Tolstoi wilde evenwel niet twee jaar denzelfden cursus volgen en

diende een verzoekschrift in om in de rechten over te mogen gaan,

hetgeen hem werd toegestaan.

Het winterseizoen van 1845 begon weer met de tweedaagsche feesten ter

eere van het verblijf van hertog Maximiliaan Leichtenberg te Kazan,

wien een schitterende ontvangst werd bereid.

"Ondanks dit vele uitgaan," vertelt Tolstoi, "begon ik mij ernstig

op de studie toe te leggen en dat verschafte mij waarlijk reeds

eenig genoegen. Behalve voor rechtsencyclopaedie en het strafrecht

(ik volgde met zeer veel belangstelling een college van den Duitschen

professor Vogel over de doodstraf), interesseerde ik mij zeer voor

het burgerlijk recht. Ook trok een arbeid, dien professor Meer mij

had opgedragen, n.l.: het vergelijken van Montesquieu's _Esprit des

lois_ met de _Instructies voor een nieuwen code_, van Catharina,

mij bijzonder aan" [45].

In Mei 1846 slaagde Tolstoi bij het overgangs-examen. Hij kreeg een

5 voor logica en psychologie; drie 4-en voor rechtsencyclopaedie,

voor het Romeinsche recht en voor het Latijn; vier 3-en voor algemeene

en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsche taal

en drie 5-en voor gedrag. 't Gemiddelde cijfer bedroeg 3, en Tolstoi

ging dus over van den eersten naar den tweeden cursus.

In dat jaar gebeurde het, dat Tolstoi straf kreeg en in den carcer

werd gezet. Deze episode wordt door zijn' vriend Nazarjeff beschreven,

hoewel niet geheel naar waarheid. De gesprekken evenwel zijn geheel

juist weergegeven. Wij zullen de aanteekeningen gebruiken, die Tolstoi

daarbij heeft gemaakt, waardoor natuurlijk alles in het ware licht

komt te staan.

Leo Tolstoi werd met een vriend opgesloten, niet in het auditorium,

zooals Nazarjeff schrijft, maar werkelijk in den carcer met getraliede

ramen. Hij had een' kandelaar en kaarsen in zijne laarzen verborgen

en zij brachten er één of twee aardige dagen door.

Wat betreft den koetsier, het paard, den knecht enz., dat is alles

in de verbeelding van Nazarjeff ontstaan. Het gesprek evenwel, door

hem beschreven, is geheel waar. Wij laten het hier volgen.

"Ik herinner me," zoo begint Nazarjeff, "dat ik _Demon_ van Lermontoff

las. Tolstoi zag een geschiedenisboek van Karamzin naast mij liggen

en begon naar aanleiding daarvan op de geschiedenis af te geven als

het vervelendste en minst nuttige vak dat er bestond.

"'Historie,' zei hij, en zijne woorden kwamen kort en scherp over zijne

lippen, 'historie is niet anders dan eene verzameling van sprookjes,

waar cijfers en eigennamen kunstig zijn doorheen gewerkt. De dood

van Igor, de slang die Oleg heeft gebeten, wat zijn het anders dan

sprookjes? En voor wie is het noodig te weten dat het tweede huwelijk

van Johan op 21 Augustus 1562 werd voltrokken, en het vierde, met

Anna Alexejewna, in 1517. Van mij echter wordt verlangd dat ik die

dingen weet, en blijf ik in gebreke dan krijg ik een 1. En hoe wordt

de historie geschreven! Alles wordt in een bepaalden vorm gegoten,

door den historicus uitgedacht. De "verschrikkelijke" Tsaar, waarover

professor Iwanoff juist college houdt, wordt na 1560 plotseling van

een deugdzamen, wijzen man, een ontoerekenbare, woedende tyran. Hoe

en waarom, daar moet men niet naar vragen....' Op deze wijze liet

mijn vriend zich uit. Het was mij of ik een stortbad had gekregen,

te meer daar geschiedenis mijn liefste vak is. Daarna gaf Tolstoi

zijne meening over de universiteit en de academische studie te

kennen. 'Tempel der wijsheid!' klonk het telkens smalend van zijne

lippen, en daarbij beschreef hij onze professoren op zulk eene wijze,

dat ik, hoeveel moeite ik ook deed om mij in te houden, het uit

moest schateren van het lachen. 'Wij verwachten,' vervolgde Tolstoi,

'dezen tempel als nuttige, bruikbare menschen te zullen verlaten. En

wat nemen wij mee van de universiteit? Denk daar eens over na en

antwoord me dan oprecht. Wat nemen we mee, als we ieder onzen eigen

weg gaan en naar ons dorp terugkeeren? Waarvoor kunnen wij gebruikt

worden en wie heeft eenig nut van ons?'

"Onder zulke gesprekken verliep de nacht. Tegen het aanbreken van den

morgen ging de deur open en verscheen de bewaarder, die ons verklaarde,

dat wij vrij waren en naar huis konden gaan.

"Tolstoi drukte zijne muts diep in de oogen, wikkelde zich in zijn

studentenjas, knikte bij wijze van groet even met zijn hoofd, schimpte

nog eens op den tempel en verdween, vergezeld door zijn' bediende en

den bewaarder. Ik haastte mij ook naar buiten, waar ik nu, zonder mijn'

celgenoot, met volle teugen de frissche morgenlucht inademde.

"Mijn hoofd was vol gedachten, die voor mij nog geheel onbegrijpelijk

waren, en vol van twijfelingen die ik nooit gevoeld had, maar die

bij mij waren opgewekt door mijn' vriend uit de gevangenis."

De drie broers Tolstoi, die tot nu toe bij hunne tante Pelageja hadden

gewoond, gingen in 1847 verhuizen, en betrokken kamers in eene woning

die tegenwoordig voor armenhuis dienst doet. Zij hadden vijf kamers

op de bovenste verdieping.

In Januari 1847 nam Tolstoi nog eens deel aan het halfjaarlijksch

examen, maar trok zich voor een gedeelte terug. Blijkbaar beschouwde

hij het als eene onnoodige formaliteit en liep hij reeds met het plan

rond om de universiteit te verlaten. Spoedig na de Paaschvacantie

zond hij met dat doel een verzoekschrift in, dat wij in zijn geheel

van Zagoskin hebben overgenomen en hier laten volgen.

Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Kazansche

Universiteit, den werkelijken stadsraad Iwan Michaïlowitsch

Simonoff.

Van den voor eigen rekening levenden student van den 2den cursus

der rechtsgeleerde faculteit, graaf Leo Nikolajewitsch Tolstoi.

_Verzoekschrift._

Wegens geschokte gezondheid en huiselijke omstandigheden niet

langer wenschende den cursus aan de universiteit bij te wonen,

verzoek ik Uwe Excellentie eerbiedig mij af te schrijven als

student en mij mijne papieren mede te doen toekomen. Hetwelk

onderteekent de bovengenoemde

12 April 1847. Graaf Leo Tolstoi.

Ingevolge dit verzoekschrift gaf het bestuur het antwoord: "Tolstoi

ontslaan van de universiteit en hem een getuigschrift uitreiken."

In het archief van de universiteit bevindt zich nog een duplicaat van

dit getuigschrift, dat voor ons van eenig belang is om de eigenaardige

wijze waarop datgene wat men niet wilde zeggen is omschreven. Hier

volgt de inhoud.

"Brenger dezes, graaf Leo Nikolajewitsch, zoon van Tolstoi, na het

eerste elementaire onderricht genoten en na het geheele gymnasium

afgeloopen te hebben, werd ingeschreven als student aan de Universiteit

te Kazan voor den cursus van de Arabisch-Turksche talen. Welke

vorderingen hij gemaakt heeft is niet bekend, daar hij niet verscheen

op de jaarlijksche examens, reden waarom hij denzelfden cursus nog een

jaar moest volgen. Met toestemming van het college ging hij over naar

de juridische faculteit, waar hij groote vorderingen maakte: logica en

psychologie--zeer goed;--rechtsencyclopaedie, de geschiedenis van het

Romeinsche recht en Latijn--goed; algemeene en Russische geschiedenis,

theorie der spraakkunst en Duitsch--voldoende; hij ging over naar den

tweeden cursus, doch de vorderingen kunnen niet geconstateerd worden,

daar de examens nog niet zijn afgenomen. Het gedrag van Tolstoi was

gedurende zijn verblijf aan de universiteit uitstekend. Ingevolge

zijn verzoekschrift is hem om gezondheidsredenen verlof gegeven de

akademie te verlaten; reden waarom de bovengenoemde graaf Tolstoi,

zijne studie niet hebbende voleindigd, geen gebruik mag maken van

de rechten van een werkelijken student; volgens artikel 590 van het

Wetboek zal dit getuigschrift bij aanvaarding van een burgerlijk ambt

de vergelijking moeten doorstaan met de papieren van personen die

middelbaar onderwijs genoten hebben, en kan hij in aanmerking komen

voor civiel-ambtenaar 2e klasse. Dit getuigschrift, voorzien van de

vereischte handteekeningen en stempel der Kazansche Universiteit,

gegeven aan graaf Leo Tolstoi.

"Gedaan op allerhoogst bevel. Op ongezegeld papier."

"Tolstoi," zoo vertelt Zagoskin, "haastte zich uit Kazan weg te komen

en wachtte niet eens het examen van zijne broers Sergius en Dmitri

af. Hij reisde over Moskou naar Jasnaja Paljana. Den dag van zijn

vertrek verzamelde een kleine kring studenten zich ten huize van

de Tolstoi's. Een van dezen, die tot nu toe nog te Kazan woonde,

vertelde mij dat zij zijn afscheid feestelijk vierden en hem een

eindweegs vergezelden, n.l. tot over het riviertje Kazanka, waar zij

hem den laatsten groet brachten."

Tolstoi liet aan de Kazansche universiteit nog een klein spoor

na. Vorst Dmitri Dm. Obolenski deelde mij onlangs mede, dat op de

bank waar Tolstoi gewoonlijk zat, de naam "graaf L. N. Tolstoi"

gevonden was, die er waarschijnlijk door hem zelf met een mesje of

met den nagel was ingekrast.

De Duitscher R. Löwenfeld, die eene biographie van Tolstoi heeft

geschreven, vroeg hem eens, toen hij op Jasnaja Paljana vertoefde,

hoe het mogelijk was, dat hij, bij zijn grooten dorst naar wetenschap,

toch de universiteit had verlaten.

"Juist in mijn' dorst naar wetenschap ligt waarschijnlijk de oorzaak,"

antwoordde Tolstoi. "Wat de professoren ons leeraarden boezemde

mij weinig belang in. In den aanvang studeerde ik in de Oostersche

talen, maar maakte weinig vorderingen. Ik studeerde ijverig en las

een oneindig aantal boeken, maar alle in één richting. Wanneer een

vraagstuk mij belang inboezemt, dan bekijk ik het niet van links of van

rechts, maar van alle kanten en tracht het geheel te overzien, om er

een klaar begrip van te krijgen. Zoo was ik ook reeds te Kazan." [46]

"Er bestonden twee redenen waarom ik de universiteit verliet: Ten

eerste dat mijn broers hadden afgestudeerd en weggingen, en ten tweede,

hoe vreemd het ook moge klinken, mijne studie over de _Instructies_

en _l' Esprit des Lois_, die mij een nieuw veld voor zelfstandigen

gedachtenarbeid opende en waarbij de universiteit met hare vele

eischen mij hinderde." [47]

De herinneringen van Tolstoi aan zijn' broeder Dmitri zijn verbonden

met eenige belangrijke bijzonderheden van het leven te Kazan.

"Mitjenka (Dmitri) is een jaar ouder dan ik. Hij heeft groote, strenge,

zwarte oogen. Als knaap kan ik hem mij bijna niet herinneren. Ik weet

slechts uit de verhalen, dat hij als jongen heel grillig was. Men

vertelde mij b.v. dat hij boos werd als de njanja naar hem keek en

ook begon te schreeuwen als zij hem niet aanzag. Mijne moeder had er

veel verdriet van. Wij stonden het dichtst bij elkaar in leeftijd en

ik speelde veel met hem, maar toch hield ik meer van Sergius en van

Nikolaas. Wij gingen goed met elkaar om, en ik kan mij niet herinneren,

dat wij met elkaar vochten. Het zal wel eens zijn voorgekomen, maar

werd dan spoedig weer vergeten. Ik hield van hem met eene eenvoudige,

gelijkmatige, natuurlijke liefde, die om haar eenvoud geen indruk

heeft nagelaten. Ik geloof, of liever, ik ben er van overtuigd, want

ik heb het in mijne jeugd zelf ondervonden, dat de liefde tot de

menschen een natuurlijke toestand van de ziel is, of meer nog eene

natuurlijke betrekking tot alle menschen, en waar dit zoo is daar

bemerkt men haar niet.

"De herinnering blijft behouden wanneer men niet van iemand houdt of

als men iemand vreest. Zoo was ik bang voor bedelaars, bang voor een

zekeren Wolkonski, die mij altijd kneep; ik geloof niet dat er nog

andere menschen waren, voor wie ik vrees koesterde. Ook blijft de

herinnering als men zeer veel van iemand houdt, zooals ik b.v. hield

van Tatjana Alexandrjewna, van mijne broers Sergius en Nikolaas, van

een zekeren Wassiliï, van de njanja Isajewna en van Paschenka. Van

Mitjenka's eerste jeugd herinner ik mij alleen maar dat hij vroolijk

was. Eerst in Kazan, waar wij heen gingen toen hij 13 jaar oud was,

begon ik zijne eigenaardigheden op te merken. Ik herinner mij, dat hij,

toen wij nog in Moskou waren, niet zoo gauw verliefd was als Sergius

en ik; hij hield niet van dansen, ook niet van militair vertoon (waar

ik later nog van zal spreken) en leerde goed en vlijtig. Ik weet nog,

dat onze leeraar, de student Palonski, eens van ons drieën zeide:

'Sergius wil en kan, Dmitri wil maar kan niet (dat was niet waar), en

Leo wil niet en kan niet.' Ik geloof dat dit laatste geheel waar was.

"Ik had steeds Sergius als voorbeeld genomen en begon reeds mijne

reinheid te verliezen (dat zal ik ook later vertellen). Met mijn

uiterlijk hield ik mij reeds lang bezig en ik deed mijn best er geheel

_comme il faut_ uit te zien.

"Mitjenka was heel anders; ik geloof dat hij niet een van die

gebreken had, die jongens op dien leeftijd eigen zijn. Hij was

ernstig, oplettend, rein, vlug besloten en wat hij deed, dat deed

hij met hart en ziel, maar hij was driftig. Toen het eens gebeurde

dat hij dat kettinkje inslikte, maakte hij zich, voor zoover ik het

mij herinneren kan, niet ongerust, terwijl ik nu nog weet hoe angstig

ik was, toen ik een pit van eene Fransche pruim had doorgeslikt, die

mijne tante mij had gegeven, en met hoeveel gewicht ik haar dat ongeluk

ging vertellen. Ik herinner mij nog, dat wij eens als kleine jongens

aan het sleeën waren op een afgelegen steilen heuvel (en wat was het

vroolijk!), toen iemand in plaats van den grooten weg te volgen, met

zijne troika [48] den berg opreed. Sergius en een boerenjongen, die

juist aan 't glijden waren, konden het sleetje niet meer tegenhouden

en geraakten onder de paarden. De kinderen kregen geen letsel en de

troika reed verder. Wij hadden het er druk over, hoe Sergius onder

het bijdehandsche paard was door gekropen en hoe het andere schrikte,

maar Mitjenka (hij was toen negen jaar) ging naar het rijtuig en

schold den voerman uit. Ik herinner mij, dat ik hem bewonderde,

maar dat de woorden die hij zei mij niet zeer bevielen, n.l. dat

het niet veroorloofd was daar te rijden, dat het geen rijweg was en

dat de koetsier verdiende daarvoor in den stal te worden geworpen,

hetgeen met andere woorden wil zeggen: te worden afgeranseld.

"In Kazan, zooals reeds gezegd is, kwamen zijne bijzondere

eigenschappen meer aan het licht. Hij leerde altijd even goed, maakte

heel gemakkelijk gedichten en heel goede vertalingen van de werken

van Schiller, hoewel hij er niet veel aan deed. Hij dacht steeds bij

zijn werk, en was altijd rustig en ernstig. Eén maal herinner ik mij

echter dat hij de dolste dingen uithaalde; de meisjes vonden het

prachtig en ik werd jaloersch en dacht: 'dat komt zeker omdat hij

anders altijd zoo ernstig is,' en ik nam mij voor ook zoo te worden.

"Het was een domme inval geweest van tante Pelageja, toen zij ons

ieder een' bediende van onzen eigen leeftijd gaf, Mitjenka kreeg

Wanjoescha (hij leeft nog), dien hij dikwijls slecht behandelde; ik

geloof zelfs dat hij hem wel eens sloeg. Ik zeg 'ik geloof,' omdat

ik het niet zeker weet, maar wèl herinner ik mij nog zijn berouw en

zijn nederig smeeken om vergiffenis.

"Zoo werd Dmitri ongemerkt grooter, bemoeide zich weinig met de

menschen, en met uitzondering van zijne driftbuien was hij steeds

rustig en ernstig en keek met denkende, strenge, groote, zwarte oogen

de wereld in. Hij was lang, tamelijk mager, niet heel sterk, had

lange armen en een gebogen rug. Hij was een jaar jonger dan Sergius,

studeerde echter tegelijk met hem op en had als vak de meetkunde

gekozen omdat zijn oudere broeder dat ook had gedaan. Hoe hij er

zoo jong toe kwam weet ik niet, maar reeds in 't begin van zijn'

studententijd werd en leefde hij zeer godsdienstig. Dit leven bracht

hem natuurlijk met de kerk in aanraking en, ernstig als hij was,

volgde hij in alles hare voorschriften. Op vastendagen at hij geen

vleeschspijzen, woonde alle diensten bij en stelde zich zelf steeds

de hoogste eischen.

"Mitjenka bezat ook dien mooien karaktertrek, dien ik bij mijne moeder

vermoedde, bij mijn broer Nikolaas had opgemerkt en dien ik zelf

volkomen miste, n.l. die groote onverschilligheid voor het oordeel

der menschen. Nu zelfs kan ik mij nog niet vrij maken van de gedachte,

wat de menschen wel van mij zullen zeggen. Mitjenka kende dat gevoel

niet. Ik zag op zijn gelaat nooit dat half teruggegehouden lachje,

dat onwillekeurig verschijnt wanneer de menschen ons prijzen. Ik zie

hem nog steeds met zijne ernstige, rustige, treurige, soms booze,

groote, amandelvormige, zwarte oogen. Eerst in Kazan begonnen wij

hem eenige aandacht te schenken, en wel omdat juist in dien tijd,

toen Sergius en ik zooveel waarde aan ons uiterlijk en aan het begrip

van _comme il faut_ hechtten, hij er altijd even slordig uitzag,

waarover wij hem dikwijls onderhielden. Hij kon niet dansen en wilde

het ook niet leeren. Als student kwam hij niet in gezelschappen,

droeg altijd zijn studentenjas met een smal dasje, en van zijne jeugd

af had hij het dwaze aanwensel steeds met zijn hals te draaien alsof

hij te nauwe dassen droeg.

"Op godsdienstig gebied begonnen zijne eigenaardigheden daarmee, dat

hij voor het heilige avondmaal niet naar de moderne universiteitskerk

ging, maar naar de kazemat-kerk. Wij woonden tegenover het

tuchthuis. Daar was een zeer strenge en godsdienstige priester aan

verbonden, die in den tijd der vasten alle evangelies voorlas alsof men

die nog nooit had gehoord, zoodat de diensten natuurlijk ontzettend

lang duurden. Mitjenka hield het uit en maakte kennis met dezen

pope. De kerk in het tuchthuis was zóó ingericht dat de gevangenen

achter een glaswand stonden, waarin deuren waren aangebracht. Eens

wilde een van de gevangenen den kerkdienaar eene kaars of geld voor

eene kaars geven. Niemand van de in de kerk aanwezigen wilde zich

met deze boodschap belasten, maar Mitjenka met zijn ernstig gezicht

nam het op zich. Het bleek naderhand, dat dit verboden was en men

onderhield hem er over, maar hij vond het goed en deed het bij

voorkomende gelegenheden weer. Wij, hoofdzakelijk Sergius, hadden

aristokratische kennissen, Mitjenka daarentegen koos uit allen den

beklagenswaardigen armen student Poloebojarinoff, dien een vriend

van ons Poloebjezabjedoff ('half zonder middageten') noemde. Wij

domme jongens vonden dat heel grappig en lachten Mitjenka uit. Deze

Poloebojarinoff was zijn eenige vriend en met hem werkte hij voor het

examen. Wij woonden toen op den hoek van het plein Arskoje, in het

huis van Kisiljeff, op de bovenste verdieping. Vóór had Mitjenka zijne

kamer, daarachter Sergius en ik. Wij beiden hielden er van onze kamer

mooi te maken en wij kregen daarvoor allerlei kleinigheden. Mitjenka

hield er niet van en vroeg van de voorwerpen uit ons ouderlijk huis

alleen maar de mineralen. Hij verdeelde ze in groepen, schreef er de

namen bij en bewaarde ze in eene doos met glazen deksel.

"Onze vrienden, die zagen dat wij, broers, en ook onze tante met eene

zekere minachting op Mitjenka en zijne eenvoudige neigingen neerzagen,

namen dat natuurlijk van ons over. Een van hen, de ingenieur Es.,

zag eens, door Mitjenka's kamer gaande om bij ons te komen, diens

mineralen en vroeg hem iets; Mitjenka gaf nauwelijks antwoord. Es.,

een onsympathiek, aanstellerig jongmensch, schoof en schudde de

doos, waarop Mitjenka hem verzocht dat te laten. Hij liet het niet,

bespotte hem en lachte hem uit, en noemde hem, waarom weet ik niet,

Noach. Mitjenka werd driftig en sloeg hem met zijne groote hand in

't gezicht. Es. liep naar onze kamer, achtervolgd door Mitjenka, die,

toen wij hem buitensloten, woedend dreigde Es. te zullen afranselen,

als hij de deur uitkwam. Ik weet niet hoe het zou zijn afgeloopen

als wij hem niet, op zijn verzoek, heimelijk, half kruipend over den

stoffigen zolder, hadden laten ontsnappen.

"Zoo was Mitjenka als hij driftig was, maar als men hem niet plaagde

was hij geheel anders.

"Onze familie had om de eene of andere reden een meisje aangenomen. Zij

was een vreemd, beklagenswaardig schepsel en heette Ljoebow

Serghejewna. Zij was eene onwettige dochter van Protasoff. Hoe zij bij

ons kwam weet ik niet. Ik hoorde dat het uit medelijden was en dat men

haar zelfs aan Feodor Iwanowitsch had willen uithuwelijken, maar daar

is niets van gekomen. Zij moet steeds bij ons gewoond hebben, doch daar

weet ik niets meer van, wèl dat tante Pelageja haar mee nam naar Kazan,

waar ik haar leerde kennen. Het was een ongelukkig meisje. Zij had

haar eigen kamer, waar zij ook werd bediend. Toen ik haar voor 't eerst

zag, was zij niet slechts beklagenswaardig maar afkeerwekkend. Ik weet

niet welke ziekte zij had, maar haar gezicht was altijd opgezet, als

door bijen gestoken; de oogen keken uit een paar dikke, gladde kussens

zonder wenkbrauwen; geel, opgezet en glimmend waren ook wangen, neus,

lippen en mond. Zij sprak moeielijk, waarschijnlijk omdat haar mond

inwendig ook was opgezwollen. In den zomer zaten er altijd vliegen op

haar gezicht, hetgeen zij niet scheen te voelen; vreeselijk om aan te

zien! Haar haar was zwart, maar zoo dun, dat het haren schedel niet

bedekte. Joeschkoff, de man van mijne tante, die niet altijd even

kiesch was, kon zijn' afschuw voor haar niet verbergen. Altijd had

zij eene benauwde lucht bij zich, die ook op haar kamer hing, waar

nooit een raam openstond. En deze Ljoebow Serghejewna koos Mitjenka

zich tot vriendin. Hij ging naar haar toe, sprak met haar, luisterde

naar haar, wandelde met haar en las haar voor, en wij, stompzinnig als

wij waren, lachten om die vriendschap. Mitjenka echter stond zóó hoog,

bekommerde zich zóó weinig om het oordeel der menschen, dat het hem

niet eens de moeite waard was om met een enkel woord uit te leggen,

dat hij het deed omdat hij het goed vond. Hij dééd het eenvoudig,

en niet voor een paar dagen, bij wijze van gril, maar al den tijd

dien wij in Kazan doorbrachten.

"Hoe duidelijk is het mij thans, dat de dood Mitjenka niet kon

vernietigen, dat hij reeds was voor ik hem leerde kennen, vroeger

dan hij werd geboren, en dat hij voortleeft na zijn' dood."

Voor zoover het ons mogelijk is, zullen wij nu een' blik slaan op het

innerlijk leven van Tolstoi, zooals hij was in zijne jongelingsjaren.

Het kritieke punt in het leven van den man zijn zijne jongelingsjaren,

het tijdperk waarin van alle kanten de onbekende hartstochten hem

bestormen. Reeds voor den alledaagschen mensch is dit de tijd van

heftig voelen, van het zoeken naar idealen, de periode van droomen

en verwachtingen, van wenschen die nooit vervuld zullen worden. Dus

kunnen wij ons voorstellen hoe zwaar de inwendige strijd moest zijn

voor een' man als Tolstoi, met zijn zoo voor alle indrukken vatbare

natuur. Hoe hoog die geest, gedragen door zijne fantasieën, zich

kon verheffen boven deze aarde, maar ook hoe diep zij zinken kon,

omlaag getrokken door zijne dierlijke instincten.

Eene beschrijving van dezen inwendigen strijd geeft Tolstoi ons in

zijne werken _Biecht_ en _Jongelingsjaren_.

De gedachten, in het eerste werk uitgesproken door Nikoljenka

Irtjenjeff, hebben zonder twijfel auto-biografische waarde. In

_Jongelingsjaren_ zijn deze uitingen min of meer geïdealiseerd. Eenige

van de belangrijkste ideeën laten wij hier volgen.

"Ik zeide reeds, dat mijne vriendschap voor Dmitri mij een nieuwen blik

op het leven gaf en mij leerde dat de taak der menschen hierin moet

bestaan: steeds te streven naar het goede, naar het volmaakte. Eene

taak die ons niet moeielijk en zeer goed uitvoerbaar scheen.

"Er kwam een tijd, waarin die gedachten zóó heftig op mij instormden,

dat ik plotseling begreep hoe lang ik reeds tevergeefs had geleefd. Van

dat oogenblik af aan nam ik mij heilig voor die goede voornemens

nooit meer te laten varen. Dat was, reken ik, het begin van mijn'

jongelingstijd.

"Ik was toen ongeveer zestien jaar. Nog steeds moest ik les nemen en

gedwongen, tegen mijn' zin, werd ik klaar gemaakt voor de universiteit.

"In dezen tijd van mijn leven namen mijne droomen de volgende vier

gestalten aan: ten eerste, de liefde tot 'haar', de vrouw mijner

fantasieën, van wie ik droomde en die ik ieder oogenblik verwachtte

te zullen ontmoeten.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 8 / 32 段