nieuwe werken te koopen, zoolang hij de oude niet had gelezen. Nu,
hij las veel, maar toch kan ik moeielijk aannemen dat hij al die
deelen _Histoire des Croisades_ en _Histoire des Papes_ doorworstelde,
die hij zich aangeschaft had. Voor zoover ik kan nagaan, had hij geen
wetenschappelijke neigingen, doch stond hij op dezelfde hoogte als
alle beschaafde menschen van zijn' tijd. Zooals velen uit den tijd van
Keizer Alexander I en van de veldtochten in 1813, '14, '15, was hij
wel niet wat men tegenwoordig liberaal noemt maar het was eenvoudig
zijn gevoel van eigenwaarde, dat hem verbood een ambt aan te nemen,
zoowel onder Alexander I als onder Nikolaas I. Niet alleen hij zelf,
maar al zijne vrienden waren zoo; ze dienden niemand en lieten
zich zelfs wel eens ongunstig uit over de regeering van Nikolaas
Pawlowitsch. Gedurende mijne kinder- en zelfs mijne jongelingsjaren
hadden wij met niet één ambtenaar intieme betrekkingen aangeknoopt.
"Ik begreep toen nog niet juist waarom, maar ik had opgemerkt dat mijn
vader zich nooit voor iemand vernederde, noch zijn luidruchtigheid of
zijn vroolijk lachende stem temperde. En om dat gevoel van eigenwaarde
hield ik nog meer van mijn vader en steeg mijne bewondering voor hem.
"Ik kan hem mij nog voorstellen in zijne werkkamer. Wij kwamen binnen
om hem goeden dag te wenschen of eenvoudig om bij hem te spelen. Hij
zat met zijne pijp in den mond op den leeren divan, haalde ons aan
en soms--en dat was het heerlijkst van al--mochten wij achter zijn
rug op den divan liggen, terwijl hij las of praatte met den dienaar
die tegen den deurpost stond, of met S .L. Jaziekoff, mijn peetoom,
die dikwijls bij ons logeerde. Ik herinner me dat hij met ons
naar beneden ging en daar iets voor ons teekende, dat ons volmaakt
toescheen. Ook weet ik nog, dat hij mij eens mijn lievelingsvers, dat
ik van buiten kende, _Aan de Zee_ van Poeschkin, ('Vaarwel gij vrije
elementen!') of _Napoleon_ ('Het wonderbare lot heeft zich voltrokken,
vergaan is de groote man!') liet opzeggen. Ik herinner mij, hoe hij
had opgemerkt met hoeveel pathos ik die verzen declameerde, hoe hij
naar mij luisterde en nu en dan veelbeteekenend knikte naar den kant
van Jaziekoff. Ik begreep dat hij iets moois vond in mijn lezen en dat
maakte mij heel gelukkig. Ik herinner mij zijne vroolijke scherts en
vertellingen bij middag- en avondeten, en dat grootmoeder, de tantes
en wij kinderen naar hem luisterden en lachten. Ik herinner mij nog de
reis naar de stad en hoe wondermooi hij er uitzag in zijn overjas en
zijn nauwen pantalon. Maar duidelijker dan alles herinner ik mij hem
als hij met de honden ging jagen. Ik zie nog den uittocht. Dikwijls
heb ik later gedacht, dat Poeschkin hem tot voorbeeld nam in zijn
gedicht _Vertrek voor de jacht van Graaf Noelin_. Ik herinner mij
dat wij met hem gingen wandelen, dat de jonge windhonden tegen ons
opsprongen, dolden op de nog niet afgemaaide weiden, waar het hooge
gras hen streelde en prikte, hoe zij rolden en speelden en om ons
heen dartelden, zoodat hunne staarten op en neer dansten, en hoe zij
weer wegvlogen, en hoe mijn vader zich er kostelijk mee vermaakte.
"Ik herinner mij den dag van het jachtfeest op 1 September. Wij
allen reden op de lineïka [16] naar het dichte bosch, waar een vos
was losgelaten. Ik herinner mij hoe de honden hem najoegen en hem
ergens--wij zagen niet waar--grepen. Ik herinner mij ook nog zeer
duidelijk de kooi van den wolf. Het was juist naast ons huis. Wij
gingen er allen te voet heen. Op een boerenwagen vervoerden ze een
grooten, met touwen gebonden, levend gevangen wolf. Hij lag stil en
wierp nu en dan een loenschen blik maar wie er bij hem kwam. Op eene
open plaats achter onzen tuin trokken zij hem er af, hielden hem met
hooivorken op den grond en maakten zijne touwen los. Hij scheurde en
trok en beet woedend op de ijzers. Men nam de laatste touwen weg en
iemand riep er 'los!' Bevrijd richtte de wolf zich op en stond een
paar seconden stil; men schreeuwde luid, hitste de honden op hem aan,
en wolf, honden, paarden en ruiters vlogen over de velden. De wolf
ontsnapte! Ik herinner mij dat mijn vader iets zeggende en toornig
gesticuleerend naar huis ging.
"Mijn allermooiste herinnering aan hem is die waar hij, met
grootmoeder, naast haar op den divan zittende, patience speelde. Vader
ging met allen beleefd en aardig om, maar met grootmoeder bijna
hartstochtelijk teeder. Grootmoeder, met haar smal gelaat, het mutsje
met linten op het hoofd, placht op den divan te zitten, de kaarten
schuddende of met haar vingertoppen een snuifje nemende uit de gouden
snuifdoos. Naast den divan, in een' leunstoel, zit Petrowna (de vrouw
van den wapensmid) in haar pelsjakje en spint en stoot steeds met haar
spinrokken tegen den muur, waarin zich reeds een deukje heeft gevormd.
"Petrowna was ook koopvrouw. Grootmoeder hield om de een of andere
reden heel veel van haar. Zij kwam dikwijls bij ons op bezoek en zat
dan steeds in den leunstoel, naast grootmoeder die op den divan zat.
"De tantes zitten ook in leuningstoelen en een van haar leest voor. In
een nestje, dat hij zich gemaakt heeft, ook al in een leunstoel,
ligt Milka, mijn vaders gevlekte, dartele lievelingshond, met zijn
mooie zwarte oogen. Wij komen binnen om te groeten en somtijds gaan we
zitten. Grootmoeder en de tantes groeten we altijd met een handkus. Ik
herinner mij, dat eens, midden in 't patience-spel, vader de tantes
een' wenk geeft en, naar den spiegel wijzende, iets fluistert. Wij
allen kijken daarheen.
"Het was Tichon, de officiant, die, wetende dat vader in 't salon was,
naar diens werkkamer ging en tabak nam uit den lederen tabakszak, die
den vorm heeft van eene bloem met saamgevouwen blaadjes. Mijn vader
ziet hem in dien spiegel en kijkt naar de op de teenen voortsluipende
verschijning. De tantes lachen. Grootmoeder, die eerst niets begrijpt,
het dan bemerkt, glimlacht ook. Ik raak in vervoering over de goedheid
van mijn vader, en bij het weggaan kus ik met groote teederheid zijne
witte hand. Ik hield heel veel van mijn' vader, maar wist niet hoe
groot die liefde was, voordat ik hem door den dood had verloren." [17]
Bovenstaande mededeelingen over zijne ouders zijn door Tolstoi zelf
verschaft. Eenige minder belangrijke feiten en historische documenten
willen wij hier nog bijvoegen.
Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, vader van Leo Tolstoi, werd geboren
in 1797. In het archief van de universiteit te Kazan wordt met het
portocol, inhoudende de inschrijving als student van Leo Tolstoi,
het volgend merkwaardig document bewaard: een attestatie voor den
militairen dienst van zijn vader d.d. 29 Jan. 1825.
"Brenger dezes, graaf Nikolaas Ilitsch, zoon van Tolstoi (3de),
volgens geboorte-acte 28 jaar, heeft de orde van den heiligen
Wladimir 4de klasse, van adel, heeft geen lijfeigenen, in dienst
van zijne Keizerlijke Hoogheid als kornet in het 3de Irkoetskische
kozakken-regiment, 11 Juni 1812, waaruit hij overging naar het
Irk.-huzaren-regiment, 18 Aug. 1812; bevorderd wegens verdienste tot
1ste luitenant, 27 April 1813; in dat zelfde regiment staf-ritmeester
7 Oct. 1813; bevorderd met den zelfden titel wegens verdienste
naar een kavallerie-regiment, 6 Aug. 1814, vanwaar als majoor naar
het huzaren-regiment van den Prins van Oranje, 11 Dec. 1817. Wegens
ziekte uit den dienst ontslagen met verhooging tot overste, 14 Maart
1819; aangesteld tot hulp-opzichter aan de oorlogsweezen-afdeeling te
Moskou, 15 December 1821. Gedurende zijn diensttijd nam hij deel aan
verschillende veldtochten en woonde meermalen werkelijke gevechten
bij, was in krijgsgevangenschap tot aan de bezetting van Parijs en
voor zijn verdienste in die gevechten, zooals reeds boven gezegd,
beloond met den titel van 1ste luitenant en ritmeester bij den staf,
en kreeg de orde van den heiligen Wladimir met het lint."
In dat zelfde document zien wij nog, dat graaf N. I. Tolstoi den
dienst verliet wegens huiselijke omstandigheden en overging naar de
oorlogs-weezen-afdeeling, 8 Jan. 1824.
Na den dienst te hebben verlaten, vestigde graaf N. I. Tolstoi zich
te Jasnaja Paljana. Het echtpaar had toen nog slechts één jongen,
den een-jarigen Nikolaas, geboren in 1823. Daarna vermeerderde de
familie zich zeer snel. 17 Febr. 1826 werd hun zoon Sergius geboren,
23 April 1827 Dmitri en 28 Aug. 1828 hun zoon Leo.
Het rustige, stille dorpsleven duurde niet lang. In 1830, bij de
geboorte van hunne dochter Maria, stierf gravin Tolstoi, haar man
met vijf kinderen achterlatende.
Tatjana Alexandrowna Jergolskaja, eene verre bloedverwante, die
groot gebracht was ten huize van Tolstoi's grootvader (reeds vroeger
genoemd), belastte zich met de opvoeding der kinderen.
In de familie Tolstoi bewaart men nog de herinnering aan eene
interessante episode uit het leven van Tolstoi's vader.
In 1813, na de blokkade van Erfurt, werd deze met depêches naar
St.-Petersburg gestuurd. Op die tocht, bij het plaatsje Saint-Obie,
werd hij met zijn' oppasser, een' lijfeigene, gevangen genomen. Deze
wist, zonder dat het werd opgemerkt, het geld van zijn' heer in zijne
laars te bewaren. Gedurende drie maanden kleedde hij zich niet uit,
om het geheim niet prijs te geven, en ondanks eene groote wonde aan
zijn voet klaagde hij nooit over pijn. Zijn heer, Nikolaas Ilitsch,
behoefde, dank zij deze opofferende daad, die hij nooit heeft vergeten,
te Parijs geen gebrek te lijden.
Bij de lezing van deze persoonlijke herinneringen van Tolstoi zal
men begrijpen, dat de personen, als zijne ouders beschreven in zijne
vertelling _Kinderjaren_, niet zijne ouders zijn geweest.
Voor zoover het ons bekend is beschreef hij daar als zijn' vader
een zekeren Al. Mich. Isljeneff, een' vriend en buurman van zijn
werkelijken vader. Zijne moeder in dat boek is eene verdichte
persoon. Het is niet moeilijk te raden, dat in den roman _Oorlog en
Vrede_ in de personen graaf Nikolaas Ilitsch Rostoff en vorstin Maria
Wolkonski de werkelijke ouders van Tolstoi door hem zijn beschreven.
Van graaf Ilia Andrejewitsch tot het pleegkind Sonja beantwoordt
bijna ieder lid van de familie Rostoff aan een type, voorkomende in
de familie-kroniek der Tolstoi's. Even duidelijk te herkennen zijn
ook de eigenaars van Liesig Gor. Daarom zal het lezen van dien roman
eene aanvulling zijn voor hetgeen wij weten van de voorouders van
Leo Tolstoi.
TWEEDE DEEL.
KINDERJAREN, JONGENSJAREN EN JONGELINGSJAREN.
1828-1851.
VIERDE HOOFDSTUK.
KINDERJAREN.
"Ik ben geboren en bracht mijn kinderjaren door te Jasnaja Paljana."
Met deze woorden begint Tolstoi ons zijne herinneringen mede te
deelen. Wij achten het niet overbodig, vóór wij verder gaan, iets
naders te vertellen van dit merkwaardige plekje gronds, dat, zooals
wij allen weten, eene wereldberoemdheid heeft verkregen. Welke gasten
heeft Jasnaja Paljana al niet geherbergd! Bewoners van den Maleischen
Archipel, Australiërs, Japanners, Amerikanen, vluchtelingen uit Siberië
en verder tallooze vertegenwoordigers van alle Europeesche landen
kwamen er, gaven het bekendheid en verspreidden tot in de uiterste
hoeken der aarde, de woorden en gedachten van den grooten grijsaard,
die het bewoont.
Jasnaja Paljana is het stamgoed van de vorsten Wolkonski, gelegen
15 wersten ten zuiden van Toela, bijna op de grens van dat
gouvernement. Dicht bij het landgoed komen drie wegen te samen,
vertegenwoordigende drie verschillende tijdperken. De oude met
gras begroeide Kiefsche weg, de nieuwe Kiefsche chaussée en de
Moskou-spoorbaan. Tolstoi's huis, staande in eene schoone heuvelachtige
streek, die van 't Oosten naar 't Westen door een prachtig bosch in
twee deelen wordt gescheiden, ligt drie en een half uur verwijderd
van het naaste station. Deze landstreek draagt den naam Zasjeka,
die ons wijst op die tijden, toen de Slavische bevolking voor de
invallen van de Krim-Tartaren en andere Mongoolsche volken moest
terugwijken. Om zich tegen die vijandelijke horden te beschermen,
wierp zij versperringen op, gemaakt van boomen, die men eerst moest
omkappen (zasjektj), vandaar de naam Zasjeka.
Het huis waar Leo Tolstoi werd geboren staat niet meer te Jasnaja
Paljana. Het werd het eerst bewoond door zijn' grootvader, daarna
door zijn' vader, ten slotte verkocht aan een buurman Gorochoff en
verplaatst naar het dorp Dolgom, op 30 wersten afstand van Jasnaja
Paljana. Tolstoi had namelijk omstreeks 1850 veel geld noodig en gaf
daarom een van zijn familieleden last het te verkoopen. 't Groote
heerenhuis, met zijn pilaren en balcons, werd voor eene betrekkelijk
geringe som, 5000 roebel, verkocht. Uit een' brief van Tolstoi aan
zijn' broer blijkt, dat het hem zwaar viel tot den verkoop over te
gaan, maar dat hij het geld noodig had. Het huis staat nu in het
dorpje Dolgom, verlaten met gebroken ruiten. De twee nu bestaande
Jasnaja-Paljanische huizen zijn opgetrokken uit de twee vleugels,
die vroeger naast het groote, thans verkochte, huis stonden. De plek
waar dit vroeger stond is gedeeltelijk met boomen beplant. Verder
wordt er croquet gespeeld, terwijl de overblijvende ruimte gebruikt
wordt om er bij mooi weer 's middags te eten.
Vóór de huizen bevinden zich tegenwoordig bloemperken, er achter
een groote tuin met vijver en een lindenallée, wier boomen reeds
honderden jaren oud zijn. Het geheel wordt omringd door eene gracht met
wallen. Bij den ingang staan twee witgeverfde baksteenen torens, waar,
volgens zeggen van oude lieden, vroeger eene wacht was geplaatst. Langs
dezen toren bereikt men het huis door eene berkenlaan, het zoogenaamde
"prospekt".
Achter den ouden tuin bevindt zich nog een boomgaard met vruchtboomen,
die onder Tolstoi's persoonlijke leiding zijn geplant. De geheele
aanplanting, gelegen tegen een' heuvel, wordt door het dichte groen
aan ons oog onttrokken.
Van de geboorte van Leo Tolstoi weten we helaas geen andere
bijzonderheden, dan die, welke Zagoskin ons heeft verstrekt.
"In het jaar 1828, den 28sten Augustus, werd graaf N. I. Tolstoi te
Jasnaja Paljana een zoon, Leo, geboren. Hij werd 29 Aug. gedoopt door
den geestelijke Wassiliï Mosjaïski, met den diaken Archip. Iwanowitsch,
den dijatschek Alexander Feodorowitsch en den ponomar Feodor
Grigorjewitsch. De landeigenaar Sjemon J. Jaziekoff en gravin Pelageja
Tolstaja waren peter en meter."
Dat is alles wat wij van Tolstoi's geboorte vernemen. Van zijn prilste
jeugd weten wij reeds veel interessante bijzonderheden. Zelden kan
een schrijver beschikken over de eerste autobiographische gegevens van
de persoon, die hij wil beschrijven. In zijne _Eerste Herinneringen_
beschrijft Tolstoi zijne vroegste gewaarwordingen, de vage indrukken
van zijn eerste levensjaar.
Wij geven deze herinneringen onveranderd, geheel zooals ze zijn
neergeschreven.
"Ziehier mijne vroegste herinneringen, die ik niet in geregelde orde
op elkaar kan laten volgen, omdat ik niet weet, wat eerst of wat later
gebeurde. Van enkele weet ik zelfs niet of zij de werkelijkheid of
slechts droomen weergeven.
"Ik lig vastgebonden. Ik wil mijne armen uitslaan en ik kan
het niet. Ik schreeuw en ween en dat schreeuwen doet mij zelf
onaangenaam aan, maar ik kan het niet laten. Iemand heeft zich
over mij heengebogen, ik herinner me niet wie, en alles is als in
schemering gehuld. Ik herinner mij, dat er twee menschen stonden;
mijne kreten maken indruk op hen, zij maken zich ongerust over mijn
huilen, maar ze maken mijne banden niet los. En dat wilde ik toch
en ik ga nog harder schreien. Zij denken dat het noodig is (dat
wil zeggen, dat ik gebonden blijf), terwijl ik weet dat het niet
zoo behoeft te zijn. Ik wil het hun bewijzen. Ik stoot een gil uit,
waar ik zelf van gruw, maar ik kan het niet laten. Ik voel dat niet
de menschen onrechtvaardig en slecht voor mij zijn, maar het is het
noodlot en ik heb medelijden met mij zelf. Ik weet niet en ik zal
het nooit te weten komen wat dit is geweest. Bonden zij mij vast
toen ik nog een bakerkindje was en wilde ik mijne armen vrij hebben,
of bonden zij mij, toen ik reeds meer dan een jaar was, opdat ik een
uitslag niet zou openkrabben? Verzamelde ik in deze ééne herinnering
meer indrukken, zooals dat veel in droomen geschiedt? Zeker is het,
dat deze de eerste en heftigste gewaarwording in mijn leven is. Het
is niet de herinnering aan mijne kreten, mijne kwellingen, die zich
aan mij opdringt, maar aan de verwikkelingen, de tegenstrijdigheden
van het leven. Ik wilde vrij zijn, niemand zou er door lijden, en ik,
die sterk moest zijn, ben zwak en zij zijn sterk.
"Een andere, vroolijke indruk. Ik zit in eene tobbe en mij omringt
een nieuwe, aangename geur van een of ander iets, waarmee men
mijn klein lichaampje inwrijft. Waarschijnlijk was het een poeder,
misschien in het water in de tobbe, maar de indruk van het poeder
heeft mij wakker geschud. Voor het eerst zag ik en ging ik houden
van mijn lichaampje met de kleine ribben, werd ik de donkerkleurige
gladde tobbe gewaar, de opgestroopte mouwen van de njanja, het warme
dampende water, het geplas, en vooral het gevoel van de natte randen
van de tobbe, als ik er met mijn handjes aan kom.--Het is vreemd en
angstig te bedenken, dat ik mij, behalve deze twee, niet één indruk
kan herinneren van mijn geboorte tot aan mijn derde jaar; van dien
tijd af, dat men mij voedde aan de borst, mij speende, dat ik begon
te kruipen, te loopen en te spreken. Wanneer toch ontwaakte mijn
bewustzijn? Wanneer begin ik te leven en waarom verheugt het mij,
als ik mij het verleden kan herinneren, en waarom beangstigt het mij
(en met mij vele anderen), mij te verplaatsen in dien toestand van
vergetelheid waarvan geen herinnering blijft die zich door woorden
laat vertolken? Leefde ik dan niet in dien tijd toen ik leerde zien,
hooren, begrijpen, praten, toen ik sliep, toen men mij voedde aan
de borst en ik die kuste, toen ik lachte en mijne moeder vreugde
schonk? Ik leefde en mijn leven was gezegend. Verwierf ik dan niet in
die dagen alles waarmee ik nu leef, en verkreeg ik niet zoo snel zoo
veel, dat in 't geheele verdere leven niet een honderdste gedeelte
daarvan verworven werd? Van den vijfjarigen knaap tot den man, die
ik nu ben,--is slechts een schrede. Van de geboorte tot het vijfde
jaar--een ontzettende afstand. Tusschen de geboorte en de kiem ligt
een afgrond. Tusschen het niet-zijn en de kiem ligt niet slechts een
afgrond maar het mysterie. Ruimte, tijd en oorzaak zijn vormen der
gedachten; ons leven staat daar buiten; en toch is ons geheele leven
een meer en meer volkomen onderwerping aan die vormen en later weer
een vrijmaking er van.
"Mijne volgende herinneringen hebben betrekking op den tijd, toen ik
reeds vier of vijf jaar was. 't Zijn er nog maar weinige en zij bepalen
zich uitsluitend tot hetgeen binnen de vier muren gebeurde. Tot aan
mijn vijfde jaar bestond de natuur niet voor mij en al wat ik mij
herinner valt voor in de kamer of in mijn bedje.
"Er bestaan voor mij geen gras, geen bladeren, geen hemel, geen
zon. Het is niet aan te nemen dat men mij nooit bloemen of bladeren
gaf om mee te spelen, dat ik het gras nooit zag, of men mij nooit
beschutte tegen de zon. Toch heb ik tot mijn vijfde of zesde jaar
geen herinnering aan datgene wat wij de natuur noemen. Misschien
ook moet men zich eerst van haar verwijderen om haar te leeren zien,
en ik was immers zelf natuur.
"De herinnering, die op de tobbe volgt, is die aan 'Jerjemjejewna',
het woord waarmee men ons als kinderen bang maakte. Ik lig in mijn
bedje en ben vroolijk en opgeruimd, zooals altijd. Ik zou mij ook niets
hebben herinnerd, als niet plotseling de njanja, of iemand anders,
die voor mij het leven vertegenwoordigde, iets met een vreemde stem
gezegd had en was weggegaan. Ik word vroolijk en angstig tegelijk. Ik
herinner mij, dat ik niet alleen was, maar dat er nog iemand was
zooals ik. (Waarschijnlijk was het mijn zusje Maschenka, wier bedje
op dezelfde kamer stond.) Ik herinner mij dat er een gordijn om mijn
bedje hangt en mijn zusje en ik, wij verheugen ons en hebben toch ook
angst voor het vreemde, dat er om ons is. Ik verstop mijn hoofd in
het kussen en gluur toch naar de deur en verwacht van dien kant iets
vreemds en prettigs en ben toch angstig. Wij lachen en wij kruipen
weg en wij wachten. En daar komt iemand in een kleed en met een muts
zooals ik nog nooit heb gezien, maar ik voel dat het iemand is, die
zich altijd in onze omgeving bevindt (de njanja of tante, dat weet
ik niet), en die iemand zegt met eene bromstem iets vreeselijks van
stoute kinderen en van Jerjemjejewna. Ik schreeuw van angstig genot,
ik word bang en verheug me dat ik angst heb, en ik wil niet dat zij
die mij angstig maakt weet dat ik haar herken.
"Wij worden stil en zwijgen, maar gaan dan weer met elkaar fluisteren,
in de hoop Jerjemjejewna nog eens weer te zien verschijnen.
"In mijn geheugen hangt nog eene herinnering, waarschijnlijk van
lateren datum, want zij is helderder maar toch altijd onbegrijpelijk
voor mij gebleven. De hoofdrol speelt onze Duitsche onderwijzer Feodor
Iwanowitsch. Ik weet heel zeker, dat ik nog niet onder zijn toezicht
stond, dus moet het zijn gebeurd voordat ik vijf jaar was. Het is de
eerste maal dat hij in mijne herinnering voorkomt, en ik moet nog
heel jong geweest zijn, daar ik mij niemand, vader, noch broeder,
noch iemand anders kan voorstellen. Zoo ik één herinnering heb, dan is
't die aan mijn zusje, en dat komt dan door onzen gemeenschappelijken
angst voor Jerjemjejewna.
"Met de herinnering aan Feodor Iwanowitsch verbindt zich tevens de
indruk, dat wij eene tweede verdieping op ons huis hebben. Hoe ik
er kwam, of ik er heen liep of dat men mij er heen droeg, dat kan ik
mij niet meer te binnen brengen, maar ik weet dat wij met velen zijn,
wij draaien in een kring en houden elkaar bij de hand. Ik weet ook,
dat er vreemde vrouwen bij zijn en ik denk (waarom weet ik niet), dat
het waschvrouwen zijn. Wij loopen in het rond en springen en huppelen
en Feodor Iwanowitsch springt ook mee en werpt zijn beenen te hoog
in de lucht en maakt te veel leven, en op dat zelfde oogenblik voel
ik, dat wat hij doet niet goed, dat het verdorven is; ik begin hem
plotseling te zien; ik geloof dat ik ging weenen, en--het is uit."
Hier moeten we een geschiedenis inlasschen van Maria Nikolajewna,
het zusje van Tolstoi.
"Wij sliepen met ons drieën op één kamer: ik, Lewotschka (Leo) en
Doenjetschka [18]. Wij speelden altijd samen en vormden een heel
afzonderlijk groepje, afgescheiden van de andere broers, die altijd
met hun' gouverneur beneden waren.
"Het liefst van alles speelden wij 'Milaschka' (lieveling). Een van
ons drieën stelde Milaschka voor, d.w.z. het kind dat door allen
vertroeteld wordt. Men legt het te slapen, voedt het, verpleegt het,
in één woord: houdt er zich voortdurend mee bezig. Milaschka moet
volgens de regelen van het spel zich blijmoedig onderwerpen aan alles
wat men met hem doet en zonder morren zijne rol vervullen.
"Ik herinner mij eens het verdriet en de ellende toen onze Milaschka
(meestal was dat Leo) door het langdurig schommelen werkelijk in
slaap was gevallen. Volgens het programma had hij moeten huilen,
dan zou men hem medicijnen geven, hem wrijven enz... De slaap echter
maakte plotseling een einde aan ons spel, en bracht ons uit het rijk
der verbeelding tot de werkelijkheid terug".