hunne pleegkinderen meeleven, dat zij al hun belangstelling op hen
overbrengen, terwijl zij voor haar eigen familie slechts de bron
zijn, waaruit voor deze het geld vloeit om van te leven. Zij hebben
altijd een' man, broer of zoon die een verkwister is, en verkwisters
waren ook de man en zoon van Tatjana Filippowna. Ik herinner mij nog,
dat zij stil en gelaten stierf, juist op de plaats waar ik nu deze
herinneringen zit te schrijven. Haar broer Nikolaas Filippowitsch
was onze koetsier, van wien we niet alleen veel hielden, maar wien
we (dat doen de meeste kinderen van de landheeren) groote achting
toedroegen. Hij had heel zware laarzen, rook altijd heerlijk naar
den stal en had eene vroolijke, welluidende stem.
"Nu moet ik spreken van Wassiliï Troebjetzki, onzen bottelier. Hij
was een lieve, vriendelijke man, die veel van kinderen dus ook veel
van ons hield, maar het meest van Sergius, bij wien hij later in
dienst kwam en in wiens huis hij ook stierf. Ik herinner mij zijn
goedig gerimpeld gezicht met den vriendelijken scheeven glimlach en
ook dien bijzonderen geur, als hij ons op den arm nam of op een blad
zette (dat was een van onze grootste genoegens: 'ik ook, nu ik!'),
en ons naar den wijnkelder droeg, die voor ons zoo geheimzinnige
plaats met de onderaardsche gang. De duidelijkste herinnering, die ik
aan hem heb, is zijn vertrek naar Schtscherbatschewka, een landgoed
in de nabijheid van Koersk, dat vader geërfd had van Perowska. Dat
vertrek van Wassiliï Troebjetzki viel omstreeks de swjatki [22],
een' tijd dat alle kinderen, en ook eenige van de bedienden, in de
groote zaal 'roebeltje rol' spelen. Van deze swjatki-feesten moet ik
nog vertellen. Alle bedienden ('t waren er veel, wel dertig) hadden
zich verkleed en kwamen in ons huis. Zij vermaakten zich met allerlei
spelen en dansten bij de viool van den ouden Grigoriï, die alleen in
dien tijd bij ons kwam. De gecostumeerden stelden meestal beren met
berenleiders, geiten, Turken en Turkinnen, Tirolers, roovers, boeren
en boerinnen voor. Ik herinner mij, hoe prachtig ik sommige van de
gecostumeerden vond en vooral Mascha, die eene Turkin voorstelde. Soms
verkleedde tante ons ook. Het meest gewenscht vonden wij een' gordel
met steenen, tule en neteldoek met goud bewerkt, en ik vond mijzelf
heel mooi met mijn met kurk geteekende snor. Ik herinner mij dat ik,
in den spiegel ziende naar mijn gezicht met zwarte wenkbrauwen, een
vergenoegd lachje niet terug kon houden, ofschoon ik het ernstige
gezicht van een' Turk moest vertoonen. De gecostumeerden liepen door
alle kamers en voorzagen zich van allerlei versnaperingen. Op een
van die feesten--ik was toen nog heel jong--kwamen alle Isljeneffs,
de vader (de grootvader van mijn vrouw), drie zoons en drie dochters,
verkleed bij ons. In onze oogen waren zij prachtig gecostumeerd. De
japonnen, de laarzen, de bordpapieren gordels, alles was mooi.
"De Isljeneffs kwamen veertig wersten ver en hadden zich in het dorp
verkleed. Toen zij in de zaal kwamen ging Isljeneff dadelijk naar de
piano en zong met een' stem, die ik me nu nog herinner, een lied dat
hij zelf had gemaakt.
"Het gedicht luidde als volgt:
Op 't Nieuwe Jaar zijn wij gekomen
En bieden onze wenschen aan,
Als 't u genoegen heeft gegeven,
Gaan wij verheugd hier weer vandaan.
"Het was alles zoo wonderbaarlijk en voor de grooteren waarschijnlijk
wel mooi, maar voor ons kinderen waren de bedienden toch het
allerprachtigst.
"De feesten werden gevierd in de dagen na Kerstmis en Nieuwjaar en
soms ook nog na Drie-Koningen. Na Nieuwjaar ging het echter niet
meer zoo lustig toe. Zoo was het ook op dien dag toen Wassiliï naar
Schtscherbatschewka ging. Ik herinner mij, dat we in een' kring in de
bijna donkere zaal zaten op stoelen van rood hout met leeren zittingen,
die bij ons thuis gemaakt waren. Wij speelden 'roebeltje rol'. Een van
allen moest den roebel zoeken, dien wij van hand tot hand lieten gaan,
waarbij wij zongen: 'rol roebeltje, rol'. Ik herinner mij, dat een
van de vrouwelijke bedienden met een bijzonder prettige stem telkens
deze woorden herhaalde. Plotseling ging de deur open en Wassiliï,
gelaarsd en gespoord, zonder blad of servies, kwam naar binnen en
liep recht langs den muur naar de studeerkamer. Nu eerst vernam ik,
dat Wassiliï als prikaztschik [23] naar Schtscherbatschjewka ging. Ik
begreep, dat het een bevordering voor hem was. Ik was dus blij voor
Wassiliï, maar tegelijkertijd betreurde ik het, niet slechts dat ik
van hem moest scheiden, dat hij ons niet meer op het blad zou dragen,
maar omdat ik nooit had kunnen begrijpen, nooit had kunnen gelooven,
dat er zoo'n verandering kon plaats grijpen. Het werd mij vreemd,
treurig te moede en de melodie van 'rol roebeltje, rol' deed mij
zacht ontroeren. Toen Wassiliï, met zijn vriendelijken, scheeven
lach, van tante terug kwam, en ons op den schouder kuste, voelde ik
voor de eerste maal den angst voor de onbestendigheid van 't leven
en medelijden en liefde voor den goeden Wassiliï. Toen ik hem later
weer zag (ik weet niet of hij een goede of een slechte prikaztschik
was), vermoedde ik, dat er in hem geen spoor meer was overgebleven
van zijne heilige, broederlijke, menschelijke gevoelens." [24]
Op eene voor het menschelijk verstand geheimzinnige, onbegrijpelijke
wijze, blijven de indrukken onzer prilste jeugd niet alleen bestaan,
maar evenals het zaad in vruchtbare aarde tot een jonge, frissche plant
wordt, ontwikkelen zich ook in de geheimzinnige diepten onzer ziel onze
herinneringen, om plotseling, na jaren soms, in het licht te treden.
Zoo waren ook de spelen met de jongere broers als het zaad, waaruit
de herinneringen ontsproten; de herinnering aan den berg Fanfaronoff,
aan de Moerawjeïsche broeders en aan het groene takje, evenals aan
Nikolaas, een anderen broeder, over wiens invloed op Tolstoi's leven
reeds in zijne aanteekeningen is gesproken.
"Ja, de berg Fanfaronoff vertegenwoordigt een van mijn jongste, liefste
en gewichtigste herinneringen. Onze oudste broer Nikolaas was zes jaar
ouder dan ik. Hij was dus ongeveer tien of elf toen ik vier of vijf
jaar telde, het tijdstip waarop hij ons naar den berg Fanfaronoff
geleidde. Toen wij nog heel jong waren--hoe het zoo kwam weet ik
niet--spraken wij hem aan met 'U'. Hij was een bewonderenswaardige
jongen en werd later een bewonderenswaardig mensch.
"Toerghenjeff zeide zeer terecht van hem, dat hij al die
gebreken miste, die noodzakelijk zijn voor een' schrijver. De
eigenschappen die hij wel had waren een fijn gevoel voor kunst, een
goedhartige, vroolijke humor en een buitengewone, onuitputtelijke,
verbeeldingskracht, zóó groot, dat hij zonder ophouden en zonder de
gebruikelijke 'en toen's' allerlei sprookjes, spookgeschiedenissen en
humoristische verhaaltjes à la madame Radcliffe kon vertellen, met zulk
een overtuiging, dat men geheel vergat dat hij fantaseerde. Als hij
niet vertelde of las (en lezen deed hij verbazend veel), dan teekende
hij. Bijna altijd waren het duivels met horens en omgekrulde snorren,
die onderling de meest verschillende groepen vormden en zich met de
meest verschillende dingen bezig hielden. Die teekeningen getuigen
ook van zijne groote verbeeldingskracht en humor.
"Wij broers waren, ik zelf vijf, Mitjenka zes en Serjezja zeven
jaren toen die zelfde Nikolaas ons eens vertelde, dat hij een geheim
wist, waarmee hij, als hij het openbaarde, alle menschen gelukkig kon
maken. Ziekte en verdriet zouden er niet meer zijn, de menschen zouden
niet meer twisten en allen zouden elkander liefhebben en Moerawjeïsche
[25] broeders worden. Waarschijnlijk bedoelde hij 'Moravische
broeders', waarvan hij wel eens gehoord of gelezen had, maar in onze
taal heette het de Moerawjeïsche broeders. Ik herinner mij, dat het
woord 'mier' ons bijzonder goed beviel; wij dachten daarbij aan een'
mierenhoop. Zelfs vonden wij een spel uit, dat daarop betrekking
had. Wij kropen onder een stoel, schoven daar kisten om heen, die we
met lappen hadden behangen, en zaten daar dicht opeengedrongen in het
donker. Ik herinner mij, dat mij dan altijd eene zachte aandoening,
een gevoel van liefde doordrong en ik hield heel veel van dat spel. Van
die mieren-broeders had hij ons dus verteld, maar het groote geheim
van wat men doen moest, opdat alle menschen gelukkig zouden worden,
ziekte noch ongeluk, strijd noch boosheid zouden bestaan, dat, zei hij,
stond geschreven op een groen takje en dat takje lag begraven aan den
rand van een hollen weg, 'starai zakas', op die plaats waar ik (men
moet toch ergens begraven worden) ter herinnering aan Nikolaas ook eens
wensch te rusten. Behalve dat takje was er nog een berg Fanfaronoff,
waar hij ons heen zou brengen, mits wij alle voorwaarden, die hij
ons stelde, vervulden. Die voorwaarden luidden: ten eerste in een
hoek gaan staan en niet aan den witten beer denken. Ik herinner mij,
dat ik in een hoek ging staan en mijn best deed, maar dat het mij
nooit gelukte niet aan dien witten beer te denken. Ten tweede: zoo
te loopen, dat we alleen de spleet tusschen de planken in den vloer
aanraakten, en ten derde mochten wij in een heel jaar niet één haas
zien, hetzij levend, geschoten of gebraden. Natuurlijk mochten wij
niets van ons geheim vertellen. Diegene, die deze voorwaarden en nog
eenige, die Nikolaas ons later zou vertellen, had nageleefd, zou zijne
wenschen, welke het ook waren, vervuld zien. Wij moesten zeggen wat
wij wenschten. Serjezja wenschte zich, dat hij paarden en kippen in was
zou kunnen kneden, en Mitjenka, dat hij groote schilderijen zou kunnen
maken. Ik kon niets anders bedenken, dan den wensch om maar kleine
dingen te kunnen schilderen. Deze heele geschiedenis werd, zooals
dat altijd bij kinderen gaat, heel spoedig vergeten en niemand kwam
bij den berg Fanfaronoff, maar nog herinner ik mij de gewichtigheid,
waarmee Nikolaas ons in zijne geheimen inwijdde, ons ontzag en onze
vrees voor die wonderbare dingen, die hij ons openbaarde. Een zeer
sterken indruk heb ik behouden van de Moerawjeïsche broeders en het
groene takje, dat iedereen gelukkig zou maken.
"Tegenwoordig begrijp ik dat Nikolaas eens gelezen of gehoord had
van de vrijmetselaars, van hun streven om de menschen gelukkig te
maken en van de geheimzinnige ceremoniën bij het opnemen in hunne
orde. Ook van de Moravische broederschap kwam hem wel eens iets ter
oore, en zijne verbeeldingskracht, bijgestaan door zijne liefde voor
de menschen en voor het goede, weefde alles samen tot het verhaal
waarmee hij ons zoo fopte.
"Het ideaal der Moerawjeïsche broeders, elkaar lief te hebben en te
steunen (niet slechts onder een paar stoelen met kleeden behangen,
maar nagestreefd door alle menschen op Gods aardbodem) is nog steeds
mijn ideaal. En--zooals ik toen geloofde aan het groene takje, dat alle
ellende kon verdrijven, en de menschen het hoogste heil brengen, zoo
geloof ik ook nu aan het bestaan eener waarheid, die hun geopenbaard
zal worden en hun alles zal geven wat zij belooft." [26]
De herinneringen aan Tolstoi's broer Dmitri zullen wij plaatsen
onder het hoofdstuk over zijne jongelingsjaren. Hier laten we nog
een fragment volgen van de onafgewerkte herinneringen aan zijn broer
Sergius, betrekking hebbende op zijne vroegste kindsheid:
"Mitjenka en ik waren kameraden, voor Nikolaas gevoelde ik achting,
maar Sergius beminde, aanbad ik. Ik wilde 'hem' zijn. Ik bewonderde
zijne krachtige gestalte, zijn zingen (hij zong altijd), zijne
teekeningen, zijne vroolijkheid en vooral, hoe vreemd het ook klinken
moge, zijn onafhankelijk egoïsme. Ik onderzocht altijd al mijn daden,
luisterde of de menschen goed of kwaad van mij spraken en dat bedierf
mijn leven. Daarom bewonderde ik in anderen juist het tegenovergestelde
daarvan, dat onafhankelijk egoïsme. Daarom had ik Sergius lief. Het
woord, 'liefhebben' zegt niets. Nikoljenka had ik lief, maar Sergius
aanbad ik, en ik zag in hem een heel bijzonder wezen. Ik bewonderde
hem, maar ik begreep hem niet en dat maakte hem voor mij nog veel
aantrekkelijker.
"Hij stierf dezer dagen en stervende was hij mij nog even
onbegrijpelijk en nog even dierbaar als in de dagen onzer kindsheid. De
laatste jaren, toen hij ouder werd, hield hij meer van mij, hij
waardeerde mijne aanhankelijkheid, was trotsch op mij, trachtte met
mij overeen te stemmen maar kon het niet en hij bleef die hij was:
geheel bijzonder, geheel zich zelf. Hij was mooi, goed gebouwd,
trotsch, maar, meer dan dat alles: hij was tot in den hoogsten graad
oprecht en waarheidlievend. Hij was zooals hij was en trachtte zich
niet mooier noch minder voor te doen.
"Met Nikolaas wilde ik gaarne samen zijn, met hem praten, met hem
overleggen. Sergius wilde ik slechts navolgen. Toen we nog heel
jong waren begon het reeds. Hij hield kippen en kuikentjes en ik
hield kippen en kuikentjes. Dat waren waarschijnlijk mijn eerste
navorschingen op het gebied van de dierenwereld. Ik herinner mij
nog de verschillende soorten: grijze en bonte kippen, en kippen met
pluimen, en alle kwamen zij naar ons toe, als wij ze riepen om gevoerd
te worden. Den Hollandschen haan mochten wij niet lijden, want die was
niet goed voor de kippen. Sergius had gevraagd, kippen te mogen houden,
en ik vroeg het ook. Sergius teekende, en mij leek het prachtig, op
een groot stuk papier, in verschillende kleuren, kippen en hanen. Ik
deed het ook, maar leelijk. Op dit gebied had ik juist gehoopt mij
te volmaken, door middel van den berg Fanfaronoff. Sergius kwam
eens op de gedachte, toen de ramen weer ingezet waren, de kippen
met lange worstjes, die hij van worst en wittebrood had gemaakt,
door het sleutelgat te voeren en--ik deed hetzelfde" [27].
Wij laten hier nog een paar losse herinneringen volgen, die ons ook
door Tolstoi zijn verstrekt, maar die, evenals het grootste gedeelte
der herinneringen uit zijn kinderjaren, niet in chronologische
volgorde geplaatst kunnen worden. Toch zou het jammer zijn, ze niet te
plaatsen, daar zij ons helpen het beeld van Leo Tolstoi's kinderjaren
te voltooien.
"Eene herinnering aan eene onbelangrijke gebeurtenis, die een sterken
indruk bij mij naliet. Het staat mij voor als volgt.
"In onze kinderkamer op de bovenverdieping zit Tjemjeschoff en praat
met Feodor Iwanowitsch. Ik herinner mij niet waarom het gesprek over
de vasten liep, maar Tjemjeschoff, de goedhartige Tjemjeschoff,
zei heel gewoon: 'mijn kok ('t kan ook knecht zijn, dat weet ik
niet meer) kreeg het in zijn hoofd eene vleeschspijs te gaan eten;
ik heb hem weggezonden om soldaat te worden'. Ik heb het onthouden
omdat het toen voor mij zoo vreemd, zoo geheel onbegrijpelijk was.
"Eene andere gebeurtenis. De erfenis Perowski. Ik herinner mij
een hoog bevrachten wagen, die uit Neroetsch kwam, toen het proces
over de erfenis, dank zij Ilija Mitrofanowitsch, gunstig voor ons
was afgeloopen. Ilija Mitrofanowitsch was een dronkaard. Hij was
reeds een oude man, groot, met lang haar, een gewezen lijfeigene
van Perowska, een groot kenner (zooals dat vroeger meer voorkwam)
van contracten. Hij had het proces gevoerd, het gewonnen, en woonde
daarvoor tot aan zijn dood te Jasnaja Paljana.
"Nog een indruk. Aankomst van Peter Iwanowitsch Tolstoi, den vader van
Walerian, den man van mijne zuster. Hij kwam in een chambercloak in
de ontvangkamer; wij begrepen niet waarom, maar hoorden later, dat het
was omdat hij in het laatste stadium van tering verkeerde. Een andere
indruk. De aankomst van zijn' broeder Feodor Tolstoi, den bekenden
Amerikaan. Ik herinner mij dat hij in een wagen met postpaarden kwam
aanrijden, naar vader in de studeerkamer ging en zijn eigen hard
Fransch brood vroeg; ander brood at hij niet. Broer Sergius had juist
erge tandpijn. De Amerikaan vroeg wat hem scheelde, en toen hij 't
wist, beweerde hij de pijn door magnetisme te kunnen verdrijven. Hij
ging naar de studeerkamer, sloot de deur, en kwam terug met twee
batisten zakdoeken. Ik herinner mij, dat ze een lila rand hadden. Hij
gaf tante de beide zakdoeken en zei: 'als hij dezen omdoet, dan zal de
pijn weggaan, en dezen, dan gaat hij slapen'. Sergius nam de zakdoeken,
deed ze om en wij hebben den indruk behouden, dat het juist zoo ging
als ons voorspeld was.
"Ik herinner me hem nog, met zijn mooi gebronsd gezicht. Hij droeg
geen vollen baard, maar wel een dichten grijzen bakkebaard, die tot
aan zijn mondhoeken groeide. Zijn hoofdhaar was grijs en krullend. Ik
zou nog heel veel willen vertellen van dezen ongewonen, verdorven,
maar toch zoo aantrekkelijken man!"
Wij zullen dit hoofdstuk _Kinderjaren_ besluiten met de poëtische
herinnering uit een vroeger uitgegeven werk van Tolstoi.
"Gelukkige, gelukkige kinderjaren, die nooit meer terugkomen! Wie
zou zich niet verlustigen in hunne herinnering? Mij zijn ze een
bron van het heerlijkst genot, zij verheffen, zij verlichten mijne
ziel.... Na het gebed, in de koesterende dekens, als de ziel zoo licht
is, zoo klaar, zoo blij, begint de fantasie haar werk. Wat schildert
zij? Te grijpen zijn haar beelden niet, maar zij zijn vol van reine
liefde en hoop op rein geluk.--Dan dacht ik aan Karel Iwanowitsch,
den eenigen man van wien ik wist dat hij ongelukkig was, en aan zijn
bitter lot, en mijn medelijden was zoo groot en mijn liefde zoo innig,
dat tranen uit mijne oogen vloeiden en ik bad: 'God, geef hem geluk
en stel mij in staat hem te helpen en zijne smart te verlichten; ik
ben geheel bereid mij voor hem op te offeren'. Dan weer bewonder ik
het liefste porseleinen speelgoed--het haasje of den hond--weggedrukt
in een hoekje van het donzen kussen; hoe heerlijk warm en gemakkelijk
ligt het daar! En nog weer een gebed tot God om geluk en tevredenheid
voor allen, om mooi weer voor de wandeling van morgen; dan keer je
je om en je valt in slaap, zoo rustig en stil, het gelaat nog nat van
tranen. Zullen zij ooit terugkeeren, die frischheid, die zorgeloosheid,
die behoefte aan liefde, dat krachtig geloof, die schatten van onze
kinderjaren? Welke tijd kan beter zijn dan die, waar de twee grootste
deugden, de onschuldige vroolijkheid en de oneindige behoefte aan
liefde de eenige drijfveer zijn van 't leven? Waar zijn die vurige
gebeden? Waar het heerlijkste geschenk, die reine traan van mededoogen?
"Een engel der vertroosting kwam en wischte met zijn' glimlach onze
tranen af en zachtkens wuivend blies zij droomen in onze onbedorven
kinderziel.
"Heeft het leven dan zulke diepe sporen in mijn hart gegrift, dat de
zaligheid der tranen voor eeuwig voor mij verloren ging?"
VIJFDE HOOFDSTUK.
JONGENSJAREN.
Toen Tolstoi's jongensjaren begonnen, kwam voor de oudere broers
Nikolaas en Sergius de tijd van ernstige studie. In het jaar 1830
verhuisde de familie Tolstoi daarom naar Moskou, waar ze gingen wonen
in het huis van Schtscherbatscheff. Dit huis bestaat nog en bevindt
zich tegenover de kerk die den naam draagt Smoljenskaja Bozja Matjer,
in een z.g. hof.
De winters van 1836 en '37 brachten zij hier door, en ook den zomer
na den dood van hun' vader.
In dien zomer van 1837 ging Tolstoi's vader eens voor zaken naar
Toela. Op weg naar zijn' vriend Tjemjeschoff werd hij plotseling
door eene duizeling bevangen, wankelde en viel, door eene beroerte
getroffen, dood neer.
Anderen beweren, omdat er geld ontbrak, en ook papieren die nog
in Moskou op een geheimzinnige wijze door eene vrouw terug werden
gebracht, dat hij door een' bediende zou zijn vergiftigd.
Zijn lijk werd van Toela naar Jasnaja Paljana gebracht. De begrafenis
werd bijgewoond door zijne zuster Alexandra Ilinitschna en zijn'
oudsten zoon Nikolaas.
Het is de dood van zijn' vader die wel den diepsten indruk heeft
nagelaten in Tolstoi's kinderherinneringen. Voor het eerst, zegt hij,
ontwaakte in hem de godsdienstige vrees voor het vraagstuk van leven
en dood. Doordat zijn vader niet in huis was gestorven, duurde het
lang eer het tot hem doordrong, en als hij op straat soms bekenden
zag, dan dacht hij, ja, hij wist het bijna zeker, dat hij zijn vader
daar ook bij zou ontmoeten. En dit gevoel van hoop en niet gelooven
in den dood verzachtte zijne smart.
Na den dood van het hoofd der familie bleven de Tolstoi's dien zomer
in Moskou. Dat was de eerste en misschien ook wel de laatste maal,
dat Leo Tolstoi een' zomer in de stad doorbracht. Een sterken indruk
behield hij van de uitstapjes die er gemaakt werden in wagens bespannen
met vier paarden, niet naast maar voor elkaar, van de mooie omstreken
van Koeznjetzoff en Neskoetschni, en van de afschuwelijke lucht der
fabrieken rondom Moskou, die in dien tijd de omgeving bedierf.
"Grootmoeder was door den dood van haar zoon als gebroken. Altijd
weende zij en 's avonds liet zij dikwijls de deur van de naaste
kamer open en beweerde, dat haar zoon daar was en dat zij met hem
sprak. Soms vroeg zij angstig aan haar dochter: 'Is het waar dat hij
dood is?'--Na negen maanden stierf zij van verdriet."
De dood van zijne grootmoeder voerde Tolstoi's gedachten, hoewel
hij het zich toen niet bewust was, weer naar het vraagstuk van leven
en dood.
Zijne grootmoeder heeft lang moeten lijden. Tegen het eind van
haar ziekte kreeg zij waterzucht. Nog kan Tolstoi zich den schrik
herinneren, toen hij bij haar gebracht werd om afscheid te nemen en
zij, geheel in 't wit, op haar bed liggende, zich met moeite naar
haar kleinzoons toekeerde en hun, bijna onbeweeglijk, haar witte hand
toestak, een hand dik opgeloopen als een kussen.
Maar zooals het altijd bij kinderen gaat, werden de schrik en angst
voor den dood al spoedig verdrongen door kinderlijke spelen en
onbezorgde vroolijkheid.
Eens op een feestdag kwam, als gewoonlijk, Wladimir Miljoetin,
een jongen van hun leeftijd, bij hen. Deze Wladimir is dezelfde,
die hun later, toen ze op het gymnasium gingen, het ongewone nieuws
verkondigde, dat er geen God bestond. 't Was nog vóor het middageten
en het ging in de kinderkamer vroolijk, ja zelfs wild en ruw toe;
dat wil zeggen Sergius, Dmitri en Leo maakten zoo'n leven; Nikolaas
en Miljoetin, die al verstandiger waren, deden niet mee. De pret
bestond hierin, dat zij papier verbrandden in de schalen van een
servies, die achter een kamerschut stonden. Waarom dat zoo prettig
was, is moeilijk te begrijpen, maar dat ze het buitengewoon plezierig
vonden is zeker. "Plotseling," zoo vertelt Tolstoi, "weerklinken te
midden van deze vroolijkheid, vlugge schreden en de jonge, blonde,
energieke, gespierde, kleine gouverneur St. Thomas (in _Jongensjaren_
beschreven als St. Jérôme) treedt bleek, met trillende lippen, binnen,
en zonder acht te geven op onze bezigheid, zonder ons te beknorren,
zegt hij 'Votre grand' mère est morte.'
"Ik herinner mij," gaat Tolstoi voort, "dat wij nieuwe zwarte
jasjes kregen met wit tres gegarneerd. Vreeselijk om te zien waren
de doodgravers die om ons huis drentelden, het brengen van de kist
met glazen deksel, en grootmoeder, zooals zij, hoog op de tafel, in
de kist lag, met strak gelaat, scherpen neus, witte muts, een witten
doek om den hals. Treurig om te zien waren de tranen van de tantes en
Paschenka, maar toch verheugden wij ons over onze nieuwe jasjes met
tres en de medelijdende zorg, waarmee men ons omringde. Ik herinner
mij niet, waarom men ons naar de bijgebouwen bracht gedurende de
begrafenis, maar wèl, hoe prettig ik het vond, naar de gesprekken van
een paar onbekende babbelaarsters te luisteren. 'Arme, arme weezen,
nauwelijks is hun vader gestorven en nu ook nog de grootmoeder!'"
De Fransche gouverneur, zoo juist genoemd, liet bij Tolstoi eene
herinnering achter van goed en kwaad dooreen gemengd.
"Ik weet niet meer waarvoor," vertelt Tolstoi, "maar zonder dat
ik het verdiend had, sloot St. Thomas mij eens op en dreigde mij
met de roe. Ik kreeg een razend gevoel van wrok en woede, en kwam
in opstand, niet alleen tegen hem, maar vooral ook tegen de macht,
die men tegen mij kon aanwenden. Misschien is deze gebeurtenis wel de
oorzaak geweest van dien afkeer, dien ik mijn heele leven heb gehad
van iedere machtsuitoefening."
Desniettemin wijdde St. Thomas al zijn aandacht aan de bijzondere
begaafdheid van zijn kleinen kweekeling. Hij zag waarschijnlijk iets
bijzonders in hem, want eens over Leo Tolstoi sprekende, zei hij:
"Ce petit a une tête, c'est un petit prodige."
Tengevolge van de wanorde in zaken moesten, na den dood der
grootmoeder, de uitgaven der familie verminderd worden. Daarom trok
een gedeelte van hen, nl. de jongsten, Dmitri, Leo en Maria, met hunne
tante Tatjana weer naar buiten. De onderwijzers wisselden elkaar af. Nu
eens Duitsche gouverneurs, dan weer Russische seminaristen. Gravin
Alexandra Ilinitschna werd tot voogdes over de kinderen benoemd.