ontwikkeling van het bestaande.
"Het doel van mijn tweejarig dorpsleven is: 1. de studie van de
rechtswetenschappen voor zoover noodig, voor het eindexamen van
de universiteit; 2. de studie van de praktische en gedeeltelijk
van de theoretische geneeskunde; 3. de studie der talen: Fransch,
Russisch, Engelsch, Italiaansch, Duitsch en Latijn; 4. de studie der
landhuishoudkunde, zoowel praktisch als theoretisch; 5. de studie
der geschiedenis, aardrijkskunde en statistiek; 6. de studie der
mathesis voor zoover die op het gymnasium verlangd wordt; 7. het
schrijven van eene dissertatie; 8. trachten naar den hoogsten graad
van volmaking in muziek en schilderkunst; 9. levensregels schrijven;
10. het verkrijgen van eenige bedrevenheid in de natuurwetenschappen;
11. geschriften samenstellen betreffende alles wat ik zal leeren."
De twee jaren, die Tolstoi dus in zijn dorpje doorbracht, waren gevuld
met het najagen dezer idealen en een voortdurenden strijd met zich
zelf om de volmaking te bereiken.
Met eene onnavolgbare oprechtheid wijst hij zich zelf op iedere
afwijking van deze levensregels, op iederen terugval, en van voren af
aan begint dan weer de strijd. De verhouding tot de vrouw verontrustte
hem toen reeds en hij geeft zich zelf den volgenden raad:
"Beschouw de aanwezigheid der vrouw in de samenleving als een
noodzakelijk kwaad en vermijd haar zoo mogelijk.
"Immers, hoe komen wij aan den wellust, de weekelijkheid,
de lichtzinnigheid en die vele andere gebreken, zoo niet door
haar. Aan wie de schuld dat wij de aangeboren neigingen verliezen,
zooals onze vastberadenheid, onze kracht, onze bedachtzaamheid, onze
waarheidsliefde en andere deugden, zoo niet aan haar. De vrouw is
gevoeliger voor indrukken dan de man en daarom was zij in de tijden
toen de deugd nog bestond beter dan wij, maar nu, in onze verdorven
eeuw, is zij slechter."
Ook hier zien wij in beginsel zijne latere begrippen.
In dezen tijd deed Tolstoi de eerste schrede op 't gebied der
filosofie, beginnende met een kommentaar te geven bij het _Discours_
van Rousseau.
Verder bestaat nog van hem _Het doel der Filosofie_, geschreven in
1846-47, dus toen hij 18 jaar was.
Deze filosofie zegt het volgende:
"De mensch streeft, dus de mensch is werkzaam. Waarheen voert
deze arbeid en hoe maken wij hem zelfstandig? Dit is het doel der
filosofie in hare ware beteekenis, dus met andere woorden: filosofie
is levenskunst".
Behalve deze bestaan er nog losse gedachten als: _Bespiegelingen
over het leven hiernamaals_; _Definitie van tijd, ruimte en getal_;
_Methodes_; _Indeeling der filosofie_, enz.
De volgende gebeurtenis, verteld door Gravin Tolstoi, heeft ook
betrekking op dezen tijd.
"In zijn' studententijd stelde Tolstoi zich eens de vraag: 'Wat is
eigenlijk symmetrie?' en schreef daarover een filosofisch artikel. Dit
lag toevallig op een stoel in zijne kamer toen een zekere Schoewaloff,
een vriend der beide broers Tolstoi, met wijnflesschen in zijn zakken
binnenkwam, om die gezamenlijk te ledigen. Toevallig zag hij het
opstel en las het door. Het interesseerde hem en hij vroeg Tolstoi,
waaruit hij het had overgeschreven. Schuchter antwoordde deze, dat
het zijn eigen werk was. Schoewaloff begon te lachen en zeide dat het
niet waar was en niet waar kon zijn. Het ging veel te diep en was te
veel doordacht voor iemand van zijn' leeftijd. Hij ging weg zonder
te willen gelooven dat Tolstoi de schrijver was."
Ook dit kleine voorval wijst ons op Tolstoi's buitengewone
ontwikkeling, die hem ver boven zijn' kring verhief.
_Biecht_ van Tolstoi leert ons hoe hij dacht over geloof en godsdienst.
"Ik herinner mij," zegt hij, "dat, toen bij mijn ouderen broer Dmitri
plotseling de behoefte aan een godsdienstig leven ontwaakte en hij
geregeld naar de kerk ging, de vasten hield, en een rein zedelijk leven
ging leiden, zelfs de volwassenen hem daarom uitlachten, hem plaagden
en hem Noach noemden. Ik weet nog dat Moesin Poeschkin, de toenmalige
rector der universiteit, ons op een dansavondje verzocht en Dmitri,
die bedankt had, lachend toevoegde dat David wel gedanst had voor de
arke des verbonds. Ik begreep die scherts en maakte de gevolgtrekking,
dat het noodig was zijn cathechismus te leeren, eveneens naar de kerk
te gaan, maar tevens dat men die zaken niet al te ernstig behoefde
op te nemen. Ik was nog heel jong toen ik Voltaire reeds las, en ik
herinner mij nog dat diens bijtende spot mij niet alleen niet hinderde
maar mij zelfs vermaakte.
"Mijn afval van het geloof ging op dezelfde wijze in zijn werk
als dat gebeurde, en ook thans nog gebeurt, bij alle menschen van
onze ontwikkeling. Het gaat, dunkt mij, in de meeste gevallen zoo:
de menschen leven, zooals allen leven, naar een vast grondbeginsel,
dat niets gemeen heeft met hetgeen het geloof ons leert, maar zich
in de meeste gevallen daar juist tegenover stelt. Deze leer van het
geloof grijpt niet in in ons leven; in onze betrekkingen met andere
menschen komt het niet voor dat wij met haar in botsing komen en wat
ons eigen leven aangaat, behoeven we in 't geheel geen rekening met
haar te houden. De geloofsleer slaat op iets, daar ergens ver van het
werkelijke leven en los daarvan. Komen wij met haar in aanraking dan
is dat oppervlakkig en beroert het niet ons innerlijk leven.
"Men kon vroeger, evenmin als nu, uit het doen en laten der menschen
opmaken of zij geloovig zijn of niet. Zoo er onderscheid bestaat
tusschen hen die beweren rechtgeloovig te zijn en degenen, die dit
ontkennen, dan pleit dat nog niet ten gunste van de eersten.
"Want zoowel nu als vroeger ontmoet men onder degenen die zoo openlijk
verklaren dat zij rechtgeloovig zijn, zeer vele stompzinnige, harde,
met zich zelf ingenomen menschen, terwijl men verstand, eerlijkheid,
goedhartigheid, waarheidsliefde en zedelijkheid grootendeels bij hen
vindt, die zich zelf ongeloovigen noemen.
"Op school wordt de cathechismus onderwezen en stuurt men de
leerlingen naar de kerk; van den ambtenaar verlangt men een bewijs
dat hij gecommuniceerd heeft. De mensch echter uit onzen kring, die
niet meer studeert en niet in keizerlijken dienst is, kan thans, en
vroeger was dit nog sterker, tien jaren en nog langer leven zonder
dat hij er zich rekenschap van geeft dat hij in eene Christelijke
maatschappij verkeert, en toch noemt hij zich een belijder van de
Christelijke leer der rechtgeloovigen.
"Het geloof, gegrond op uiterlijkheden en slechts op gezag door ons
aangenomen, verdwijnt onder den invloed van de wetenschap en van het
leven, die zich er tegenover stellen, en het gebeurt dat de mensch
zich verbeeldt nog zeer geloovig te zijn, terwijl in hem geen spoor van
dat geloof meer is achtergebleven, dat hem in zijn jeugd werd geleerd.
"De godsdienst, mij in mijn jeugd onderwezen, verdween bij mij op
dezelfde wijze als bij anderen, alleen met dit onderscheid dat ik
reeds op mijn 15de jaar begon filosofische werken te lezen, zoodat
mijn afval van het geloof reeds heel vroeg en bewust geschiedde. Op
mijn 16de jaar ging ik uit eigen beweging niet meer naar de kerk,
bad ik niet meer en hield ik mij niet aan de vasten.
"Ik geloofde niet hetgeen men mij in mijn jeugd geleerd had, maar
ik geloofde wel ergens in; waarin echter, dat had ik niet kunnen
zeggen. Ik geloofde in God of liever ik verloochende Hem niet, maar
welken God, dat had ik ook niet kunnen zeggen. Den Christus en zijne
leer verloochende ik evenmin, maar waarin die leer bestond had ik
ook niet kunnen verklaren.
"Nu, dien tijd in mijn geheugen terugroepende, zie ik klaar, dat
mijn geloof die kracht was die, behalve mijne dierlijke instincten,
mijn leven heeft bestuurd.
"Mijn eenig, mijn oprecht geloof in dien tijd was mijn vertrouwen
in de volmaking. Maar waarin die bestond en welk doel zij had,
ook dat had ik niet kunnen zeggen. Ik trachtte een vasten wil te
verkrijgen, ik schreef mij levensregels voor, die ik wilde volgen;
ook lichamelijk deed ik mijn best mij te volmaken door allerlei
gymnastische oefeningen, en ik legde mij ontberingen op om te leeren
dulden en lijden.
"Dat alles noemde ik volmaking. Bovenaan stond natuurlijk de zedelijke
volmaking, die weldra in eene algeheele overging. Ik wilde beter
zijn, niet alleen voor mij zelf en voor God, maar ook voor 't oog der
menschen. En al heel spoedig ging dit streven over in den wensch om
sterker, krachtiger te zijn dan anderen, d.w.z. beroemder, machtiger,
rijker."
Dan volgt Tolstoi's diep berouw, dat ons al zijne zonden aantoont,
maar ons tevens wijst op de verdorvenheid in eigen ziel, die misschien
niet zoo'n groote afmeting aannam, maar die ook niet zoo oprecht
werd beleden.
"Eens zal ik de treffende en leerzame geschiedenis van de tien jaren
van mijn jongelingschap vertellen. Ik denk dat velen, velen hetzelfde
hebben ondervonden.
"Met hart en ziel wenschte ik goed te zijn; maar ik was jong,
hartstochtelijk, en ik stond alleen, geheel alleen, toen ik het
goede zocht.
"Telkens als ik trachtte te spreken over mijn' zielewensch om moreel
goed te zijn, ontmoette ik spot en verachting, maar nauwlijks gaf ik
mij over aan lage hartstochten, of men prees mij en dreef mij verder
in die richting.
"Eerzucht, machtsbegeerte, baatzucht, wellust, trots, toorn en
wraakzucht, alles werd geprezen.
"Toen ik mij overgaf aan die hartstochten, voelde ik, dat ik werd
als de volwassenen, dat men over mij tevreden was. Mijne goede tante,
het reinste wezen dat er bestond, met wie ik toen samenwoonde, zeide
dikwijls tegen mij, dat zij niets liever zou wenschen, dan dat ik
eene liaison aanknoopte met eene getrouwde vrouw, 'want,' zeide zij,
'rien ne forme un jeune homme comme une liaison avec une femme comme
il faut'. Zij wenschte mij nog meer toe, n.l. dat ik adjudant zou
worden en dan liefst van den Keizer; verder dat ik een rijke vrouw zou
trouwen en, als gevolg van dat huwelijk, zooveel mogelijk lijfeigenen
zou houden.
"Ik kan niet zonder schrik, afschuw en hartzeer aan die jaren
terugdenken. Ik doodde menschen in den oorlog, ik duelleerde om
te dooden, ik verspeelde veel geld, ik verbruikte hetgeen de boeren
zwoegend voortbrachten, terwijl ik hen zwaar liet straffen; ik bedroog
en gaf mij over aan ontucht, leugen, diefstal, echtbreuk van allerlei
aard, dronkenschap, gewelddadigheid, moord... er was geen ondeugd,
waaraan ik mij niet overgaf, en daarvoor prees men mij en noemde mij,
zooals men nu ook nog zou doen, een betrekkelijk zedelijk mensch.
"Zoo leefde ik tien jaren." [50]
In 't begin van die stormachtige tienjarige periode woonde Tolstoi
op het land.
Hij trachtte in die jaren eene nieuwe richting in te slaan in de
landhuishoudkunde, en dat wel in hoofdzaak, door de verhouding tot
de lijfeigenen beter te regelen en hun lot te verlichten. Deze proef
mislukte totaal, hetgeen wij vinden beschreven in zijn werk _Één morgen
landheer_, dat een sterk autobiografisch karakter draagt. Wij laten
daaruit een' brief volgen van vorst Njechljoedoff aan zijne tante:
"Lieve Tante!
"Ik heb een besluit genomen, dat over heel mijn verder leven zal
beslissen. Ik heb de universiteit verlaten om mij aan het landleven
te gaan wijden, daar ik voel daarvoor te zijn geboren. In 's hemels
naam, lieve tante, lach mij niet uit! Gij zult zeggen, dat ik nog
zoo jong ben, en misschien hebt gij gelijk en ben ik nog een knaap,
hetgeen evenwel niet verhindert, dat ik den drang in mij voel goed
te willen doen en van het goede te houden. Zooals ik u reeds schreef
vond ik alles in de grootste wanorde. Bij de regeling der zaken
kwam ik tot de ontdekking, dat het grootste kwaad schuilt in den
beklagenswaardigen, armzaligen toestand, waarin de boeren verkeeren,
een toestand die slechts met de grootste moeite en het grootste
geduld is te verbeteren. Zoo gij maar eens twee van mijne boeren
kondt zien en het leven dat zij met hunne familie leiden, dan zou
dat u een betere verklaring van mijn voornemen geven, dan alles wat
ik u kan vertellen. Is het niet mijn dure en heilige plicht zóó voor
deze zevenhonderd menschen te zorgen, dat ik mij eens voor God zal
kunnen verantwoorden? Is het geen schande hen over te laten aan de
willekeur van den ruwen starost [51] en zijne handlangers?
"Waarom zou ik in eene andere sfeer de gelegenheid zoeken nuttig te
zijn en goed te doen, terwijl een edele, hooge plicht mij roept? Ik
ben mij bewust een goede landheer te kunnen worden, daar men, om dat
te zijn, zooals ik dat opvat, geen candidaatsdiploma of ambt noodig
heeft dat gij zoo wenschelijk voor mij vindt. Lieve tante, maak voor
mij geen eerzuchtige plannen, berust bij de gedachte, dat ik mijn
eigen, maar een goeden weg volg, die mij, dat voel ik, naar het geluk
zal voeren. Ik heb veel nagedacht over mijne toekomstige plichten,
mij zelf levensregels voorgeschreven en, zoo God mij leven en kracht
schenkt, dan zal ik mijne voornemens ten uitvoer brengen." [52]
Al heeft Tolstoi in werkelijkheid dezen brief niet geschreven, dan
zijn het toch dergelijke gedachten, die zijne jonge ziel bestormden
en richting gaven aan zijn leven.
Zooals wij weten, leden zijne plannen schipbreuk. En dat kon niet
anders. Zijne oprechtheid kon het niet dulden, dat hij daar stond
als de weldoener van zijne lijfeigenen, d.w.z. van deze tot aan
het uiterste verwaarloosde lieden. Deze tegenstelling kon hij niet
verdragen, en een hard en streng mensch worden (zooals zijne tante hem
in den brief, waarmee zij hem antwoordde, ried) was hem ook onmogelijk,
zoodat hij de eerste gelegenheid de beste aangreep om verandering in
zijn leven te brengen.
Tolstoi bracht den zomer door op Jasnaja Paljana. In den herfst
ging hij naar Petersburg en deed daar in 't begin van 't jaar 1848
zijn candidaats-examen. "In '48," zoo vertelt hij in een opstel
over opvoeding, "deed ik candidaats-examen aan de akademie te
St.-Petersburg. Ik wist niets in den letterlijken zin van 't woord en
was eerst eenige weken van te voren met de voorbereiding begonnen. Ik
sliep 's nachts niet en werd candidaat in het crimineel en burgerlijk
recht, na eene voorbereiding van hoogstens een paar weken." [53]