"Dit is alles wat ik mij herinner tot aan mijn vijfde jaar. Niet mijne

njanja, niet de tantes, geen broers, zuster, vader, kamer of speelgoed,

niets kan ik mij te binnen brengen. Mijne indrukken beginnen vorm

aan te nemen van den tijd af, toen men mij naar beneden bracht bij

Feodor Iwanowitsch en de grootere knapen. Bij mijne verhuizing naar

beneden kreeg ik voor het eerst en daarom des te sterker het besef

van plichtsgevoel, het bewustzijn zijn kruis te moeten dragen, zooals

het den mensch betaamt. Het deed mij verdriet, met mijne gewoonten (de

gewoonten van mijn geheele leven) te moeten breken. Treurig was het,

poëtisch treurig, te moeten scheiden, niet zoo zeer van de menschen,

van mijne zuster, de njanja en tante, als wel van mijn bedje, mijn

gordijntje, mijn kussen, en met angst ging ik naar beneden. Ik deed

mijn best het vroolijke in dit nieuwe leven op te zoeken, ik trachtte

geloof te schenken aan de lieve woorden waarmee Feodor Iwanowitsch

mij tot zich lokte, ik trachtte de verachting niet te zien waarmee de

oudere jongens mij, den jongeren, ontvingen; ik wilde mij opdringen dat

het voor een grooten jongen schande was alleen met meisjes om te gaan,

dat er niets moois was in het leven daarboven bij de njanja, maar--op

mijn borst drukte een zware last en droevig was het mij te moede. Ik

was er van overtuigd, dat ik schier onherroepelijk mijne onschuld en

mijn geluk verloor. Slechts het bewustzijn van mijn plicht te doen,

mijn gevoel van eigenwaarde, hield mij staande. Vele jaren later,

aan een kruisweg gekomen, een nieuw leven beginnend, voelde ik weer

diezelfde gewaarwordingen. Een groote smart vervulde mij om hetgeen

ik onherroepelijk had verloren. Ik kon maar niet gelooven dat het ooit

zou gebeuren! Hoewel men er mij op had voorbereid dat ik naar beneden,

naar de grooteren moest gaan, kreeg ik het gevoel alsof met het jasje,

dat men mij aantrok, de wereld op de bovenverdieping voor mij werd

afgesloten. Nu zag ik voor het eerst andere personen dan die mij tot

nu toe hadden omringd, en voor het eerst eene hoofdpersoon, met wie ik

toch reeds lang was saamgeweest, maar die ik niet had opgemerkt. Dat

was mijne tante Tatjana. Ik herinner mij de flinke, teedere, goede,

barmhartige, niet groote vrouw met haar zwarte haren. Zij kleedde

mij aan en kuste mij, en ik begreep dat zij voelde zooals ik, dat

ook zij het betreurde, het diep betreurde, maar dat het moest.

"Voor de eerste maal voelde ik, dat het leven geen spel, maar een

moeielijke taak is. Zal ik niet het zelfde voelen als ik eens ga

sterven, en begrijpen, dat ook de dood en het volgend leven geen

spel zijn?

"_5 Mei 1878._"

Van deze Tatjana Alexandrowna geeft Tolstoi de volgende interessante

beschrijving:

"Tatjana Alexandrowna Jergolskaja was, na mijn vader en mijne moeder,

de persoon die den meesten invloed op mijn leven heeft uitgeoefend. Zij

was eene verre bloedverwant van mijne grootmoeder van de zijde der

Gortschakoffs. Zij en haar zuster Liza, die later met graaf Peter

Iwanowitsch Tolstoi trouwde, bleven, heel jong nog, als weezen achter.

"Hun broers werden door de familie aan een of andere betrekking

geholpen. Mijne grootmoeder en de waardige invloedrijke

Tat. Sjem. Skoeratowa namen de beide meisjes tot zich. Het lot

heeft beslist waar zij zouden wonen. Twee biljetten met hare namen

werden onder de heiligenbeelden neergelegd, een gebed werd gedaan en

de biljetten werden getrokken. Zoo gebeurde het, dat Lizanka naar

Tatj. Sjemjojewna ging en de zwarte Tatjana, Tanitschka zooals men

haar bij ons noemde, naar mijne grootmoeder. Zij werd geboren in 1795,

was ongeveer even oud als mijn vader, en werd geheel als mijne tantes

opgevoed. Allen hielden veel van haar, en dat kon ook niet anders bij

haar ferm, energiek en toch zelfopofferend karakter. Het volgende,

dat zij ons eens vertelde en waarbij zij ons een groot litteeken even

onder den elleboog liet zien, geeft een juist beeld van haar.

"Als kinderen lazen zij eens de geschiedenis van Mucius Scaevola en

begonnen te twisten over de vraag of een van allen hem dat wel na

zou durven doen. 'Ik zal het doen,' zei Tatjana. 'Je doet het toch

niet,' zei Jaziekoff, mijn peetoom, en hield, ook weer karakteristiek

voor hem, eene liniaal zoo lang in een kaars, tot ze gloeiend was en

rookte. 'Leg die nu tegen je arm,' zei hij. Zij strekte haar blanken

arm uit (de meisjes hadden toen altijd korte mouwen) en Jaziekoff

drukte er de gloeiende liniaal tegen aan. Zij fronste haar wenkbrauwen

maar trok haar arm niet terug, en steunde slechts even toen met de

liniaal het vel van haar arm werd afgetrokken. De ouderen, die de

wonde zagen en vroegen hoe zij daar aan kwam, kregen ten antwoord,

dat zij het zelf gedaan had, omdat ze wilde ondervinden, wat Mucius

Scaevola had gevoeld.

"Zoo was zij in alles, vlug besloten en zelfopofferend.

"Haar voorkomen moet zeer innemend geweest zijn, met haar

zwart, dik, krullend haar, donkere oogen en levendige, energieke

trekken. W. M. Joeschkoff, de man van mijne tante Pelageja, een echte

don Juan, zei dikwijls--hij was toen reeds een grijsaard--op een'

toon zooals men van eene vroegere liefde spreekt: 'Toinette, oh,

elle était charmante!'

"Toen ik haar leerde kennen was zij reeds over de veertig, en ik dacht

er nooit over na of zij mooi was of niet. Ik hield eenvoudig van haar,

ik hield van haar oogen, van haar glimlach, van haar bruine, breede,

kleine hand, met de energieke lijnen. Het is wel aan te nemen, dat zij

vader beminde en vader haar. Toch is zij nooit met hem getrouwd. Niet

in haar jeugd, omdat vader met mijne rijke moeder zou kunnen trouwen,

en later niet, omdat zij de reine, poëtische verhouding niet wilde

bederven die er bestond tusschen haar en vader, en ook tusschen haar

en ons. Onder haar papieren, in haar met kralen bewerkte portefeuille,

bevindt zich het volgende, geschreven in 1836, zes jaren na den dood

van moeder:

"'16 Aug. 1836. Nikolaas heeft mij heden eene vreemde vraag gedaan,

namelijk om met hem te trouwen, de moeder te worden van zijne kinderen

en hen nooit te verlaten. Het eerste voorstel heb ik geweigerd, het

tweede heb ik aangenomen, en ik zal de belofte nakomen, zoolang als

ik leef.'

"Dit heeft zij neergeschreven, maar nooit heeft zij er met ons of met

wien ook over gesproken. Na den dood van mijn' vader vervulde zij

de tweede van zijne wenschen. Wij hadden twee echte tantes en eene

grootmoeder. Die hadden allen een grooter recht op ons dan Tatjana,

die wij maar tante noemden en die zoo'n ver verwijderd familielid was,

dat ik nooit kon begrijpen, hoe zij eigenlijk tot ons in betrekking

stond. Het recht der liefde evenwel bezorgde haar de eerste plaats

bij onze opvoeding en wij hebben dat ook steeds gevoeld.

"Ik hield van haar, hartstochtelijk, overweldigend en teeder.

"Ik herinner mij, dat ik mij eens in het salon (ik was toen ongeveer

vijf jaar) dicht tegen haar aan vleide. Streelend beroerde zij mijne

hand. Ik greep die hand, kuste haar en begon van teedere liefde tot

haar te weenen.

"Zij was opgevoed als eene dame van goeden huize, sprak en schreef

beter Fransch dan Russisch, speelde heel goed piano, maar had de

toetsen in geen dertig jaren aangeraakt. Zij begon eerst weer toen ik,

reeds volwassen, het ging leeren. Wij speelden soms wel eens vierhandig

en dan verbaasde zij mij door haar correct, voortreffelijk spel. Zij

was heel goed voor de bedienden, gaf hun nooit booze woorden; de

gedachte aan roede of knoet kon zij niet verdragen, maar toch dacht

zij: 'lijfeigenen zijn lijfeigenen,' en was tegenover hen geheel

de meesteres. Desondanks hielden zij meer van haar dan van één der

anderen. Toen zij stierf en door het dorp werd gedragen, kwamen alle

boeren uit hunne huizen en zeiden de gebeden der stervenden. De

hoofdtrek van haar karakter was liefde. Gaarne had ik gewild, dat

die zich tot één mensch, tot mijn' vader, had bepaald. Haar liefde

echter voor hem straalde af op ons allen. Ons had zij lief om hem,

allen had zij lief door hem, haar heele leven was liefde.

"Hare groote liefde gaf haar zedelijk recht op ons, maar onze eigen

tantes, vooral Pelageja Ilinischna, toen zij ons naar Kazan bracht,

hadden de uiterlijke rechten. Tatjana voegde zich hier naar en

hare liefde voor ons verminderde er niet door. Zij woonde toen bij

haar zuster Liza A. Tolstoi, maar met haar hart was zij bij ons,

en zoo spoedig mogelijk keerde zij tot ons terug. Het was voor mij

een groot geluk, dat zij den laatsten tijd van haar leven, ongeveer

twintig jaren, bij mij op Jasnaja Paljana doorbracht. Jammer is het,

dat wij ons geluk, vooral zoo'n groot innig geluk, nooit naar waarde

schatten. Ik stelde het op prijs, maar niet volkomen, niet genoeg. Zij

hield er van om op haar kamer verschillende schaaltjes met lekkernijen

te hebben: gedroogde vijgen, dadels, enz. Zij vond het prettig die

dingen te koopen en in de eerste plaats gaf zij ze dan weer aan mij. Ik

zal het nooit vergeten en herinner het mij steeds met gewetenswroeging,

dat ik haar eens geld voor snoeperijen heb geweigerd. Zij zuchtte diep

en zweeg. Ik zat in geldverlegenheid, dat is waar, maar toch kan ik mij

nooit zonder wroeging herinneren, dat ik het haar niet heb toegestaan.

"Eens--ik was reeds getrouwd en zij begon al te verzwakken--toen ik

bij haar op haar kamer kwam, zeide zij, met afgewend gelaat (maar

ik zag wel, dat zij op het punt stond in tranen uit te barsten):

'Zie eens, mes chers amis, mijne kamer is zoo mooi en gij kunt haar

zoo goed gebruiken. Wanneer ik hier nu sterf,' vervolgde zij met

bevende stem, 'dan zal die herinnering u niet aangenaam zijn. Geef

mij daarom liever eene andere kamer'.--Zoo is zij altijd geweest,

van mijn eerste kinderjaren af, toen ik nog niets kon begrijpen.

"Haar kamer was zóó ingericht: in den linkerhoek stond eene

chiffonnière met ontelbare kleinigheden die alleen voor haar waarde

hadden; rechts het glazen kastje met heiligenbeelden en het groote

zilveren Christusbeeld; in het midden bevond zich de divan, waarop

zij sliep en daarvoor eene tafel. Naar rechts gaf een deur toegang

tot het vertrek van haar kamenier.

"Ik heb reeds gezegd, dat tante Tatjana den grootsten invloed op mijn

leven heeft gehad, die in hoofdzaak daarin bestond, dat zij mij,

reeds in mijne jeugd, deed begrijpen hoe heerlijk het is lief te

hebben. Niet met woorden maar door daden leerde zij het mij. Ik zag,

ik voelde, hoe goed het haar was lief te hebben en ik begreep het

geluk er van. Dat was het eerste gevolg van haar invloed op mij. Ten

tweede leerde zij mij de aantrekkelijkheid kennen van een rustig,

ongetrouwd leven, maar daarvan zullen wij te zijner plaatse spreken.

"Hoewel deze herinnering niet in mijne jeugd thuis behoort, kan ik

toch niet nalaten mijn leven met haar te beschrijven, toen ik nog

als jonggezel op Jasnaja woonde." [19]

Wij hebben in het hoofdstuk over Tolstoi's ouders reeds opgemerkt,

dat zijne vertelling _Kinder-, Jongens- en Jongelingsjaren_ niet als

een auto-biographie kan worden aangemerkt. Die opmerking geldt in

hoofdzaak de uiterlijke omstandigheden, door den auteur medegedeeld

om het geheel aan te vullen.

Wat de schildering betreft van het inwendige van den kind-held kunnen

wij verklaren, dat op de een of andere wijze al die zielstoestanden

door den auteur zelf zijn beleefd. Wij voelen ons dus gerechtigd onze

biographie er mee aan te vullen. Bovendien weten wij dat eenige typen

uit dat werk naar het leven zijn geteekend.

Zoo is b.v. de Duitscher Karel Iwanowitsch Mayer niemand anders

dan Feodor Iwanowitsch Rjessel, de Duitsche onderwijzer, die in

werkelijkheid bij de familie Tolstoi heeft gewoond, en dien wij

reeds vroeger vermeld hebben. Tolstoi noemt hem ook in zijne _Eerste

Herinneringen_. Deze man moet ongetwijfeld een grooten invloed gehad

hebben op de geestelijke ontwikkeling van den knaap. Door de bijzondere

liefde, waarmee de auteur van _Kinderjaren_ zijne oprechte, eerlijke,

goedhartige en liefhebbende natuur teekent, mogen wij aannemen dat

deze invloed een goede was.

Het is dus niet zonder reden, dat Tolstoi de geschiedenis van zijne

jeugd begint met de schildering van dezen persoon.

Feodor Iwanowitsch stierf te Jasnaja Paljana en werd begraven bij

de kerk.

Een tweede persoon die in _Kinderjaren_ wordt beschreven is een

Joerodiewi [20].

Deze Grischa heeft niet bepaald bestaan, maar is ongetwijfeld

grootendeels naar het leven geteekend. Hij maakte klaarblijkelijk een

diepen indruk op Tolstoi's kinderziel. De volgende roerende woorden

zijn aan hem gewijd. Tolstoi geeft daarin een beschrijving van een

avondgebed van den Joerodiewi.

"Zijne woorden waren onsamenhangend maar treffend. Hij bad voor zijne

weldoeners (zoo noemde hij degenen waar hij wel eens mocht komen),

voor zijne moeder, voor ons, en voor zich zelf. Hij smeekte dat God

hem zijne zware zonden zou vergeven en herhaalde telkens: 'O God,

vergeef ook mijne vijanden!'

"Zuchtend richtte hij zich op, en steeds dezelfde woorden herhalend,

wierp hij zich ter aarde en richtte zich weer op en lette niet op

de zware kettingen, die met een scherp knarsend geluid tegen den

grond sloegen....

".... Lang nog bevond Grischa zich in dezen staat van godsdienstige

geestvervoering en improviseerde gebeden. Hij herhaalde eenige

malen: 'Heer, vergeef mij', telkens met sterkeren, grooteren nadruk,

'Heer, Heer, vergeef mij, leer mij wat ik doen moet', en sprak met

zóóveel uitdrukking, alsof hij dadelijk een antwoord op zijn smeeken

verwachtte. Daarop weerklonk een klaaglijk weenen... Hij bleef liggen,

geknield, vouwde zijne handen op de borst en zweeg.

"--'Heer, Uw wil geschiede', riep hij plotseling met volle overtuiging,

viel met zijn hoofd op den grond en weende als een kind.

"Veel water vloeide er sinds dien naar zee, vele herinneringen aan

't verleden verloren voor mij hunne beteekenis en werden wazige

droombeelden, ook de pelgrim Grischa volbracht reeds lang zijn

laatsten tocht, maar de indruk dien hij bij mij te weeg bracht, het

gevoel dat hij bij mij wakker riep, zal nooit uit mijne herinnering

worden gewischt.

"O, groote Christen Grischa! Uw geloof was zoo sterk, gij gevoeldet

Gods nabijheid; Uwe liefde was zóó groot, dat de woorden van zelf over

uwe lippen stroomden; Gij toetstet ze niet aan het verstand.... en

welk een grooten lof bracht Gij het Opperwezen! Toen Gij geen woorden

meer vondt, vielt gij weenend ter neer." [21]

Hebben wij niet het volste recht dien man den eersten prediker van het

volksgeloof te noemen, dat geloof, dat Tolstoi's geest overwon, na de

onvruchtbare omzwervingen op het gebied van theologie, filosofie en de

exacte wetenschappen, en dat hij op zijn beurt heeft beschenen met het

licht van zijn verstand, gereinigd en gestaald door strijd en lijden,

de noodzakelijke metgezellen van allen die zoeken naar waarheid.

Een bewijs voor het bovenstaande vinden wij in Tolstoi's herinneringen.

"De simpele Grischa is een verdicht persoon. In ons huis kwamen er

velen van zijns gelijken, en ik ben er mijn' opvoeders dankbaar voor,

dat zij mij leerden, hen met achting te behandelen.

"Al schuilen er ook onoprechten onder hen, al hebben zij ook zwakke

oogenblikken, toch is hun levenstaak zóó hoog, hoewel praktisch

onuitvoerbaar, dat het mij verheugt, dat ik van mijn kindsheid af,

geheel onbewust, het grootsche van hun streven leerde begrijpen. Zij

ondervinden wat Marcus Aurelius zegt: 'er is niets verheveners,

dan de verachting te verdragen voor zijn goed leven.'

"De lokstem van den roem, die zich verbindt met iedere goede daad, is

zoo verderfelijk voor ons, dat men de verzoeking wel moet meevoelen,

niet slechts om zich aan den lof te willen onttrekken, maar om de

verachting der menschen op zich te laden.

"Zoo eene Joerodiewaja waren ook Marja Gherasimowna, de peettante van

mijne zuster, en de half waanzinnige Jewdokimoeschka en nog eenigen,

die wel in ons huis kwamen.

"Wij kinderen hoorden het gebed niet van een Joerodiewi, maar wel

van Akim, een waanzinnigen tuinmansjongen. Hij deed zijn gebed in de

groote zaal van een zomerhuis en het trof mij diep, dat eenvoudige

gebed, tot God gericht als tot een levend mensch.

"'Gij mijn dokter, gij mijn apotheker,' sprak hij met overtuigend

vertrouwen. Daarop zong hij liederen van het laatste gericht: dat God

de rechtvaardigen van de zondaars scheidde en den laatsten de oogen

volstrooide met geel zand."

In andere, minderwaardige papieren lezen wij van Mimi en haar dochter

Katjenka, "zoo iets van een eerste liefde". Onder den naam Mimi vinden

wij de gouvernante van de buren, onder Katjenka een pleegkind der

familie terug, door Tolstoi beschreven als Doenjetschka Tjemjeschewa.

Van deze Doenjetschka vertelt Tolstoi in zijne herinneringen:

"Behalve de broers en mijne zuster woonde van haar vijfde jaar af

bij ons in Doenjetschka Tjemjeschewa, en ik moet vertellen, wie zij

was en hoe zij bij ons kwam.

"Onder het aantal bezoekers, die ik mij nog uit mijne jeugd herinner,

bevindt zich o.a. de man van tante Joeschkoff, van wien ik nog

veel zal moeten spreken. Hij had een uiterlijk dat kinderen opvalt,

zwarte snor, bakkebaarden en een bril op zijn neus. Ten tweede, mijn

peetoom S. J. Jaziekoff. Deze had een bijzonder leelijke gestalte,

rook altijd naar tabak, had veel te ruim vel op zijn breed gezicht,

waarmee hij voortdurend de onmogelijkste grimassen trok.

"Behalve onze twee buren Ogarjeff en Isljenjeff, bezocht ons nog een

verre bloedverwant van de zijde der Gortschakoffs, de rijke vrijgezel

Tjemjeschoff, die heel veel van mijn' vader hield en hem steeds

'broeder' noemde.

"Hij woonde op veertig wersten afstand van Jasnaja Paljana, in het dorp

Pirogowo, en bracht ons van daar eens varkentjes met krulstaartjes mee,

die op een groot blad in de bediendenkamer werden neergezet.

"Tjemjeschoff, Pirogowo en de varkentjes zijn in mijne herinnering

één. Bovendien kunnen wij kinderen ons hem nog altijd herinneren,

zooals hij voor de piano zat. Hij speelde een danswijsje (hij kende

er maar één) en wilde dat wij er op zouden dansen. Als wij dan vroegen

wat hij eigenlijk speelde, dan antwoordde hij dat op die muziek alles

kon worden gedanst. Wij vonden het aardig en dansten er op los.

"Het was op een' winteravond, er was al thee gedronken en wij zouden

spoedig naar bed worden gebracht; onze oogen vielen reeds bijna

toe, toen plotseling iemand met vlugge, onhoorbare schreden uit de

bediendenkamer in het salon trad, waar wij allen in half donker zaten,

omdat er maar twee lampen brandden. Hij liep naar 't midden van de

kamer en viel daar op zijne knieën. De brandende pijp met den langen

steel, die hij in zijn hand hield, stootte op den grond zoodat het

vuur er uitviel, en het gelaat van den knielenden man verlichtte. Die

man was--Tjemjeschoff. Wat hij tegen vader zei, terwijl hij voor

hem neerknielde, herinner ik mij niet en verstond ik ook niet. Later

hoorde ik dat hij zijn onwettig dochtertje Doenjetschka bij zich had,

waarover hij reeds vroeger had gesproken en dat door vader tegelijk

met ons zou worden opgevoed.

"Van dien tijd af kwam Doenjetschka bij ons in huis. Zij had een breed

gezicht, was even oud als ik en had een njanja: Jewpraksija. Deze was

eene rimpelige oude vrouw; ze had een zak onder aan haar kin als van

een kalkoenschen haan, met een balletje er in, dat zij ons liet voelen.

"Met de verschijning van Doenjetschka kwam er ook een ingewikkeld

contract in ons huis. Tjemjeschoff was zeer rijk. Hij had geen

wettige kinderen. De twee meisjes Doenjetschka en Wjerotschka waren

zijne natuurlijke dochters. De laatste was mismaakt. Haar moeder was

eene gewezen lijfeigene Marfoescha. Tjemjeschoff's erfgenamen waren

zijne zusters. Hij vermaakte haar alles, behalve Pirogowo, waar hij

woonde. Dit wenschte hij mijn vader te verkoopen onder voorwaarde,

dat de prijs van het goed, 300,000 roebel (men zei van Pirogowo,

dat het een goudmijn en veel meer waard was), door vader aan de

twee meisjes zou worden betaald. Om dat nu zoo in te richten was men

het volgende overeengekomen. Tjemjeschoff maakte een koopbrief op,

waarin beschreven stond, dat hij vader het goed verkocht voor 300,000

roebel. Vader gaf nu drie wissels ieder van 100,000 aan Isljeneff,

Jaziekoff en en Gljeboff. Ingeval van Tjemjescheff's overlijden kwam

het goed aan mijn' vader, die dan de geheele som aan de drie houders

van de wissels moest betalen, welken het weer aan de twee meisjes

zouden uitkeeren. Misschien vergis ik mij met de beschrijving van het

contract, maar ik weet zeker, dat het landgoed na vaders dood aan ons

kwam en dat er drie wissels waren op naam van Isljeneff, Gljeboff

en Jaziekoff. Onze voogd betaalde het geld uit en de twee eersten

gaven het op hun beurt aan de meisjes, maar de derde, Jaziekoff,

eigende het zich toe. Daarover echter later.

"Doenjetschka woonde dus bij ons, was een lief, eenvoudig, rustig,

maar dom meisje en daarbij een groote huilebalk. Ik herinner mij,

dat ik reeds een weinig Fransch kon lezen en schrijven en dat men

mij opdroeg haar de letters te leeren. In 't begin ging alles goed

(wij waren ongeveer vijf jaar), maar later, waarschijnlijk omdat ze

moe werd, kon zij de letters die ik haar aanwees niet meer noemen. Ik

hield vol, zij begon te weenen, ik ook, en toen er later iemand bij ons

kwam, konden wij niet praten, zoo huilden wij. Ook herinner ik me nog,

dat er eens een pruim van de schaal was verdwenen en men de schuldige

niet kon vinden. Feodor Iwanowitsch zei met een ernstig gelaat,

zonder ons aan te zien, dat het niet zoo erg was dat die pruim was

opgegeten, maar als we de pit hadden ingeslikt, dan zouden we moeten

sterven. Doenjetschka, die den angst niet meer kon verdragen, zei,

dat ze de pit had uitgespogen.

"Nog herinner ik mij haar vreeselijken tranenvloed, toen eens, onder

't spelen met mijn broertje Mitjenka, het volgende gebeurde. Het

spel bestond daarin, dat zij elkaar een koperen kettinkje in den

mond spuwden. Nu spoog zij met zoo'n kracht en hij sperde zijn mond

zoo wijd open, dat hij het doorslikte. Doenjetschka weende wanhopig,

totdat de dokter kwam en ons allen gerust stelde.

"Zij was niet verstandig, maar goed en eenvoudig en daarbij zoo rein,

dat er nooit een andere dan een broederlijke verhouding tusschen ons

heeft bestaan."

De mededeelingen die Tolstoi doet over de bedienden, die hem in zijn

prilste jeugd omringden, zijn schaarsch, maar zeer interessant. Zij

vullen de gegevens aan, reeds beschreven in zijn werk _Kinderjaren_.

"Onder den naam Natalie Cawischni heb ik in _Kinderjaren_ Praskowa

Isajewna vrij nauwkeurig beschreven. Alles wat ik van haar vertelde is

werkelijkheid. Zij was onze huishoudster en een zeer achtenswaardige

vrouw.

"Een van de prettigste herinneringen die ik aan haar heb behouden is

wel, dat we na of tusschen de lessen in haar kamertje kwamen om met

haar te praten en naar haar te luisteren. Zij hield waarschijnlijk

van ons om onze heerlijke kinderlijke oprechtheid. 'Praskowa Isajewna,

hoe ging grootvader naar den oorlog? te paard?', vroegen wij om haar

maar aan 't praten te krijgen. 'Hij ging te voet en te paard. Daarvoor

was hij generaal-en-chef', en daarbij opende zij een kast, en nam er

een stukje hars uit dat zij 'Koerjen van Otschakoff' noemde. Volgens

haar had grootvader het uit Otschakoff meegenomen. Zij stak een papier

aan boven het lampje bij de heiligenbeelden, maakte daarmee het hars

aan het branden, dat dan een aangenamen geur verspreidde.

"In _Kinderjaren_ vertelde ik, dat zij mij eens beleedigde, door

mij een slag met een natten vaatdoek te geven. Zij deed mij nog een

tweede beleediging aan. Tot haar plichten behoorde ook, dat zij,

als het noodig was, ons een lavement zette. Het gebeurde eens op een'

morgen, toen ik al niet meer op de vrouwenafdeeling was, maar onder

toezicht stond van Feodor Iwanowitsch. Wij waren opgestaan, de andere

broers waren al gekleed, maar ik had me verlaat en wilde juist mijn

nachthemd voor mijn kleeren gaan verwisselen, toen Praskowa met haar

instrumenten binnentrad. Deze bestonden uit een in een doek gewikkelde

spuit, waarvan alleen het uiterste gele pijpje te zien was, en een

schoteltje met boomolie, waar zij het pijpje mee bevochtigde. Mij

ziende, dacht zij dat ik degene was, voor wie tante de operatie bestemd

had. In werkelijkheid was het Mitjenka, die toevallig of met opzet,

wel wetende dat hem iets wachtte waar wij geen van allen op gesteld

waren, zich vlug had aangekleed en was weggeloopen. En zonder acht

te slaan op mijn heilige verzekeringen dat ik de persoon niet was,

voerde zij de operatie uit.

"Ik hield zoo veel van haar, niet alleen om haar eerlijkheid en

toewijding, maar ook omdat zij met het stukje hars van Otschakoff

voor mij een vertegenwoordigster was van die geheimzinnige wereld

uit den tijd van grootvader.

"Anna Iwanowna leefde stil; tweemaal is zij bij ons in huis geweest;

toen heb ik haar gezien. Men zei, dat zij wel honderd jaar was. Zij

had pikzwarte oogen en één tand. Zij was zoo'n oude vrouw waar kinderen

bang voor worden.

"De bruine Tatjana Filippowna, met haar kleine handjes, was eene jonge

hulp-njanja van Anna Iwanowna, welke laatste ik me bijna niet kan

herinneren, want van het oogenblik af dat ik mij mezelf bewust werd,

zie ik mij steeds met njanja Annoeschka. En daar ik mij mijzelf in dien

tijd bijna niet kan voorstellen, herinner ik me de njanja ook niet.

"Njanja Tatjana kan ik mij nog voorstellen omdat zij njanja bij mijn

nichtjes werd en later ook bij mijn oudsten zoon.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 4 / 32 段