"Mijne tante Alexandra Ilinitschna trouwde heel jong te St. Petersburg
met den rijken, uit de Oostzee-provincie stammenden graaf Osten-Sacken.
"Het scheen eene schitterende partij, maar het huwelijk liep treurig
af voor mijne tante, hoewel misschien de gevolgen van deze verbintenis
een zegen waren voor haar volgend leven.
"Tante Aline, zooals zij door de familie genoemd werd, moet er,
volgens een portret dat gemaakt is toen zij 16 jaar was, heel
aantrekkelijk hebben uitgezien, met de groote duivenoogen in haar
zacht, blank gelaat.
"Kort na het huwelijk vertrok graaf Osten-Sacken met zijne jonge
vrouw naar zijn landgoed in de Oostzee-provinciën. Daar openbaarden
zich meer en meer de verschijnselen eener zielsziekte, die zich in den
beginne uitte in eene ongemotiveerde jaloezie. In het eerste jaar van
haar huwelijk, toen zij reeds zwanger was, nam die ziekte zoo toe, dat
er oogenblikken van volslagen krankzinnigheid kwamen. Hij verbeeldde
zich dan, dat hij omringd was door vijanden die hem zijne vrouw wilden
ontnemen, en dat vluchten het eenige redmiddel voor hem was.
"Eens op een zomermorgen stond hij op, wekte zijne vrouw, en zeide
haar zich klaar te maken voor de vlucht. Hij zou bevel geven in te
spannen om dadelijk weg te rijden. Inderdaad liet hij het rijtuig
voorkomen, zette zijne vrouw er in en gaf order zoo veel mogelijk
spoed te maken. Onderweg nam hij twee pistolen uit een kistje, gaf
er een aan mijne tante en zei haar dat, zoo hun vlucht bekend werd,
hunne vijanden hen zouden achtervolgen. Dat zou hun ondergang zijn,
en er bleef dan niets anders over dan elkaar dood te schieten. Tante,
doodelijk verschrikt, nam het pistool en trachtte haren man tot andere
gedachten te brengen, maar hij luisterde niet eens, keek voortdurend
achterom, of de vervolgers kwamen, en dreef den koetsier tot steeds
grooter spoed aan. Tot hun ongeluk vertoonde zich op een' zijweg van
het dorp, die uitkwam op den grooten weg, een rijtuig. Hij riep uit
dat alles verloren was, gebood haar zich dood te schieten en vuurde
zelf ook op haar. Het schot trof haar in de borst. Hij moet toen zeker
begrepen hebben wat hij had gedaan, en het rijtuig dat hem verschrikt
had zal een anderen kant uit zijn gereden. Hoe het ook zij, hij liet
stil houden, droeg mijne gewonde tante bloedend uit het rijtuig, legde
haar op den weg en joeg verder. Tot haar geluk kwamen er spoedig
eenige boeren voorbij, die haar opnamen en naar den geestelijke
droegen. Deze verbond haar zoo goed mogelijk en liet een' dokter
halen. De wond bevond zich aan de rechterzijde van de borst (tante
heeft mij het litteeken eens laten zien), en was niet gevaarlijk.
"Toen zij herstellende was, nog steeds zwanger, kwam haar man, en
nadat hij den geestelijke de geschiedenis verteld had, hoe ongelukkig
zij gewond was, vroeg hij haar te mogen zien.
"Dat wederzien werd vreeselijk. Listig als alle krankzinnigen,
deed hij alsof hij berouw had, en nadat hij vrij lang bij haar had
gezeten en over allerlei onderwerpen had gesproken, maakte hij van
een oogenblik dat zij alleen werden gelaten gebruik om zijn voornemen
uit te voeren. Alsof hij bezorgd was voor hare gezondheid, vroeg hij
of zij haar tong eens wilde uitsteken. Toen zij het deed, greep hij
er naar met de eene hand, met de andere nam hij een scheermes, dat
hij had meegenomen, en wilde haar de tong afsnijden. Zij verweerde
zich wanhopig, wist zich los te rukken, schreeuwde om hulp, menschen
kwamen aangeloopen, grepen hem en voerden hem weg.
"Van dien tijd af was hij volslagen krankzinnig; hij moest van zijne
vrouw worden verwijderd en naar een gesticht gebracht.
"Kort na deze gebeurtenissen keerde mijn tante naar haar ouderlijk
huis in Petersburg terug. Daar beviel zij van een dood kindje. Uit
angst voor de gevolgen verzweeg men het haar en gaf haar het kind van
de vrouw van hun kok, dat op dien zelfden dag geboren was. Dat meisje
was Paschenka, die later bij ons woonde en al een groot meisje was
toen zij in mijn' gedachtenkring trad. Ik weet niet wanneer men het
haar vertelde, maar toen ik haar leerde kennen, wist zij al dat zij
geen dochter van mijne tante was. Tante Alexandra bleef eerst bij hare
ouders, kwam toen bij ons, werd na den dood van vader onze voogdes
en stierf toen ik twaalf jaar was in het klooster Optinaja Poestienja.
"Mijne tante was eene oprecht godsdienstige vrouw. Het liefst hield
zij zich bezig met het lezen van heiligenlevens, of sprak zij met
pelgrims, joerodiewi's, monniken en nonnen. Sommigen van deze lieden
woonden altijd in ons huis, de anderen kwamen ons slechts nu en
dan bezoeken. Maria Gherasimowna, die in haar jeugd, vermomd als
joerodiewi, had rondgetrokken, de peet van mijne zuster Maria, was
een dergenen die altijd bij ons woonden. Zij werd peettante van mijne
zuster, omdat mijn moeder, die na haar vier jongens graag eene dochter
wilde hebben, het haar beloofd had, indien het haar gelukte van God een
meisje af te smeeken. De dochter kwam, zij werd peet en woonde daarna
gedeeltelijk in het vrouwenklooster te Toela, gedeeltelijk bij ons.
"Tante Alexandra was niet slechts godsdienstig voor het oog der
wereld, hield niet slechts de vastendagen of trachtte in aanraking
te komen met heilige menschen, zooals met den grijsaard Leonid in
Optinaja Poestienja, maar zij leidde ook een oprecht christelijk
leven. Zichzelf ontzegde zij alle weelde, geen' dienst vorderde zij,
maar anderen diende zij zooveel het in haar vermogen stond. Geld had
zij nooit omdat zij alles wat zij bezat weggaf.
"De kamenier Gascha, die na den dood van mijne grootmoeder bij tante
Alexandra kwam, vertelde mij, dat tante, als zij 's morgens naar de
vroegmis ging, op de teenen langs haar heen sloop, om haar niet te
wekken, en al die bezigheden zelf verrichtte, die gewoonlijk eene
kamenier doet.
"Wat kleeding en voeding betreft was zij nog eenvoudiger dan men
zich kan voorstellen. Hoe onaangenaam het mij ook is, moet ik toch
vertellen dat ik mij herinner, dat tante Alexandra steeds een zure
lucht bij zich had, waarschijnlijk een gevolg van de onreinheid harer
kleeding. En dat was nu die sierlijke, poëtische Aline, met haar
mooie duivenoogen, die Fransche verzen las en overschreef, op de harp
speelde en zeer in trek was op de voornaamste bals! Ik herinner mij,
dat zij altijd even vriendelijk was, zoowel met de voornaamste heeren
en dames als met monniken, pelgrims en nonnen. Haar zwager Joeschkoff
plaagde haar altijd, en zond eens uit Kazan aan haar adres eene groote
kist. In die kist bevond zich weer eene kist, en daarin weer een derde,
en zoo ging het voort, totdat er een klein doosje overbleef, waarin,
gepakt in watten, een kleine porseleinen monnik lag.
"Ik herinner mij nog hoe hartelijk vader lachte toen hij haar het
poppetje bracht, en het vriendelijk goedige lachje op haar stralend
tevreden gezicht. Haar godsdienst verhief haar geest zoo boven al het
bestaande, dat zij zich nooit boos maakte of treurig werd; immers,
de wereldsche zaken hadden voor haar niet het gewicht dat anderen
er aan hechten. Toen zij onze voogdes werd, zorgde zij voor ons,
maar niet met hart en ziel. Alles moest achterstaan bij den dienst
van den Heer, zooals zij dien dienst begreep." [28]
Zooals boven gezegd is, woonden de jongste kinderen, Dmitri, Leo en
Maria, met hunne tante Tatjana op het land, terwijl de twee oudsten,
Nikolaas en Sergius, met hunne voogdes Alexandra Ilinitschna, te Moskou
waren gebleven. De geheele familie vereenigde zich in den zomer te
Jasnaja Paljana. Zoo vergingen de jaren 1838 en 1839 en naderde 1840,
het jaar van den hongersnood. De oogst was zóó slecht, dat de Tolstoi's
brood moesten koopen voor hunne boeren-lijfeigenen. De gelden daarvoor
werden verkregen door den verkoop van het landgoed Njeroetsch, dat
zij door erfenis hadden verkregen.
Het rantsoen voor de paarden moest worden verminderd en haver kregen
zij in 't geheel niet meer. Tolstoi herinnert zich nog, dat zij,
kinderen, het zoo jammer vonden voor hun lieve paardjes. Zij gingen
daarom stil naar het land waar de haver stond en, geheel onbewust van
het kwaad dat zij deden, rukten zij die uit den grond, namen handen
vol mee naar huis en voerden er hunne paarden mee.
In den herfst van 't jaar '40 trok de geheele familie naar Moskou,
waar zij ook den winter van '40/41 doorbrachten; maar 's zomers
begaven zij zich weer naar Jasnaja Paljana.
In den herfst van dat jaar overleed hunne voogdes, gravin
A. I. Osten-Sacken. Alexandra Ilinitschna stierf in het klooster
Optinaja Poestienja. In den tijd dat zij daar was waren de kinderen
met Tatjana Jergolskaja te Jasnaja Paljana. Toen het bericht kwam,
dat tante Alexandra was overleden, reisde Tatjana er dadelijk heen. Den
tijd, die nu kwam, zouden de kinderen niet licht vergeten. Zij bleven
achter met hun' onderwijzer, Feodor Iwanowitsch, de oude Maria,
die eene halve Joerodiewi was, en een aardigen zwarten hond, waarmee
zij altijd speelden. Zoo werd er eens een hooge troon gemaakt en de
hond er opgezet, die er echter telkens afsprong. Midden in 't spel
begon hij op eens te huilen en kroop onder een' stoel. Het bleek,
dat hij een' poot had gebroken. Hunne vertwijfeling was groot en zij
begonnen allen jammerlijk te weenen. Deze indruk smolt naderhand te
samen met de herinnering aan het eentonige lezen der psalmen door Maria
Gherasimowna en het doodsbericht van hunne tante Alexandra Ilinitschna.
Pelageja Ilinitschna, getrouwd met den landeigenaar W. J. Joeschkoff,
reisde dadelijk na den dood van hare zuster naar de kinderen op
Jasnaja Paljana. De oudste broer, die toen juist één jaar student was,
ontving haar met de woorden: "Ne nous abandonnez pas, chère tante,
il ne nous reste que vous au monde." Tante, tot tranen geroerd,
besloot zich op te offeren. Wat zij onder dat woord verstond is niet
heel duidelijk, maar zeker is het, dat zij dadelijk weer naar Kazan
terugging, eenige schuiten bestelde en daar alles op laadde wat zij
maar van Jasnaja Paljana weg kon sleepen. Zelfs de bedienden nam
ze mee: den meubelmaker, schoenmaker, slotenmaker, kok, behanger,
enz. Bovendien kregen de jonge Tolstoi's ieder een' lijfeigene,
ongeveer van hun eigen leeftijd, voor hun specialen dienst.
Wanjoescha, een van deze bedienden, volgde Tolstoi later naar den
Kaukasus en leeft nu nog stil bij zijne dochter te Toela.
Leo Tolstoi was ongeveer twaalf jaar toen het bovenstaande
voorviel. Het was een leventje op zich zelf. Alles en allen werden
in den herfst op groote wagens gepakt en verhuisden van Toela naar
Kazan. Onderweg werd nu en dan op een weide of in een bosch halt
gemaakt. Dan werden er bessen geplukt, men ging wandelen en baden.
Het scheiden van tante Tatjana viel heel zwaar. Deze tante leefde
niet op den besten voet met tante Pelageja, en wel omdat de man van
deze laatste in zijne jeugd verliefd was geweest op Tatjana, haar
ten huwelijk had gevraagd en was afgewezen. Tante Palageja kon het
haar nog steeds niet vergeven, dat zij eens de liefde van Joeschkoff
had bezeten. Voor 't oog der wereld echter was de verstandhouding
allerliefst.
Van Wladimir Joeschkoff zegt men te Kazan, dat hij een ontwikkelde,
verstandige man was, altijd vroolijk, goedhartig en steeds geneigd
tot plagen en schertsen, eene eigenschap die hem tot zijn' dood
toe bijbleef.
Pelageja stond ook bekend als eene goede, maar niet al te verstandige
vrouw. Zij was zeer godsdienstig en ging na den dood van haar' man naar
het klooster Optinaja Poestienja. Daarna woonde zij eenigen tijd in
het vrouwen-klooster te Toela, kwam vervolgens naar Jasnaja Paljana,
waar zij ziek werd en stierf.
In den loop van haar lang leven volgde zij streng de voorschriften
van de kerk der rechtgeloovigen. Op haar 80ste jaar evenwel, bij
't naderen van den dood, werd zij bang en wilde niets hooren van het
ontvangen der Heilige Sacramenten en werd boos op iedereen die er op
aandrong, daar zij niet aan den dood herinnerd wilde worden.
De Amerikaansche schrijver E. Schyler, die Rusland bereisd
heeft, bezocht Leo Tolstoi in het jaar 1868 en vertelt in zijne
gedenkschriften het volgende van zijne kennismaking met de familie
Joeschkoff.
Schyler maakte kennis met Joeschkoff te Kazan. "Ik werd
ontvangen," vertelt hij, "in een mooi huis en gaf mijn kaartje
en een' aanbevelingsbrief aan een' bediende, die zich ermee
verwijderde. Terwijl ik wachtte zag ik, dat de nog ongeopende brief
op een' stoel werd gelegd. Eindelijk kwam de generaal binnen, een
reeds oude, maar nog flinke man met een goed, sympathiek gelaat. Hij
noodigde mij uit te gaan zitten, deed hetzelfde en zei na een paar
onverschillige woorden:
"Ik veronderstel, dat gij mij een' brief hebt meegebracht van mijn'
neef Leo? Waar is die?"
"Ik denk dat gij er op zit." Hij stond op, vond den brief en reikte
hem mij over met de woorden:
"Wees zoo goed hem mij voor te lezen; ik ben volslagen blind."
"Het was een moeilijk geval, want de brief behelsde veel goeds
van mij; maar ik kon er niets aan doen en sloeg toch nog een heel
eindje over. Het spijt mij altijd nog dat ik den ouden heer dien
brief terug heb gegeven. Ik had hem in mijn zak moeten steken om
hem als een aandenken te bewaren. In eene andere kamer stonden twee
piano's. Op een vraag van mij antwoordde de generaal, dat hij vroeger
een groot liefhebber van muziek was geweest. Al zijne kinderen had
hij muziek laten leeren, maar nu hij oud en blind was geworden gingen
zij den geheelen winter naar Petersburg en lieten hem alleen. Ik
overreedde hem mij iets van Mozart en Beethoven uit het hoofd voor
te spelen. Daarop gingen wij naar den tuin en in die twee uren, die
ik bij hem doorbracht, vertelde hij mij veel interessante dingen,
maar dat, wat ik wilde weten, vertelde hij mij niet."
Op Jasnaja Paljana maakte Schyler ook nog kennis met Pelageja
Joeschkoff. Van haar vertelt hij:
"Nadat ik Tolstoi 's avonds mijne ontmoeting met Joeschkoff had
verteld, werd ik den nacht daarop om 4 uur wakker door het geluid
van voetstappen in de gang. Mijne deur ging open, en in de meening
dat er iets gebeurd was en de knecht mij kwam wekken, riep ik:
'Wat is er?' De deur ging weer dicht en ik hoorde een stem in het
Fransch zeggen: 'Ah, un homme dans mon lit'. Nogmaals ging de deur
open en een heer met eene kaars in de hand verscheen en vroeg:
'Sergius, ben jij het?'--'Neen,' antwoordde ik, ik ben een gast
hier in huis.' Hij lachte, verontschuldigde zich en ging weg. Ik
had een heel scherp gehoor en zoo hoorde ik hen overleggen, dat
iemand niet in de logeerkamer, maar op den divan zou gaan slapen,
zoolang de familie nog boven was. Ik begreep dadelijk, hoe de vork
in den steel zat. Ik was uitgenoodigd ongeveer een week te blijven
logeeren tot aan de terugkomst van mevrouw Joeschkoff, de tante van
den graaf, en bewoonde nu hare kamer. Zij was vroeger dan het plan
was en onaangemeld teruggekomen en had eene vriendin meegenomen. Daar
de deuren in een Russisch huis bijna nooit 's nachts gesloten zijn,
waren zij binnengekomen zonder te kunnen vermoeden, dat ze een ander
zouden wakker maken.
"Van Iwan, die mij 's morgens thee kwam brengen, hoorde ik, dat ik
goed had geraden. Ik pakte daarom dadelijk mijn zaken bij elkaar om
dienzelfden dag nog te kunnen vertrekken. Toen ik tegen elf uur beneden
kwam voor de morgenkoffie, vond ik in het salon mevrouw Joeschkoff
geheel alleen, zoodat ik mij zelf moest voorstellen. Waarschijnlijk
had men haar de nachtelijke geschiedenis al opgehelderd, want zij zei
lachend: 'Dus u bent in 't voorjaar in Kazan geweest en u hebt mijn
man gezien, die u verteld heeft dat hij geheel blind is. Ik verzeker
u evenwel dat daar geen woord van waar is. Hij ziet even goed als u
en ik. Dat is een van zijn gewoonten om zich interessant te maken.'
"Ik antwoordde, dat hij volgens mijn meening wel degelijk blind was,
maar kon haar niet overtuigen. Graaf Tolstoi vertelde mij, dat zij
gescheiden van haar man leefde en, hoewel ze hem in geen twee jaar had
gezien, toch in eene vriendschappelijke verhouding tot hem stond" [29].
Tolstoi heeft in eenige zijner werken, die, volgens onze meening,
een autobiographisch karakter dragen, den gang van zijne ontwikkeling
als knaap beschreven.
Eene eigenschap, die veel bij kinderen voorkomt, en blijkbaar bij
Leo Tolstoi zeer sterk was ontwikkeld, was zijne met eigenliefde
verbondene schuchterheid.
De menschen scheiden dikwijls deze twee eigenschappen van elkaar,
prijzen de eene, laken de andere, en daarbij vormen zij toch samen de
twee zijden van één medaille. Zij zijn even onafscheidelijk als oorzaak
en gevolg. Iemand is schuchter omdat hij eigenliefde bezit, en de
schuchterheid op haar beurt versterkt deze weer. Zulke gevoelens komen
meestal in den beginne voort uit weinig beteekenende oorzaken, b.v. uit
het besef dat ons voorkomen niet zeer aantrekkelijk is. Tolstoi zegt
hierover, zichzelf beschrijvende onder den naam van Nikoljenka:
"Ik had een vreemd begrip van mooi, ik vond zelfs Karel Iwanowitsch
een van de mooiste mannen van de wereld, maar dat verhinderde niet,
dat ik heel goed wist, dat ik zélf leelijk was. Iedere aanmerking op
mijn uiterlijk kwetste mij daarom ook.
"Dikwijls had ik oogenblikken van vertwijfeling; ik verbeeldde mij,
dat er geen geluk bestaanbaar was voor iemand met zoo'n breeden neus,
zulke dikke lippen en zulke kleine grijze oogen als ik. Alles wat ik
bezat en alles wat ooit het mijne zou worden had ik willen geven om
mooi te zijn." [30]
Zoodra de mensch den blik slaat op zich zelf, ontwaken in hem
tegenstrijdige gevoelens. Is hij verstandig en zedelijk ontwikkeld,
dan moet hij zijne tekortkomingen voelen en hieruit weer ontstaat de
drang naar zelfvolmaking zoowel in- als uitwendig.
Dezen strijd nu van het kind, den knaap en den jongeling heeft Tolstoi
ons geschilderd in de persoon van Nikoljenka Istjeneff, waarmee hij
ons tevens een blik laat slaan in zijn diep, rijk gevoelsleven.
In een gesprek met een' vriend vertelt Tolstoi dat hij, van knaap
jongeling geworden, geheel onder den invloed stond van zijn' broer
Sergius, dien hij verafgoodde en in alles trachtte na te volgen. In het
einde van zijn jongelingsjaren was het Nikolaas die grooten invloed op
hem uitoefende, en van wien hij wel is waar niet zoo hartstochtelijk,
maar beter hield.
De liefde die Tolstoi zijn' broeder Sergius toedroeg, heeft tot
materiaal gediend voor de in _Kinderjaren_ voorkomende beschrijving van
een dergelijke verhouding tusschen Nikolenka Istjeneff en Sergius Iwin.
Hier volgt hetgeen hij ons met zulke heldere kleuren schildert.
"Hij trok mij onwederstaanbaar aan. Er was een tijd dat ik geen andere
wenschen had, dan hem te zien, en zag ik hem dan was ik gelukkig. Als
ik hem in een paar dagen niet ontmoette werd ik onrustig en treurig. Al
mijn droomen gingen uit naar hem. Wanneer ik ging slapen, dan hoopte ik
van hem te droomen, en ontwaakte ik, dan stond zijn beeld mij dadelijk
weer voor oogen, en zelfs dit beeld liefkoosde ik in gedachten en
aanbad het als een hooger wezen.
"Over deze groote liefde sprak ik met niemand, daarvoor was zij mij
te heilig.
"Misschien verveelde het hem, altijd mijn onrustige oogen op zich
gericht te zien; wellicht ook voelde hij eenvoudig geen sympathie
voor mij, maar het is zeker dat hij veel liever met Walodja sprak
en speelde, dan met mij. Hoe het ook zij, ik was tevreden, verlangde
niets meer, vroeg niets meer en was ten allen tijde bereid mij voor
hem op te offeren." [31]
"Onder den familienaam Iwin beschreef ik de zoontjes van graaf
Poeschkin, van welke juist dezer dagen Alexander is gestorven. Hij
was het, van wien ik in mijne jeugd zoo heel veel heb gehouden. Ons
geliefkoosd spel was: soldaatje spelen." [32]
De overgang van kind tot knaap schildert Tolstoi ons op de volgende
wijze: "Is het u wel eens gebeurd, lezer, dat gij op een zeker tijdstip
van uw leven plotseling een geheel anderen blik op de dingen kreegt,
alsof alles wat gij tot nu toe gezien hadt, zich aan u vertoonde van
eene u geheel onbekende zijde? Iets dergelijks heb ik ondervonden
gedurende mijne eerste reis. Van dien tijd af reken ik ook, dat mijn
jongensjaren zijn begonnen.
"Voor het eerst van mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat wij
(d.w.z. onze familie) niet alleen op de wereld waren, dat er nog
andere belangen bestonden dan de onze en dat er menschen leefden,
die niet alleen niets met ons gemeen, maar die zelfs geen besef van
ons bestaan hadden.
"Natuurlijk heb ik dat alles vroeger ook geweten maar anders, onbewust,
ik voelde het niet." [33]
Vroeg reeds openbaarden zich bij den knaap de filosofische gedachten,
den weg voorbereidende waarlangs dat groote verstand zich zou
ontwikkelen.
"Men zal het nauwelijks gelooven," zegt Tolstoi, onder den naam
Nikoljenka, "welke mijne geliefkoosde overpeinzingen waren toen ik een
jongen was, zoo weinig waren zij in overeenstemming met mijn leeftijd
en omstandigheden. Volgens mijne meening echter is juist dit groote
verschil tusschen de omstandigheden van den mensch en den gang zijner
gedachten het grootste bewijs van de juistheid dezer laatste.
"...Het geluk, zoo dacht ik eens, hangt niet af van de uiterlijke
omstandigheden maar van de wijze waarop wij het beschouwen. Een mensch,
die gewend is aan ongeluk, kan niet ongelukkig zijn, en om mij zelf
van deze waarheid te overtuigen, dwong ik mij, ondanks de heftige pijn,
eene zware dictionnaire vijf minuten in de uitgestrekte hand te houden
of sloeg ik mij met een touw op den blooten rug tot de tranen mij in
de oogen sprongen.
"Een andermaal bedacht ik plotseling dat de dood mij ieder oogenblik
kon overvallen. Ik begreep niet, dat alle menschen dat niet eerder
hadden ingezien, en nog op andere wijze gelukkig trachtten te worden,
dan door van het oogenblik te genieten. Onder den invloed van die
gedachte verwaarloosde ik mijne lessen en deed een paar dagen niets
anders dan op mijn bed liggend eenige romans lezen en honingkoekjes
eten, die ik voor mijn laatste geld gekocht had.
"Eens teekende ik met krijt verschillende figuren op het
bord. Plotseling trof mij de gedachte: 'Waarom doet de symmetrie
ons oog zoo aangenaam aan? Wat is eigenlijk symmetrie?' en ik
antwoordde mijzelf: 'dat is iets dat ons is aangeboren'. 'Waarop is
zij gegrond? Is alles in de wereld symmetrisch?' 'Integendeed: dit
is het leven,' en ik teekende op het bord een groot ovaal figuur. 'Na
dit leven gaat de ziel de eeuwigheid in; hier is de eeuwigheid,' en ik
trok eene lijn van het ovale figuur af tot aan het uiterste eind van
het bord. Waarom kan ik nu aan den anderen kant ook niet zoo'n lijn
trekken en hoe is een eeuwigheid bestaanbaar die zich maar naar één
kant uitstrekt? Wij hebben ongetwijfeld reeds bestaan vóór dit leven,
al hebben wij ook de herinnering daaraan verloren."
"Geen van deze filosofische gedachten," vervolgt Tolstoi, "heeft mij
zoo meegesleept als het scepticisme, dat mij gedurende eenigen tijd
in een toestand heeft gebracht, grenzende aan krankzinnigheid. Ik
verbeeldde mij, dat er behalve ik zelf, niemand en niets op de wereld
bestond, dat voorwerpen geen voorwerpen maar denkbeeldige dingen waren,
die ik slechts zag als ik mijn opmerkzaamheid er op richtte, maar die
weer verdwenen, zoodra er ik niet meer aan dacht. In één woord, ik
deelde de overtuiging van Schelling, dat het niet de voorwerpen zijn
die bestaan, maar onze betrekking tot hen. Er waren oogenblikken dat
ik, half krankzinnig onder den invloed dier gedachten, mij plotseling
omkeerde, in de hoop eene woestijn, het 'néant', te zien dàar waar
ik zelf niet was." [34]
Het boek _Jongensjaren_ eindigt met de beschrijving van de vriendschap
tusschen Nikoljenka en Njechloedoff [35] en toont ons het ideaal,
dat Tolstoi zijn geheele leven voor oogen heeft gehad en dat hem bij
zal blijven tot aan het einde zijner dagen.