zijne principes was toegedaan, die hierin bestonden dat hij de deugd
verafgoodde en overtuigd was, dat het de bestemming van den mensch is,
steeds meer en meer naar het volmaakte te streven. Het leek ons zoo
gemakkelijk het geheele menschdom te verbeteren en allen te bevrijden
van ongeluk en ellende; zoo eenvoudig ons zélf te verbeteren, deugdzaam
te worden en gelukkig te zijn." [36]
Het is zeker, dat deze neiging tot abstracte dingen, deze
teruggetrokkenheid en schuchterheid, dit streven naar het ideale,
eigenschappen, die den knaap reeds kenmerkten, den grondslag legden
voor de vorming van de harmonische gedachten van den grootschen
kunstenaar, die de kiem daarvan reeds bij zich droeg in het tijdperk
van zijn jongensjaren.
Leo Tolstoi werd opgevoed in een patriachaal-aristokratischen, op zijne
wijze godsdienstigen, kring. Zijne gevoelige kinderziel nam altijd
op wat hem het mooiste scheen en hij was oprecht godsdienstig. [37]
Maar deze gewoonte-godsdienst vervloog bij de eerste kennismaking
met het geloof der rede.
In zijn werk _Biecht_ vertelt Tolstoi het volgende van zijne
godsdienstige opvoeding, toen hij nog een jongen was.
"Ik werd gedoopt en opgevoed in de leer der rechtgeloovigen, maar
toen ik achttien jaar was en mijn tweede studiejaar inging, geloofde
ik reeds niets meer van hetgeen men mij geleerd had.
"Afgaande op mijne herinneringen heb ik eigenlijk nooit ernstig
geloofd; ik had slechts vertrouwen in hetgeen de grooteren mij
predikten, maar zelfs dat vertrouwen stond niet vast. Ik herinner mij
nog--ik was toen elf jaar--dat op een Zondag Walodjenka M. bij ons kwam
en ons als laatste nieuws een ontdekking, gedaan op het gymnasium,
openbaarde, n.l. dat er geen God bestond en dat alles wat men ons
daaromtrent leeraarde verzinsel was. Dit gebeurde in 1838.
"Ik weet nog, dat het nieuws mijn oudere broers sterk interesseerde,
dat zij mij ook aan de beraadslagingen lieten deelnemen en dat wij de
conclusie trokken, dat het zeer opmerkelijk en zeer aannemelijk was."
Wij weten, dat deze rationalistische overwegingen de kern van zijn
geloof niet raakten. Dit bleek bestand te zijn tegen de ruwste
levensstormen en wees hem ten slotte den weg naar de waarheid.
Het is voor ons niet onbelangrijk eens na te gaan welke schrijvers,
volgens Tolstoi's eigen opgave, invloed op hem hebben uitgeoefend in
zijne jeugd, d.w.z. ongeveer tot zijn 14de jaar. Hier volgt de lijst:
Namen der werken: Graad van invloed:
De geschiedenis van Jozef uit den Bijbel. Buitengewoon groot.
De verhalen van de Duizend-en-één nacht.
(De veertig roovers en Prins Kameralzaman). Groot
De zwarte kip van Pogorjelski. Zeer groot
Russische verhalen:
Dobrinja Ninititsch--Ilija Moeromjetz--
Aljescha Ispowitsch. Buitengewoon groot
Volkssprookjes. Buitengewoon groot
Het gedicht van Poeschkin: Napoleon. Groot.
Nu zullen wij eenige voorvallen aanhalen uit Tolstoi's jongensjaren,
zooals wij die gehoord hebben van hem zelf en van zijne familie. Ook
bezitten wij gegevens uit andere bronnen, die wij aan kritiek
onderworpen en gebruikt hebben voorzoover wij ze geloofwaardig
bevonden. Het is echter onmogelijk, deze verhalen in chronologische
volgorde te plaatsen.
"Ik herinner mij," vertelde Tolstoi, "dat wij, toen vader nog leefde,
in 't begin van ons verblijf te Moskou, een paar prachtige vurige
paarden hadden.
"Mitka Kopiloff was onze koetsier en tevens vaders rijknecht. Hij
was een flink ruiter en jager, een uitstekend koetsier en bovenal een
onschatbare voorrijder, want bij onze vurige paarden was een jongen
niet vertrouwd en een oude voorrijder staat niet mooi. Mitka nu bezat
alle eigenschappen die een voorrijder moet hebben en die men zelden
vereenigd ziet. Hij was licht gebouwd, niet te groot en behendig.
"Eens had vader bevel gegeven de phaëton in te spannen. De
deuren van de poort gingen open en de paarden sprongen wild naar
buiten. Wij hoorden iemand roepen: 'de paarden van den graaf gaan op
hol!' Paschenka viel flauw en tante liep vlug naar grootmoeder om haar
gerust te stellen. Het bleek dat vader nog niet was ingestapt en Mitka,
die de paarden weer meester was geworden, keerde naar den stal terug.
"Toen wij onze uitgaven moesten verminderen moest Mitka worden
weggedaan. Verschillende rijke kooplieden hadden hem, mooi als hij
er uitzag in zijn zijden buis en fluweelen koetsiersjas, graag voor
een groot loon willen hebben.
"Nu trof het echter dat Mitka's broer onder dienst moest en zijn oude
vader hem noodig had voor het werk op het land van zijn' heer. Hij ging
naar huis en na verloop van een paar maanden veranderde die kleine,
fatterige Mitka in een grauwen boer, die zaaide en ploegde op het
land van zijn' heer en over 't algemeen het zware boerenleven leidde.
"En deze omkeer geschiedde zonder morren, in het bewustzijn dat het
zoo moest zijn en niet anders."
Voorvallen als deze bevorderden nog de liefde en achting, die Tolstoi
van zijn jeugd af aan het volk heeft toegedragen.
De volgende gebeurtenissen hebben, volgens Tolstoi's eigen woorden,
de zaden van ontevredenheid en twijfel in zijne ziel gestrooid,
vooral van twijfel aan de oprechtheid der menschen, der "grooteren",
die hij vroeger onvoorwaardelijk geloofde.
De kinderen Tolstoi waren, als verre bloedverwanten, gevraagd bij
den kerstboom van de familie Pipoff. Zij hadden toen hun vader
en grootmoeder reeds verloren en leefden onder de hoede van hunne
tante in betrekkelijk armoedige omstandigheden, zoodat zij weinig
aantrekkelijks voor de buitenwereld hadden.
Hunne nichtjes, de kinderen van vorst Gortschakoff, den toenmaligen
minister van oorlog, waren ook uitgenoodigd, en de Tolstoi's moesten
met bitterheid het onderscheid opmerken, dat er gemaakt werd tusschen
hen en de meer welkome gasten. Zij werden afgescheept met goedkoope
prullen, terwijl de andere kinderen het mooiste en kostbaarste
speelgoed ontvingen.
Het tweede voorval speelde ook in Moskou, op eene wandeling met
hun Duitschen gouverneur. Bij de kinderen (Leo was ongeveer 10 jaar)
bevond zich het dochtertje van de Fransche gouvernante van hun' buurman
Isljeneff. Het was een mooi, aantrekkelijk meisje. Zoo wandelende op
de Bolschaja Bronnaja, kwamen zij voorbij een poortje van een' tuin
die bij het huis Paljak hoorde. De poort was niet gesloten en half
angstig gingen zij er in, zelf niet wetend hoe het af zou loopen,
maar de tuin leek hun zoo buitengewoon mooi. Er was een vijver met
roeibootjes, vlaggen, bloemen, bruggetjes, kleine paadjes, prieeltjes,
enz. Zij liepen als in een' toovertuin.
Eindelijk kwamen ze een' heer tegen, die zeide dat hij de eigenaar
was en Attascheff heette. Hij begroette hen vriendelijk en noodigde
hen uit hunne wandeling voort te zetten, liet hen roeien en was in
één woord zoo voorkomend, dat zij begonnen te gelooven, zeer welkome
gasten te zijn. Daarom besloten de kinderen een paar dagen later er
eens weer heen te gaan.
Toen zij aan het poortje kwamen hield een oude man hen tegen en vroeg
wat zij wilden. Zij noemden hun naam en lieten zich bij den eigenaar
aanmelden. Joezjenka was nu niet bij hen. De man kwam terug met de
boodschap, dat de tuin particulier eigendom was en niet toegankelijk
voor het publiek. Zij gingen treurig weg en in hun jonge zieltjes rees
de vraag, waarom toch het mooie gezichtje van hun vriendinnetje zoo'n
grooten invloed kon hebben op hunne verhouding tot hunne medemenschen.
Nu volgen eenige schetsjes, die de eigenaardigheid, of liever, de
excentriciteit van Tolstoi's karakter als jongen, in 't licht stellen.
"Wij zaten eens aan tafel," vertelde mij Tolstoi's zuster. "'t
Was nog in Moskou, bij 't leven van grootmoeder, die zeer streng
was op de etiquette. Allen moesten wij in de kamer zijn voordat zij
verscheen. Wij waren er dan ook allemaal, behalve Leo, die maar niet
kwam. Grootmoeder bemerkte het en vroeg den gouverneur St. Thomas,
of hij ook wist waar Leo was. Deze antwoordde dat hij zeker bij het
toiletmaken op zijne kamer was opgehouden, maar ieder oogenblik
moest komen. Grootmoeder was gerustgesteld, maar onder 't eten
kwam de djadka [38] binnen en fluisterde St. Thomas iets in. Deze
verbleekte, stond op en verliet de kamer. Dat was zoo'n ongewone
inbreuk op onze strenge etiquette, dat wij allen begrepen dat er een
ongeluk moest zijn gebeurd, en daar Leo maar steeds niet verscheen,
moest hij er in zijn betrokken. Angstig zaten wij te wachten en
kregen spoedig de volgende verklaring: Leo--wij wisten niet waarom
(zooals hij nu zegt, alleen maar om iets bijzonders te doen, om
gewichtig te schijnen)--had zich voorgenomen om uit het raam van de
tweede verdieping te springen, en opdat niemand hem daarin zou kunnen
verhinderen, was hij opzettelijk alleen in de kamer achtergebleven,
toen de anderen aan tafel gingen. Hij klom in het open venster van de
bovenverdieping en sprong in den hof. Toen Leo naar beneden stortte,
stonden de kok en de keukenmeid juist voor het raam en begrepen
eerst niet wat er gebeurde; zij stuurden den huisknecht om eens te
gaan zien, en deze, buiten gekomen, zag Leo bewusteloos op den grond
liggen. Gelukkig had hij niets gebroken en alles liep af met een lichte
hersenschudding. De bewusteloosheid ging over in een diepen slaap,
die zestien uren aanhield en waaruit hij geheel gezond ontwaakte. Gij
kunt u onze schrik en ontsteltenis voorstellen bij deze onbezonnen
daad van den kleinen zonderling.
"Eens haalde hij het in zijn hoofd zijn wenkbrauwen af te scheren,
waardoor hij zijn gezicht, dat toch al ver van mooi was, nog veel
leelijker maakte en waarvan hij naderhand heel veel verdriet heeft
gehad."
"Een andermaal," vertelt Maria Nikolajewna, "zaten we in een troika
en reden van Pirochoff naar Jasnaja. Er werd even halt gemaakt. Leo
stapte uit en ging te voet verder. Toen wij verder zouden rijden was
Leo nergens te vinden. De koetsier zag in de verte zijn gestalte,
die zich meer en meer verwijderde. Wij reden verder, in de meening dat
hij in zou stappen als wij hem hadden ingehaald. Maar zoo gebeurde het
niet. Bij 't naderen van de troika verhaastte hij zijne schreden, en
toen deze hem op zij was zette hij het op een loopen en wilde blijkbaar
niet instappen. De troika reed heel vlug en hij liep ongeveer drie
wersten zoo hard als hij kon mee, totdat hij ten slotte geen kracht
meer had en het opgaf. Nat van zweet, geheel buiten adem, nam men
hem in de troika op, waar hij doodelijk vermoeid neerviel."
Tolstoi's echtgenoote, gravin Sophie Andrejewna, heeft dikwijls
gebeurtenissen uit het leven van haar echtgenoot, die zij van hem
zelf of van zijne familie hoorde, opgeschreven en verzameld. Hoewel
tot onzen spijt deze arbeid niet is voleindigd, heeft hij voor ons
toch groote waarde. Met haar welwillende toestemming laten wij hier
eenige uittreksels volgen.
"Afgaande op de verhalen van eene bejaarde tante en van mijn'
grootvader Iljeneff, die zeer bevriend was met den vader van mijn
man, was de kleine Leo een vreemd, zonderling kind. Hij kon b.v. de
zaal binnen komen en de aanwezigen begroeten met een achterwaartsche
buiging, met zijn hoofd achterover, terwijl zijn voeten over den
grond knarsten.
"Op de vraag of hij goed geleerd had, kreeg ik zoowel van hem als
van anderen steeds ten antwoord: 'neen'."
Tolstoi's zwager S. A. Bjers vertelt in zijne herinneringen het
volgende:
"Volgens tante Pelageja kon men hem, toen hij nog een kind was, gerust
een' bengel noemen; als jongen was hij zeer eigenaardig en haalde de
vreemdste dingen uit, maar was daarbij vroolijk en opgewekt en had
een hart van goud.
"Mijne tante, die nu overleden is, vertelde mij dat hij, in
_Kinderjaren_ zijne eerste liefde beschrijvende, heeft verzwegen,
dat hij eens het voorwerp van die liefde uit jalouzie van het balkon
heeft gestooten. De bewuste was mijne moeder, die toen negen jaar
oud was en, dank zij de buiteling, een langen tijd gebrekkig moest
loopen. Hij had het gedaan omdat zij niet met hem, maar met een ander
sprak. Later zeide zij dikwijls lachend: 'Je hebt mij zeker van het
balkon gestooten om met mijne dochter te kunnen trouwen.'
"Zelf vertelde Tolstoi eens in zijn' familiekring en in mijne
tegenwoordigheid, dat hij, toen hij een jaar of zeven was, vurig
wenschte te kunnen vliegen. Hij verbeeldde zich, dat hij het best
zou kunnen door op zijn hurken te gaan zitten en dan met beide armen
zijne knieën te omvatten. Hoe stijver hij vasthield, des te hooger
zou hij kunnen vliegen."
Verschillende autobiografische vertellingen kunnen wij vinden in
reeds vroeger verschenen boeken. Eenige zeer karakteristieke laten
we hier volgen.
In de vertelling _Het oude Paard_ verhaalt hij, dat hij en zijne drie
broers verlof hadden gekregen om te gaan rijden. Men gaf hun daarvoor
het oude paard Woronok. Nadat de oudere broers er eerst van genoten
en het arme dier voldoende geplaagd hadden, kreeg hij het.
"Toen het mijn beurt was," vertelde Tolstoi, "wilde ik mijn broers
eens toonen, hoe goed ik wel kon rijden. Ik spoorde het paard aan,
maar hoe ik mij ook inspande, het wou niet vooruit, en keerde naar den
stal terug. Ik werd boos, sloeg het dier met mijne zweep en schopte
het met mijne voeten in de zijden. Ik deed mijn best om het juist
daar te raken, waar ik wist dat het het meest pijn deed. Mijn zweep
brak ik er bij, toen sloeg ik met den knop. Woronok echter verwikte
niet en wilde niet verder. Toen keerde ik terug en vroeg mijn' djadka
een nieuwe sterke zweep. Maar deze zeide:
"'Heer, gij hebt genoeg gereden, stijg nu af. Waarom het paard langer
te kwellen?'
"Beleedigd antwoordde ik:
"'Ik heb nog in 't geheel niet gereden. Geef mij een nieuwe zweep,
dan zult ge zien, hoe ik zal galoppeeren.'
"Toen schudde hij zijn hoofd en zei:
"'Ach, heer, medelijden kent gij niet. Waarom wilt gij het paard tot
spoed aanzetten? Men heeft het gekweld, het kan geen adem meer halen,
het is oud, zoo oud als Pimjen Timofjeïtsch. [39] Als gij op dien
gingt zitten en hem met de zweep zoudt aansporen, zoudt gij dan geen
medelijden hebben?'
"Ik stelde mij den ouden Pimjen voor en gehoorzaamde den djadka. Ik
steeg af en toen ik zag, hoe het arme paard hijgde en met zijn half
uitgevallen staart heen en weer sloeg, begreep ik hoe slecht het er
aan toe was. Ik kreeg zoo'n medelijden met Woronok, dat ik een kus
op zijn bezweeten nek drukte en hem vergiffenis vroeg, omdat ik hem
zoo had geslagen."
In _Hoe ik leerde paardrijden_ vertelt Tolstoi, dat hij eens met zijn
broers naar de manege ging om het te leeren. De eerste piqueur, die
zich verbaasde over zijne kleine gestalte, maar zijne vastberadenheid
zag, wilde hem zelf helpen, "Men bracht een klein bruin paardje voor
met korten staart. Het heette Tscherwentschik. De piqueur zei lachend:
'Nu kavalier, stijg maar op.' Ik verheugde mij en werd bang, doch deed
mijn best om dit niet te laten merken. Ik trachtte den stijgbeugel
te pakken, maar kon het niet, want ik was te klein. Toen nam hij
mij op, zette mij op het paard en zei: 'gij zijt niet zwaar, heer,
niet meer dan een paar pond.' Hij hield mij vast, maar daar ik zag
dat mijn broers los reden, wilde ik het niet meer hebben. 'Zijt ge
dan niet bang?' vroeg hij. Ik was het wel, maar zei: 'neen.'
"Ik was vooral zoo bang omdat Tscherwontschik maar steeds zijne
ooren heen en weer bewoog; ik dacht toen, dat hij boos op mij was. De
piqueur liet mij los met de woorden: 'Nu, pas maar op dat gij er niet
af valt.' In het begin ging het stapvoets, en hield ik mij recht op,
maar het zadel begon zoo glad te worden en ik werd bang dat ik zou
vallen. De piqueur vroeg: 'zit ge reeds vast?'--'Ja,' zei ik.--'Nu,
dan in draf,' en hij klapte met de tong. Tscherwontschik ging in een
drafje over; ik begon op en neer te wippen, maar hield mij goed en
trachtte niet op zij te vallen. De piqueur prees mij: 'ei, zie dien
ruiter eens aan, goed zoo!' en ik was overgelukkig.
"Op dat moment kwam een vriend van den piqueur en knoopte een gesprek
met hem aan, waardoor hij niet meer op mij lette. Plotseling voelde
ik, dat ik begon te glijden, ik wilde weer recht gaan zitten maar
kon niet. Ik wilde den piqueur roepen maar bedacht, dat het niet
goed zou staan. Ik keek naar hem om en wilde hem toch maar vragen
mij te helpen, maar hij lette niet op mij, hoewel hij riep: 'flink,
flink, kavalier!' Ik hing reeds geheel op één zij en werd bang, maar
schreeuwen wilde ik niet om de schande. Mijn paardje wierp mij nog
ééns omhoog, toen verloor ik mijn evenwicht en viel op den grond.
"Tscherwontschik bleef staan. De piqueur draaide zich juist om, zag
mij niet meer op het paard en zei: 'daar hebben we het al, mijn ruiter
is gevallen.' Toen ik hem antwoordde, dat ik mij niet bezeerd had,
zeide hij lachend: 'een kinderlichaam geeft mee!' en ik, ik had wel
willen schreien, maar ik vroeg of hij mij weer op het paard wilde
zetten, en ik viel er niet meer af."
En zoo werd het kind een knaap; nadenkend, schuchter, vatbaar
voor indrukken, zijn jonge hartje vol aanhankelijke liefde en toch
inwendig eenzaam, gescheiden van de zijnen door de hooge vlucht zijner
gedachten, die geen weerklank vonden in den kring die hem omringde.
ZESDE HOOFDSTUK.
JONGELINGSJAREN.
Vijf jaren woonde de familie Tolstoi te Kazan. Iederen zomer trokken
zij, vergezeld van Pelageja Ilinitschna, naar Jasnaja Paljana, om
iederen herfst weer naar Kazan terug te keeren.
Tolstoi bracht de grootste helft van zijne jongelingsjaren door bij
de familie Joeschkoff.
Zijne oudere broers kwamen in 1841 te Kazan. De oudste, Nikolaas, ging
over van de Moskousche naar de Kazansche universiteit, volgde daar
den tweeden cursus van de tweede afdeeling der filosofische faculteit
en besloot zijne academische loopbaan in 1884. De beide andere broers
volgden den cursus van wat men tegenwoordig de mathematische faculteit
noemt. Deze kwamen aan in 1843 en eindigden hunne studie in 1847.
Leo Tolstoi koos de Oostersche talen, in de meening dat hij later
in de diplomatie zou gaan. De voorbereiding voor deze studie duurde
van 1842-'44 en was niet gemakkelijk, daar voor het toelatingsexamen
reeds de Arabische en Turksch-Tartaarsche talen werden geëischt,
die in dien tijd aan het eerste gymnasium werden onderwezen.
Deze moeilijkheden werden door Tolstoi glansrijk overwonnen.
In het archief te Kazan worden alle stukken, die betrekking hebben
op Tolstoi's komst, verblijf en vertrek aan en van de universiteit,
bewaard.
Deze documenten komen voor in _Graaf L. N. Tolstoi en zijn studietijd_
van N. P. Zagoskin. Een van de belangrijkste is een verzoekschrift,
door Tolstoi zelf geschreven, waarin hij toelating vraagt tot de
universiteit. Als gevolg daarvan mocht hij het toelatingsexamen doen,
dat niet gunstig voor hem afliep, zooals blijkt uit het onderstaand
getuigschrift, dat hij na afloop ontving:
Godsdienst 4
Algemeene en Russische
geschiedenis 1 ("Hier wist ik niets van") [40].
Statistiek en
Aardrijkskunde 1 ("Nog minder. Ik herinner mij nog,
dat mij iets gevraagd werd van
Frankrijk. De voorzitter, Poeschkin,
die veel bij ons aan huis kwam,
wilde mij blijkbaar helpen: 'Nu,
zeg eens, welke zeesteden heeft
Frankrijk?' Ik kon er niet één
noemen" [41]).
Meetkunde 4
Russische spraakkunst 4
Logica 4
Latijnsche taal 2
Fransche taal 5
Duitsche taal 5
Arabisch 5
Turksch-Tartaarsch 5
Engelsche taal 4
In zake de opname als student, vinden wij, dat graaf Leo Tolstoi
is geëxamineerd voor de afdeeling Oostersche talen, maar niet is
toegelaten. Aan dit document was toegevoegd: "Papieren teruggeven".
Dit gebeurde in het voorjaar van 1844. Tolstoi nam zich voor in
den herfst een herexamen aan te vragen in de vakken die onvoldoende
waren gebleken.
Zoo richtte hij dan in 't begin van Augustus het volgende
verzoekschrift aan den rector der universiteit:
Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke
Universiteit te Kazan, benoemd professor, werkelijke stadsraad
Nikolaas Iwanowitsch Lobatschewski van Leo Nikolajewitsch
graaf Tolstoi.
_Verzoekschrift._
In de maand Mei van dit jaar onderwierp ik mij, met nog andere
leerlingen van het eerste en tweede gymnasium, aan het examen
voor toelating tot de Universiteit te Kazan in de afdeeling
Arabisch-Turksche spraakleer.
Daar het bij dit onderzoek bleek, dat mijne kennis van de
geschiedenis en statistiek niet voldoende was, zoo vraag ik
Uwe Excellentie eerbiedig heden opnieuw te worden toegelaten
tot het examen in die vakken. Hierbij heb ik de eer de
volgende stukken te voegen: 1e Geboorteakte, gegeven door
het Consistorium te Toela; 2e Copieën van bevestiging van de
adellijke afgevaardigden-vergadering, 3 Augustus 1844. Hetwelk
onderteekent de bovengenoemde
Graaf Leo N. Tolstoi.
In margine, onder dagteekening van 4 Augustus 1844: Toegelaten tot
het aanvullingsexamen. De rector Lobatschewski.
Hoe en wanneer Tolstoi examen deed is niet bekend, maar het is
zeker dat het ditmaal beter ging, want wij lezen aan den voet van
het verzoekschrift:
Tolstoi toelaten tot de universiteit, als student voor eigen kosten,
in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.
Zoo kwam Leo Tolstoi dus aan de universiteit. Zijn vrijen tijd bracht
hij door ten huize van zijne tante Joeschkoff en in den kring van
hare bekenden. Welken invloed deze omgeving op hem had zullen we
nader aantoonen.
In Zagoskins werk _Leo Tolstoi en zijn studietijd_ wordt gezegd,
dat de kring waarin Tolstoi verkeerde eene verderfelijke was, die hem
ongetwijfeld instinctief moest afstooten. Eene opmerking van Tolstoi
zelf, bij de lezing van dit handschrift, leert ons het tegendeel:
"Ik voelde in 't geheel geen afkeer," zegt hij, "en hield veel van
het vroolijke Kazan, waar toen een uitgelezen kring bijeen was." [42]
Verder drukt Zagoski nog zijne bewondering uit, dat Tolstoi de kracht
bezat weerstand te bieden aan deze verleidingen. Hierbij merkt hij
het volgende op:
"Integendeel, ik ben heel blij dat ik het begin mijner jongelingsjaren
heb doorgebracht in een kring, waar ik jong kon zijn met de jeugdigen,
mij niet bekommerende om de groote levensvragen, genietende van mijn
niets-doend, weelderig maar niet slecht bestaan." [43]
Zagoskin geeft deze beschrijving van het eerste studiejaar:
"De winter van het jaar 1844-'45, toen Tolstoi in zijne kwaliteit van
'jongmensch' zijne intrede in de wereld deed, kenmerkte zich door een
opgewekt gezelschapsleven. Bals, zoowel bij den gouverneur en bij de
eersten der stad, als in het Rodionowskische vrouwen-instituut (die
met groote liefde door E. D. Zagoskin werden voorbereid), dansavondjes,
maskerades in de adellijke club, tooneeluitvoeringen, levende beelden,
concerten enz., eindeloos in aantal, wisselden elkaar af. Als zoon
van goede familie, een' titel voerend, met uitstekende plaatselijke
connecties, kleinzoon van den gewezen gouverneur en een eventueel
echtgenoot in de naaste toekomst, was Leo Tolstoi overal een zeer
gewenschte gast."
Ouden van dagen kunnen zich zijner nog herinneren op alle bals,
op alle avondjes, bij ieder vroolijk gezelschap, overal dansend,
maar geen dames-dienaar zooals velen van de hem omringende
studenten-aristokratie. Altijd kon men bij hem nog eene zekere
schuchterheid en stijfheid van manieren waarnemen. Hij dwong zich
klaarblijkelijk tot de rol, die hij nu eenmaal moest spelen, en waartoe
de omstandigheden van zijn leven te Kazan hem nolens-volens brachten.
Natuurlijk had dat vele uitgaan een zeer slechten invloed op zijne
studie, zooals blijkt uit een aan Zagoskin ontleend getuigschrift
van zijn eerste halfjaarlijksch examen, waar hij niet doorkwam:
Vorderingen. Vlijt.
Bijbelsche historie 3 2
Algemeene literatuurgeschiedenis Niet verschenen.
Arabische taal 2 2
Fransche taal 5 3
Dit niet-slagen bracht geen verandering in Tolstoi's vroolijk
leventje. Hij nam deel aan de feesten die in de vastendagen werden
gegeven, en met zijn' broeder Sergius aan twee liefhebberij-comedies
voor een liefdadig doel.
Het resultaat van dat alles was, dat Tolstoi niet slaagde voor zijn
overgangs-examen, en nog een jaar aan denzelfden cursus zou moeten
deelnemen. Over dit toch niet ongelukkige examen spreekt Tolstoi op
de volgende wijze:
"Het eerste jaar werd ik afgewezen voor de bevordering naar het
tweede jaar door den professor in de Russische geschiedenis Iwanoff,
die onaangenaamheden met mijne familie had gehad, hoewel ik niet één
college had gemist en de Russische geschiedenis kende; bovendien
kreeg ik 1 voor het Duitsch, hoewel ik meer van die taal wist dan
een van de studenten van onzen cursus." [44]