"Waarschijnlijk was hij zeer aesthetisch aangelegd. De huisjes,

door hem gebouwd, waren eenvoudig, gemakkelijk en daarbij zeer mooi,

evenals het door hem aangelegde park vóor het huis. Van muziek scheen

hij zeer veel te houden, want alleen voor zich en zijn vrouw hield hij

er een klein maar goed orkest op na. Ik heb nog den reuzenboom in de

lindenlaan gezien, dien dikken boom, door drie personen nauwelijks te

omspannen, waarom banken en lessenaars voor de muzikanten stonden. Hij

wandelde 's morgens de lindenallée op en neer en luisterde naar de

muziek. Van de jacht hield hij niet, maar wel van bloemen en planten.

"Het noodlot bracht mijn' grootvader op een eigenaardige wijze weer

samen met diezelfde Warjenka Engelhardt, die zijne carrière had

gebroken. Zij was n.l. getrouwd met vorst Sergius Feodorowitsch

Galitzin, die daarvoor allerlei ambten, orden en gunsten had

ontvangen. Er ontstond zulk eene intieme verhouding tusschen mijn

grootvader en dien zelfden Sergius Feodorowitsch en zijne familie,

dus ook met zijne vrouw, dat mijne moeder, toen ze nog heel jong was,

reeds aan een van de tien zoons van Galitzin werd toegezegd.

"Verder schonken de beide vorsten elkaar portretten uit hunne galerij,

natuurlijk niet de oorspronkelijke, maar de copieën, geschilderd

door hunne lijfeigenen, waaronder zich schilders bevonden. In

ons huis bevinden zich nog al die portretten, o.a. een van Sergius

Feodorowitsch, met het lint van Andrejew, en van Warwara Wasilewnaja,

ook met eene ridderorde.

"Het stond echter geschreven dat de twee families niet nauwer met

elkaar zouden worden verbonden. Leo Galitzin, de bruidegom mijner

moeder, stierf nog vóór het huwelijk" [10].

Den stamboom der vorsten Wolkonski overziende, valt mijn blik op eene

interessante verschijning, n.l. op Warwara Alexandrowna Wolkonskaja

(eene nicht van Tolstoi's moeder), die heel veel gebeurtenissen ten

zijnen huize heeft bijgewoond.

Deze vorstin (dochter van vorst Alexander Serghejewitsch, dus een

nicht van den grootvader van Leo Tolstoi); bleef na haar moeders dood

dikwijls geruimen tijd met haar vader bij diens broeder Nikolaas

Serghejewitsch. Hier ontmoette zij verschillende personen, door

Tolstoi beschreven in zijn' roman _Oorlog en Vrede_.

Tot in hoogen ouderdom bleef de herinnering aan die personen en

gebeurtenissen haar levendig bij.

Ouder geworden verhuisde zij naar het dichtbij gelegen dorpje

Sogaljewo, eene vroegere bezitting van hare ouders. Daar richtte zij

zich vlak naast de kerk een huisje in, waar zij woonde met een paar

oude, getrouwe vrouwelijke gedienstigen, die haar niet wilden verlaten,

en met wie zij, den roman _Oorlog en Vrede_ lezende en herlezende,

oude herinneringen ophaalde. Bijna door iedereen elders vergeten,

genoot zij de achting en vereering der dorpelingen.

Aan iemand, die in 1876 toevallig eens bij haar kwam, vertelde zij

met innig genoegen, dat de boeren uit den omtrek, die toch reeds

lang waren verkocht en al in de derde hand waren overgegaan, haar op

haar 90sten verjaardag een zak met meel en een zilveren roebel ten

geschenke hadden gebracht, en van de boerinnen kreeg zij een roebel,

kippen, linnen, enz. Zij vertelde dit niet alleen met een gevoel

van dankbaarheid maar ook van trots, als een bewijs van de goede

herinnering, door haar ouders achtergelaten.

"Ik maakte kennis met die nicht van mijne moeder, dat goede oudje,

toen ik in 't jaar '50 in Moskou woonde. Vermoeid door het drukke

wereldsche leven, dat ik daar leidde, zocht ik haar en haar landgoed

op, en bleef er eenige weken. Zij bestuurde haar huishouding, borduurde

een weinig, en zette mij zuurkool, pastila [11] en twarok [12] voor,

zooals dat gaat op die kleine buitentjes. Onderwijl spraken wij over

den ouden tijd en vertelde ze mij van mijn' grootvader, van mijne

moeder, van de drie kroningen die zij had bijgewoond en schreef ik

mijn' roman _Drie dooden_. Die weken, bij haar doorgebracht, vormen

een van de reinste en mooiste herinneringen van mijn leven" [13].

Nu rest ons nog één persoon uit het geslacht der Wolkonski's, die,

hoewel niet in de rechte lijn, toch met Tolstoi verwant is, n.l. vorst

Sergius Grigorjewitsch Wolkonski, een dekabrist. Hij was een achterneef

van Tolstoi's moeder, kleinzoon van Semjon Feodorowitsch Wolkonski

en broeder van vorst Sergius Feodorowitsch van wien wij reeds boven

gesproken hebben.

Vorst Sergius Feod. Wolkonski werd geboren in 1788. Hij werd lid van

een geheim genootschap, en werd wegens deelneming aan het complot

der Dekabristen naar Oost-Siberië verbannen, waar hij 30 jaren

bleef. De eerste jaren moest hij, steeds geketend, werken bij den

vestingbouw; daarna kreeg hij meer vrijheid, maar bleef steeds onder

politietoezicht. De reis en aankomst van zijne vrouw, vorstin Maria

Nikolajewna, is bezongen in 't bekende gedicht van Njekrasoff.

Zijn broer Nikolaas Grigorjewitsch nam in 1801, op bevel van Keizer

Alexander I, den naam Rjennin aan. Rjennin was de familienaam van

zijn' grootvader van moederszijde, wiens geslacht was uitgestorven. In

de Keizerlijke oekase kan men lezen, dat de Rjennins het vaderland

steeds zoo roemvol dienden, dat hun naam niet mocht uitsterven,

maar een levende herinnering moest blijven voor den Russischen

adel. Vorst Nikolaas Grigorjewitsch nam deel aan de veldtochten

tegen Napoleon en alle toenmalige vaderlandsche oorlogen. Na den

slag bij Austerlitz kreeg hij de orde van den Heiligen Gregorius

4de klasse. In dien veldslag maakte hij als escadrons-commandant den

beroemden cavallerie-aanval mee, waarbij hij door een kogel aan het

hoofd werd gewond en zijn bewustzijn verloor. De Franschen vonden hem

op het slagveld en brachten hem naar het veldhospitaal. Napoleon, die

dit den volgenden dag hoorde, liet hem bij zich brengen en bood, uit

achting voor zijne dapperheid, niet alleen hem, maar allen officieren

die onder zijn commando stonden de vrijheid aan, op voorwaarde dat

zij gedurende twee jaren niet meer aan den oorlog zouden deelnemen.

Nikolaas Grigorjewitsch antwoordde, onder dankzegging, dat hij gezworen

had zijn vaderland te dienen tot den laatsten druppel bloeds en daarom

het aanbod moest afslaan.

Kort daarna teruggekeerd uit de krijgsgevangenschap, werd hij wegens

zijne verwonding uit den dienst ontslagen.

In de Roeskaja Starina van 1890 komt een brief voor, gericht aan

Mich. Daniljewski, waarin vorst Rjennin uitvoerig deze episode heeft

beschreven. Het eerste gedeelte van het gesprek met Napoleon komt

ook woordelijk voor in den roman _Oorlog en Vrede_.

DERDE HOOFDSTUK.

DE OUDERS VAN LEO TOLSTOI.

Tolstoi houdt zich in dit hoofdstuk geheel aan de chronologische

volgorde, in dien zin, dat hij begint met de vage herinneringen

aan zijne moeder, hoofdzakelijk bestaande in verhalen die vrienden

en bloedverwanten hem van haar deden, om dan over te gaan tot de

gebeurtenissen van latere dagen, betreffende zijn vader en zijne tante,

die hem duidelijk voor den geest staan.

Om zijn werk de oorsponkelijke gedaante te laten behouden, hebben

wij zoo weinig mogelijk veranderingen in deze opeenvolging gemaakt,

maar alleen het verhaal van zijn' grootvader Wolkonski er uitgelicht,

om het onder het hoofdstuk te plaatsen, dat zijn voorouders van

moederszijde behandelt [14].

"Mijne moeder kan ik mij in 't geheel niet meer herinneren. Zij

stierf toen ik anderhalf jaar oud was, en daar er door een vreemd

toeval niet één portret van haar meer bestaat, weet ik niet hoe zij

er heeft uitgezien.

"Gedeeltelijk verheugt mij dit, omdat ik nu alleen haar geestelijk

beeld voor oogen heb. Alles wat ik van haar weet is goed en mooi,

en ik geloof dat men mij niet slechts veel goeds van haar vertelde,

maar dat zij ook waarlijk goed was. Overigens, niet alleen mijn

moeder, maar alle personen die mij in mijne kinderjaren omringden,

van mijn vader af tot aan den koetsier, stel ik mij voor als goede

menschen. Waarschijnlijk was het mijn jong, rein liefhebbend hart,

dat mij in iedereen de goede eigenschappen deed ontdekken, en zeker

is het, dat ik de waarheid meer nabij was, toen alle menschen mij

goed toeschenen, dan toen ik alleen hunne feilen zag.

"Mijne moeder was niet mooi, maar zeer ontwikkeld voor haar tijd. Zij

kende behalve Russisch, dat zij, in tegenstelling met de toen

heerschende gebrekkige kennis der spraakkunst, zeer goed schreef,

vier talen: Fransch, Duitsch, Engelsch en Italiaansch, moet veel

kunstzin gehad hebben en volgens tijdgenooten, die mij dat zeiden, een

kunstenares zijn geweest in het verhalen van boeiende sprookjes, die

zij dichtte onder 't vertellen. Zij kon--en dat was wel haar schoonste

eigenschap--, hoewel zeer driftig volgens zeggen der bedienden, zich

steeds bedwingen. Het bloed steeg haar dan plotseling naar 't gelaat,

zelfs barstte zij wel eens in tranen uit, maar ruwe woorden zei ze

nooit. Hoe zou zij ook? Die kende zij niet eens.

"In mijn bezit zijn nog eenige van hare brieven, aan mijn' vader,

aan mijne tante en ook een dagboek, bevattende een verslag van het

doen en laten van Nikoljenka, mijn oudsten broer, die zes jaar was

toen zij stierf en die het meest van allen op haar geleek. Beiden

hadden een eigenschap gemeen, die mij zeer lief is, namelijk hunne

onverschilligheid tegenover alles 'wat de menschen van hen zeiden,'

en de bescheidenheid waarmede zij trachtten hunne goede hoedanigheden

te verbergen. Van mijn' broer, die, zooals Toerghenjeff eens zeer

terecht opmerkte, die gebreken miste, welke een goed schrijver eigen

moeten zijn, heb ik het dikwijls zelf kunnen opmerken, van mijne

moeder kwam ik het te weten uit hare brieven. Zoo herinner ik mij dat

wij eens jaagden in gezelschap van een dommen, slechten jongen man,

den adjudant van den gouverneur, die zich tegenover mij over hem

vroolijk maakte. Mijn broer, die dit bemerkte, glimlachte goedmoedig

en had er zelf pleizier in.

"Die zelfde trekken vond ik terug in de brieven van mijne moeder. Zij

stond klaarblijkelijk veel hooger dan mijn vader en zijne familie,

behalve een zekere Tatjana Alex. Jergolskaja, eene moreel zeer hoog

staande vrouw, in wier nabijheid ik mijn halve leven doorbracht.

"Nog een gemeenschappelijke trek van mijne moeder en mijn' broer,

waaruit waarschijnlijk hunne onverschilligheid voor 't oordeel

der menschen voortvloeide, bestond daarin, dat zij nooit iemand

veroordeelden.

"Dezen karaktertrek van moeder leerde ik kennen uit hare brieven en

hoorde ik vertellen door menschen, die haar goed hebben gekend. Wat

mijn' broer betreft, met wien ik heel lang samen bleef, in hem had

ik dikwijls gelegenheid het op te merken. Kwam het voor, dat hij

iets tegen iemand had, dan gaf hij dat te kennen door fijnen humor

en een lachje.

"In de _Levensbeschrijving_ van Dmitri Rostowski is een geschiedenis,

die mij altijd bijzonder heeft getroffen.

"Een oude monnik had eens een heel vreemden droom. Hij zag een anderen

monnik, die, even als zijne broeders, zeer veel gebreken had, niet

slechts in 't paradijs, maar daar zelfs op de allereerste plaats. Op

zijn verbaasde vraag, waarom deze monnik, die toch op aarde lang

niet alles had verzaakt, zulk eene belooning ontving, kreeg hij ten

antwoord: 'hij oordeelde nooit iemand.'

"Wanneer er zulk eene belooning bestond, dan zouden mijne moeder en

mijn broer die zeker bekomen.

"Een derde karaktertrek van mijne moeder was haar zin voor waarheid

en eenvoudigheid in hare brieven.

"In dien tijd was het eene gewoonte om in brieven zeer overdreven

uitdrukkingen te gebruiken, b.v. waren 'onvergelijkelijke, aangebedene,

vreugde van mijn leven, ontschatbare,' en dergelijke meer gekunstelde

dan ware uitdrukkingen zeer gangbare titels onder menschen die elkaar

intiem kenden.

"Deze gewoonte, hoewel niet zoo overdreven, vind ik ook in de brieven

van mijn' vader. Hij schrijft: '_ma bien douce amie, je ne pense

qu'au bonheur d'être auprès de tot_.' 't Is nog de vraag, of dat

geheel waar was! Mijne moeder schrijft altijd denzelfden aanhef:

'_mon bon ami_', en in een van hare brieven zegt ze ronduit: '_le

temps me parait long sans toi, quoiqu'à dire vrai nous ne jouissons pas

beaucoup de ta société quand tu es ici_', en zij onderteekende altijd:

'_ta devouée Marie_.'

"Mijne moeder bracht hare jeugd gedeeltelijk door in Moskou,

gedeeltelijk buiten bij mijn' grootvader Wolkonski, een verstandig

begaafd en trotsch man. Men heeft mij verteld dat mijn moedertje heel

veel van ons hield en mij '_mon petit Benjamin_' noemde.

"Ik denk dat de liefde voor haren gestorven bruidegom, juist omdat

zij met den dood eindigde, die poëtische liefde was, waaraan een

meisje zich maar eenmaal in haar leven overgeeft.

"Het huwelijk van mijn vader was het werk van zijne ouders en hare

bloedverwanten. Zij was rijk, niet meer in de eerste jeugd en een

wees. Mijn vader was een vroolijke, schitterende jonge man met een

klinkenden naam, goede relaties, maar het familiegoed was door het

slechte beheer van mijn grootvader zóó met schulden beladen, dat mijn

vader het als erfenis niet aanvaardde. Ik denk dat mijne moeder mijn'

vader lief had als haar echtgenoot, en hoofdzakelijk als vader van hare

kinderen, maar dat ze niet verliefd op hem was. Zij koesterde drie of

vier groote genegenheden. Ten eerste de liefde tot haren gestorven

bruidegom, vervolgens eene hartstochtelijke vriendschap voor eene

zekere melle Enisienne, eene Française, welke vriendschap echter,

zooals ik van de tantes hoorde, met eene ontnuchtering eindigde. Die

melle Enisienne trouwde met vorst Michael Alexander Wolkonski, een'

neef van mijne moeder.

"Over die vriendschap zegt zij, schrijvende over twee jonge meisjes,

die bij haar in huis zijn: [15]

"'Ik kan het zeer goed met beiden vinden, met de eene musiceer ik,

lach ik en ben ik uitgelaten of sentimenteel, met de andere spreek ik,

lichtzinnig, kwaad van de wereld; beiden houden dol van mij en ik ben

de vertrouwde van elk van beiden; ik verzoen ze wanneer zij oneenigheid

hebben, want nooit zag men een vriendschap waarbij zoo gekibbeld werd

en van zoo vreemden aard als de hare: 't is eene opeenvolging van

pruilerij en tranen, verzoeningen, beleedigingen, en dan weer hevige

vlagen van vriendschap; kortom ik zie er de overdreven en romantische

vriendschap in weerspiegeld, die gedurende eenige jaren mijn leven

beurtelings heeft opgevroolijkt en verduisterd. Ik zie haar aan met

een onbeschrijfelijke gewaarwording; soms benijd ik haar de illusies,

die ik niet meer heb, maar welker streeling ik ken, en zeg ik ronduit:

"weegt het degelijke en echte geluk van den rijperen leeftijd wel

op tegen de bekorende illusies der jeugd, waarbij de kracht der

verbeelding alles mooi doet schijnen?" En dan weer glimlach ik om

haar kinderachtigheid.'

"De derde, en misschien de hechtste genegenheid was de liefde voor

mijn oudsten broer Koko. Zij hield een dagboek bij, in 't Russisch

geschreven, waarin zij al diens kleine gebreken opschreef, die ze

hem dan later voorlas. Daaruit spreekt haar innige wensch om alles

te doen wat in haar vermogen was voor de goede opvoeding van haren

Koko, maar tevens is het een bewijs, dat zij niet heel goed wist wat

daarvoor noodig was.

"Zoo onderhield zij hem er o.a. over, dat hij te teergevoelig was

en weende bij het zien van het lijden van een dier. Naar haar begrip

moest een man hard zijn.

"Eene andere fout, die zij trachtte te verbeteren, was zijne

verstrooidheid, zoodat hij b.v. inplaats van _bonsoir_ of _bonjour_,

'_je vous remercie_' tegen zijne grootmoeder zeide.

"Het vierde sterke gevoel was, volgens mijne tantes (en ik hoop dat

het waar is), haar liefde voor mij, waardoor hare genegenheid voor

Koko een weinig verminderde, die, toen ik geboren werd, van mijne

moeder werd weggenomen om onder mannelijke leiding te komen. Mijne

moeder was iemand die liefde moest geven, en deze van den een op den

ander overdroeg.

"Zoo dus stelde ik mij het innerlijke leven van mijne moeder voor. Zij

scheen mij zoo hoog, zoo rein, zoo bovenaardsch, dat ik mij dikwijls

tot haar wendde in die uren van mijn leven, waarin de verzoeking mij te

sterk dreigde te worden en booze hartstochten mij overweldigden. Dan

riep ik haar geest aan, en bad tot haar, en dat gebed werd dikwijls

verhoord.

"Het leven van mijne moeder te midden van mijn vaders familie was

volgens hare brieven en naar men vertelde, zeer gelukkig.

"Vaders familie bestond uit grootmoeder (vaders moeder), haar

dochter, mijne tante, gravin Ilin. Osten-Sacken met haar pleegkind

Paschenka, eene andere tante, ten minste wij noemden haar zoo,

Tatjana Alex. Jergolskaja, die opgevoed was in het huis van mijn'

grootvader, maar verder haar heele leven bij ons heeft gewoond, en

dan nog den gouverneur Feodor Iwan. Rjessel, door mij in mijn boek

_Kinderjaren_ beschreven.

"Wij waren met ons vijven kinderen: Nikolaas, Sergius, Dmitri, ik en

de jongste, onze zuster Maria, bij wier geboorte moeder stierf. Het

korte negenjarige huwelijksleven van mijne moeder was gelukkig en

goed. De liefde had haar leven gevuld en mooi gemaakt, de liefde van

haar voor ons allen--van ons allen voor haar.

"Te oordeelen naar hare brieven, leefde zij heel eenzaam. Niemand,

behalve een zeer intieme kennis, Ogarjewitsch, en een bloedverwant

die toevallig eens over den dorpsweg reed en ons wilde opzoeken,

kwam bij ons op Jasnaja Paljana.

"Mijne moeder gaf haar leven aan haar kinderen, las grootmoeder

's avond wat voor, nam voor zich zelf meer ernstige lectuur, als

Rousseau's _Emile_, en sprak over het gelezene; zij speelde piano,

gaf een van mijn tantes Italiaansche les, ging wandelen en verzorgde

haar huishouding. In iedere familie komt een tijd, dat er geen

ziekte heerscht of dood en allen rustig voortleven. Zulk een tijd,

geloof ik, beleefde mijne moeder gedurende haar huwelijk. Er werd

niemand ziek, niemand stierf en de verwarde zaken van mijn vader

kwamen weer terecht. Allen waren gezond, welgemoed en prettig onder

elkaar. Vader vroolijkte ons allen op met zijn aardige verhalen. Ik

beleefde dien tijd niet. Toen ik begon te begrijpen, was mijne moeder

reeds gestorven en had de dood zijn' stempel op onze familie gedrukt.

"Alles wat ik hier verteld heb weet ik uit brieven en door verhalen

van anderen. Nu begin ik te beschrijven wat ik zelf beleefd heb en

waarvan ik zelf nog heugenis heb. Ik zal het niet hebben over die

wazige, vage herinneringen uit mijn prilste jeugd, toen ik nog te

klein was om waarheid van droomen te kunnen onderscheiden. Ik begin

dus met wat mij uit mijne omgeving van die eerste jaren duidelijk voor

den geest staat. De eerste plaats wordt ingenomen door mijn vader,

hoewel hij niet zoo'n grooten invloed op mijn leven uitoefende en ik

niet het meest van hem hield.

"Mijn vader werd heel jong eenige zoon, daar een jongere broeder door

een val gebrekkig werd en spoedig stierf. In 1812, toen hij zeventien

jaar was, ging hij, ondanks den angst en 't verdriet van zijne ouders,

in dienst. Vorst Nikolaas Iw. Gortschakoff, een bloedverwant van

mijne moeder, was in dien tijd minister van oorlog. Deze had een'

broer Andreï Iw., generaal bij het staande leger, aan wien mijn

vader als adjudant werd toegevoegd. Hij nam deel aan den veldtocht

van 1813/14, werd in het eerste jaar ergens in Duitschland, waar hij

als koerier werd heengezonden, door de Franschen gevangen genomen, en

eerst ontslagen in 1815, toen de onzen in Parijs kwamen. Mijn vader

was op zijn twintigste jaar al niet meer wat men een onschuldigen

jongeling noemt. Reeds vóor zijn intrede in het leger, ongeveer op

zijn zestiende jaar, werd hij door zijne ouders, volgens de begrippen

over gezondheid van die dagen, met een dienstmeisje in aanraking

gebracht. Hieruit werd een zoon geboren, dien men later postiljon

maakte. Zoolang mijn vader leefde paste die zoon goed op, maar na diens

dood kwam hij op verkeerde wegen en wendde zich dikwijls tot ons, zijne

volwassen broers, om hulp. Ik kan mij nog heel goed het vreemde gevoel

herinneren, dat mij bekroop, toen deze tot armoede vervallen oudere

broer, die meer dan een van ons allen op mijn' vader geleek, bij ons

om hulp kwam, en dankbaar was voor iedere 15 roebel, die wij hem gaven.

"Teleurgesteld door den krijgsdienst nam vader zijn ontslag en

kwam te Kazan, waar mijn grootvader, toen reeds geheel geruïneerd,

gouverneur was. Ook bevond zich daar de zuster van mijn' vader,

die getrouwd was met Joeschkoff.

"Mijn grootvader stierf al spoedig en mijn vader bleef achter met eene

erfenis, die door de schulden werd overtroffen, en met de zorg voor

zijne aan weelde gewende moeder, zuster en nicht. In dien tijd bracht

men het huwelijk tot stand met mijne moeder en verhuisde hij naar

Jasnaja Paljana. Negen jaren woonden zij daar; toen werd hij weduwnaar,

en van dien tijd af aan begint hij in mijne herinnering te leven.

"Mijn vader was een middelmatig groote, goed gevormde, sanguinische

man, met een prettig, aantrekkelijk gezicht, waarin een paar altijd

droevige oogen stonden. Hij bracht zijn leven door met het besturen

van zijn landgoed, doch heeft het, naar ik geloof, daarin nooit ver

gebracht. Maar hij had eene voor dien tijd zeer goede eigenschap:

hij was namelijk niet wreed, zelfs zachtmoedig, zoodat ik bij zijn

leven nooit van lichamelijke straffen hoorde. Toch moeten ze bestaan

hebben (immers men kon zich toen nauwelijks voorstellen, dat regeeren

mogelijk was, zonder ze nu en dan toe te passen), maar het gebeurde

zoo zelden, dat wij kinderen er nooit iets van bemerkten. 't Was

dan ook eerst na den dood van mijn' vader, dat ik te weten kwam,

dat die strafoefeningen bij ons werden voltrokken.

"Wij kinderen keerden eens met onzen onderwijzer van eene wandeling

terug en ontmoetten bij den dorschvloer den dikken opzichter Andreï

Ilin, gevolgd door den hulp-koetsier Koezma Kriwoi, die in dat

oogenblik een eigenaardig treurigen indruk op ons maakte. Koezma Kriwoi

was een getrouwde, niet meer jonge man. Een van ons vroeg waar zij

heen gingen en Andreï Ilin antwoordde rustig: 'naar den dorschvloer,

waar Koezma gestraft moet worden'. Ik kan onmogelijk het gevoel voor

ontzetting beschrijven, dat me aangreep bij 't hooren van die woorden

en het gezicht van dien goeden, treurigen Koezma. Ik vertelde het 's

avonds aan tante Tatjana, die ons opvoedde. Zij haatte de lijfstraffen,

paste ze nooit op ons toe en behoedde, voor zoover haar invloed reikte,

er ook de lijfeigenen voor. Zij was zeer verontwaardigd, toen zij het

hoorde en zei verwijtend: 'Waarom heb je het niet tegengehouden?' Haar

woorden maakten mij nog droeviger. Ik had nooit gedacht dat wij ons

in die zaken konden mengen en nu bleek het, dat ik het had kunnen

doen. Nu echter was het te laat en het ontzettende was gebeurd.

"Maar, om op mijn vader terug te komen en hoe ik mij zijn leven

voorstel: zijne bezigheden bestonden in het besturen van zijn landgoed

en hoofdzakelijk in het voeren van processen. Procedeeren kwam in dien

tijd over 't algemeen veel voor, maar bij mijn' vader was 't aan de

orde van den dag, omdat hij de verwarde zaken van grootvader nog moest

afwikkelen. Daardoor moest hij veel van huis zijn en bovendien ging

hij dikwijls op jacht. Zijn voornaamste jachtgezelschap bestond uit

zijn' vrienden, den ouden, rijken vrijgezel Kirjejewski, Jaziekoff,

Gljeboff en Isljeneff. Mijn vader deelde in de toenmalige algemeene

gewoonte der landeigenaren, namelijk eene zekere voorliefde voor

een der knechts. Petroeschka en Matjoeschka waren de door hem

uitverkorenen, twee mooie flinke knapen.

"Thuis zijnde bemoeide vader zich met ons en zijn landgoed en las

hij veel. Hij had een bibliotheek, bestaande uit Fransche klassieken,

historische boeken en natuur-historische werken van Buffon en Cuvier.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 2 / 32 段